ode aan Willem Elschot


WILLEM ELSCHOT
7.5.1882 - 31.5.1960
Het huwelijk
Toen hij bespeurde hoe de nevel van de tijd
in de ogen van zijn vrouw de vonken uit kwam doven,
haar wangen had verweerd, haar voorhoofd had doorkloven,
toen wendde hij zich af en vrat zich op van spijt.
Hij vloekte en ging te keer en trok zich bij de baard
en mat haar met de blik, maar kon niet meer begeren,
hij zag de grootste zonde in duivelplicht verkeren
en hoe zij tot hem opkeek als een stervend paard.
Maar sterven deed zij niet al zoog zijn helse mond
het merg uit haar gebeente, dat haar tóch bleef dragen.
Zij dorst niet spreken meer, niet vragen of niet klagen,
zij rilde waar zij stond, maar leefde en bleef gezond.
Hij dacht: ik sla haar dood en steek het huis in brand.
Ik moet de schimmel van mijn stamme voeten wassen
en rennen door het vuur en door het water plassen
tot bij een ander lief in enig ander land.
Maar doodslaan deed hij niet, wan tussen droom en daad
staan wetten in de weg en praktische bezwaren,
en ook weemoedigheid, die niemand kan verklaren,
en die des avonds komt, wanneer men slapen gaat.
Zo gingen de jaren heen. De kinderen werden groot
en zagen dat de man die zij hun vader heetten,
bewegingloos en zwijgend bij het vuur gezetrn,
een god vergeten en vervaarlijk' aanblik bood.
Willem Elschot -Alfons de Ridder- vandaag vijftig jaar overleden.
7.5.1882 Antwerpen 31.5.1960
In zijn verhalen en gedichten erkent hij geen andere voorschriften dan een voor niets terugschrikkende oprechtheid en een sobere helderheid wat de vom beterft. Zijn cynisme is niets anders dan een afweermiddel tegen en een dekmantel voor zijn grote gevoeligheid.
Zijn voornaamste werken: Villa des roses, Kaas, Tsip, Pensioen, Het been, Lijmen, De leeuwentemmer, Het tankschip, Het dwaallicht. Verder een tiental gedichten
Oosthoeks Encyclopedie.














