Naar de inhoud

Kronieken van Leest

bij Mechelen
seniorennet.beseniorennet.be

1917 – Op 15 oktober 1917 sneuvelde te Diksmuide aan de Ijzer de Leestenaar Theofiel

            Ferdinand Albert Van Hoof.

            Hij werd geboren te Leest op 11 januari 1892 als zoon van Frans Edward “Sooi”,

            de waard uit “de Groene Linde” op de Dorpsplaats en Marie Louise “Wiske”

            Huys.

            Theophiel was vrijwilliger bij het 6e Linieregiment en werd begraven te Oeren, nu

            Alveringem West-Vlaanderen.

 

1917 – Op 16 oktober diende het gemeentebestuur een naamlijst in van de plaatselijke

            schapenhouders met aangifte van de wolvoorraad.

            Frans De Laet, Jozef Rheinhard, Cesar Jacobs en de weduwen Meulemans en

            Hellemans waren goed voor 6 schapen en 13-1/2 kg wol.

 

1917 – 20 oktober : De gemeente Leest kreeg van de Haverzentrale het bevel tot levering

            van 4.000 kg haver.

 

1917 – 26 oktober :

            “...De Raad, overwegende dat de schaarsheid der huisbrandkolen groot is, besluit

            de gezinnen welke zullen bevonden worden van kolen voorzien te zijn, kunnen bij

            de algemene verdeling van kolen, niets meer genieten, zo lang bij hen voorraad

            zal gevonden worden. Misbruiken zullen bestraft worden.” (GR)

 

1917 – 30 oktober : Aangifte van vlaswinning, in het oogstjaar 1917, werd gedaan door

            volgende personen :

            Frans Vanden Sande, Groteheidestraat 33 aren 700 kg.

            Alfons Geerts, Groteheidestraat 12 aren 100 kg.

            Piet Lodewijk Van Roosbroeck, Groteheidestraat 9 aren 50 kg.

           Samen 54 aren en 850 kg geschatte opbrengst ruw vlas. (GA)

 

1917 – Op 31 oktober kwam er nog een vluchteling uit Moorslede toe. Het betrof Gaston

            Mylle, een landbouwwerkman. Hij trok in bij de weduwe Spruyt in de

            Winkelstraat.

 

Hoe vind je dit bericht? 4 stemmen
Geschreven door Marcel Van Hoof om 17:32 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

1917 – 12 mei : Louisa (Wiske) Van Hoof-Huys landbouwster en waardin van “In de Groene Linde”op het Leestse dorpsplein diende bij burgemeesterBernaerts volgende klacht in :

“...Op 11 mei 1917, omtrentrent 10 uren voormiddag ging mijn zoon Jozef  Van Hoof, landbouwer, naar ons land, en in den Kauter heeft zekeren Edward Coeckelbergh, landbouwer te Leest Dorp, die in den Kauter aan het werk was, zijn zoon toegeroepen, wacht ik moet u spreken. Bij mijn zoon gekomen wilde Coeckelbergh hem doen bekennen dat hij den dader was van de teekeningen en smaad die op de poort van Coeckebergh geschreven stonden.Mijn zoon loochende, en Coeckelbergh heeft verwondingen toegebracht aan mijn zoon zijne hand en aan zijn oor, met een aspergiemes.In de nabijheid waren Frans Boonen, August Spruyt, Jozef Verlinden en Isidoor Vloebergh, allen landbouwers te Leest.”

Burgemeester Bernaerts stuurde de klacht naar de procureur des konings te Mechelen. De afloop is ons onbekend.  

 

1917 – “...in den nacht van 16 op 17 mei is uit het kot van Constant De Wit, landbouwer Winkelstraat, een zwijn van 6 maanden oud, wegende omtrent 60 kilos, gestolen.Uit het vooronderzoek bleek dat het kot bij middel van valsche sleutel moet geopend zijn.

Het dier is op omtrent 600 meters afstand van de woning, in het veld, ingevolge de bevonden overblijfsels, geslacht geworden. Alle gedane zoekingen hebben geenen uitslag van ontdekking gegeven.”
           (Proces-Verbaal van veldwachter Van Hoof)

 

1917 – “In den nacht van 17 op 18 mei was pachter Ferdinand Van der Hasselt uit de Kapellebaan het slachtoffer, althans zijn stierke van omtrent 7-1/2 maanden oud, werd hem ontstolen.”
           (Proces-Verbaal veldwachter Van Hoof)

 

1917 – 18 mei : “...de tarwe, circa 40 aren, van landbouwer Karel Verbeeck uit de Tisseltbaan, is bevroren en zal geene opbrengst geven.

Karel Verbeeck vraagt toelating om die 40 a te mogen beplanten met raapkool.”
           (Brief gemeente)

 

1917 – 26 mei : De schoolhoofden Moons en Hellemans ontvingen volgend schrijven :

“...Ingevolge bevel der Duitsche Overheid moeten alle plakschriften door deze Overheid uitgegeven, gedurende 3 maanden aangeplakt blijven.Ik verzoek u dus, van aan de leerlingen uwer school te willen mededeelen, dat

 alle beschadigingen van plakschriften streng zullen gestraft worden.”

 

1917 – Op 31 mei vroeg de burgemeester aan de Zivil Kommissaris om levering van :

“ 1750 kg carbure voor de verlichting van woningen en 250 kg carbure voor de verlichting van werkhuizen van schrijnwerkers, klompenmakers, smederijen en handelshuizen, en voor de verlichtingen van rijtuigen van melkhandelaars en andere vervoerders.

Voor de verlichting van openbare gebouwen zoals burelen van het gemeentehuis,kabinet des burgemeesters, kerkgebouwen en scholen : 125 kg carbure...”

 

1917 – Juni 1917 : Een Duits bevel over “Wol, matrassen en kussens”, luidde : “...Gij zijt hierbij uitgenodigd de voorwerpen die gij in bezit of in bewaring hebt en die, krachtens de verordening van 23 mei 1917, van den Generaal-Gouverneur en krachtens mijn uitvoeringsbekendmaking van 22 juli 1917 moesten afgeleverd worden, tegen gereed geld al de tot vulsel van matrassen en kussens gebezigde wol, hetzij zuiver of met andere bestanddelen, bv.paardshaar, zeegras vermengd, af te leveren...Wordt aan deze uitnodiging geen gevolg gegeven, dan zullen de af te leveren wol,     matrassen en kussens door dwang afgehaald en de in gebreke zijnde personen gestraft worden.Tot huiszoekingen zal worden overgegaan.”

De Generaal-Gouverneur van België, Dr von Kohler. (MK)

Te Leest verschenen in juni 1917 plakschriften om opgave te doen van het aantal matrassen.

Burgemeester Bernaerts was de enige die hier op inging. Hij gaf zeven matrassen aan -in wol met paardhaar gemengd.

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 00:00 Reageer op dit bericht

1917 – 1 juni : Op bevel van de Duitse Overheid werd Henri De Prins uit de

            Blaasveldstraat verplicht zijn vlas onmiddellijk te bewerken.

            “Ingeval van weigering moet het vlas door het vlasbureau van Lokeren opgekocht

            worden en na de bewerking moet het juiste gewicht ten gemeentehuize

            aangegeven worden...”

 

1917 – Dezelfde dag 1 juni hernieuwde burgemeester Bernaerts zijn dringende vraag om

            kolen :

            “...de kolen zouden moeten komen van de mijn Strepij-Bracquegnies, en per spoor

            tot in Hombeek-Statie.

            Aangezien den kolenvoorraad van weduwe Bonifacius Lauwers, maalderes,

            geheel uitgeput is, en zij het broodgraan der gemeente-inwoners moet malen

            met haren stoomgraanmolen, vragen wij om toelating tot verzending van 15

            ton kolen...

            Moest de verzending voor 15 juni niet gedaan worden, dan zal het grootste deel

            der bevolking in broodnood zijn...”

 

1917 – 7 juni : Om 11 uur zou in het gemeentehuis een vergadering plaatsvinden, waarin

            aan alle Leestse handelaars en winkeliers mededeling zou gedaan worden

            “omtrent de modaliteiten van de voortzetting van hunne handel”.

            Niemand kwam echter opdagen.

            Nochtans had de burgemeester bij middel van plakschriften en via afkondiging na

            de  hoogmis de plaatselijke neringdoeners verwittigd dat er “tot voortzetting van

            hunnen handel, aanvraag diende gedaan te worden”.

            Het betrof hier maatregelen om de woekerij in levensmiddelen tegen te gaan.

 

1917 – Op 9 juni vroeg Corneel De Wit toelating tot het omploegen van 5 are tarwe die

            door de vorst vernietigd was, en deze oppervlakte te herplanten met koolraap.

 

1917 – 14 juni : Aardappeldiefstallen –

            Op het land van Frans Van Roey, tegen de Winkelstraat aan, werden 2-1/2 are

            oppervlakte aardappelen (Krugers) te velde gestolen en op het land van Pieter Jan

            Gobien ter plaatse Rennekouter, 4 are 60 ca (vroege).

 

1917 – 30 juni : Brief van het Gemeentebestuur Leest : Philip Jaak CORTEBEECK,

            geboren Leest 11 april 1878 wonende Koeistraat nr. 8 vestigde zich in ‘t

            gesticht De Cuyper te Stabroek.

 

1917 – In juli werden de landbouwers van Leest verplicht aanmelding te doen

            “wanneer zij beginnen met het dorsen van hun graan...”

 

1917 – 14 juli : Het gemeentebestuur verkocht 20 kg aangeslagen aardappelen aan 22

            centiemen het kg.

 

1917 – Op 26 juli werden op het gemeentehuis 55 aangiften van tabakplantingen

            neergelegd.     

 

1917 – “...Op 1 Oogst 1917 zijn er 669 kilos Soda vervoerd van Willebroek naar Leest.”

 

1917 – Op 5 augustus kwamen er te Leest 79 vluchtelingen toe.

            Bijna allemaal waren ze afkomstig uit Moorslede West-Vlaanderen.

            Ze werden geplaatst bij inwoners der gemeente.

 

1917 – Op 8 augustus werden er te Leest verschillende bomen aangeslagen van volgende

            eigenaars : Weduwe Cnops-Wauters, Notaris Van Melckebeke uit Mechelen,

            Baron de Wykersloot Brussel, Alfons Piessens Leest, Weduwe Vloeberghen en

            kinderen Leest, Baron de Vinck Brussel, Benoit Van Ingelgem Mechelen,

            Graaf de Ramaix Antwerpen, Coemans Mechelen, Montens Antwerpen en

            W. Apers Leest.

 

1917 – 15 augustus : Begin van het zomerverlof  voor de Leestse gemeentescholen en dit

            tot 20 september.

 

1917 – 16 augustus : De burgemeester stuurde een lijst met 98 aangiften van

            tabakbeplantingen naar de Ontvanger der Rechtstreekse belastingen te Mechelen.

 

1917 – Op 21 augustus  stelde veearts Van Passen een vermoedelijk geval van schurft

            vast bij “den poney” van  Louis Van Aken.

 

1917 – 22 augustus :

            “...in de gemeente Leest bestaan er geene lukshonden, wel waak- en trekhonden

            waarop nooit ene belasting is gehouden.”

1917 – 23 augustus : Bevel van de bezetter :

            “...Afgekeurd vlees van noodslachtingen moet onmiddellijk overgebracht worden

            naar de krengbenuttiging.”

 

1917 – Eind augustus werden er eindelijk maatregelen getroffen tegen de nachtelijke

            diefstallen op de velden.

            Burgemeester Bernaerts stuurde een lijst met 50 namen van landbouwers naar de

            Zivil-Kommissaris “dewelke aanvraag gedaan hebben om toelating te bekomen

            om bij nachte de velden te bewaken.”

 

1917 – 12 september  - Aardappelsmokkelaars :

            “...de gemeente Leest heeft heden 400 kg aardappelen aangeslagen.

            200 kg daarvan werden vervoerd door een zekere Jan Frans Verdoodt, wonende

            Pikkerij Hombeek en 200 kg vervoerd door Victor De Boelpaep, wonende te

            Humbeek Dorp.

            Deze aardappelen waren gekocht aan 65 fr de 100 kg.

            Volgens de verklaringen van de smokkelaars hadden zij deze aardappelen gekocht

            bij Petrus Van den Eede uit de Tisseltbaan.”

 

            Daags nadien werden 1150 kg aardappelen aangeslagen.

            500 kg ervan werden vervoerd door een zekere Edward De Boelpaep. Ze waren

            afkomstig van de weduwe Vloeberghen uit de Koeistraat.

            De overige 650 kg werden door de burgemeester aangeslagen bij twee Duitse

            soldaten, die ze vervoerden met een wagen bespannen met twee zwarte paarden.

            De aardappelen waren 25 fr de 100 kg betaald.

 

1917 – 20 september : De Leestse kolenverkopers werden heden ten gemeentehuize

            geroepen, alwaar hen mededeling werd gedaan van de voorschriften der Duitse

            Overheid.

            De kolenhandelaars in die dagen waren :

            Alfons Apers uit de Tisseltbaan.

            Vrouwe Joseph Apers, Mechelbaan.

            Weduwe Laurent Meulemans, Dorp.

            Pieter Van den Eede, Tisseltbaan.

            Karel Van Praet, Tisseltbaan.

 

1917 – 30 september : Te Leest verbleven, vluchtelingen inbegrepen, 310 gezinnen.

 

1917 – Vanaf 1 oktober 1917 werd door het “comiteit” aan de bevolking voedsel

            uitgedeeld : bloem, rijst, vlees en spek uit Amerika “Wilsonspek” genoemd.

            Ook waren er soepbedelingen, deze werden door de gemeente begroot op 20 liter

            per dag en 108 fr per week.

            Om deze onvoorziene onkosten het hoofd te bieden besloot het gemeentebestuur

            een lening van 4.000 fr aan te gaan bij de Spaar- en Leengilde, aan 4% per jaar

            en terug te betalen een jaar na het sluiten van de vrede.

            (GR-26/10/1917)

 

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Marcel Van Hoof om 18:13 Reageer op dit bericht

 

1917 – 31 januari : Pieter Corneel Brugghemans en Henri Van Praet, landbouwers

            uit de Alemstraat, deden aangifte van de verkoop van vlas en klodden aan de

            aangestelde opkoper.

            “...respectievelijk 38 kg vlas (gezwingeld) en 14 kg klodden door Brugghemans en

            23 kg gezwingeld vlas en 15 kg klodden door Van Praet.” (GA)

 

1917 – 1 feburari : Meester Jan Dumont verliet Leest voorgoed en vestigde zich te Evere.

            “...vanuit Leest vertrok hij met 300 kg aardappelen waarvan 100 kg

            plantaardappelen en 8 kg boter, door hem sedert augustus ingezoten.

            Zijn gezin zal te Evere bestaan uit 4 personen...”

            Met zijn patatten vergezelde hem een dankbrief van het Leestse gemeentebestuur:

            “...onzen oprechten dank voor Uwe zoo nauwgezette als eervolle waarneming van

            het ambt van hoofdonderwijzer onzer gemeenteschool, gedurende omtrent veertig

            jaren. Wij zeggen eervol, en met rede, want de opvoeding der jeugd was steeds

            uwe grote bezorgdheid, ook uw school was altijd bij wedstrijden op de eerste

            plaatsen.

            Nogmaals dank dus, en welverdiende rusttijd gunnen wij u van harte nog vele

            jaren...” (GA)

 

1917 – Op 12 februari deed de burgemeester de gemeentescholen sluiten “tengevolge

            van het volkomen gebrek aan steenkolen...” (GA)

 

1917 – 15 februari : Brief tot de Zivil-Kommissaris :

            “...tot antwoord aan uw schrijven, zo doen ik U kennen dat de Vlaamsche taal

            altijd gebruikt wordt in de vergaderingen van gemeenteraad en schepencollege

            en in de andere handelingen en geschriften des bestuurs.

            Dit gebruik is in voege sedert 16/1/1822 en niet eene beraming werd genomen,

            dit gebruik verplichtende daar al de raadsleden alleen het Vlaamsch kundig

            zijn.

            Het Vlaamsch is ook de voertaal in de school, voor de leerlingen der hoogste

            afdeling wordt er weinig Fransche taal aangeleerd.

            Het gemeentebestuur gebruikt nooit de Fransche taal, dan tot beantwoording van

            brieven, uitgaande van gemeentebesturen van de franssprekende streken...”     

 

1917 – Op 16 februari kreeg maalderes “Vrouwe” Alfons Maes schriftelijke machtiging

            van de Ernte Commission tot het malen van graan.

 

1917 – Op 21 februari werden er gevallen van schurft waargenomen bij de paarden van

            August Cnops, Corn. Van den Brande en Jozef Scheers.

            Daarvan stuurde het gemeentebestuur een kennisgeving naar de gemeentebesturen

            van Mechelen, Hombeek, Heffen, Blaasveld, Tisselt en Kapelle o/d Bos.

 

1917 – 23 februari : Burgemeester Bernaerts werd verplicht een maandelijks verslag in te

            dienen over de toestand van de oogst te Leest en ook in de omliggende

            gemeenten.

 

1917 – 24 februari : Te Leest opereerden 35 verschillende “melkopkoopers”, waarvan 14

            Leestenaars. De melk werd uitgevoerd naar Mechelen, Antwerpen en/of Brussel.

            (GA)

 

1917 – 25 februari : De burgemeester richtte een dringend verzoek tot de Zivil

            Kommissaris tot het bekomen van kolen. Als losplaats werd Statie Hombeek

            aangeduid.

 

1917 – 27 februari : “Door de overvloedige regens zijn de aardappelkuilen onder water

            gelopen en de aardappelen verrot.” (Brief Jaak Bernaerts)

 

1917 – 4 maart : Leest sloot zich aan bij de andere gemeenten van “den kreis” Mechelen,

            “tot het doen van gezamentlijken aankoop van levensmiddelen en andere   

            benoodigheden voor de bevolking.” (GR)

 

1917 – Op 6 maart werd bij hoogdringendheid en op bevel van veearts Van Passen, een

            koe afgemaakt “ingevolge een ongeval bij ’t kalven”.

            De koe hoorde toe aan Jn. Jozef Vloeberghen.

            Het vlees is op de vrijbaénk in de gemeente aan de inwoners tegen 2 fr de kilo

            verkocht geworden”.

 

1917 – 13 maart : Uit een brief van Jaak Bernaerts aan het Belgisch Inlichtingsbureeel

            voor Krijgsgevangenen en geinterneerden, Leermarkt 9 te Mechelen :

            “...tot gevolg van uw schrijven doen ik u kennen dat den genaamden Desmedt,

            geinterneerd te Soltan, geene familie heeft in staat hem het tweede pak

            maandelijks te leveren.

            De gemeente zal dus die kosten tot haren last nemen..

            ...dat de ouders der krijgsgevangenen Selleslagh Egied en Van den Heuvel Frans

            in staat zijn het noodige te doen.

            Dat de ouders van Van Steen Theophiel onvermogend zijn, zodat de gemeente de

            bekostiging van het maandelijksche genogide pak dragen zal voor dezen...”

 

1917 – 15 maart : Leest telde 3.482 stuks vee.

 

1917 – Op 24 maart kreeg het schoolhoofd toelating van de Duitse Overheid “de klassen

            te hernemen in onverwarmde lokalen”.

            Tevens werd hem verzocht de klassen tijdens de Paasvakantie open te houden

            om de verloren tijd enigzins goed te maken.

 

1917 – 29 maart : 13 are tarwe van Karel Steenmans uit de Tisseltbaan zijn door vorst

            geheel vernietigd.

 

1917 – 1 april : Zwijnenstand der gemeente Leest : 20 kweekzwijnen, 191 mestvarkens

            en 40 scheutelingen (lopers).

 

1917 – 8 april : Omtrens 16u30 ontstond er brand in het karhuis van Pieter Jan Lemmens

            uit de Scheerstraat.

            Een partij droog hooi en strooi, klein landbouwersgereedschap en 400 kg

            plantaardappelen  werden vernield.

            De oorzaak van de brand bleef onbekend.

 

1917 – 8 april : De “privaatputten” van de gemeentescholen werden verpacht  aan

            Arthur Buelens voor 15 fr per jaar en Jan Publie voor 34 fr per jaar.

            (Repertorium der gemeenteakten)

 

1917 – In de nacht van 9 op 10 april stal men uit de schuur van Frans De Prins uit de

            Alemstraat 200 kg aardappelen, 200 kg graan, 15 kg haver en 50 kg guano.

            Van de daders geen spoor.

 

1917 – In de nacht van 18 op 19 april was landbouwer Scheers het slachtoffer.

            De buit : 400 kg eetaardappelen.

 

1917 – Op 2 mei kwam er een bevelschrift van de Kreischef uit Mechelen waarin hij

            de inlevering eiste van prikkeldraad en effendraad.

            De weideafsluitingen mochten slechts twee draden behouden.

 

1917 – 10  mei : De Duitse Overheid weigerde toelating te verstrekken aan Gaston

            Busschot uit de Blaasveldstraat “tot verkoop en vervoer van 6 liters melk

            dagelijks naar Antwerpen.”

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 18:06 Reageer op dit bericht

1917 – 11 januari : Jan Constant Moons werd door de voltallige raad benoemd tot

            hoofdonderwijzer in vervanging van Jan Dumont.

            Daarvoor ontving hij 2.100 fr jaarwedde, het genot van een woonst met hof en een

            bestuursvergoeding van 100 fr. (GA)

            Jan Constant Moons was  te Leest geboren op 19 november 1878 en getrouwd

            met de zuster van Constant Buelens.

            Hij woonde in de Koestraat. Amper gehuwd in 1913, overleden beide echtgenoten

            korte tijd na mekaar in 1918.

 

1917 – 16 januari : “...bij de weduwe Vloeberghen, Koeistraat Leest, is heden het

            volgende in beslag genomen en nedergelegd ten gemeentehuize door de Duitsche

            soldaten : 750 kg aardappelen, 450 kg rogge, 75 kg haver en 35 kg meel.” (GA)

 

1917 – 20 januari : De weduwe Spruyt uit de Winkelstraat weigerde 1.450 kg

            aardappelen, bij haar aangeslagen door “Duitsche soldaten Controleurs”, af te

            leveren in het gemeentehuis.

            Als reden gaf zij op “dat zij eerst mijnheer de Zivil-Kommissaris wou spreken.”

            (GA)

 

1917 – 25 januari : Bij Karel Lodewijk Van Aken in de Kleinheidestraat werd 850 kg

            haver in beslag genomen. (GA)

 

1917 – 25 januari : Met negen stemmen op negen werd Victor Jozef Selleslagh verkozen

            tot hulponderwijzer.

            Zijn jaarwedde : 1.200 fr plus 150 fr verblijfsvergoeding.

            Victor Selleslagh was tijdelijk dienstdoende onderwijzer te Tisselt. (GA)

Stan Gobien, zelf hoofdonderwijzer en inspecteur in 1996 in een brochure “Reünie van de Leestse vijftigjarigen” over meester Selleslagh :

“...Meester Selleslagh was ook een speciale figuur. Hij was een rasechte optimist en een filosoof en daarbij een grappenmaker als geen ander.

Tijdens de catechismuslessen kon hij uitspraken doen die geen ander kon nadoen.

Wanneer iemand zijn catechismusles niet had geleerd en toch probeerde een en ander van het antwoord te geven, kon dat natuurlijk niet letterlijk zoals het  in het boekje stond. Was meester Selleslagh in een serieuze bui dan zei hij : “half en half, maar toch niet heel.” Was de meester in een filosofische bui dan werd het een of andere spreuk die voor ons erg aangebrand leek. De hele klas riep dan : “Heu !!!” Nog geen drie seconden later vloog dan de deur open stond meester De Leers daar en hij riep dan : “Wat is dat hier nu weer !!!” of “Is ’t hier weer kermis ???”

Meester Selleslagh trok zich daar niets van aan en koos – toen meester De Leers weg was – een nieuw slachtoffer waarvan hij met zekerheid wist dat die ook zijn catechismusles niet kende. Toen die zijn tekst wat had gebrabbeld en toen het inderdaad kant noch wal raakte, toverde hij een van zijn andere geijkte spreuken uit zijn mond. De hele klas brulde dan nog luider dan voorheen : “Heu!!! Heu !!!” Meester De Leers kwam toen niet meer opdagen. Dat wist de meester en dat wisten wij ook !

Er werd destijds nogal wat kattekwaad in de klas uitgestoken. Meester Selleslagh vloog dan naar de boosdoener. Deze zag de wervelwind naderen en sprong de bank uit en rende tussen de banken door de klas. De meester zette natuurlijk de achtervolging in. De andere leerlingen supporterden en joelden en de meester probeerde de belhamel uit te schakelen door hem bij de kraag te pakken en een pak voor zijn broek te geven. Sommige leerlingen waren hem echter te vlug af en toen hij moe werd van de achtervolging probeerde hij een andere tactiek : hij zou het opgejaagd wild uitschakelen door een rake trap. Velen ons ons hebben op deze manier een trap onder hun achterste gekregen.

Daarna vlogen de stouteriken in de hoek tot aan de speeltijd.
Wij zullen echter nooit te weten komen of meester Selleslagh het echt meende of toneel speelde. Vermoedelijk beschouwde hij het als een toneelspel.

De lei en de griffel bleven nog bestaan, maar in het derde en vierde leerjaar hadden we ook al een kladboek om er onze oefeningen in te schrijven. We schreven nog steeds met een ballonpen, waarmee we hadden leren schrijven aan het einde van het eerste leerjaar.

Ballonpennen moeten er destijds door het Leestse gemeentebestuur met duizenden gekocht zijn en meester De Leers moet hectoliters schoolinkt hebben gemaakt...”

 



1100103-d8f22c03adce64d8ca9909305a66feb4.jpg

1100103-cb403374ec36c39fe6d7bbba39054b82.jpg
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Marcel Van Hoof om 18:00 Reageer op dit bericht

 

1917 – Dat jaar was de winter zeer streng. De aardappelen bevroren in de kelders en men

            moest rapen eten om de honger te stillen. In deze winter werd men ook

            geconfronteerd  met de zogenaamde “Spaanse griep” die veel slachtoffers maakte,

            ook in Hombeek.” (KH)

 

1917 – 4 januari : Dertien personen uit de gemeente werden weggevoerd naar Duitsland.

            Het grootste deel zou echter reeds in februari worden weergezonden.

            In het gemeentearchief vonden we daarover volgende gegevens :

 

 Lijst der weggevoerden – Opgeeisten van Leest gedurende de bezetting.

 

A. Weggevoerden naar Duitsland.

 

1. Spruyt August, arsenaalwerkman, Tisseltbaan.

2. Van der Taelen Piet Frans, arsenaalwerkman, Dorp.

3. Rottiers Joseph, arsenaalwerkman, Tiendeschuurstraat.

4. Leemans Willem Lodewijk, staatswerkman, Tiendeschuurstraat.

5. Fierens Emiel,  arsenaalwerkman, Tiendeschuurstraat.

6. Lauwens Antoon Jozef, landbouwer Kapellebaan.

7. Van Muylder Victor, staatswerkman, Kapellebaan.

8. Geerts Alfons Juliaan, landbouwer, Blaasveldstraat.

9. Geerts Corneel Frans, dagloner te Leest, alsmede landbouwer te Tisselt, Moer.

10. Alewaters Karel Lodewijk, landbouwer Tisseltbaan.

11. Teughels Jaak, werkman, Dorp.

12. Geerts Antoon, arsenaalwerkman, Molenstraat.

13. Potoms Lodewijk, verhuisde naar Blaasveld.

 

B.

 

“Boonen Frans en Jacobs Frans Jan Baptist, landbouwers te Leest Kouter, zijn aangehouden geweest als spioenen voor het Engelsch leger, en opgesloten in ’t gevang te Antwerpen.

De eerstvermelde is na eenige weken gevang, tengevolge van ziekte vrijgelaten, de tweede gemelde Jacobs, werd eenige dagen voor de wapenstilstand tot de doodstraf veroordeeld, maar zijn vonnis is niet uitgevoerd.”

(GA-5/10/1920)

 

“Joseph Rottiers, nr. 3 op bovenstaande lijst, was geboren te Opdorp op 16 mei 1887.µ

Hij was spoorbaanwerker bij de staatsspoorwegen en werd door de Duitse bezetter weggevoerd naar het kamp van Soltan, alwaar hij drie maanden verbleef zonder te willen werken. Daarna werd hij overgevoerd naar Elsederutten alwaar hij onder bedreiging van slagen en verhongering gedwongen werd te werken in de steengroeven en ijzerertsmijnen tot 8 juli 1917, dit zonder loon.

Joseph Rottiers  werd weggevoerd omdat hij weigerde voor de Duitsers aan de spoorbaan te werken.

Te uitgeput om nog te kunnen werken, werd hij teruggestuurd naar België.

(GA-13/2/1923)

 

Willem Lodewijk Leemans, nr. 4 op de lijst, werd geboren te Leest op 26/10/1890 als zoon van Antoon en van Maria Clotildis Van den Branden.

Hij zou weerkomen op 8 juli 1917.

(GA-13/12/1922)

 

Voor Antoon Geerts, nr. 12 op de lijst, schreef burgemeester Bernaerts op 6 maart 1917, volgende brief naar de heer Voorzitter van het Meldeambt te Mechelen :

“...Antoon M. Geerts, werkman en wonende Molenstraat nr.8, is op 4 januari 1917 overgevoerd geworden naar het kamp van Soltan (Duitsland).

Hij is gehuwd met Van Kerckhoven Joanna Octavia, oud 36 jaren, en was, bij zijne wegvoering, vader van 4 kinderen, die geboren zijn in 1905, 1907, 1912, en 1913.

Zijne vrouw is op 5 maart 1917 bevallen van een vijfde kind, hetwelk den last van dit gezin nog vergroot en de hulp des vaders in dezen ogenblik vraagt.

Deze weggevoerde is altijd van goed gedrag geweest, goed huisvader, spaar- en werkzaam, en zijne terugzending wordt door zijn gezin en familieleden zeer betracht.

Van eene landbouwersfamilie voortspruitende heeft hij altijd zijne bezigheid in de landbouwerij gevonden sedert den duur van den oorlog.

In de hoop, Mijnheer, dat deze vraag gunstig onthaal verwerve, bied ik u mijne groeten aan...”

 

Julien Geerts, nr. 8 op de lijst, vertelde later zelf :

“Ik vertrok op 4 januari 1917 vanop Nekkerspoel en kwam als laatste van allen terug op 15 juli 1917, na 6 maanden en 11 dagen.

Wie zes maanden had gedaan in Duitsland kreeg na de oorlog een decoratie, ik was er nog juist bij.

We verbleven in het kamp te Soltan. Daar waren de Leestenaars samen, maar om te werken moesten we uit elkaar.

Eerst werd ik tewerkgesteld in een steengroeve bij Melsdorf boven Kiel.

We moesten er kiezel uithalen. Nadien heb ik in een melkerij gewerkt te Mecklenburg en op het laatste zat ik in een houtfabriek te Luneburg waar ze triplex maakten.

Het eten dat we kregen was niet fameus : van die “groene kraag”, beten gelijk we zeggen, gemengd met mosselen of vis ; daar is geen enkele koe die dat gewild zou hebben. Ze gaven ons ook “Choukroute”, witte kolen uit vaten.

We kregen ook pap van zogezegde “gebarsten tarwe”, geen enkele maag wou dat verteren : dat kwam er uit gelijk het er in ging !”.

(LG, blz.264,265)

 

Jan August Maes, tijdens de oorlog in Hombeek wonend, was te Heffen geboren op 18 april 1885. Later kwam hij naar Leest wonen in de Tiendeschuurstraat.

Hij was gehuwd met Maria Jozefina Leemans.

Omdat hij rijwielmaker was, een beroep dat toen onmogelijk uit te voeren was, en bijgevolg werkloos, werd hij op 4 januari naar Soltan gevoerd.

Na drie maanden verplaatste men hem naar Elsederutten tot 26 juli 1917, de dag zijner terugzending naar zijn vaderland.

(GA-6/2/1923)

 

1917 – Op 8 januari richtte de burgemeester een nieuw verzoek tot de Zivil Kommissaris

            omtrent de herstelling van de Zennebrug.

            “...de tijdelijke brug, door de gemeente aangesteld tot doorgang van voetgangers

            op de vernietigde brug, komt in zeer slechten toestand en loopt dagelijks

            onder water, het hout verrot, zodanig dat er ongelukken kunnen uit voortspruiten.

            Kan de nieuwe brug niet kortelings geplaatst worden om de verantwoordelijkheid

            der gemeente te dekken bij ongevallen...”

 

            Dat jaar zou de nieuwe brug er komen. Ze werd gelegd door de Duitsers, de oude

            werd  ontmanteld.

Hoe vind je dit bericht? 3 stemmen
Geschreven door Marcel Van Hoof om 17:45 Reageer op dit bericht

1916 – Op 7 oktober nam de burgemeester opnieuw de pen ter hand om een versoepeling

            te vragen van een reeks Duitse verordeningen.

            Zo moest het gerst voor 15 september gedorst worden, de late aardappelen werden

            onmiddellijk opgeeist en de levering van 1/3 van het in te leveren graan werd

            bevolen voor 31 oktober. Tevens moesten de Leestse boeren overgaan tot het

            dorsen van het broodgraan.

            “...de naleving van die verordeningen heeft reeds, -en zal nog schade toebrengen

            aan de landbouwers, en ontreddert de gehele landbouwbewerking, te meer, vele

            landbouwers, -alhoewe niet wederspannig tot naleving der verordeningen en

            bevelen zullen kunnen bestraft worden, alle werken kunnen niet gelijktijdig met

            goed gevolg gedaan worden.

            Door die omstandigheden is de winning der veevoedergewassen veel moeten

            verwaarloosd worden.

            De landbouwers worden aangezet tot het bebouwen en beplanten van alle

            gronden en van den anderen kant worden zij belet, - bijzonder door het bevel

            tot het onmiddellijk graandorschen op dezen ogenblik, - hunne landen tijdig te

            kunnen bewerken en bezaaien...”

 

1916 – 22 oktober : Vergadering in de gemeentelijke jongensschool, Scheerstraat, om aan

            de landbouwers “mededeeling te doen van hunne verplichting van inlevering der

            botervoortbrengst.”

 

1916 – Dezelfde dag 22 oktober, liet de burgemeester “op de gewone plaats na de

            hoogmis” afkondigen, dat alle mannelijke werklozen verplicht waren zich te

            laten inschrijven ten gemeentehuize.

            Burgemeester Bernaerts handelde hier op bevel van de bezetter.

            Herhaalde malen werd hem om een lijst van de werklozen verzocht. Deze vraag

            werd ook aan het plaatselijk “Hulp- en Voedingskomiteit” en aan de pastoor

            gesteld.

            De Duitsers zouder er echter nooit in slagen te Leest zo’n lijst op de kop te tikken,

            de werklozen werden immers naar Duitsland gestuurd.

 

1916 – 25 oktober : De eigenaars van door de oorlog zwaar beschadigde gebouwen,

            ontvingen volgende brief :

            “Ingevolge schrijven van den heer Kreischef van Mechelen, zullen er tot de

            herstelling van oorlogsbeschadigde gebouwen, subsidiën tot een maximumbedrag

            van 15.000 franken, zonder verplichting tot schadeloosstelling of terugbetaling,

            toegestaan worden.

            Bij het schatten der toelagen is in den regel daarvan uit te gaan, dat gij

            inbegrepen de kosten van plansopstelling en van architectenhonoaria, hoogstens

            drijvierden der kosten dekt, die tot herstelling van den eigendom in den toestand

            van zijne beschadiging noodig zijn.

            De aanvragen tot ondersteuning moeten persoonlijk bij den huidigen heer Zivil

            Kommissaris te Mechelen ingebracht worden, die den vrager de nadere beslissing

            zal mededeelen...”

 

1916 – Op 16 november 1916 overleed Jozefina Augusta Selleslagh, geboren te Leest op

            27 maart 1915, aan “tuberculose ontsteking der hersenvliezen”, volgens

            bewijsschrift van dokter De Becker.

 

1916 – Einde november deed de Duitse Krijgsraad in alle steden en dorpen van ons land

            een bericht aanplakken om de werklieden voor hen te doen werken :

            “ Werklieden,

            de Krijgsraad duldt geen werklozen, of onvoldoende bezigheden meer. Wij raden

            aan u als vrije arbeiders aan te geven, om de dag te voorkomen waarop gij zult

            gedwongen worden.”

            In Mechelen verscheen dit bevel op 23 november langs de straten.

            Niettegenstaande deze oproep kwam zich daar niemand aanbieden, ondanks het

            hoge loon dat verder op het plakkaat vermeld stond.

            Enige dagen later verscheen daar een tweede bevel : “alle burgers, zonder

            onderscheid van 17 tot 45 jaar, moesten zich bij de Krijgsraad aanbieden, op

            straf van met geweld naar Duitsland gevoerd te worden...”

            Vanuit Leest zouden zes personen vrijwillig naar Duitsland vertrekken.

            Twee onder hen waren vluchtelingen uit Moorslede die in de gemeente verbleven.

            Dertien Leestenaars zouden verplicht worden tewerkgesteld in Duitsland.

 

1916 – 1 december : De Leestse maalders kregen bericht dat er opnieuw mocht gemalen

            worden, dit van 07u00 tot 19u00.

            Overtredingen zouden worden bestraft.

 

1916 – 8 december  : In de gemeenteraad werd het reglement op het kosteloos

            geneeskundig toezicht in de scholen goedgekeurd.

            Dokter Van Assche uit Hombeek werd benoemd tot geneeskundig opziener in de

            gemeentelijke meisjesschool en dokter De Becker uit Tisselt in de jongensschool.

            De dokters moesten iedere maand de Leestse jeugd onderzoeken en ontvingen

            daarvoor 2 fr per onderzocht kind.

 

1916 – 13 december : De Duitsers zoeken de jonge mannen op om in Duitsland te werk te

            stellen. Alle jongeren moesten op het “Meldeamt” te Mechelen een stempel halen

            voor vrijstelling. De meesten worden afgewezen. Ze hebben nog het recht hun

            aanvraag voor vrijstelling beter te argumenteren en bezwaar in te dienen.

            (Kroniek van de 20ste eeuw – Hoembekania)

 

1916 – Op zaterdag 16 december werden de eerste arbeiders per trein naar Duitsland

            vervoerd. Op maandag 18 en dinsdag 19 december  vertrokken nieuwe lichtingen.

            Vertrekplaats : station van Nekkerspoel.

            Meer dan 1000 personen vertrokken vanuit Mechelen.

 

1916 -19 december : Alweer schurft, ditmaal wat het paard van Louis Van Aken het

            slachtoffer. (GA)

 

1916 – 28 december -  Gemeenteraadszitting : de pensioenaanvraag van

            hoofdonderwijzer Dumont werd gunstig geadviseerd en zijn ontslag werd

            aangenomen.

            Het schepencollege werd gelast tot het bekendmaken “van het open zijn der

            Plaatse” en de ontslagnemende “in naam des Raads, onze oprechte

            dankbetuiging te doen kennen, voor de eervolle en nauwgezette waarneming

            van zijn Ambt.”

 

1916 – De eerste levering van late aardappelen in december bedroeg samen 34.933 kg.

            De tweede 40.495 en de derde 53.804 kg. (GA)

 

1916 – 31 december  : Brief van de burgemeester tot de Provinzial Ernte Kommission,

            Schuttershofstraat Antwerpen :

            “...Martens Louis, landbouwer Bist, zijn graan is uitgegeseld maar niet geheel

            uitgedorscht. Hij heeft een slag gekregen van een paard waardoor hij onbekwaam

            was tot werken.

            Scheers Joseph, Tinneschuurstraat, heeft geheel zijnen oogst niet kunnen

            dorschen. De reden is dat een zijner paarden is opgeeischt door de Duitsche

            Overheid en dat zijn ander paard mankt en in onbruik is.

            Hij dorscht met molen met paardenkracht bewogen.”

 

            Oudere Leestenaars wisten te vertellen hoe sommige boeren, om hun paarden te

            behouden,  zelf deze dieren verminkten,  door een spijker in hun hoeven te

            hameren.

 

1916 – Einde december verklaarde de burgemeester dat er in de gemeente Leest “geene

            werkeloozen bakkers of geen werkeloozen beenhouwers bestonden, de twee eenige

            bakkers zijn noodig tot het algemeen welzijn der gemeente, en de eenige slachter

            van zwijnen in de gemeente die ook landbouwer is, is noodig tot het algemeen

            welzijn.”

            In de gemeente bevond zich ook geen enkele beenhouwer dixit de burgemeester.

            (GA)

 

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Marcel Van Hoof om 17:43 Reageer op dit bericht

1916 – 5 september : Huwelijk soldaat Lansier Louis De Borger (zie foto)

            Omdat Louis De Borger zo’n flinke ruiter was, verbleef hij de ganse oorlogstijd

            in Calais (Frankrijk). Hij moest er de wilde paarden africhten die uit Amerika

            hier toekwamen.

            Enkel het laatste groot offensief maakte hij mee.

            Tijdens de oorlog leerde hij een Frans meisje kennen , Emma Fauquet.

            Hij nam haar tot zijn vrouw op 5 september 1916.

            Na de oorlog vestigde het echtpaar zich te Battel  om  zich uiteindelijk naar

            Sint-Katelijne-Waver te begeven.

            Louis was een zoon van Pieter Frans De Borger en van Maria Elizabeth De

            Maeyer en  de broer van de gesneuvelde Frans De Borger.

            (LG,blz.255)

 

1916 – “In den nacht van 25 op 26 augustus, ter plaatse Scherpenhoring, nabij de limiet

            met Thisselt, zijn er gestolen op het land van Frans Apers, landbouwer van de

             Tisseltbaan, omtrent 15 aren late aardappelen (industrie).” (GA)

 

1916 – 20 september : Verdenking van schurft bij de paarden van de weduwe Spruyt uit

            de Winkelstraat en Frans Apers uit de Tisseltbaan. (GA)

 

1916 – 22 september : Brief van de burgemeester van Leest gericht aan “den Heere Zivil

            Kommissaris te Mechelen” :

            “...bij deze neem ik de vrijheid namens de inwoners der gemeente Leest, aanvraag

            te doen tot het bekomen van herstelling van de brug over de Senne bij den oorlog

            onbruikbaar gemaakt.

            Deze brug gaf aan onze gemeente rechtstreeks verbinding met Mechelen en nu

            moet men met gespan den omweg doen langs Hombeek

            Door oorlogsomstandigheden werd de Zennebrug verschillende malen vernield.

            Een eerste maal in 1914. Drie jaar lang moest men zich behelpen met een

            houten bruggetje.

            Bij laag water kon men er droogvoets over maar bij hoog water liep het

            bruggetje onder en dan werden de mensen “overgedragen”. De “Witte van

            Nagels”  (Louis Nagels, hij woonde op de Warande) deed dit voor een cent.

            (LG,blz.27)

 

            De gemeente heeft, in de mate harer geldmiddelen, enkel in het verkeer voor

            voetgangers over die brug kunnen voorzien, doch door de strooming bij hooge

            watertij is den doorgang over de brug altijd onmogelijk, ook veroorzaakt de

            overstrooming altijd schade en zijn herstellingen te doen.

            Op het grondgebied van Mechelen zijn de verbeteringswerken aan den weg in

            uitvoering op bevel der Duitsche overheid stop gezet geworden en dien weg blijft

            onbruikbaar.

            De bewoners van het gehucht “Warande” onder Mechelen, bebouwen een groot

            deel land op het grondgebied van Leest, en zijn bijna volkomen afgesloten, om

            hunne te bereiken zijn ze verplicht eenen omweg langs Heffen te maken met halve

            vrachten.

            Het benuttigen van den beerput der landbouwmaatschappij te Leest, overzijde der

            rivier, is onmogelijk te bereiken met beerschuiten tot bevoorrading, ten gevolge

            der brugbelemmering.

            Deze toestanden benadelen grotendeels de landbouw- en groenteteelten, de

            bijzondere voortbrengst der gemeente.

            De herstelling der brug in den zin  dergene van Heffen gedaan, zou veel bijdragen

            tot heropbeuring van de landen, die groot gebrek hebben aan voedingsstoffen.”

 



1100087-b513c34a9554bb8edb087814ad019112.jpg

1100087-26bb2203f50d258f26e28e712be760df.jpg
Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door Marcel Van Hoof om 17:38 Reageer op dit bericht

1916 – 16 mei -  Gemeenteraadszitting :

            Albert Pieter Vital Roosen werd lid van het Weldadigheidsbureel benoemd, in

            vervanging  van Mr Pingnet, ontslaggever.

            “...de Raad besluit éénparig, machtiging te vragen om van het Bureel van

            Weldadigheid van Leest te mogen ontlenen, de som van 2.000 franks, aan 4%

            ’s jaars, om te kunnen voorzien in de betaling der wedden van onderwijzers,

            gemeentebedienden en werklieden, onderhoud- en inrichtingskosten van de

            Duitse Gendarmeriewacht, toelage aan het plaatselijke Hulpkomiteit en

            vernieuwing der vernietigde registers van den burgerlijke stand.

            Gemelde som zal terugbetaald worden, één jaar na het sluiten van den vrede.”

 

1916 – 18 mei : De militaire Gouverneur van de provincie Antwerpen doet het bericht

            aanplakken “dat er aan de zwijnen geene aardappelen als voedsel meer mag

            toegediend worden.”

 

1916 – Zondag 21 mei – L’Information (Brussels dagblad) :

            “Sedert enkele weken moeten heel wat arbeiders- en burgergezinnen het zonder

            aardappelen stellen.

            Het is niet omdat wij in België een tekort hebben aan deze knollen maar wel

            omdat hamsteraars er stocks van opgeslagen hebben en de waren slechts willen

            afstaan tegen betaling van buitenissige prijzen.

            Men verkoopt iedere dag, min of meer in ’t geheim, grote hoeveelheden van 60

            tot 65 frank per 100 kg, hetzij 60 tot 65 centiemen per kilo, wat aan deze eerlijke

            zwarthandelaars een opbrengst oplevert van 500 tot 550 percent.

            Is dit geen schandalige uitbuiting ?

            Is dit geen echte diefstal ?

            En dat gebeurt zomaar ongestraft zonder dat de politie er een stokje voor steekt.

            In zulke omstandigheden kunnen alleen de rijken zich veroorloven aardappelen

            te eten en zij die er het meeste behoefte aan hebben moeten het zonder stellen.

            Na de laatste oogst werden er statistieken opgemaakt en, met inbegrip van de

            verzendingen vanuit Nederland, waren er in België voldoende aardappelen tot de

            volgende oogst.

            Men stelde toen een maximumverkoopprijs vast en de weinig of niet begoede

            bevolking verheugde er zich over aardappelen te kunnen kopen aan redelijke

            prijzen. Maar men heeft geteld zonder rekening te houden met de vlugheid van de

            hamsteraars. Deze hielden hun voorraden verborgen en wachten het gunstigste

            opgenblik af  om buitensporige prijzen te vragen.

            Wie triomfeert er nu ? Wie maakt er zich nu rijk ?

            Wie stuurt de vastgestelde maximumprijzen naar de maan ?

            Dat zijn de hamsteraars !

            En iets wat hen dit jaar zo goed gelukt is zullen ze vast en zeker volgend jaar

            herbeginnen.”  (’t Vaartland nr.2-1976)

 

1916 – 2 juni : Burgemeester Bernaerts verzocht de “Oelzentrale”, rue des Colonies 54 te

            Brussel, om levering van “10 liters naphte”, ten voordele van schrijnwerker

            Noldus Teughels.

            De “naphte moest dienen tot in werking stelling van eenen motor, teneinde

            bevolen werk door de Duitsche overheid te kunnen uitvoeren”.

            Dat werk betrof de afsluitingen en versieringen rond de graven van Duitse

            soldaten  op het kerkhof van Leest.

 

1916 – 5 juni :

            “...vanaf heden zal te Leest geraffineerde en broodsuiker verkocht worden aan

            0,95 c per kg en gekristalliseerde suiker en grezen suiker aan 85 centiemen den

            kilogram.

            In deze prijzen zijn begrepen de onkosten van vervoer van Mechelen naar Leest,

            aankoopprijs van papieren zakken en onkosten van uitverkoop.” (GA)

 

1916 – “Op den 12 juni is de brug, uitsluitelijk voor voetgangers bruikbaar liggende over

            de vernielde Zennebrug te Leest, door het overgaan van het paard van Jan Bt De

            Vleeshouwer, landbouwer uit Londerzeek, beschadigd geworden.

            De herstelling kostte de gemeente 13,25 fr, bedrag dat door De Vleeshouwer in de

            gemeentekas dient gestort te worden via Mr Teughels, gemeenteontvanger.”

            (Brief gemeentesecretaris naar gemeente Londerzeel)

 

1916 – 1 juli : De gemeente  Leest betaalde 14 frank uit aan arbeiders van Mechelen voor

            het opgraven van de lijken van Duitse soldaten.

 

1916 – Op 13 juli ontving de weduwe Petrus Frans Alewaters-Van Winghe uit de

            Alemstraat volgend bericht van de burgemeester :

            “...bij deze doen ik u kennen dat volgens de bestaande Duitsche verordening, de

            erfgenamen of naastbestaanden van eenen overledenen, verplicht zijn, van het

            eenzelvigheidsbewijs van den overledene binnen de 3 dagen na het overlijden in

            te leveren op het Duitsche pasbureau te Mechelen.”

 

1916 – De 10de augustus, rond vijf uur ’s morgens, werd de woning  en inboedel van de

            landbouwer Antoon Stoop uit de Kapellestraat door brand vernield.

            De oorzaak van de brand was onbekend.

 

1916 – 17 augustus : “...het is streng verboden aan de Leestse maalders om vanaf heden

            nog graan te malen. De opschorting van het maalverbod zal later medegedeeld

            worden.”

            Dit verbod kwam uiteraard van de Duitse bezetter. (GA)

 

1916 – Op 22 augustus deed Frans Apers uit de Tisseltbaan aangifte van verrotting en

            verdroging van 31 aren aardappelbeplantingen.

            Deze beplanting was gedaan op uitgehakte bosgrond. (GA)

            Karel Selleslagh uit de Alemstraat werd bestolen. Van zijn veld verdween 500 kg

            aardappelen.

 

1916 – Op 22 augustus telde men te Leest 330 zwijnen. (GA)

 

1916 – 24 augustus : Bede van de burgemeester aan de Provinzial Ernte Kommission om

            toelating tot het malen van graan, van het oogstjaar 1915 :

            “...door het sluiten van den stoomgraanmolen in onze gemeente door de Duitsche

            overheid worden het grootste deel der landbouwers belet, dewelke nog oud graan

            in bezit hadden, in hunnen broodvoorraad tot voeding te voorzien.

            Daar de gemeente 6.600 kg meer graan geleverd heeft dan er wezentlijk moest

            geleverd worden zoo is er volkomen voldaan door onze gemeente en het sluiten

            van onze stoomgraanmolen bedreigt ten onrechte de voeding der landbouwers
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 17:24 Reageer op dit bericht

1916 – Dat jaar vestigde koster-organist Jozef “Jef” Rheinhard (°Mechelen 23/2/1879

            zich met zijn  familie te Leest.

            Jef was voordien koster in St-Jozef Coloma te Mechelen.            

            Jef cumuleerde zijn kostersfunctie met die van bediende te Brussel. Zo kwam het

            dat het uurwerk op de toren altijd een kwartiertje voorliep, want hij moest elke

            morgen twee missen spelen en zorgen dat hij zijn trein haalde in Hombeek.

            Jef Rheinhard was muzikaal begaafd, hij gaf les in Gregoriaanse zang aan de

            Seminaristen en schreef verschillende melodieën o.a. op teksten van René

            Declerck en andere dichters.

            Jozef Rheinhard was gehuwd met Elizabet Diedens (°Mechelen, 17/3/1880)

            die hem acht kinderen schonk waarvan er drie dochters het klooster binnentraden.

            De koster woonde met zijn gezin achtereenvolgens in de Vinkstraat (toen Koestr.)

            in het huis van meester Moons, de latere woning van Peer Spruyt.

            Rond 1920 nam hij zijn intrek in het huis op de Dorpsplaats, waar zijn voorganger

            Louis Hellemans had gewoond. Enkele jaren later verhuisde hij naar Kouter 6,

            in het huis van de familie Wouters (Moyson).

            Jef Rheinhard overleed te Leest op 14 april 1947.

                      

1916 – In 1916 zou Leest voor het onderhoud aan de openbare wegen 854,85 fr

            uitgeven. (GA-16/3/1919)

 

1916 – Begin 1916 telde de gemeente 294 gezinnen (1670 personen) waarvan er

            244  “zelve aardappelen winnen”. (GA-23/1/1916)

 

1916 – Dat jaar werden er verschillende notelaars omgehakt en aan de Duitse

            overheid afgeleverd. Een zekere Emmerechts uit Hombeek zorgde voor

            het vervoer tot Statie-Hombeek.

            De eigenaars van de bomen ontvingen geen ontvangstbewijzen. (GA)

            Notelaars waren zeer gegeerd omdat de Duitsers van het hout geweerkolven

            maakten.

 

1916 – 5 januari : Bij een koe van landbouwer Henri Somers uit de Rennekouter, werd

            door veearts Van Passen mond- en klauwzeer vastgesteld.

            Een doorgangsverbod, langs de besmette plaats, werd op zichtbare wijze

            aangeplakt. (GA-5/1/16)

 

1916 – 8 januari :

            Vraag van de burgemeester om “een grooten voorraad petroleum te

            bekomen tot verlichting van de inwoners dezer gemeente nodig, alsook voor de

            verlichting der wachthuizen der Duitsche soldaten. Aangezien de gemeente geene

            gaz noch elektrieke verlichting hebben, zoo is de verlichting enkel met petroleum

            mogelijk. Getal huizen in de gemeente : 299.”

 

1916 – 19 januari : 

            “...de maalderij van Alfons Maes is onwerkzaam wegens gebrek aan naphte.”

 

1916 – 27 en 28 januari : Nadat Duitse soldaten in de gemeente de hooivoorraden hadden

            nagezien en geschat, werd het te veel bevonden “strooi en hooi”, samen 40.000

            kg, naar Mechelen gevoerd. (GA)

 

1916 – 11 februari : Bij landbouwer Alexander De Nys uit de Scheerstraat werd 700 kg

            rogge aangeslagen. (GA)

 

1916 – 16 februari : Bij verordening van de militaire gouverneur van Antwerpen werd er

            verboden voortaan nog stro van haver en zomerkoren te gebruiken tot strooisel

            der stallen. (GA)

 

1916 – Op 26 februari, 10 dagen later, verzocht burgemeester Bernaerts de Kreitschef

            te Mechelen om winterkoren te mogen gebruiken als strooisel der stallen

            “...aangezien er in de gemeente geen strooisel zoo als turf, loof-, spellen-, heide-,

            brem-, riet-, mos-, houtwol-, schaveling-, noch snoeisel van mast en sparren

            voorhanden zijn...”

            Deze toelating  kwam er op 4 maart.

            De gemeente mocht nog 4 weken, in zuinige mate, “strooi gebruiken als

            strooisel”.

            Burgemeester Bernaerts dankte de “Zivil Kommissaris” namens de inwoners en

            “een gebrek aan stroo, voor strooisel, zal voor de landbouwers een groot verlies

            zijn, wanneer men nagaat welke vermindering van stalmest-, het bijzonderste

            bemestingsprodukt-, zal voor gevolg  hebben.

            Bij gewoon jaar wordt er, boven het overvloedige en krachtige stalmest door

            goede diervoeding verkregen, ’s minstens nog 100.000 kg scheikundige

            meststoffen gebruikt op de nooit vaagliggende landen.

            In gewoon jaar, werd er alhier 1.500.000 kg meel, koek en zovoorts tot

            veevoeding gebruikt en door het gebrek aan dierlijke voedingsmiddelen, is ook

            het stalmest, van veel mindere voedingsgehalte voor de vruchten.

            Het verbod van stroogebruik, als strooisel, zal dus onmiddellijk den ondergang

            der landbouwerij –de eenige hulpbron der gemeente- veroorzaken...”

 

1916 – Op 2 maart stuurde de burgemeester volgende brief naar “den Heere Kreischef te

            Mechelen :

            “...in het begin der maand april van ieder jaar, wordt er door de gemeente

            overgegaan tot het verhuren van het gras, wassende op de zoomwegen der

            gemeentestraten.

            Om alle moeilijkheden te voorkomen ben ik zoo vrij u te vragen of de gemeente

            dit jaar, zoals vroeger, mag overgaan tot de verpachting van dit gras.

            Dit gras wordt gepacht door kleine landbouwers der gemeente die de middelen

            niet bezitten om aankoop te doen in de vloeibeemden.”

 

1916 – Op 17 april “om half twaalf ure voormiddag torenuur in het dorp te Leest”, ging

            de  maandelijke keuring van paarden en eenhoevige dieren,  tegen snot en andere

            ziekten, door. 

 

1916 – 17 april : Een tweede vermoedelijk geval van schurft is waargenomen door

            veearts Van Passen bij een paard van de weduwe Spruyt uit de Winkelstraat.

 

 

1916 – 25 april :

            “Aan den heer Zivil Kommissaris te Mechelen.

            Volgens de verordening der Duitsche overheid, zijn de duivenhouders verplicht

            van, bij het achterblijven hunner duiven daar aanstonds melding van te doen aan

            den burgemeester, met verplichting voor den burgemeester daarvan onmiddellijk

            met bode kennis van te geven aan de duivenkontrool te Mechelen.

            Daar de gemeente zoo ver uitgestrekt is en er geene gemeenteboden voorhanden

            zijn, ben ik zoo vrij Uld aan te vragen of de door mij te doene kennis bij gewone

            brief mag gedaan worden...”

            Getekend : de burgemeester van Leest. (GA)

 

1916 – In mei werd een nieuwe telling van de Leestse veestapel gedaan met volgend

            resultaat :

            paarden : 145

            rundvee : 889

            zwijnen : 208

            schapen (melkschapen) : 11

            geiten : 33

            ezels : 8

            (GA-25/5/1916)

 

1916 – 13 mei : Bij Frans Van den Sande uit de Groteheidestraat werden 1.390 kg rogge

            aangeslagen door Duitse soldaten en geleverd te Mechelen. (GA)

 

1916 – 13 mei : Dezelfde dag bestatigde veearts Van Passen een “vermoedelijk geval van

            schurft bij den poney” van Jan Baptist Van Crombruggen, een bakker uit het

            Dorp. (GA)

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 17:23 Reageer op dit bericht

1915 – Dezelfde dag, 1 augustus, rond 23 uur, brandde de schuur van pachter Willem

            Slachmuylders (Steinemolen) af :

            “ W. Slachmuylders is gewekt geworden door de wacht der Duitsche soldaten

            en heeft bestatigd dat den brand veroorzaakt was  in de manege waar twee der

            Duitsche soldaten sliepen.

            Slachmuylders had aan de Duitsche soldaten verboden in die manege te slapen,

            aangezien er in de kamer, door hem in zijn pachthof afgestaan, negen man kon

            logeren en ingezien het logeren in die manege gevaarlijk was.

            In de logeerkamer was nog plaats genoeg aangezien er slechts 5 soldaten

            logeerden.”

            Een onderzoek werd ingesteld door “den Kaiserlijken Krijgschef van Mechelen”.

 

1915 – Op 7 september stuurde de gemeente een door het schepencollege gekontroleerde

            lijst met 278 schattingen van geledene oorlogsschade aan “den bestuurraad van

            Land- en Tuinbouwkomiteit” te Antwerpen.

 

1915 – 16 oktober : De twee Leestse maalders ontvingen volgend schrijven van de

            Provinzial Ernte Kommission : “...ingevolge schrijven van de voorzitter van de

            P.E.K. van den 9e oktober is het streng verboden graan te malen van personen die

            niet zouden voorzien zijn van geleide brieven A, B of C, afgeleverd door den

            burgemeester. Deze moeten voor het toekomende door de maalders gerangschikt,

            genummerd en als bewijs bewaard worden.

            De maalders moeten een maalboek houden...

            Deze maalboeken zijn verkrijgbaar bij de Provinzial Ernte Kommssion.”

 

1915 – Op 20 oktober leverde de “petrolmaatschappij” van Mechelen 700 kg petrol aan

            het officieel magazijn van de gemeente.

            299 huisgezinnen gebruikten “petrol” voor verlichting.

 

1915 – 9 december – Gemeenteraadszitting : Joseph Vloeberghen werd aanvaard als

            nieuwe “tresorier van het kerkfabriek van den H. Nicolaus.”

            Hij diende wel een borgtocht te storten van 600 fr.

            Zijn voorganger was Piet Eduard Vloeberghen.

 

1915 – Einde 1915 waren er in de gemeente 141 paarden en 1 ezel.

            De gemeente beschikte verder nog over 13.125 kg haver, 81.950 kg hooi,

            208.550 kg eetaardappelen en 479.820 kg plantaardappelen.

            Leest telde 1655 inwoners , er werden 62 intredingen genoteerd.

            De onderhoudskosten aan de steen- en andere wegen beliepen voor 1915

            1241,34 fr. 

 

1916 – De praktiserende geneesheren in de gemeente waren dokter De Becker uit Tisselt

            en dokter Van Assche uit Hombeek.

            Eerstgenoemde deed het geneeskundig onderzoek in de jongensschool,

            laatstgenoemde in de meisjesschool. (GA-8/12/1916)

 

1916 – Dat jaar diende de gemeente 4.736 kg tarwe, 86.574 kg rogge en 110 kg masteluin

            (een mengsel van tarwe en rogge) te leveren aan de Duitse bezetter.

            (GA-5/4/1916)

            “Als aandeel in den aankoop van meubelen en bedden voor het 5e Escadron van

            15 dragonders van het Duitsche leger” betaalde de gemeente 504,20 fr.

            (GA-28/11/1925)

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 17:17 Reageer op dit bericht

1915 – 6 maart  - Eerste gemeenteraad vanaf de bezetting :

            Aanwezig : burgemeester Bernaerts, schepenen V.Diddens en L. Wauters,

            raadsleden J.B.Verbergt, K.L. Van den Brande, J. Selleslagh en secretaris

            August Van den Bossche.

            “...Overwegende dat er ten aanzoeke van het gemeentebestuur zijn verkocht

            geworden, voorwerpen van vee, tijdens de vluchting verloren, en niet meer

            opgeeischt door hunne eigenaars.

            Dat het voorhanden zijnde in kas, van het plaatselijk hulpcomiteit, tot steuning

            der noodlijdenden gering is, om de noodige dringende behoeften te bestrijden;

            besluit éénparig : machtiging te vragen om het plaatselijk hulpcomiteit eene

            toelaag uit te betalen,  van 1152 fr 60 centiemen, voortkomende van

            bovengemelden verkoop.

            Deze vraag werd goedgekeurd door de Bestendige Deputatie op 9 april.

 

1915 – 6 maart : Twee Blaasveldtenaars hadden zich uitgegeven als officiele

            lijkopgravers.

            Te Leest verklaarden ze belast te zijn om de gesneuvelden die buiten het kerkhof

            begraven lagen, op te graven en in diepere grafkuilen te stoppen.

            Het ging echter om lijkroverij.

            De daders werden later door de Duitsers aangehouden en veroordeeld wegens

            lijkontgraving.

            (GA-22/4/1915 en GA-19/4/1915)

 

1915 – Op 1 juni stuurde de burgemeester een brief gericht aan “Mejuffer Caroline Nees,

            onderwijzeres der gemeente Leest verblijvende te Biervliet Zeeuwsch Vlaanderen

            Holland” :

            “...aangezien ik last heb in het algemeen belang, in het onderwijs der kinderen

            onzer gemeente te voorzien, zoo noodig ik u bij deze uit uwe bediening van

            onderwijzeres als hoofd onzer gemeente meisjesschool zonder langeren uitstel

            te komen vervullen.

            Wordt er aan deze uitnodiging door u geen spoedig gevolg gegeven zoo zal er

            in uwe vervanging moeten voorzien worden daar uwe voortdurende afwezigheid

            en stilzwijgen nadeel aan het onderricht der jeugd veroorzaakt.”

 

1915 – Op 1 juli werd er in de gemeentelijke meisjesschool een tweede klas ingericht.

            De lessen werden er gegeven door Irma Ackermans, een gediplomeerde uit de

            Normaalschool van O.L.Vrouw Waver.

            Haar salaris bedroeg 1.000 fr per jaar.

            Irma Ackermans woonde te Mechelen en was getrouwd met schilder Ghesquiere.

            Ze zou te Leest les blijven geven tot aan haar dood op 21 februari 1933.

 

1915 – 3 juli : Pastoor Beuckelaers ontving volgend schrijven via burgemeester

            Bernaerts van “d’Heer Prasident der Zivilverwaltung der Provincie Antwerpen” :

            “..Het is gebeurd, dat de sleutel van den kerktoren aan eenen Officier, die deze

            tot dienstelijke doeleinden wilde besteden, door den pastoor met de woorden

            geweigerd werd : “Je ne donne pas la permission de se servir de mon église pour

            faire des observations contre mon pays.”

            Deze houding van den pastoor is onaannemelijk.

            Ik verzoek u in evereenstemming met de pastoren uwer gemeente aanwijzing

            te geven, dat de toegang tot de kerktorens ieder tijd aan militaire personen

            toegestaan wordt.

            Ik moet u doen opmerken dat in geval van weigering de toegang met geweld zal

            moeten verkregen worden en tegen de tegenstrevende personen streng zal

            voorgegaan worden.

                          Der Pradisent der Zivilverwaltung, I.A. Bormann.”

 

1915 – 31 juli : De gemeenteraad stemde het reglement op de seizoenverloven der

            gemeentescholen :

            “Artikel 1. De verloven kunnen verleend worden door de schoolhoofden, aan de

            leerlingen van den 3e en 4e graad om hun te laten deelnemen aan de

            seizoenwerken hierna aangeduid :

            a. Voor het planten der aardappelen van 20 maart tot den 20ste april.

            b. Voor steken van aspergiën en snijden van erwten, van 1 mei tot 24 juni.

            c. Voor hooibewerking van 1 tot 30 juni.

            d. Voor inoogsten van aardappelen, van 1 juli tot den 14 augustus.

           

            Artikel 2. De verloven, aan elke leerling verleend in den loop van een schooljaar,

            zullen in geen geval een totaal van 35 dagen mogen overtreffen.

 

            Artikel 3. De aanvragen tot verlof zullen gedaan worden, minstens 24 uren  op

            voorhand, mondeling of schriftelijk, door de familiehoofden die veranwoordelijk

            zijn voor de opvoeding der kinderen.

            ...

            De andere verlofdagen worden bepaald als volgt :

            De groote vacantie van 15 oogst tot den 20 september, de Paaschvacantie van

            witten donderdag tot beloken Paaschen.

            Nieuwjaar, Lichtmis, 2 februari, St Jozef 19 maart, Ons Lieve Vrouwe Boodschap

            25 maart, maandag en dinsdag der kermissen van Sinksen en Sint Nikolaas,

            Ons Heer Hemelvaart, Sakramentsdag, Sint Pieter en Paulus, 21 juli ;

            Onze Lieve Vrouw onbevlekt ontvangen 8 december, Allerheiligen, Allerzielen,

            Sint Niklaas 6 december, gedurige aanbidding 19 december, 1e en 2de Kerstdag.”

            In dezelfde zitting paste men de wedden van het onderwijzend personeel aan.

            Jan Dumont (41 jaar dienst) kwam op 2.700 fr jaarwedde.

            Jan Constant Moons (16 jaar dienst) 2.000 fr.

            Caroline Nees (34 jaar dienst) 2.100 fr.

            Mathilde Hellemans (15 jaar dienst) 1.600 fr.

            Hendrika Troch (4 jaar dienst) kwam op 1.200 fr.

 

1915 – Op 1 augustus maakte de gemeente een lijst op van het “hoornvee en verkens in

            de gemeente bestaand” :

            Er werden 509 melkkoeien geteld, 230 runderen en 237 “mestverkens en viggen”,

            hetzij één derde minder hoornvee en de helft minder varkens dan het aanwezige

            potentieel in vredestijd.

Hoe vind je dit bericht? 3 stemmen
Geschreven door Marcel Van Hoof om 17:07 Reageer op dit bericht

Maandelijks moesten de boeren zich met hun paarden ter keuring aanbieden. De beste paarden werden er uitgekozen en tegen lage prijs naar Duitsland gevoerd. Het gebruik van ossen werd algemeen. De familie Schelkens (die van “den Duits”) had een

alternatief :  de vier zonen vervingen hun door de Duitsers aangeslagen paard.

Achter de ploeg vader Schelkens, ervoor zonen Cyriel, Fons (huwde Roos Beullens), Jan en Piet.

 

Op 10 maart verscheen een nieuw bevel meldende dat de burgers van Mechelen en omstreken verzocht waren hun koperwerk in te leveren in de fabriek van Vincke in de Leopoldstraat.

Diegene die het bevel niet nakomt zo luidde de plakkaart stelt zich bloot volgens de verordening van 13 december laatstleden aan gevangenisstraf tot 2 jaar en een geldboete tot 20,000 mark.

Enkele dagen later werd van huis tot huis huiszoeking gedaan.

In 1917 betaalde men de kolen tot 120 fr de 1000 kilos.

Voordat de aardappelen hunne volle rijpheid hadden bekomen zag men reeds duizenden burgers de landbouwers bestormen om enige kilos te kunnen bekomen in afwachting van de komende winter, dit ondanks de zware boeten en het verbeuren van dit voedsel door de Duitsers.

De woekerhandel werd in de hand gewerkt omdat men te Brussel in de maand september 1918 bv de aardappelen tegen 3 en 4 fr het kilo verkocht.

Gedurende gans de oorlogstijd was het onmogelijk vis te kopen. Men betaalde pekelharing 2 fr het stuk, een halve stokvis 6 tot 8 fr en zij waren maar zelden te bekomen.

In de lente van 1918 was het brood niet meer eetbaar : meer zemelen dan bloem, de armoede werd hoe langer hoe groter.

Enkele prijzen van 1917 en 1918 : tarwebloem per 100 kgr : 850 a 950 fr.

Rundvlees per kig : 30 fr. Varkensvlees : 45 fr. Schapenvlees : 30 fr.

Hesp (ham) : 45 fr. Spek : 45 fr. Vet : 63 fr. Boter : 40 tot 45 fr.

Melk per liter : 1,25 a 1,50 fr. Eieren per stuk : 1,50 a 2,40 fr.

Koffie per kg :  80 fr. Bruine zeep : 30 fr per kilo. Lampolie : 25 fr.

Petrol : 25 fr. Rooktabak : 70 tot 80 fr per kilo.

Velen vergenoegden zich met het roken van allerhande gedroogde bladeren van struikgewassen.

In november 1916 verscheen er een verordening waarbij, op straf van een zware boete, verboden werd zichtbaar licht te maken, om het gevaar van luchtaanvallen tegen te gaan.  

De voorraad steenkolen die de arme bevolking van het steunkomiteit kon bekomen, bedroeg slechts 120 kg per maand en per gezin.

Op het einde van 1917 waren voedingsstoffen en kleedsel niet meer kopelijk.

Vele werklieden zag men langs de straten slenteren met gescheurde broeken en vesten.
Vrouwen met kledingsstukken van allerlei lappen aaneengenaaid.

Katoen of saai konden de arme mensen niet meer kopen.

Een enkel bobijntje naaigaren betaalde men tot 16 a 20 fr.

Door de verschrikkelijke duurte van het leder (230 frank per kilo op het einde van 1917), werd het vele burgers onmogelijk schoenen te kopen. Het dragen van klompen werd algemeen ofschoon men ze 8 tot 10 frank het paar betaalde, tegen 1,05 fr voor de oorlog.

Een hoed was onmogelijk te kopen, een gewone klak betaalde men tot 25 frank.

(“De Duitschers te Mechelen” – Frans Verhavert – Drukkerij L.A.Godenne 1919)

 

1914 – Einde november stierf er een koe van landbouwer Jozef Polfliet uit de

            Tisseltbaan.

            Veearts Van Passen uit Willebroek keurde de vier kwartieren goed, de afval werd

            afgekeurd. Het vlees werd verkocht voor 70 en de huid voor 29 frank. (GA)

 

 

1915 – “Gedetailleerde opgaven van de bevolking der gemeente volgens de nauwkeurige

            telling gedaan, bij de uitgaaf der bloemkaarten, voor de verdeeling van het meel

            en bloem :

            1. mans, gezinshoofden                     245

            2. gehuwde vrouwen en weduwen   255

            3. getal kinderen boven 2 jaar          844

            4. andere personen                           157

 

                                                 totaal                      1501

            De kinderen beneden de 2 jaar zijn niet begrepen.”

            GA-19/4/1915)

 

1915 – In de gemeente zijn (opnieuw) twee graanmolens werkzaam :

            1. De stoommolen van de weduwe Bonifacius Lauwers, die per dag 1500 kg kan

            malen.

            2. Een graanmolen “met naphte” van Alfons Maes, goed voor 1300 kg per dag.

            (GA-21/10/1915)

 

1915 – Schatting van de gemeente omtrent de oogst van 1915 :

            er werd 28 hectaren tarwe verbouwd, “gevende of kunnende opbrengende” 2000

            kg het hektaar.

            166 hektaren rogge, geraamde opbrengst 2000 kg het ha.

            105 ha wintergerst, geraamde opbrengst 2500 kg per ha.

            Voor de 25 ha haver “slecht zijnde van wasdom, is de schatting onmogelijk”.

 

1915 – Voor 1915 voorzag het gemeentebestuur :

            “Noodige meel of bloem gehalte noodig per dag : 40 zakken.

            Idem rijst :  30 kg, erwten : 10 kg, boonen : 15 kg, aardappelen : 1500 kg,

            verschillige zout : 15 kg, petrol : 100 liter, meel tot veevoeding : 1200 kg.

            Het getal rechthebbenden op militievergelding was 57, er waren 78 daklozen

            in  de gemeente, 45 huisgezinnen zonder bestaansmiddelen, er werden 24

            werklozen geteld van de “Nijverheid”.

            Er was hoogdringend nood aan meel, rijst, vet of reuzel. Bonen, zout, erwten,

            kledingsstukken, schoenen, blokken en petrol.

            Beschikbaar geld op dat moment : Weldadigheidsbureel : 2.000 fr, Vicentius a

            Paulo : 500 fr, Het Hulp Comiteit : 1.000 fr.

            (Uit een brief aan het Arrondissements Hulp Comiteit)

 

1915 – De jaarwedde voor de veldwachter voor 1915 beliep 1.000 fr.

 

1915 – 8 februari : de gemeente diende, op basis van de onderrichtingen van het

            provinciaal Land- en Tuinbouwcomiteit, over te gaan tot de benoeming van een

            “plaatselijk bureel van schade-opnemers”, dit in verband met de geleden

            oorlogsschade. Volgende leden werden aangeduid :

            Selleslagh Ivo, als sekretaris te Leest, Teughels Arnold, meester-schrijnwerker,

            Vloebergh Jaak, meester metser, Verbruggen David Alfons, landbouwer en

            Selleslagh Joseph, gemeenteraadslid. (GA)

 

1915 – 15 februari :

            “...Bij de landbouwer Karel Verbeeck, Tisseltbaan, is er eene veers gestorven,

            die een onvoldragen kalf had afgeworpen. Het dood dier is verkocht geweest aan

            Frans Selleslagh, kalverkoopman te Leest voor 90 franken.” (GA)

 

1915 – Op 20 februari schreef burgemeester Bernaerts een brief aan de voorzitter van het

            “Hulpcomiteit” te Mechelen, waarin hij stelde dat de gemeentekas leeg was zodat

            “de wedden der onderwijzers, veldwachter en secretaris niet meer kunnen

            gekweten worden voor de loopende maand, zoo ook andere dringende uitgaven.”

            (GA)

            Te Mechelen bestonden er “Comiteiten” waar de burgers tegen verminderde

            prijzen eetwaren konden bekomen, die voor elk huisgezin en per hoofd

            gerantsoeneerd waren.
            Brood en aardappelen moest men in de huizen, door de “Comiteiten” daartoe

            aangewezen, afhalen.

            Het brood bevatte meer rogge en zemelen dan tarwe. Slechts enkele bakkers

            mochten, met een bijzondere vergunning, tarwebrood verkopen.

            (MC-F.Berlemont)

 

1915 -28 februari :

            “...Gezien en overwegende de overgroote milddadigheid en bijzonderen

            bezorgdheid, zoo van de Amerikaansche Natie, als deze harer afgevaardigden

            aan ons Vaderland gegund tijdens den oorlog, besluit het Schepencollege in

            naam van de bevolking der gemeente Leest, onze innige dankbetuiging uit te

            drukken voor de geschonken giften en behandelingen.” (GA)

            Tijdens de oorlogsjaren werd door het “comiteit” aan de bevolking voedsel

            uitgedeeld  : bloem, rijst, vlees en spek uit Amerika “Wilsonspek” genoemd.

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door Marcel Van Hoof om 17:01 Reageer op dit bericht

 

1914 – Op 23 oktober sneuvelde Leestenaar Jan Victor Roelants te Stuivekenskerke

            aan de Ijzer.

            Het was bij de zware gevechten om de brug van Tervaete, waar de Duitsers over

            de  Ijzer waren geraakt. Het waren moordende gevechten : aan de buitengevel van

            de kerk van Stuivekenskerke, vanwaar de Belgische tegenaanval vertrok, staat een

            herdenkingsplaats die vermeldt dat die 23 oktober, 1200 Carabiniers en twee

            derde van het officierenkader niet terugkwamen van die tegenaanval.

            Jan Roelants was geboren te Leest op 25 februari 1883 als zoon van Jan en Maria

            Louise Vertongen.  

 

1914 – “Enkele tijd na de overrompeling van 1914, werd door de Duitse bezetters

             begonnen met de Belgen, al ei zo na, tot op hun hemd uit te kleden, zogezegd

            geruild voor hun dag en nacht gulle waardevolle bijgemaakte papierkens, en wat

            voor de veroveraars niet tot verkoop was te verleiden, bleek voor hen dan niet te

            zwaar of te heet.

            Inbreng van wol of koperwerk gold als afkorting op ’n bepaalde som van een

            verplichte gezinsbijdrage, de laatste bomen verdwenen uit de bossen, de notelaars

            uit de woonerven voor hun tekort aan geweerkolven, de paarden tot motorkracht

            voor hun ergens in de modder verzonken kanonnen, de klokken uit de torens,

            jonge mannen en vaders als helpers naar het vreemde land.

            Hulpkomiteiten zagen hun mogelijkheden slinken  en de Duitsers vreven alle

            schuld op de bevolking.

            Daartegen brachten de protestzangers spottend eigen kritiek : in de dorpen :

            “De meiskens van Brussel die smokkelen zeep, zeep, zeep, enz.”, in de steden :

            “En de boeren hebben een markmachien, ’n markmachien, enz..”

            (J.A.Huysmans – DB juni 1980 “Waterkiekens in onze rivieren”)

 

In de “Komiteiten” konden de burgers aan verminderde prijzen eetwaren bekomen, die voor elk huisgezin en per hoofd verdeeld waren.

Brood en aardappelen moest men insgelijks in de huizen, door de komiteiten daarvoor aangewezen, gaan halen.

Het brood bestond uit een mengeling, meer zwart dan wit.

Het tarwebrood werd verkocht bij de bakkers die daartoe een bijzondere vergunning bekomen hadden. Deze bakkers waren zeldzaam.

In 1916 mocht geen enkele bakker nog brood bakken, buiten degenen die door de komiteiten aangesteld waren; tarwebrood was verboden.

Men kon niet meer dan 250 gr. brood en  300 gr. Aardappelen per hoofd bekomen en dit rantsoen werd nog merkelijk verminderd op het einde van het jaar.

Het was niemand toegelaten zijn voorraad aardappelen op te doen.

Voor iedere landbouwer was een hoeveelheid aardappelen bepaald, die hij moest leveren

aan de komiteiten.

Het was de burger haast onmogelijk de enige kilos aardappelen die hij van de landbouwer bekomen had in de stad te brengen zonder gevaar te lopen aangehouden te worden en met een zware boete gestraft te worden.

In 1917 en 1918 verergerde deze toestand nog. Suiker, rijst, bonen, enz. Moesten in het komiteit genomen worden ; er was een hoeveelheid per hoofd bepaald.

Zo was het ook voor spek en vet, en toch was het dan nog zelden te bekomen.

Om de duurte van de koffie waren vele burgers genoodzaakt gebrand koren of gerst te drinken in plaats van koffiebonen. Een Duits bevel verbood graan en bitterpeën te branden op op den buiten te gaan kopen op straf van zware boete.

Alles werd opgekocht en naar Duitsland vervoerd.

De schillen der aardappelen werden ten huize afgehaald en men betaalde ze 10 tot 14 centiemen per kilogram.

Einde november 1916 was er bijna geen boter meer te bekomen.

Reeds van 1915 werd dagelijks aan duizenden werklieden door de zorg der komiteiten soep en brood uitgedeeld.

Maandelijks moesten de buitenlieden met hunne paarden ter keuring naar de stad komen. De beste paarden werden er uitgekozen en tegen lage prijs naar Duitsland gevoerd.

Het gebruik van ossen werd algemeen.

Bij al de duurte der levensmiddelen werd er nog woekerhandel op grote schaal gedreven.

Sommige waren sloegen zelfs met het uur op, niettegenstaande de handelaars op dat ogenblik reeds een schone winst konden opstrijken.

In Duitsland was er gebrek aan leder. De Duitsers eisten nu in België alle leder op zodat het bij ons schaars en duur werd, men betaalde een paar schoenen in 1917 tot 125 frank, en in 1918 150 tot 200 fr.

 

Op  15 januari 1917 werd een Duits bevel in bijna al de huizen der stad (Mechelen) rondgedragen waarop de burgers het gewicht koper moesten aantekenen dat zich in huis bevond.

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Marcel Van Hoof om 16:51 Reageer op dit bericht

1914 – September-oktober : “De Duitsers hadden het op onze kerk gemunt.”

            Het gebouw werd getroffen door grof en klein geschut. De schade was

            aanzienlijk.

            “Verschillende bommen,” schrijft pastoor Beuckelaers, “zijn door het dak of door

            den muur der kerk binnengedrongen met skrapnels geladen als gevolg hebbend

            het dak op verschillende plaatsen grotelijks te beschadigen, de welfsels der

            middenbeuk en zijbeuken door te breken, nervuren er af te kraken, en grote

            openingen erin te laten.

            De muren der kerk op verschillige plaatsen doorgeslagen...

            Een biechtstoel geheel en gansch weggeschoten. De andere biechtstoelen, vijf

            altaren, de vier gestoelten, de predikstoel, dit alles in Hongaarsche eikenhout

            in haut-relief gebijteld, langs allen kanten doorboord of kleine stukken

            afgeslagen. De marmeren vloer op verschillige plaatsen geschonden door het

            vuur of een bom.

            Het lichttoestel onbruikbaar geworden. Rond de 250 stoelen verbrand of

            beschadigd.

            Ook de brandramen waar de Leestenaars zo fier op waren, werden totaal

            vernield : bijwerken zal meer kosten dan ganse vernieuwing.”

            Daarbij waren de Duitsers de kerk binnengedrongen en hadden gepoogd het

            tabernakel achter het altaar open te breken. Dit gebeurde vruchteloos.

            Ze forceerden echter de brandkast in de sakristij : één remonstrans en een kelk

            werden onbruikbaar gemaakt. Ze werden terug in orde gebracht door Aloïs Haan

            uit Antwerpen. (WLS-G.Herregods)

 

1914 – Lijst der gevallen krijgers in de gemeente begraven, buiten het kerkhof.

            -Idler Sifrid, begraven Blaasveldstraat nabij “de Knip”, tegen de woning van

            Louis Leemans.

            -Lindemann Leopold, ligt begraven op ’t land in de Scheerstraat nabij ’t dorp,

            over de woning van Pieter Jan Lemmens.

            -Een onbekend soldaat van VII K.II.III nat.Art., begraven in de hof van Frans

             Cortebeek Scheerstraat.

            -Schram J., begraven in de Tiendeschuurstraat rechtover de herberg “de

            Cantine”.

            -Onbekend Duits soldaat III reg.II K.,begraven aan het huis van Jan Campion,

            Tisseltbaan.

            -Rosenbaum J., begraven op ’t land van De Wit, Tisseltbaan.

            -Tonneau, Belgisch soldaat van het 11e Linieregiment, gevallen 29 september,

            begraven op ’t land nabij den ijzerenweg Blaasveldstraat.

            -Een onbekend gebleven Belgisch soldaat begraven in de Blaasveldstraat. De

            kapot bleek van het 14de Linieregiment afkomstig te zijn.

            -Van Mol Romaan, van het 11de Linie, begraven in de Grooteheide waar hij was

            gevallen.

            Al deze lijken zouden later ontgraven en overgebracht worden naar het kerkhof

            van Leest. (GA-17/9/1915, 20/11/1915 en 15/2/1919)

 

1914 – 10 oktober :

            “...bij hare wederkomst der vlucht, heeft de weduwe Frans De Laet, wonende

            Tinneschuurstraat, het lijk gevonden van één harer koeien, in de gracht voor hare

            woning.

            Het kalf was niet afgeworpen aangezien het in de geboorte vastzat.

            Zij heeft de koei ter plaatse doen delven in bijzijn van Jozef Leemans en Jan

            Lauwens, inwoners van Leest”. (GA-6/7/1915)

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 16:45 Reageer op dit bericht

In 1919 maakte het gemeentebestuur een gedetailleerd verslag op van de geleden oorlogsschade :

 

Monumenten, gebouwen,landgoederen, enz. toehorende aan openbare besturen.

 

1. Een deel van de pastorij : beschadigd.

2. Een deel van de meisjesschool werd door beschieting vernield.

3. De kerk, kerktoren, afsluitingsmuren van pastorij en kerkhof werden gedeeltelijk

    vernield en beschadigd.

4. De brug over de Zenne : vernietigd.

 

Kunst, wetenschappelijke- geschiedkundige voorwerpen van openbare besturen.

 

1. Remonstratie der kerk : beschadigd. Edelgesteenten en miskelk : gestolen.

2. Geschilderde glasramen van de kerk : vernield.

3. Biechtstoel in beeldhouwwerk : vernield.

4. Altaren in beeldhouwwerk : vernield.

5. Kruisweg : gedeeltelijk vernield en beschadigd.

6. Beelden : vernield en beschadigd.

7. Registers van den burgerlijke stand : geboortens 1911,1912, 1913 en huwelijken 1911,

    1912 : onbruikbaar gemaakt met olie en verscheurd.

    Overlijdensakten van de jaren 1812 tot en met het jaar 1820 en van 1823 tot 1832 :

    verscheurd.

    Overlijdensakten van de jaren IX, X, XI Fransche Republiek en Kadasterboeken:

    onbruikbaar gemaakt met olie.

 

Oorlogsschade aan de gemeentejongensschool.

 

1. Schoolbenodigdheden, begroot op                                   325 fr.

2. Kaarten van de gemeente, provincie, van België

    en van Europa, begroot op                                                           200 fr.

3. Drie reeksen aanschouwingsplaten, telraam, 3stores,

    draaibord, verzameling platen  vaderlandsche

    geschiedenis, begroot op                                                  545 fr.      

4. 36 banken voor 2 leerlingen, 2 stoelen, 3 kapstokken,

    barometer, 2 thermometers, begroot op                        1670 fr.

5. Beschadiging aan muren, deuren vensterruiten,

    en aan de deuren der toiletten, begroot op                                220 fr.

Samen :                                                                                 2.960 fr.

 

Oorlogsschade aan de gemeentelijke meisjesschool

 

1. Schoolbenodigheden, begroot op                                     450 fr.

2. Kaarten van de gemeente, het kanton, de provincie,

    van België en van Europa, begroot op                             250 fr.

3. Verzameling van maten en gewichten, balans,

    verzameling metrische vormen, begroot op                    220 fr.

4. Platen gewijde geschiedenis,verzameling platen van

    Lummel, telraam, begroot op                                          235 fr.

5. Zes stores, raampjes voor het handwerk,

    onderwijzerslessenaar, trede, 2 stoelen, 2 borden,begroot        840 fr.

6. 35 banken, barometer, twee thermometers, kruisbeeld,

    OLVrouwbeeld, begroot op                                             1490 fr.

7. Heropbouwen van het gedeelte eener klas, nieuwe

    vloer in een andere klas, plaffonering, beschadiging aan

    deuren, witten schildering en inzetten van vensterruiten,

    begroot op                                                                        950 fr.

Samen :                                                                               4.435 fr.

 

Oorlogsschade aan monumenten,gebouwen, landgoederen toehorende aan particulieren.

 

1. Houten graanwindmolen, genaamd “Steinenmolen”, van weduwe Frans Van Winghe,

    Kapellebaan : vernield door brand.

2. Houten graanwindmolen, van weduwe Bonifacius Lauwers, aan “de Knip”,

    vernield door brand.

3. Landbouwerswoningen van :

    a) Polycarp Verhoeven, Kapellebaan : vernield door brand.

    b) H. Louis Daelemans, Kapellebaan : vernield door brand.

    c) Pieter Jan Diddens, Blaasveldstraat : vernield door brand.

    d) Constant Diddens, Molenstraat : vernield door brand.

    e) Joseph Nuytkens, Molenstraat : vernield door brand.

    f) Alfons Piessens, Mechelbaan : vernield door brand. Meubelen, oogst, enz. dezer zijn

    ook  vernield.

4. Woningen van :

    -Theod. Van den Heuvel, Dorp : beschadigd.

    -Weduwe Buntinckx Hofmans, Dorp : beschadigd.

    -Weduwe Van Moer, Dorp : beschadigd.

    -Arnold Teughels, Dorp : beschadigd.

    -Jaak Vloebergh, Dorp : beschadigd.

    -Jan Huysmans, Dorp : beschadigd.

5. Schuur gebruikt door Willem Slachmuylders : vernield door brand.

    Deze schuur, staande op de Kapellebaan,  is eigendom van Duc d’Aost Turino.

(GA-27/2/1919)

 

Oorlogsschade aan buurtwegenis.

 

Grote schade was toegebracht aan :

-Steenweg van Leest dorp naar de limiet van Tisselt, wegen nrs 4, 10 en 28 van het atlas, op deze lengte is de herstelling der brug over de beek groot noodig.

-Steenweg van Leest naar het Heike Hombeek, nrs 5 en 9 van het atlas. Deze twee

steenwegen zijn in zeer slechten toestand.

-Steenwegen van Leest dorp naar Heffen en naar Hombeek, deels beschadigd wegen nrs 3 en 2 van het atlas.

-Steenweg van Kapelle op den Bos naar boskant Hombeek, weg nr. 5.

-De brug over de St.Annabeek limiet met Mechelen, kant langs Leest is

grotelijks beschadigd.

-De kiezelweg in de Laerestraat is grotelijks beschadigd. (GA-30/1/1919)

-De schade aan gemeentewegen werd in 1920 geraamd op 12.835 fr. Aan steenwegen voor groot verkeer op 14.280 fr. (GA-8/5/1920)

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 16:42 Reageer op dit bericht

1914 – Op 29 september sneuvelde te Londerzeel, bij de eerste schermutselingen, de

            Leestenaar Ludovicus “Louis” Jacobs.

            Hij was te Leest geboren op 3 april 1893 als zoon van Frans en Maria Anna Van

            Loock.  Hij diende bij het 12de Linieregiment.

 

1914 – 29 september : Het dagboek van Hombekenaar Domien Van Beveren : “...mijn

            vrouw en ik  reden dan met onze beide kruiwagens met onze drie kleine kinderen

            op de vlucht..

            (...) Wanneer we aan de ijzeren weg gekomen waren begonnen ze weer te schieten

            en we waren verplicht, gebukt en met een zware last op onze kruiwagen te rijden

            van aan de bareel tot aan het Hoefijzer. De kogels vlogen om ons heen.

            Aan de hoeve van Jef Scheers gekomen, was ik de last van het zadel moe en ik

            wierp hem in de hof. Wij gingen voort tot aan de Winkelstraat, daar stonden de

            karren, van dewelke een paard zijn zadel verloren had.

            Ik mag ook neit vergeten te zeggen, dat terwijl wij op de vlucht waren, de

            windmolen van Stijnenmolen afgebrand is..”(’t Ridderke, nr.4,1996) 

 

1914 – 30 september : Het fort van Walem werd door de Duitsers ingenomen.

            De Belgische soldaten sloegen op de vlucht. (KH)

 

1914 – 30 september :

            “...Jan Baptist De Cuyper ,zijne vrouw Francisca De Buyser en Antoon Edward

            Leemans, landbouwers te Leest uit de Blaasveldstraat, werden bij hunne vlucht,

            op 30  september 1914, aan het kasteel Lefebvre te Blaasveld, door de Duitsche

            soldaten gevangen genomen. Ze werden tegen de muur eener woning opzij

            geplaatst, met den rug naar de Duitschers.

            Eene ontploffing volgde, en deze drij personen vielen getroffen ten gronde.

            Leemans bleef roerloos ten gronde liggen, eenigen tijd daarna bemerkende dat de

            Duitsers vertrokken waren, kon hij, alhoewel zwaar gewond, zich oprichten en

            verder vluchten in de richting Willebroek, waar hij verpleegd werd.

            Een zijner armen was verminkt, zoodanig dat hij meer dan zes maand in ‘t

            gasthuis verbleef ; het gevolg is dat hij zijne werkkracht verloren heeft voor dit

            lichaamsdeel.

            Zijne twee gezellen, De Cuyper en vrouw, verloren er het leven bij.

            Leemans verklaarde dat de Duitschers bij het plegen dezer moorddaden, maar

            2 of 3 passen van hen stonden.

            Verschillende inwoners der gemeente, waarbij ouderlingen, vrouwen en kinderen

            waren niet gevlucht. Sommigen werden in de gemeente zelf in eenige huizen bij

            elkander geplaatst,anderen werden naar Zemst geleid en daar verschillende

            dagen opgesloten gehouden.

            Jaak Teughels werd, na zich verschillende dagen verdoken gehouden te hebben

            onder een goot, en zich gevoed te hebben met rapen en wortels, door de

            Duitschers ontdekt.

            Alhoewel hij alleen niet meer kon gaan, werd hij niettemin naar Mechelen en

            vervolgens naar Duitschland gezonden.

            Gelukkig werd hij na korte tijd teruggezonden wegens zijn zwakke gesteltenis.

            In bijna alle woningen, door de gevlucht zijnde bewooners verlaten, werd

            ingebroken.

            Deuren, kasten, geldkoffers verbrijzeld en den inhoud ervan geroofd.

            Al wat eenige waarde had als ljnwaad, kleedsel, beddegoed, juwelen en

            gereedschap werd meegenomen of verbrijzeld door de Duitsche overweldigers.

            Veel vee, bijzonder zwijnen en pluimgedierte werd geslacht door de Duitschers,

            en dit in zulk getal, dat verschillige zwijnenrompen geheel bewerkt na slachting,

            later in staat van ontbinding op verschillige plaatsen gevonden zijn.

            Door de beschieting is groote schade aangericht aan de kerk, dezer meubelen,

            aan den toren, aan de pastorij, aan de grafmonumenten en aan de

            omheiningsmuur van het kerkhof.

            Eene klas der meisjesschool is in brand gestoken en den inhoud is door het vuur

            vernield.

            Vele schoolmeubelen zijn door de Duitschers vernield en al de boeken zijn

            verbrand geworden.” (GA-8/1/1920)

 

Bezet België werd bestuurd door de Duitse gouverneurs-generaal von der Goltz (2/11/1914 tot 2/12/1914), von Bissing (2/12/1914 tot april 1917) en von Falkenhausen (april 1917 tot november 1918).

Het etappegebied stond wegens de nabijheid van het front rechtstreeks onder militair bestuur.

Er was tevens een Duits burgerlijk bestuur, dat samen met het militaire bestuur de Belgische ambtenaren, die met instemming van de regering in Le Havre in functie bleven, controleerde.

Er rezen tal van conflicten tussen dit dubbele Duitse bestuur en het interne Belgische bestuur.

De stemming onder de bevolking was hoofdzakelijk anti-Duits als gevolg van de gewelddaden en represailles, van de afschaffing van de grondwettelijke vrijheden en door het optreden van bepaalde figuren, zoals kardinaal Mercier en Adolphe Max, burgemeester van Brussel.

Er heerste door de oorlogsomstandigheden bovendien een grote werkloosheid, met als gevolg dat ca. 100.000 personen vrijwillig in Duitsland gingen werken, terwijl er daarenboven nog ca. 120.000 werden gedeporteerd.

Door de verplichte inlevering van grondstoffen en levensmiddelen heerste er gebrek aan voedsel, wat wel enigszins gecompenseerd werd door de distributie van levensmiddelen uit Amerika.

Daarbij kwam nog een zware oorlogsbelasting van 50 mln. frank, die de bezette gebieden maandelijks aan Duitsland moesten betalen.

 

Te Leest begon men zich stilaan aan te passen aan de oorlogsomstandigheden.

De meeste vluchtelingen waren weergekeerd en togen aan de arbeid.

Het gemeentebestuur maakte de balans op :

-9 huizen waren onbewoonbaar geworden door de beschietingen.

-8 waren er zwaar beschadigd.

-Het aantal daklozen beliep 71 en 45 huisgezinnen zaten zonder bestaansmiddelen.

In de gemeente was er hoogdringend nood aan meel, rijst, vet of reusel, bonen, zout, erwten, kledingstukken, schoenen, klompen en petroleum.

Beschikbare middelen op dit ogenblik :

Weldadigheidsbureel : 2.000 frank,

Vicentius a Paulo : 500 frank,

Het Hulp Comiteit : 1.000 frank.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 16:37 Reageer op dit bericht

1914 – 28 augustus : 3de bombardement op Mechelen, dit van 8 tot 11 uur en van 14 tot

            17 uur.

            Bij deze bombardementen ontvluchtte bijna iedereen de stad en trachtte in de

            omgeving een onderkomen te zoeken.

            Velen gingen te voet naar Duffel of Lier ; anderen reden met de trein naar Gent,

            Brugge of Antwerpen en zelfs tot tegen de Hollandse grens.

           Men vond geen voerlieden meer om de lijken naar het kerkhof over te brengen,

            zodat men verplicht was de lijken voorlopig in de tuin van het O.L.Vrouw

            Gasthuis te begraven.

            De geestelijke en wereldlijke overheid was ook verplicht de stad te verlaten.

            Vele kloostergemeenschappen vertrokken naar Engeland.

            Te Mechelen werden geruchten verspreid over de gruwelen in Aarschot, Leuven

            en  andere plaatsen, waardoor er onder de overgebleven bevolking paniek

            ontstond, met gevolg dat bijna iedereen op de vlucht sloeg. (MK-F.Berlemont)

 

1914 – “...einde augustus vervoegden onze dorpelingen zich met die uit Hombeek en

            Stuivenberg komende stroom vluchtelingen, richting Heffen,Willebroek...

            Pastoor Beuckelaers was daags voordien naar Antwerpen afgereisd.

            Bij Stienes vertrekt Fons en familie, doch hun Sooike wil niet mee, en heeft een

            paar uur later al twee volle manden flessen wijn uit de kelder der pastorij naar

            zijn hooizolder verhuisd. Wijl hij smakkend aan een fles tuttert, en door het

            gevelvenster de beweging beneden volgt, draait daar de speelkar van Sooi Van

            Hoof met zijn gezin deels erop en er achter, met Jef als laatste, de Molenstraat in.

            Sooike wenkt meermaals naar Jef, die eigenlijk liever daar bleef, waar hij vele

            zomers het hooi hielp tassen...

            Later zei Wiske dat ze ergens te Willebroek Jef misten...

            “O, onze Jef !” Doch nu zit die Jef met Sooike van Stienes, tot ’s anderendaags

            ochtend onder de pannen op den hooitas en ze ledigen fles na fles, wijl er reeds

            bommen en houwitsers vanaf het fort van Walem, beantwoordt door Duitse

            artillerie, afwisselend rond en bij het dorp ontploffen...

            Sooike, die als spraakgebrek geen R kon maken, zattekulde tussenin : “Laat ze

            maa.. ologen, Jef !”

            Maar plots een “Bonk en gekraak”, met golven stof en rook, uit de als een

            vuurzee dadelijk brandende schuur...

            De twee beroette verstekelingen waren half ontnuchterd de dans ontsprongen,

            en verschuilden zich op de pastorij, tot ze drie dagen later gevluchte buren

            hoorden toekomen, die door de hen overspoelende Duitsers waren

            teruggedreven...

            Bij ons thuis had zonder brand een bom de halve keuken vernield. In een eiken

            tuinhekpaal puilen daarvan nog zichtbaar zeven loden knikkers uit.

            In de Molenstraat was het huis van Jef Neutkens evenals de schuur van Stienes

            totaal uitgebrand, en het grootste deel der hoeve ingestort.

            In de kerk had een Duiitse bom in de recher zijbeukmuur een dubbelmeter gat

            geslagen, de biechtstoel verbrijzeld, stoelen, beelden en vensters met schroot

            doorzeefd...” (Anselms Jedrie-DB 1978)

 

1914 – “Op 30 augustus zijn twee burgers van Hombeek, Frans De Wit en Jan Frans

            Smets, vaders van verscheidene kinderen, vluchtende in de richting Willebroek,

            laffelijk doodgeschoten in de Blaasveldstraat, achter de woning van Pieter Jan

            Diddens en in de hof van Louis De Rooster, door een Duitse rijwielafdeling.

            Het lijk van Jan Frans Smets was verscheidene malen doorstoken.

            (Jan Frans De Wit, alias “Sooi van Davidkes” was de eerste voorzitter van de

            Hombeekse fanfare de Vrolijke Vrienden. Pas op 17 november 1914, toen het

            wat rustiger was, werd hun uitvaartmis gehouden-KH)

          

            Het huis van Piet. Jan Diddens, waarin verschillende personen gevlucht waren

            om aan het geschut te ontkomen, werd door die Duitse rijwielafdeling in brand

            gestoken bij middel van ontploffingsstoffen, doch de daarin gevluchtzijnden

            hebben zich nog tijdig kunnen redden.

            Een jongeling van de omstreken van Zemst vluchtende met zijne moeder en

            andere personen op zijne speelkar, werden allen aan gemeld brandende huis

            aangehouden, gestampt en geslagen door de Duitsers.

            Eén der Duitse soldaten was aldaar doodgeschoten door de achterhoede der

            Belgische soldaten, en om hen te vrijwaren tegen het geschut der Belgische

            soldaten, plaatsten de Duitsers voormelde speelkar en paard, alsook de

            aangehoudene burgers op de straat, tegen den vuurgloed van het brandende huis

            Diddens, met bedreiging van neergeschoten te worden zo zij zich durfden

            verplaatsen.

            Een Duitser is daar gesneuveld en begraven te Blaasveld, deze maakte deel uit

            van die barbarenafdeling.” (GA-8/1/1920)

 

1914 – 30 augustus : “...Een jongeling van Zemst, per rijwiel vluchtende, werd op den

            Kouter, nabij het dorp, door de Duitsers doorschoten.

            Hij werd per rijwiel vervoerd naar Mechelen tot verpleging, doch nabij de

            limiet van Mechelen, werd het gespan door de overste eener Duitse

            rijwielafdeling afgenomen.

            Bij het verder vervoer met een ander gespan, moet het slachtoffer op ‘t

            grondgebied van Mechelen bezweken zijn.” (GA-8/1/1920)

 

1914 – 1 september : 4de bombardement op Mechelen, van 11u30 tot 12u30.

            (MK-F.Berlemont)

 

1914 – 11 september : In Zemst-Laar woeden de gevechten verder. In de Hombeekse

            meisjesschool logeren veel officieren. De gekwetste soldaten vertellen over

            de afschuwelijke gruweldaden van de Duitsers tegenover de burgers. (KH)

 

1914 – “...den 20ste september, is er eene koei, toebehoorende aan weduwe Frans E. De

            Hondt, landbouwer uit de Koeistraat, gestorven als aangedaan door pokziekte.

            Het dier is gedolven in den hof der eigenaarster, in bijzijn van Frans Huys en

            Florent Fierens. De veearts kon tengevolge van afwezigheid niet bijgeroepen

            worden...”(GA)

 

1914 – 23 september :  Op bevel van de Belgische Gendarmerie werd het hoornvee

            overgebracht naar de weider in de omgeving van Willebroek, Ruisbroek en

            Eikevliet.

            Later, bij het oprukken van de Duitsers, werd dit vee  voortgestuwd naar

            Hoboken, Kruikebe en omstreken.

            Een groot deel van deze melkkoeien zou niet meer teruggevonden worden en zij

            die terugkwamen bleken niet meer bruikbaar als melkgevend, dit alles omwille

            van de lange zwerftocht en de gebrekkige voeding.

 

            Wegbrengen vee

            “De opeising werd gedaan bij mondeling bevel der gendarmerie. Het vee werd

            bijeengebracht, ingeschreven ter verzamelplaats in de gemeente, geschat aan de

            waarde van 1914 en onmiddellijk verdreven tot binnen de fortengordel der

            versterking Antwerpen en daar op de weiden geplaatst.

            Daar de Duitse troepen in aantocht waren, ontbrak de tijd om alle andere

            formaliteiten te volbrengen zoals het verstrekkingsreglement voorschreef.

            (GA-24 april 1923)

 

1914 – 27 september : Om 08u15 begon het 5de bombardement op Mechelen dat de hele

            dag duurde en zware schade aan de stad toebracht. (MK-F.Berlemont)

 

1914 – Op 28 september werd Mechelen door de Duitsers bezet. (MK-F.Berlemont)

 

1914 – 28 september : De Duitsers hebben zich verschanst in loopgraven tussen den

            Dries en Laar. Zeer vroeg in de morgen rukken ze op. Om 5 uur zijn ze aan het

            huis Tersago in de Bankstraat (Hombeek).Om 8 uur wordt de overweg en de

            cabine van het Heike bezet. Het huis van Gust Jocobs in de Bankstraat wordt in

            brand gestoken en in de namiddag brandt de molen van De Keirsmaecker op de

            Leestse steenweg af. Een tweede aanvalslijn der Duitsers loopt van Bos van Aa

            over de Boskant naar Leest.

            De twee volgende weken richten de Duitsers hun kamp op in Hombeek op de

            velden tussen het spoor en de Kapellebaan (Kriekerij).

            Er staan rijen wagens, kanonnen, veldtenten. Er is grote drukte om en bij de

            veldkeuken. Alles wat ze vast krijgen aan voedsel en drank wordt naar daar

            gesleurd. De runderen worden van de weiden gehaald en ter plaatse geslacht.

            (KH)  

 

1914 – Op 28 september viel te Leest, ter plaatse Groteheide, de Belgische soldaat

            Romaan Van Mol.

            De gesneuvelde was geboren te Hekelgem op 18/6/1890 en diende bij het 11de

            Linieregiment.

            Hij werd in de Groteheide begraven en zou later, op 5 februari 1915, in het

            bijzijn van zijn familie, overgebracht worden naar het kerkhof van Leest.

            (GA-12/10/1915)

 

1914 - 29 september : Inval te Leest van de Duitse bezetter.

            “Bij hunnen inval in de gemeente, werden door de Duitsche barbaren afgebrand,

            de graanwindmolens van weduwe Boniface Lauwers aan “De Knip” en van

            weduwe Frans Van Winghe, “Steinemolen”.  (GA-8/1/1920)

 

            “De registers van den burgerlijke stand zijn door de Duitsche soldaten, op 29

            september 1914, beschadigd en met olie onleesbaar gemaakt ; verschillende

            werden verscheurd, enkele bladen daarvan zijn later teruggevonden in de

            loopgraven in de gemeente, waar de Duitsche kanonnen stonden.

            Ook schoolboeken lagen daar verstrooid.” (GA-8/1/20)

 

            “...het groot deel der bevolking is gevlucht voor en bij het begin der

            schermutselingen.

            De personen in hunne woningen en bij het vluchten aangehouden zijn weggeleid

            of in hunne woningen zelve opgesloten gehouden.

 

            Albert Tonneau, soldaat bij het 11e Linie, wonende te Brussel, Rue du Chemin de

            Terre 7, sneuvelde die dag in de Blaasveldstraat, alwaar hij tijdelijk werd

            begraven.

 

            Sneuvelden nog te Leest op 29 september :

            -O.Mat. J. Rosenbaum Herne 10.komp. Mat. Art.R., Duits soldaat.

            -Gefr. G. Braunig Niedersulzbach 3.Komp. 3.See.-Bat., Duits soldaat.

            -Viz.Feuw. O. Spoun Marbach, 8.Komp.2.mar.Art.R., Duits soldaat.

            -O.Mat. K. Sadony Buschdorf 7. Komp. 2.Mat.,Art.R., Duits soldaat.

            -Unt.ffz K. Idler Veigingen 3.Komp.See-Batl., Duits soldaat.

            -Sees. J. Schramm, Krogelstein 3.Komp.See-Batl., Duits soldaat.

            -Een onbekend Duits soldaat : Matr. Urtl. 7 Komp. 2.Mat, Art.R..

            (GA-15/2/1919)

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Marcel Van Hoof om 16:31 Reageer op dit bericht

Frans Moyson :

“Het was in de tweede helft van augustus op een zondagnamiddag : de Belgische

 piotten die in de omgeving lagen, reden zenuwachtig per vele heen en weer...

De Duitsers waren in aantocht, zeiden ze.

En werkelijk , een patroelje Duitse “Huzaren van de dood” waren te Hombeek.

We zagen er in de verte op de Zennedijk, tussen Hombeek en Leest, een tiental

draven te paard.

Ze maakten rechtsomkeer en reden terug naar Hombeek waar ze een herberg

binnengingen en hun paarden aan de deur lieten staan.

De piotten waren dra verwittigd en reden er op af langs de Kouter.

Enkele ogenblikken later hoorden we geweerschoten knallen. De huzaren waren

buiten gekomen en de enkele soldaten die hier en daar achter de huizen zaten

onthaalden de Duitsers op geweerschoten.

Een drietal Huzaren sneuvelden te Hombeek in ’t dorp. De anderen vluchtten

langs het Heike door de velden, en kwamen zo door de Kouter naar Leest, waar

de Belgische piotten zich langs de steenweg in de grachten hadden verscholen...

Twee, drie huzaren waren reeds op de steenweg geraakt, waar ze door onze

piotten werden geschoten...

Het zijn deze huzaren die op ’t kerkhof te Leest werden begraven.

We hadden onze eerste Duitsers gezien !”

(Frans Moyson in “De Band” – februari 1955)

 

1914 – 23 augustus : Een patrouille Dragonders  komt van de Zink het dorp van

            Hombeek ingereden, revolver in aanslag. Aan de herberg “In de Kroon”

            stappen ze af en vragen eieren met hesp. Rond ongeveer drie uur arriveert

            een groep Chasseurs uit de richting Leest. Een Belgische soldaat vat post achter

            de kabine en schiet in de lucht. Eén der Dragonders komt naar buiten en er volgt

            een tweede schot dat afschampt op de vensterrichel. De Duitsers lopen op de

            koer en vluchten weg met hun paarden. De luitenant en zijn ordonnans worden in

            de rug geschoten. Aan de bareel stuiken de mannen uit het zadel. De commandant

            zegt zich over te geven maar blijft vuren. Hij en de ordonnans worden dodelijk

            getroffen. De zeven anderen trachten te ontkomen. (KH )

 

            Een andere bron zegt : “De statieoverste had dit bezoek te Mechelen overgeseind.

            De Zwarte Duivels, fietsende karibiniers, waren na tien minuutjes ter plaatse.

            Ze vatten post rond de herberg, lossen schoten in de lucht. Paniek der Dragonders,

            die buiten stormen en te paard springen. De karibiniers mikken op dat mooie wild

            en schieten ze een voor een af. Twee ruiters ontsnappen met over de haag te

            springen en dwars door het veld te rennen. Maar een trein  uit Mechelen rijdt juist

            naar Kapelle op den Bos. Daar zit een piotje op dat door vrouw en kind terug naar

            zijn post wordt afgebracht. Bij de eerste schoten heeft hij zijn geweer gegrepen,

            leunt uit het raampje, loert uit. Tevergeefs willen vrouw en dochterke hem terug

            binnen trekken. Hij ziet de vluchtelingen, mikt, schiet ze van hun paard.

            Slechts de aanvoerder wilde zich moeder verdedigen. Te voet en alleen, midden

            op straat, vuurt hij acht kogels af uit zijn browining.

            Maar de zwarte duivels springen op hem toe met gevelde bajonet. Hij valt op de

            knieën,  strekt de armen uit, roept luidkeels : “Ich gebe mich ab ! Ich gebe mich

            ab”. – “Als ge eerst uw kogels verschoten hebt; hé verken! “, brullen de

            karibiniers en steken hem omver.” (KH- Uit “Onder de wolk”, dagboek van de

            oorlogsjaren door E.P.Hilarion Thans)

 

            Geen van de zeven verkenners zijn de dood ontsnapt. Ze werden ofwel op hun

            vlucht of in hun schuiloord neergeschoten. De soldaten werden later op het

            kerkhof van Hombeek begraven. Het vlees van de paarden werd versneden als

            voedsel. De krengen werden ingegraven. Omdat de ware toedracht van deze

            slachting de Duitsers niet bekend werd, ontsnapte Hombeek zonder twijfel

            aan een vergeldingsactie. (KH)

 

1914 – “Zondag 23 augustus was een stralende zomerdag. Naar aloude gewoonte

            gingen vele mensen naar het Lof. Juist op die dag reden 8 Uhlanen door de

            Hoogstraat (noot : te Zemst) De kerkgangers gunden de in de zon schitterende

            ruiters geen blik. Deze patrouille ging een kijkje nemen te Hombeek.

            Belgische soldaten hielden de wacht in Leest.

            De zoon van de koster van Hombeek die mee het orgel trapte, klom dikwijls in

            de kerktoren omdat hij van daaruit zo’n mooi zicht had op de omgeving.

            Van heel ver zag hij de ruiters naderen. Hij verwittigde zijn vader.

            Midden in het dorp, aan het café “De Kroon”, hield de groep halt.

            Terwijl één soldaat op wacht stond, bakten de anderen een dikke biefstuk.

            Een Hombekenaar sprong op zijn fiets en reed naar Leest om de Belgische

            soldaten te verwittigen. Twee Uhlanen werdan aan het café doodgeschoten.

            Een hogere officier kon zijn paard bereiken en trachtte te in volle galop te

            ontsnappen. Het paard ontsprong de dans echter niet. De officier liet zich vallen

            en rolde tot bij een paar boomstammen van een zagerij. Hij verdedigde zich tot

            de laatste kogel.

            Jef Mertens uit Zemst Laar (°1897) keerde uit Mechelen terug : hij zag de

            getroffen Duitsers liggen. Een andere Uhlaan probeerde te ontsnappen langs de

            spoorweg. Toevallig zat er op die trein een soldaat uit Hombeek die huiswaarts

            keerde. Vanuit het raam schoot hij de Uhlaan neer. (...) “

            (Een dorp in een wereldoorlog, Zemst 1914-1918 van R.Van Kerckhoven) 

 

1914 – Vluchtelingen van Eppegem, Weerde, Zemst, Mechelen, Leest komen in

            Willebroek toegestroomd in een eindeloze stoet en dit met allerlei

            voertuigen. Zij worden in het dorp van Willebroek zo goed mogelijk

            ondergebracht. In de gebouwen van de werven Victor Dumont alleen al zijn

            er niet minder dan 1.000 vluchtelingen.

            Op dit ogenblik bevinden er zich in de gemeente Willebroek zo rond de 5.000

            soldaten en ruim 2.000 vluchtelingen.   

            (Vaertlinck nr.1, juli 2008)

 

1914 – 24 augustus : Te Hombeek kwam er een nieuwe ploeg Dragonders op verkenning.

            Ze zochten wellicht hun voorgangers. In de namiddag werden aldaar Belgische

            gekwetste soldaten in de meisjesschool ter verpleging binnen gebracht. (KH)

 

1914 – 24 augustus : Verscheidene Duitse dragonders (lichte cavaleristen) zijn gedood

            in de nabijheid van Leest en de gekwetsten zijn naar Willebroek gebracht naar de

            infirmerie van de firma De Naeyer.

            Boven Willebroek zweefde ’s nachts een Duits luchtschip (Zeppelin). Menig

            geweerkogel werd er naatoe gestuurd en vanuit het luchtschip werd de

            beschieting met machinegeweervuur beantwoord.

            (Vaertlinck, nr.1 juli 2008)

 

1914 – 25 augustus : In Zemst en Eppegem werd verwoed gevochten. Meer gekwetsten

            werden te Hombeek aangevoerd. (KH)              

 

1914 – Op 25 augustus kwam koning Albert naar Mechelen. Hij verbleef op het

            buitengoed van baron Empain te Battel.

 

            In het nieuwe stadhuis van Mechelen zat de koning een krijgsraad voor.

            In de voormiddag beklom hij de Sint Romboutstoren, om te kunnen zien hoe de

            Duitse legers langs de Leuvensesteenweg naar Mechelen trokken.

            Mechelen werd voor de eerste maal door de Duitsers beschoten.

            (MK-F.Berlemont)

 

1914 – 26 augustus : Belgische soldaten trekken vanuit Hombeek terug richting Leest.

            De bevolking slaat nu ook massaal op de vlucht. (KH)

 

1914 – 27 augustus : 2de bombardement, van 17u tot 19u, op Mechelen. (MK)

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door Marcel Van Hoof om 16:27 Reageer op dit bericht

1914 – 20 augustus : Duitsers blazen de treinrichels op, op het Heike. (KH)

                                  

1914 – “Tot  20 augustus bleef het rustig in onze omgeving. Het was stilte voor de storm.

            De Duitse troepen lagen in de omgeving van Brussel.

            Zemst lag in het niemandsland, tussen twee legers in. Om de beweging rond de

            forten te kunnen gadeslaan, zette de vijand voorposten uit op de uithoeken van

            dat niemandsland.

            Belgische soldaten hielden de wacht in Leest.

            (...)”

            (Een dorp in een wereldoorlog, Zemst 1914-1918 van R.Van Kerckhoven) 

 

 

1914 – Half augustus : DE EERSTE DUITSERS TE LEEST –

 

Remi Spoelders :

“...Toen de eerste Duitsers in 1914 vanuit Hombeek op de Kouter verschenen, werden ze door enkele Belgische achterblijvers op geweervuur onthaald.

Eén van die Duitsers wou zich in ons huis komen verschuilen, maar Peter War (War De Wit) sloeg de deur dicht voor zijn neus. Hij geraakte niet eens meer buiten de hof, en werd doodgeknald vanuit het huis van Jef Verlinden, dat toen in opbouw was.

Ons moeder zat aan het venster te kijken tijdens de schietpartij, en wij kleine kinderen moesten ons achter de schouw wegsteken...”

(Remi Spoelders in LG-blz.289)

 

Albert Huysmans :

“...Een vluchteling uit Zemst vertelt dat op verkenning zijnde Ulanden der Duitse ruiterij daar huizen hebben afgebrand en bewoners gedood.

Onwetend wat oorlog was, trokken mannen en vrouwen onder de noen, met de garde op

kop, langs de Zennedijk om naar die slachting te gaan kijken.

Ze moesten zich echter op een gegeven ogenblik in allerijl reppen om een plots losgebroken geweervuur te ontlopen.

In de namiddag was ik gaan spelen met andere kinderen bij de loopgrachten. Eensklaps dwongen de schildwachten ons bij hen neer te hurken, op een gegeven vlaggesein vanaf de Hombeekse Wiekenmolen even voorbij de Laerestraat.

Allen zagen we toen in de Bleukensweg een aankomende ruiter, en ginds, langs de binnenkant van de Zennedijk, daarboven uithuppelend, ook een paardekop en een pinhelm.

Plots klonk het bevel : vuur ! Het paard in de Bleukensweg steigerde en de ruiter viel ten gronde. Hij wist echter de Zennedijk te ontkomen.

Die avond heeft een Duitse voorhoede het vuur gestoken aan de houten molen, hij is geheel afgebrand.

Die nacht werd ook door het leger de ontruiming van het gebied bevolen.

Later hebben de Duitsers aan de linkerzijde van de kerk een vak afgebakend als begraafplaats voor hun zeven en twintig hier gesneuvelden...”

(Albert Huysmans – LG, blz.254)

 

Albert Huysmans :

“...Twee dagen na de veldslag rond Eppegem, half augustus 1914, werd vanaf den molen “Den Bleuken Alverman” (Hombeek) met vlaggeseinen, door een uitkijkpost der Belgische achterhoede, opgesteld in de loopgrachten bij den Leestse Dorpskouter, aangegeven dat ze de komst zagen van ’n twaalftal ruiters der Duitse Huzaren, langs de Hombeekse Zennedijk.

Die Duitsers hadden dit gevlag ook gezien, en maakten rechtsomkeer.

Een vluchteling uit Hombeek meldde, dat die Duitse horde daar bij een herberg in het Dorp waren afgestapt. Van hier vertrokken zes scherpschutters er op af, en van achter een hoekhuis in de straat, vuurden die naar bij de paarden staande schildwachten.

De hele bende kwam buiten gesprongen, en spoorden op hun rijdieren ten allen kanten uiteen.

Wat later namen de loopgrachtmannen, ginds in den Bleukensweg, twee ruiters onder vuur, waarvan er een stervend werd opgehaald.

Die nacht sluipten Duitsers tot bij den houten molen, en staken er het vuur aan.

De uitkijkjongens en het molenaarsgezin zijn gelukkig aan een mogelijke uitmoording kunnen ontsnappen.

Bij thuiskomst na de vlucht, vond de molenaar nog wat resten van zijn “Bleuken Alverman”, en die ging alzo de geschiedenis in.”

(J.A. Huysmans – DB augustus 1980 “Vijfwindvriendenspel)

 

Stephanie Dumont : (Dochter van de hoofdonderwijzer van de jongensschool)

“...in 1914, op 15 augustus, kwamen mijn twee broers mij halen te Overhespen waar ik woonde en les gaf en brachten mij naar Leest bij onze ouders.

Mijn broers keerden weer naar hun scholen.

Op 20 augustus vluchtte ik naar Boom met mijn ouders.

Na drie weken kwamen terug per camion naar Leest, waar al de deuren open stonden.

Op een morgen rond 4 uur bracht een Duits soldaat de 2 jongste kinderen Albert en Jan, van Beullens uit de Biest, bij ons.

Die waren alleen thuis achtergebleven als hun ouders en de overige kinderen werden verjaagd. Als alles kalm werd rond hun huis, hebben ze allerlei op hun kruiwagen geladen en kwamen ze naar ’t dorp, op zoek naar tante Trien en vandaar zijn ze bij ons aangeland.

Ja, die kruiwagen : daarop stond een mand en daarin een brood, een zij spek, een kom vet, een broodmes, een pot voor water, een doos met knoppen en garen, een naald stak aan de kraag van hun jaske.

Ik vroeg : “Wie heeft dat alles voor u gereed gemaakt ?”

“Ik”, zei de kleinste, (Albert, nog geen 5 jaar) “maar het spek heeft onze Jan uit het vleesvat genomen, want ik kon er niet aan, ik ben nog te kleintjes.”

“En die naald ?”

“Die steekt daar om ze niet te verliezen, want als er na ne knop af mijn broek ging, moest ik er hem toch aanzetten hé.”

De eerste Leestenaar die we na 14 dagen weer zagen, was Louis Van den Brande.

Die vertelde ons hoe alle mensen op zoek waren naar hun koeien en andere beesten.

Vader deed aan Beullens zeggen dat zijn zoontjes bij ons waren.

Vader Beullens is al lopende tot bij ons aangekomen en dan hebben we een scéne gezien tussen de kinderen en hun vader en we habben allen samen tranen van geluk gestort...”

(DB- augustus 1957)

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 16:16 Reageer op dit bericht

Meer van Kronieken van Leest

↑ Terug naar de berichten