Geneugten


de dageraad stoeit naarstig
en dicteert het schimmenspel
en jij, jij speelt verstoppertje met
het krink'lend water dat blauwig
stuitert tot een kleurenbel
Het ontwakend licht klautert uit
de bomen en balanceert stuntelend
op de smalle koord van waar
de aarde samen komt met de wijde
hemel en ik gulzig drink van
het liefste wat mij toebehoort
Een vroege vogel griffelt in een boom
wat van je nonchalance en je wezen
integer maar ook zo los en vrij
nu in 't geheel geen schaamte meer
verstrengeld is het bos en
die plotse tederheid van jou
maar niet in het minst van mij
ã



















