Naar de inhoud

Kronieken van Leest

bij Mechelen
akke.beakke.be

Archief

Wijzigingen – Aanvullingen

Vervolg : Pater René DE LAET over het geval “Kongo”

Vervolg in “De Band” van juni 1965 : “De catechumenen en de internen waren aan ’t werken op hun velden. Enkele werklieden waren de klassen van de jongensschool aan ’t witten, een paar vrouwen en een zuster bevonden zich in de barza van de materniteit en voor de rest was er geen levende ziel te zien. Onze kok was naar huis en zou maar eerst tegen zes uur terugkomen om de moteur (van de elektriciteit) aan te steken en het avondeten klaar te maken. Onderweg was er wel hier en daar iemand die ons angstig en ondervragend aankeek : “Waar gaat ge nu naartoe ?”, hun hand opstaken en ons aankeken. Misschien vier of vijf personen en voor de rest was alles doods en verlaten, de deuren van de huizen potdicht gesloten, ook op de grote baan. Aan kilometer 8 kwamen we in Malabo; dorp waarover we het al hadden. Voorbij de magazijntjes links bevinden zich school en kapel, en rechts daartegenover het dorp van de chef, doch een beetje verwijderd van de baan. We werden een beetje ongerust. Normaal was Malabo als een mierennest, er is daar een grote markt en veel magazijnen en het krioelde er altijd van mensen. Nu niets of niemand en alles potdicht gesloten. We reden de kapel een beetje voorbij en stopten, ons afvragend wat we zouden doen. Ik zei : laat ons gaan kijken naar de chef. We moesten eerst een beetje achteruit rijden om zo rechts te kunnen in te slaan. Op hetzelfde ogenblik kwam er een bende aangereden in die richting. Ze reden heel traag en er zaten enkele mannen op. Er is daar een grote bocht in de baan, ongeveer 500 m van de plaats waar we ons bevonden. Zonder veel acht te slaan op die bende reden we het dorp binnen en stopten op het pleintje voor het huis van de chef nevens de vlaggenstok. Niemand te zien ! We gingen overal rondkijken. Tenslotte werd er schuchtertjes een deur geopend; de man die buiten kwam als hij ons zag heette Baudouin Lembanyabo, onze man van de katholieke actie in Malabo. We vroegen hem : “wat gebeurt er hier allemaal ?” “De mensen zijn allemaal gaan lopen, behalve ik.” “Waarom ?” “Wel, weet ge dan niet dat die mensen hier zijn ?” “Welke mensen ?” “Wel, zij.””Waar zijn die zij ?” “Daar, zie ze komen af.” We keken om en inderdaad “zij” waren daar, te voet, want hun auto stond aan de magazijnen. Met vier waren ze. Twee ervan hadden een automatisch geweer, de derde een grendelgeweer en de vierde had een lans in de hand. Hun chef (dat wisten we gauw, Salomon Bubu, die later altijd vriendelijk voor ons zou zijn, maar in feite niet veel te zeggen had) had een fluitje rond zijn hals hangen en een regenmantel aan zonder mouwen, de anderen waren half naakt. Een ogenblik wisten ze niet wat doen. De gedachte om gaan te lopen flitste door het hoofd, omdat er vele hutten in de nabijheid stonden en de brousse ook dichtbij was. Dat was echter geen oplossing, eerst en vooral gevaarlijk en dan, waar naartoe ? Daarom deden wij het enige wat wij konden doen, we zetten ons vriendelijkste gezicht op en we gingen naar hen toe, zulks met grote zelfzekerheid als om hen te verwelkomen, wat niet belette dat wij angstige ogenblikken beleefd hebben. Volgend gesprek speelde zich af : “Wat komt gijlie hier doen ?” “Wij komen u goedendag zeggen, wij hoorden dat gijlie allemaal brave mensen zijt en geen kwaad doet.” “Waarom zijt gijlie dan achteruit gereden en het dorp ingevlucht als ge ons zaagt aankomen ?” “Wij wisten niet dat gijlie dat waart en kwamen in het dorp om aan de mensen te vragen waar gijlie waart.” “Dat geloven we niet, want we hebben gezien dat gij gaan lopen zijt.” “Maar we hebben geen schrik, wij weten dat gij brave lieden zijt, anders zouden wij toch niet naar hier gekomen zijn ?” “Vanwaar komt gij dan ?” “De missie is hier op acht kilometers.” “Hebt ge daar auto’s ?””We hebben enkel de camionette waarmee we gekomen zijn.” “Dat geloven we ook niet. Allez vooruit, de camionette gaan wij al zeker meenemen. We zullen naar onze grote chef rijden.” We gingen in de richting van onze wagen, ze volgden ons met geladen geweren en ze schoten ook in de lucht. “Waar is het contact ?” “Er is geen contactsleutel.” “Leugens, geef het contact maar gauw of we schieten.” “Kom, dan kijken we in de cabine.” Twee Simba’s kropen er in, wij moesten van achter plaats nemen in de bak samen met de twee andere gewapende rebellen. We reden weg, zagen dan ook het lijk liggen van de vermoorde policier in de greppel en stopten aan een magazijn waar de andere Simba’s aan ’t drinken waren. Dezelfde comedie ! “Wat komt gijlie hier doen, van waar komt gij, waarom zijt ge gaan lopen ? Uw camionette hoort toe aan het volksleger…” Na nog wat palaberen waren ze toch ’t akkoord ons te laten vertrekken. Ze zouden zelf onze wagen komen halen op de missie morgen vroeg. Zo verliep onze eerste kennismaking met de Simba’s, die de laatste niet zou zijn. ’s Anderendaags ’s morgens, donderdag 3 september. Als de mis uit was rond zeven uur praatte ik zoals iedere dag als ik thuis was met de enkele mensen die de moed nog hadden naar de kerk te komen. We gingen daarna met ons getweeën een beetje eten, of liever wat eten door ons keelgat wringen, bij het minste gerucht opspringend, het was precies of we gedurig motoren hoorden !! Om negen uur ging ik onderricht geven aan de catechumenen die met een 80-tal waren : volwassenen die zich voorbereiden op het doopsel en de kinderen van de plechtige communie. Wij noemden die zes-maanders, het waren gedoopte kinderen van rond de 12 jaar, die niet naar school gingen en voor zes maanden naar de missie komen om zich voor te bereiden op plechtige communie en vormsel . We waren nog pas bezig of we hoorden een camion afkomen en zingende mannen. Wij aanstonds naar buiten, dat wil zeggen de catechumenen en de rest de missie in en ik bleef alleen op de koer staan met Pater De Meyer die ook afgekomen was, samen met een paar zusters. Enkele ogenblikken later kwam er een grote rode autobus aangereden, door de rebellen buitgemaakt op het K.N.L.. Heel traagjes, we zagen ze rijden in de dreef die naar de missie loopt, tussen de palmbomen door. Het was een autobus zonder ruiten, gevuld met halfnaakte Simba’s, de geweerlopen door de ramen en al maar door zingend. Ze kwamen de koer opgereden en maakten een grote draai. Al zingend kwamen ze buiten en bleven nevens de bus staan dansen. Hier weer, zoals gisteren, deden wij hetzelfde. We gingen recht op hen af en herkenden onze adjudant, wat ons gerust stelde. “Roep de mensen maar, dat ze allemaal komen, niemand moet schrik hebben. Wij doen alleen maar kwaad aan degenen die geld gestolen hebben.” Zij bedoelden daarmee al degenen die werkten aan de staat en geld verdienen, soms heel veel, en ook wel, niet allemaal natuurlijk, geld stalen, vooral zij die aan de kas zaten. De mensen kwamen schuchter dichterbij, ieder met een tak in de hand of een hoopje lang gras, waarmee ze wuifden. Dat moest zo zijn, men vertelde zelfs dat de Simba’s de handen afkapten van degenen die niets in hun handen hadden. Ze zeiden dat ze gekomen waren om de streek, heel Kongo, te zuiveren van de profiteurs en uitbuiters, Tsjombe op kop, die Kongo verkocht heeft aan de Amerikanen die nu gekomen zijn om tegen de Simba’s oorlog te voeren. Ze gaven bevel aan de mensen dat ze soldaten van Tsjombe die op de vlucht zouden zijn en bij hen zouden kleren of eten vragen, vriendelijk moesten ontvangen; ze zouden aanstonds beginnen te zeggen : “kom maar binnen, we zullen eten voor u klaar maken, ge moogt hier slapen ook. Als de soldaten goed zouden gegeten hebben, zouden ze gaan slapen en zouden hun geweer naast hen leggen. Als ze dan ingeslapen zouden zijn, moesten ze hun overvallen. Als ze hen niet zouden durven vermoorden, moesten ze hen binden en aan de Simba’s overleveren samen met hun geweren…Ze zeiden ook “en wij willen absoluut geen kwaad doen aan de Paters of aan de missie ; ge moet maar veel bidden en aan God vragen.” “Uw camionette zullen we toch maar meenemen, alleen maar om onze gekwetsten naar het hospitaal te voeren, daarna brengen we ze terug.” Later vertelde men ons dat ze een Pater zouden doodgeschoten hebben indien we zouden geweigerd hebben. Pater De Meyer ging dan met enkele Simba’s naar de garage die achter ons huis lag. Ze moesten alleen maar de wagen hebben, de bäche, sleutels, pomp mochten blijven, want over een paar dagen zouden we de camionette toch terug krijgen. Onze fameuze adjudant was ondertussen een goeiedag gaan zeggen aan de zusters (Bamasoeurs). De chauffeur, of ene die dacht dat hij met de auto kon rijden, kwam met de camionette achterwaarts uit de garage gereden, wilde draaien voor ons huis, maar reed tegen de waterciterne. De kraan brak af en een brede waterstraal gutste uit de opening. Nu, dat is geen erg, zeiden we…en weg waren ze. Met dat al wisten we nog niet wat die mannen in ’t schild voerden. Er werd nog wat nagepraat en iedereen ging dan naar huis. Ik ging op zoek naar de kinderen van de mafundisho (onderricht) en de catechumenen. Die wonen achter de kerk, ik was juist van plan binnen te gaan in de slaapzaal om te kijken, of ik hoorde plots geweerschoten en twee van onze jonge hoveniers (waarvan ik hoger vertelde) kwamen afgestormd om zich te verschuilen. Ik ging naar de missie en zag juist de camionette terug de dreef inrijden en vertrekken. De mannen waren teruggekomen om de bäche. Als ze vertrokken schoten ze in de lucht van vreugde. De mensen kropen in een mollegat van schrik, niettegenstaande al de schone en vriendelijke woorden van de Simba’s. Terreur was wel het grote wapen van de rebellen om de bevolking kalm te houden. We werden gerust gelaten voor de rest van de dag. We hoorden alleen voorbijrijdende camions geladen met zingende Simba’s op de grote baan en verwachtten steeds dat ze naar de missie zouden komen. We vernamen ook dat Bunia ingenomen was. Een infirmier, wiens vader onderwijzer op de missie was, was thuis gekomen. Hij had de strijd bij de Tinda meegemaakt, omdat hij verplicht was door het K.N.L. met hen mee te gaan als ziekenverzorger. Alle kinderen, catechumenen, vrouwen die wachten in de materniteit, de Zusters met de weesjes en meisjes die bij hen werkten, waren allemaal weggelopen, ze hadden zich verscholen aan de andere kant van de missie in de velden waar twee werklieden woonden, helemaal alleen in de vlakte, want de missie ligt op een heuvel. De Zusters hadden eten meegenomen voor de kinderen en voor hen. Iedere morgen na de mis vertrokken ze. Ze werkten dikwijls in hun velden en ’s avonds kwamen ze dan terug naar huis. Anderen deden juist het tegenovergestelde, overdag bleven ze thuis en werkten er wat, maar ’s avonds zag men overal hoe ze vertrokken met pak en zak om ergens in de brousse bij een of andere kennis te overnachten. Vrijdag 4 september gaf ik toelating aan catechumenen en kinderen van het onderricht naar hun dorp te gaan, ze waren ten andere niet meer te houden en vielen mij heel de tijd lastig. Voor enkele dagen maar, zeiden ze. Ik zei hen ook de families te verwittigen van de weeskinderen, dat ze die ook maar zouden weghalen. Drie mannen die catechumenen waren, bleven achter om hun huis en velden te bewaken, alsook hun varken dat bijna vet genoeg was om te slachten. ’s Avonds rond 6 uur nieuw alarm. Het begon donker te worden en men had zo pas de moteur van de elektriciteit aangestoken. Een onderwijzer kwam buiten adem toegelopen en vertelde dat een grote groep weggevluchte soldaten van de K.N.L. na de nederlaag bij Bunia op weg waren naar hier, waar ze een weg zochten om over te steken. Men had ze gezien bij de Shari, een rivier op drie kilometer van hier. Ze waren gewapend maar deden niets, ze vroegen alleen maar burgerkleren. Als men weigerde trokken ze de kleren van ’t lichaam en lieten hun soldatenkleren achter. Paniek en schrik, na al datgene wat de Simba’s gisteren gezegd hadden, dat diegene die een soldaat zou helpen aanstonds zou gedood worden, kan men indenken… De moteur werd al dadelijk stilgelegd, we deden de deuren op slot en begaven ons naar de refter die achter het huis gelegen is. We hebben daar een beetje gegeten en een tijdje naar de radio geluisterd. Alle mogelijke en onmogelijke posten om wat nieuws te vernemen. Overal redevoeringen van ministers die niets anders zeiden dan dat ze wonnen en de anderen bedreigden. Brussel konden we sinds een paar dagen niet meer krijgen, daar hadden ze niet beter gevonden dan van golflengte te veranderen, zgz. om de uitzendingen klaarder te maken. Bij ons was het juist het tegenovergestelde. In alle geval op die avond gebeurde er niets. De soldaten waren wel voorbij gekomen, maar veel te haastig om ergens binnen te komen. Velen echter van diegenen die gevlucht waren uit Bunia na de inname van de stad door de Simba’s bleven kalm zitten aan de overkant van de Shari en de Ituri, die nog een veel grotere rivier was. Er zijn daar geen wegen, enkel maar bergen, bossen, brousse en wilde beesten. Met het vlees van die beesten, vooral olifanten en buffels kochten ze eten bij de mensen en konden ze in leven blijven tot in ’t begin december, wanneer de streek van Bunia terug bevrijd werd. Zaterdag 5 september. De spanning duurde voort. Er kwamen nog enkele mensen naar de kerk ’s morgens en daarna was alles verlaten. Ik werkte wat op mijn bureau, klopte de vertaling van de uitleg van de Katekismus in Kibira (inlandse taal gesproken door de Babira) in vier exemplaren; voor de rest gingen wij de mensen bezoeken in de naaste omgeving. We hadden een schoon uitzicht op de top van een kleine heuvel vlak bij de missie gelegen, waar een onderwijzer zijn huis gebouwd had. We konden van daaruit de grote baan zien liggen en de voorbijtrekkende Simba’s. ’s Avonds verlieten we de kerk na het avondgebed. Ik sloot de deur en op ’t zelfde ogenblik kwam er een auto aangereden. Het was een station-wagen, gestolen op de protestantse missie van Nyanunde. Er kwamen vier mannen uit in hun traditioneel oorlogskostuum, half naakt en gewapend met geweren. Ze waren echter vriendelijk en zeiden dat ze aan ’t patrouilleren waren en dat wij geen schrik moesten hebben. We gingen dan ook slapen. Om half twaalf schoot ik wakker, er was weer een auto. Ik kwam buiten en zag dezelfde mannen van daarjuist neven hun auto met geweer in aanslag ; aan hun manier van doen zag ik dadelijk dat het niet pluis was. Toen ik bij hen kwam zeiden ze : “gij verstopt een Amerikaan.” “Wij hebben hier geen Amerikaan gezien.” “Ofwel verstopt ge een soldaat van Tsjombe, wij hebben hem zelf gezien op de baan, hij is naar hier gelopen. Waar zit hij ?” “Maar er zit hier niemand. Ge hebt gezegd dat wij niemand mochten versteken. Als ge wilt moet ge maar komen kijken en zoeken.” Pater De Meyer stak het licht terug aan en een Simba vergezelde hem naar het moteurkot, omdat de Pater het zelf vroeg. De huiszoeking kon beginnen. Als ge nu weet hoeveel gebouwen er op de missie staan en hoever die van mekaar verwijderd liggen, dan is het niet moeilijk te begrijpen hoeveel uren er zouden nodig geweest zijn alles af te zoeken. Ik ging mijn kamer binnen gevolgd door twee gewapende Simba’s. Een keek onder de tafel, dan in mijn slaapkamer die zo klein is dat men er nauwelijks kan in omdraaien. Ze keken onder mijn bed en ik moest de deur openmaken van de kleerkast. De huiszoeking bij mij was afgelopen. Dan gingen we in ons “salon”. Op tafel stond er een bandopnemer en ze moesten weten wat dat voor iets was. In een hoek stond er een ouwe uiteengenomen radio “iko nini ?” (wat is dat). Om de huiszoeking te beëindigen wilden ze nog de huizen van de onderwijzers zien, die wonen op een 50-tal meters van de missie nevens de oude jongensschool, in negen huizen langs weerszijden van de weg. Daar was natuurlijk ook niets te zien, ze kwamen dan terug en zeiden “munafaya fonie”. Wij keken hen aan en wisten werkelijk niet wat ze bedoelden. (later zouden we het nog genoeg horen !...) “Ndiyo, munafanya fonie” (ja, ja, gijlie doet fonie) om de Amerikanen te roepen en tegen ons te vechten. Toen ging ons een licht op. Ze bedoelden een uitzendpost en verwarden dat met Telephone ! We zeiden dat we wel een radio hadden, maar nooit een phonie in bezit hadden. “Ge bezit wel een fonie, zie maar, in Nyankunde hebben ze er ook ene. Yosiya (een Kongolees die in de drukkerij werkte) is gaan lopen maar we hebben zijn zoon meegenomen. Kijk maar in de auto, als zijn vader niet terugkomt schieten wij hem dood.” Zij vertrokken.”

Vervolgt.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 10:16 Reageer op dit bericht

Wijzigingen – Aanvullingen

Vervolg : Pater René DE LAET over het geval “Kongo”

Vervolg in “De Band” van mei 1965 : “’s Anderdaags na de middag vertrok diezelfde Pater op tourné naar Kibe, een centrale schoolkapel op 45 km van de missie gelegen, juist op het groot kruispunt Stan-Bunia-Beni, om er zondag a.s. de maandelijkse mis te doen voor de christenen. Toen hij daar aankwam was er geen levende ziel te bespeuren. Hij stopte aan de kapel en wachtte tot er tenslotte een onderwijzer kwam opdagen. Het A.N.C. was daar gepasseerd, komende uit Bunia. Alle mensen waren er gaan lopen omdat de soldaten er nogal lelijk huis gehouden hadden : geplunderd, vrouwen verkracht en mishandeld en ook enkele mensen gedood. Aan het kruispunt waren de mensen fel M.N.C. (Mouvement National Congolais, partij van Lumumba) gezind, zoals trouwens gans de bevolking van Ituri, op enkele uitzonderingen na. Nu waren ze voort opgetrokken naar Mambasa om er de rebellen te verjagen. We vernamen later dat de fameuze kommandant, die de streek ging verdedigen, de enige gesneuvelde was in de strijd om Mambasa, waar de rebellen op de vlucht gedreven werden. De militairen van het A.N.C. in plaats van hun stellingen te versterken, begonnen dan maar met feest te vieren en te drinken. Wanneer ze goed zat waren werden ze overvallen door de ’s nachts weergekeerde rebellen. Een deel werd vermoord en de anderen vluchten de bossen in. De weg naar Bunia lag open. Intussen was alles kalm op de missie ; ’s vrijdags op de middag, cirkelde een vliegtuig van de O.N.U. heel laag boven de streek, ook over ons huis tot driemaal toe, waarschijnlijk op verkenning. Zaterdag, ook tegen de middag, hadden wij bezoek van de gewestbeheerder van Irumu, die toch in Bunia geraakt was om het leger te verwittigen en terug thuis gekomen was. Hij was vergezeld van een 10-tal gewapende policiers. Nu was hij de streek aan ’t doorlopen om de mensen aan te sporen kalm te blijven, want het gevaar was geweken zei hij. Niemand wist dat de soldaten van het A.N.C. verslagen waren en de rebellen op komst. Trouwens nergens waren er mensen te zien ; heel de streek was doods en verlaten. De Administrateur profiteerde er ook van om door te rijden naar de Shari en de mannen die hem een paar dagen tevoren geweigerd hadden over te zetten, gevankelijk mee te voeren ; enkele dagen later werd er een van hen in Bunia door het A.N.C. neergeschoten evenals een grote chef van bij ons samen met enkele anderen, onder beschuldiging van samenwerking met de rebellen. Op zondag 30 en maandag 31 augustus was het rustig, hoewel de atmosfeer geladen was en men de indruk had dat het land was uitgestorven. “Ze” (de rebellen) waren al aan de njiapanda (kruispunt) ; “ze” waren met zes, anderen beweerden dat ze met zeven waren of met elf. “Ze” schoten soms, men had “ze” zien dansen en horen zingen. Maar niemand wist te zeggen wat “ze” in ’t schild voerden, niemand ook had al met hen gesproken, men had alleen maar schrik. Op dinsdag 1 september werd er heftig gevochten aan het kruispunt. Een andere colonne soldaten van het A.N.C. werd er op de vlucht gedreven door de opstandelingen die in hinderlaag lagen. Om 11 uur in de voormiddag kwamen die laatsten aan te Irumu, op 25 km van bij ons dus, en vermoorden er zo maar eventjes negen personen zonder vorm van proces, zogezegd omdat ze gestolen hadden, wat zeker tenminste voor sommigen onder hen niet het geval geweest was. Op diezelfde dag werd er ook een jonge man doodgeschoten die een matras op zijn rug droeg, matras die hij uit een leegstaand huis had weggesleurd. Een andere werd neergeschoten omdat hij een leeg petroleumvat dat op het vliegveld stond had meegenomen. De negen waarvan ik daarjuist sprak werden doodgeschoten aan het bureau van het gewest, de armen op de rug gebonden samen met de voeten. Ze lagen op de buik en werden een voor een met een schot in de nek afgemaakt. De anderen werden gedood door geweerschoten afgevuurd door de rebellen van op hun camions waarmee ze vervoerd werden. Vervolgens werden de huizen van de Hindous (handelaars) kapot geslagen en geplunderd door de rebellen en werden alle papieren en dossiers uit de bureaus van het gewest gesmeten en gescheurd. De enkele nieuwsgierigen werden uitgenodigd om er sigaretten mee te rollen. Het meest akelige was dat de lijken van degenen die gedood waren bleven liggen. We hebben dat later verschillende malen opgemerkt : minstens drie dagen. In Irumu werden dan de lijken door gewone burgers op kruiwagens naar een voormalig militair kamp overgebracht en in een half gevulde loopgracht geworpen. Meteen wisten de mensen en wij meteen met wie we te doen gingen hebben. We weten dit alles van onze catechist die de moed had ter plaatse te blijven, daar waar bijna iedereen de brousse was in gevlucht. De agenten van de administratie waren ook allemaal verdwenen, alsmede de policiers waarvan er daarna toch nog drie gesnapt werden en zonder pardon geëxecuteerd. De rebellen waren immers woest op al wat van de administratie was, regering, chefs, bedienden (in mindere mate nochtans) en policiers. Dus op allen die op d‘ een of d’ andere manier geleefd hadden op kosten van de gemeenschap. Juist na de middag van dezelfde dinsdag 1 september, kwamen de rebellen aan in Malabo, het dorp van een grote Babira-chef, in vogelvlucht op 5 km van de missie, langs de grote baan op 8 km. Het was gelegen op de grote baan in de richting van Irumu; het was tevens een klein handelscentrum waar zich een dertigtal magazijntjes bevonden. Ze waren met een tiental en verplaatsten zich met een benne die ze buitgemaakt hadden. Ze vonden natuurlijk een leeg dorp of bijna. De tactiek van de rebellen evenals van het K.N.L. bestond er in zo maar in ’t wilde te schieten wat een ware angstterreur onder de mensen teweegbracht. De chef, Manuel Sidikani was nochtans gebleven, gans alleen in zijn huis met gesloten deuren. Een enkele van zijn policiers bevond zich in de keuken, een ronde hut met gras bedekt zonder muren, achter het huis van de chef gelegen. Bij hun aankomst gingen de rebellen, zoals het hun gewoonte was, naar de chef, steeds maar schietend. Zeer dikwijls werden de chefs vermoord, omdat zij beschouwd werden (voor sommigen niet ten onrechte) als tirannen en uitbuiters van de bevolking. Gelukkig voor onze chef mochten de rebellen volgens hun reglementen (waarover later meer) nergens bij de mensen binnenkomen. Manuel had zich verscholen onder zijn bed, terwijl de rebellen begonnen te dansen in een kring rond zijn huis en steeds maar dwars door de muren schoten. Op hetzelfde ogenblik kwam de policier uit de keuken, hetgeen natuurlijk zijn verderf was, hij werd vastgegrepen en al dansende gingen ze er mee naar de grote baan juist tegenover de magazijnen waar hij neergeschoten werd en met een lans doorstoken. Nu waren de mensen werkelijk zich zelf niet meer meester van de schrik. De dorpen waren totaal verlaten, evenals de huizen langs de grote baan, tenminste ’s nachts. De huizen van degenen die in de brousse woonden waren natuurlijk over-overbevolkt, niemand dierf blijven slapen wanneer zijn huis een beetje dicht bij de baan stond. Op woensdag 2 september trokken de rebellen verder. Het was in de vroege namiddag dat ze passeerden aan het kruispunt op 4 km van de missie. Ze kwamen echter niet naar hier, omdat ze gezworen hadden Bunia zo gauw mogelijk in te nemen en de stad zwaar te straffen, omdat ze de mensen van Ituri, onze provincie dus, beschouwden als verraders, Manzikala, de gouverneur op kop. Bunia was steeds berucht geweest als zijnde een bolwerk van de M.N.C. en van Lumumbisten, dat was werkelijk zo, maar bij ons waren de mensen fel vreedzaam. Als de geruchten begonnen door te sijpelen van de wreedheden die gepleegd waren door de rebellen, werd Bunia in staat van verdediging gebracht. Tsjombe was nog op bezoek geweest een paar weken voor de inval en Manzikala was persoonlijk soldaten gaan halen in Katanga om Bunia te helpen verdedigen. Het K.N.L. waarvan dus een groot deel Katangezen waren, had zich verschanst achter de brug over de Tinda, waarover ik hoger sprak. De brug zelf was helemaal omspannen met prikkeldraad. Eerst vertel ik u hoe de rebellen oorlog voerden, voor zover wij hebben kunnen uitmaken uit hun gezegden, want zelf ben ik natuurlijk nooit bij geweest. Ze waren onderverdeeld in vier groepen. Enkel degenen die behoorden tot een van de drie eerste groepen waren gewapend met geweren. Sommigen hadden automatische geweren waarvan de laders 20 patronen bevatten. De eerste groep noemde zich de commando’s (allemaal grote namen voor niets), zij waren de toekomstige soldaten van de volksrepubliek. Waren ook gewapend , de officieren en onderofficieren van de G.D. (ze noemden zich Ba-G.D.de ville), de toekomstige gendarmerie en tenslotte ook de officieren van de P.M.(Ba-PeeM) die na de oorlog policiers zouden zijn. Al die mannen had men beloofd dat ze, eens de oorlog gedaan, een huis zouden krijgen. Daarnaast had men aan de grote massa Simba’s een samenraapsel van kinderen (er waren er bij die amper acht jaar oud waren) en jonge mannen voor het merendeels ongehuwden of die thuis miserie hadden en die als wapens beschikten over lansen, messen, boog en pijlen, bajonetten, ijzeren stangen of bij gebrek aan dat alles over een gewone stok. Als ze ten strijde trokken hadden ze niets aan dan een broek. Over hun blote borst bonden ze ingekruist palmtakken of lang gras. Ook staken ze tussen hun broeksriem palmtakken of gras. Iedere Simba (leeuw) droeg een vel of velletje van ’t een of ’t ander wild dier aan de arm als bracelet of op het hoofd. Van de duizenden die wij gezien hebben kan ik mij niet meer herinneren er ooit twee gezien te hebben die op dezelfde manier gekleed of getooid waren. Ze trokken ten strijde al zingende, camions volgepropt met Simba’s, ingekaderd door gewapende mannen. De grote kracht der rebellen is de overtuiging dat ze onkwetsbaar zijn. Bij hun inlijving worden ze eerst bewerkt door de tovenaar (mufumu), die hen bezweert en met tovermiddelen instrijkt na insnijdingen gemaakt te hebben ofwel op hun voorhoofd, hun arm of lichaam. Wanneer ze voor de tweede maal terugkomen, nadat ze een punt van het reglement overtreden hebben, worden ze met water besprenkeld. Eenmaal dus dat de Simba ingewijd is moet hij de reglementen van de Simba’s nakomen, op straffe van terug kwetsbaar te worden in de oorlog. Er zijn zo een hele serie, in onze ogen belachelijke en kinderachtige bepalingen, zoals b.v., het is hen verboden groenten te eten, door de regen, of door een riviertje, zelfs door een plas water te gaan, hun haar of baard af te snijden, de kop of staart van een vis te eten, de benen te kraken van een kip of ander vlees dat men klaar gemaakt heeft om te eten. Het is verboden eten aan te nemen dat bereid is door volwassen vrouwen of door mannen. Zo is het uit te leggen dat alle Simba’s hun eten doen klaar maken door jonge onhuwbare meisjes. Het ging zelfs zo ver dat ze die kinderen kwamen weghalen in de klas bij de Zusters. Het is hun ook verboden iets aan te nemen uit de hand, daarom moest men het voorwerp dat men hen wilde geven op de grond of op de tafel leggen. Als men hen een sigaret wilde geven liet men die in hun handen vallen die ze uitstrekten, behalve natuurlijk als ze u te rap af waren en heel het pakske uit uw hand namen…Ze mochten ook de hand niet reiken of aannemen, om te groeten brachten ze de rechterhand voor de borst, zoals de Waxaveri (Chiro). Een armbandhorloge mochten ze niet aandoen, tenzij over een dierenvelletje, want anders zou die de kogels aantrekken. Ze mochten ook geen vrouwen aanraken, zelfs niet bekijken of er op denken, evenmin op hun familie die ze trouwens nooit meer mochten bezoeken. Als het bij toeval gebeurde dat ze thuis kwamen, dan moesten ze buiten blijven staan en eten mochten ze niet aannemen. Ze mochten niet stelen, lijken begraven ook niet of ergens binnengaan enz. De mensen moesten er mee lachen en zeiden : “Wij kunnen zelfs de tien geboden van God niet onderhouden en zij hebben er 45”. Als beloning voor hun werk kreeg elke Simba, van de eerste tot de laatste in twee weken 3.000 fr. De officieren kregen het dubbele of natuurlijk veel meer… Wanneer men begon te schieten op hen tijdens een aanval, volstond het dat ze riepen “mayi Mulele; Mayi Lumumba; mayi, mayi” (water,water) en de kogels kotsten af op hun lichaam of bleven in hun broeksband steken. Bommen ontploften nevens hen en maakten een diepe put, maar zij bleven altijd ongedeerd staan. Zelf rukten ze op en grepen de soldaten van Tjombe vast met hun blote handen ; zelfs de vliegtuigen haalden ze naar beneden met hun handen. Zo vertelden ze, en ieder die hen beluisterde hoorde toe met gespannen aandacht, de ogen opengesperd van bewondering, temeer dat er bij hen bijna nooit doden vielen, altijd maar een of soms twee, en bij de anderen met tientallen of bij honderden. Op woensdag 2 september kwamen de rebellen aan de brug over de Tinda op 17 km van Bunia dat ze kost wat kost wilden innemen en als verlamd was van de schrik, uitgenomen misschien de enkele honderden Katangezen die de stad moesten verdedigen. Vele vooraanstaanden waren reeds vertrokken met pak en zak. De Simba’s trokken op, in camions, huilend en zingend. Ze waren nochtans zo verstandig de eerste camions vol te stoppen met kanonnenvlees, t.t.z. met mensen uit de streek die ze met geweld ingelijfd hadden waaronder zelfs een heel deel Pygmeeën uit het bos. Toen ze aan de brug kwamen waar de Katangezen verscholen lagen, sprongen de Simba’s van de camions om de pinnekensdraad los te maken, ze werden natuurlijk allemaal weggemaaid, drie, vier camions die mekaar opvolgden. De Katangezen hadden een soldaat dood, die van de ene kant van de baan naar de andere liep en neergeschoten werd. Heel de tijd werd er geschoten dat het een aard had, vooral dan de Katangezen die veel beter bewapend waren dan de rebellen , schoten zonder ophouden, ook wanneer de rebellen allemaal dood waren en de anderen niet waren aangekomen. Het onvermijdelijke gebeurde, ze vielen zonder munitie. Er was wel een camion naar Bunia vertrokken om er te gaan halen maar het was te laat. De Katangezen vluchtten allemaal de brousse in ; de rebellen trokken de brug over en reden naar Bunia, almaar door schietend en zonder tegenstand te ondervinden. Bunia was ingenomen. In de stad zelf speelden er zich verschrikkelijke scenes af. Dat gebeurde dus op woensdag 2 september. Dat Bunia door de rebellen was ingenomen wisten we te Badiya nog niet, we hoorden enkel vertellen dat ze in Irumu waren, dat er in Malabo een policier dood lag op straat en dat er gevochten werd aan de Tinda. De prostestanten van de missie Nyankunde, op 13 km van hier, waren geëvacueerd een paar dagen tevoren en men vertelde ook dat hun missie geplunderd was. De woensdagnamiddag was de atmosfeer echt ondraaglijk. Toen wij om 4 uur samen met Pater De Meyer aan ’t koffie drinken waren (eetlust hadden we echter niet veel) besloten wij eens te gaan kijken naar de protestantse missie in Nyankunde, te meer daar wij dachten dat Mr. Deans, een Amerikaan en sinds jaren overste aldaar en met wie we op goede voet leefden, zonder nochtans veel betrekkingen te hebben onderhouden, steeds daar was. Al verschillende malen waren de anderen op de vlucht gegaan als de toestand wat gespannen was, maar Mr. Deans was dan gebleven. We raapten dus al onze moed bijeen en vertrokken met de camionette. Het was juist half vijf.”

Vervolgt.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 10:13 Reageer op dit bericht

Wijzigingen – Aanvullingen

Vervolg : Pater René DE LAET over het geval “Kongo”.

In Bunia was er ook het College, de Witte Zusters met normaalschool en huishoudschool voor meisjes, een leproserij, het hospitaal (zonder dokter) en moederhuis op 3 km van de missie gelegen, maar bediend door de Witte Zusters samen met enkele zwarte zusterkens en een heel stelletje zwarte infirmières; noviciaat van zwarte zusters en broeders. Zagerij, schrijnwerkerij, smidse, drukkerij, garage, bureau voor het katholiek onderwijs en zo meer. De missie ligt op 3 km van de stad aan de overkant van de NGEZI, een klein riviertje. In de inlandse cité wonen er tussen de 25 en dertigduizend mensen ; midden daarin bevindt zich ook een missie met lagere scholen voor jongens en meisjes, alsook een school voor bewerking van hout. De stad BUNIA is absoluut niet groot : één grote en brede straat, geasfalteerd sinds acht jaar, met magazijnen die vooral aan Grieken toebehoren en hotels; er is een residentie-wijk, bewoond vooral door functionarissen (nu zwarten, tot voor 1960 blanken): een beetje verspreid bevonden zich de burelen van de verschillende ministeries. Evenwijdig met de grote baan is er nog een andere straat met woningen, magazijnen, de markt en schuins daartegenover een tamelijk groot hotel, waar we later nog wel meer zullen van vernemen. Het hospitaal ligt op drie km van de stad in de richting van de missie ; daar niet ver vandaan het vliegveld, dat alleen toegankelijk is voor
D.C.6 ; het kamp van de policiers en het militair kamp.
Tijdens de maand augustus 1964 werd de toestand alarmerend ; niet te veel nochtans. Wij werkten gewoon door. Het was groot verlof voor de schoolkinderen en wij profiteerden ervan om de schooljongens van de vierde studiejaren naar de missie doen te komen om hun plechtige communie te doen, de heidenen onder hen die het onderricht gevolgd hadden te dopen en te vormen. Ze waren met een tweehonderdtal, en veertig onder hen die heel ver van de missie woonden en geen plaats hadden kunnen vinden bij kennissen of familie om te logeren, verbleven op de missie ; er was onderricht van 9 uur tot 11u15, gevolgd van de mis, daarna ging ieder naar huis. Degenen die het verst afwoonden liepen een paar uur te voet, zoals tijdens het schooljaar, met dit verschil dat de klassen begonnen om 8 uur. Buiten die schooljongens woonden er op de missie 80 catechumenen, volwassenen die zich voorbereiden op het doopsel, een 50-tal meisjes van rond de 12 jaar, kinderen van kristen ouders, die niet meer naar school gingen en voor zes maanden naar de missie kwamen om zich voor te bereiden op plechtige communie en vormsel. Er waren ook drie infirmiéres die werkzaam waren in het dispensarium van de missie waaraan ook twee hospitaalzaaltjes aan gehecht waren waar de zieken konden overnachten. Ongelukkig beschikten wij over praktisch geen geneesmiddelen meer. Verder werkten er ook zes zwarte zusters, waarvan er drie klas gaven samen met vier onderwijzeressen, een was vroedvrouw aan de materniteit, een andere gaf onderricht en zorgde voor de velden van de kinderen van de plechtige communie en van de catechumenen en de overste MAMA MODESTA, zorgde voor de schoolmeisjes die intern waren op de missie. Andere activiteiten op de missie waren de werking van de kajotters, die in twee groepen verdeeld waren. Iedere groep was begonnen met het maken en bakken van bakstenen ; de missie had hen geholpen en zo waren die mannen aan het werk gegaan en konden geld verdienen want de streek liep leeg ; bijna alle jongelingen waren nietsnutten die niets anders deden dan rondlopen en wandelen, bij voorkeur naar BUNIA, want werk was er nergens te vinden. Daar waren ook een zestal jongens van rond de 16 jaar begonnen, sinds meer dan een jaar, met het aanleggen van een grote groentenhof. De bedoeling was hen aan te sporen te werken en aan te tonen hoe ze het moesten aan boord leggen om legumen te kweken. Later zouden ze dan als zelfstandige in hun eigen dorp beginnen en voor hun eigen rekening werken. Dan was er nog een ploeg schrijnwerkers, ze hadden deze van de missie nadat onze nieuwe kerk gebouwd was overgenomen (voor niets natuurlijk, want ze hadden geen geld!!!) om zo op hun manier aan de kost te komen. Er waren er drie onder hen die de schrijnwerkersschool van Broeder Augustinus in Bunia gevolgd hadden. Twee waren er getrouwd ; samen waren ze ook met een 6-tal. Voorlopig geschiedde alles onder het oog van de Pater, want die mannen hadden het vertrouwen nog niet, zo wilden ze dat het geld dat ze verdienden in hun handen bleef ; wij trachten er stillekens aan naar die jongens toe voor het werk liefde in te prenten en ook verantwoordelijkheidsgevoel.
Er was op de missie ook een leproserij met 20 melaatsen. Op 20 augustus kregen we bezoek van Monseigneur Gabriel, die er zich kwam van vergewissen hoe wij het stelden, want in Bunia veel meer dan hier was men in spanning, vooral dan de administratie en de regering omwille van de praatjes en geruchten die de ronde deden zoals moordpartijen, wreedheden en onkwetsbaarheid van de rebellen enz. Monseigneur had ook een briefje bij van de Kommandant van het garnizoen van het Kongolees Nationaal Leger (in afkorting K.N.L. of A.N.C. – Armée Nationale Congolaise) in Bunia waarin deze tot kalmte aanspoorde en zei dat men gerust mocht zijn, ook de missionarissen. Het leger is hier zei hij, om zo nodig de streek te verdedigen, maar er zou niets gebeuren en na een paar weken zou alles voorbij zijn en patati en patata. Intussen hadden de militairen, 4 à 500 man sterk waarvan een groot deel Katangezen die door de Provincie-gouverneur geroepen waren om Bunia te helpen verdedigen, zich opgesteld aan een brug op 17 km van de stad om de rebellen, die nooit de grote banen verlieten, tegen te houden. Die rivier in kwestie heette TINDA. Vanaf dat ogenblik was het voor ons onmogelijk Bunia te bereiken, er mocht niemand meer door omdat men meende dat spionnen Bunia zouden binnendringen. Wij van onze kant dachten er zelfs niet aan naar de stad uit te wijken juist omwille van de ondraaglijk gespannen toestand. Vermits we daarenboven niets hoorden van gewelddaden tegenover de missie of missionarissen vanwege de rebellen, behalve dan op Amerikanen bleven wij op de missie van BADIYA. Op maandag 24 augustus passeerde op de missie de Administrateur van het gewest IRUMU. Hij was per fiets en begaf zich naar BUNIA (op de grote baan naar Stan was alles afgesloten), dus langs een zijweg. Hij ging hulp vragen daar de rebellen aangekomen waren te MAMBASA op 170 km van BUNIA op de grote baan naar Stan, en ze er de Administrateur en zijn assistent vermoord hadden. Om BUNIA te bereiken waren er twee wegen : ofwel de grote baan die nu versperd was door de soldaten van het A.N.C. en een zijbaan in heel slechte staat, die langs de missie voorbijliep. Drie km van de missie werd die weg gekruist door een tamelijk brede rivier, die SHARI heette. Er is daar geen brug over en men bereikt de overkant ofwel al zwemmend natuurlijk ofwel langs een lianenbrug, die wij apenbrug noemen, als die echter niet in ’t water hing, ofwel langs de bak of ponton op vier pirogen, als die natuurlijk ook niet weggespoeld was met de stroming. Toen de Administrateur daar aankwam, weigerde men hem over te zetten, doch ze hielden hem eenvoudig aan en een onder hen ging bij de chef een paar policiers roepen die gauw kwamen en Mijnheer de Administrateur terug naar IRUMU brachten ; zij dachten dat hij trachtte te vluchten met het geld van de kas. De volgende dag, dinsdag 25 augustus, was er vormsel op de missie. Monseigneur had me de toelating gegeven zelf te vormen in geval hij niet meer bij mij zou geraken, hetgeen werkelijk zo was. Twee dagen later, op donderdag 27 augustus, vertrekt Pater De Meyer met de camionette naar Bunia , hij was vergezeld van een Canadese jonge Pater die sinds januari bij ons was om het Kibira (inlandse taal) te leren. Niettegenstaande de moeilijkheden oordeelden wij dat het maar best was dat de Pater vertrok, daar velen natuurlijk wisten dat Canada in Amerika ligt en wij al vernomen hadden dat de rebellen bijzonder woest waren op de Amerikanen. De protestantse missionnarissen , die Amerikanen waren, van de missie NYANKUNDE op 15 km van hier, waren trouwens allemaal vertrokken. Aan de Tinda-rivier hadden de twee Paters alle moeite van de wereld om over de brug te geraken. Tegen de avond was Pater De Meyer terug thuis, maar alleen. Hij had ook eten meegebracht : bloem, suiker en charcuterie, ook missiewijn die men in Bunia verdeeld had over alle missies.”

Vervolgt.

Foto’s :

-Pater René tussen zijn familie.

-Op zijn moto.

-Tijdens één van zijn afreizen.




2717246-21807f4a8f36e47ee3a1fe1217a43d95.jpg

2717246-fb4cceca53636451db787003469a7d29.jpg

2717246-39bc68bed6b58fdb6b634cd2eda57f5b.jpg

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 12:12 Reageer op dit bericht

Wijzigingen - Aanvullingen

1964 – Augustusnummer “De Band” : Pater René DE LAET over het geval Kongo” 

KONGO.

De Band (april 1965) : “Het zal onze lezers en lezeressen zeker verheugen, te mogen vernemen dat het ons mogelijk is, dank zij onze dorpsgenoot E.P. De Laet, een uitgebreide reportage te geven over het geval KONGO !! “

In Wikipedia vonden we volgende achtergrondinformatie : De Simba's (Swahili voor 'leeuwen') waren Congolese opstandelingen die in 1964 grote delen van Oost-Congo veroverden. Zij waren antiwesters gezind en blijven berucht omwille van hun moordpartijen op Congolese burgers, westerlingen en missionarissen. Belgische militaire operaties, de Ommegang en Dragon Rouge, maakten een einde aan de Simba-opstand. In 1960 werd Belgisch-Congo onafhankelijk. Het centrale bestuur onder Kasavubu en Lumumba slaagde er niet in zijn gezag overal te doen gelden. Allerlei groepen en stammen herkenden zich niet in het landsbestuur en de moord op Lumumba in 1961 wakkerde de onrust aan. Het ongedisciplineerde ANC (Armée Nationale Congolaise)) ging zich te buiten aan moordpartijen, verkrachtingen en plunderingen, wat her en der opstanden uitlokte. De opstand van de zogeheten Simba’s in Oost-Kongo in de zomer van 1964 bleek onverwacht heel succesvol. De Simba’s rekruteerden voornamelijk bij animistische stammen uit Kivu en Orientale. ‘Simba’s’ geloofden dat ze onkwetsbaar waren voor kogels, dat ze in leeuwen zouden veranderen in de strijd, want zo hadden de sjamanen Mama Maria Onema en mama Fumu hun verzekerd. De Simba’s werden geleid door Christophe Gbenye en Gaston Soumialot, leden van de marxistische Mouvement National Congolais (MNL), die werd gesteund door de Sovjet-Unie en Cuba. Ontevreden jongeren, jeugdbendes die zich als de ‘jeunesse’ hadden verenigd, sloten zich gewillig aan bij de Simba’s en vormden een aparte kern. Als belangrijkste militaire leider van de Simba’s wierp Nicholas Olenga zich op, een Lumumba-vertrouweling die in 1963 nog een mislukte staatsgreep had gepleegd. De Congolese regering werd in 1964 voorgezeten door Tshombe, oud-leider van de afgescheiden provincie Katanga, maar was zwak. Het ANC onder leiding van Mobutu en berucht om zijn wreedheden, riep vooral weerstand op bij de bevolking. Tijdens de opmars van de Simba’s vluchtte het ANC meer dan dat het verzet bood. In korte tijd slaagden de Simba’s erin heel oostelijk Congo te veroveren met als koninginnenstuk de inname van Stanleystad op 5 augustus. In deze bloeiende handelsstad woonden zowat 1600 buitenlanders, waaronder ruim 500 Belgen. De Simba’s vermoordden duizenden mensen vooral Congolezen zij gijzelden honderden westerlingen. België stuurde kolonel Frédéric Vandewalle uit. Die begon een veldtocht tegen de Simba’s, de Ommegang genoemd, aan het hoofd van enkele duizenden Katangese gendarmes en 254 blanke huurlingen. Vandewalle veroverde Kindu maar stelde vast dat de Simba’s niet aarzelden om gijzelaars te doden als ze militair werden bedreigd. Omdat Belgen in Stanleystad direct gevaar liepen werd een bliksemactie voorbereid om hen te bevrijden. De geheime operatie werd “Dragon Rouge” genoemd en stond onder leiding van kolonel Charles Laurent. Belgische para’s sprongen op 24 november boven de luchthaven van Stanleystad en slaagden erin de meeste gijzelaars tijdig te bevrijden. In samenwerking met Dragon Rouge maakte Vandewalle een eind aan het Simba-bewind. Toen alles weer veilig was, deed het ANC zijn intrede in Stanleystad. De Congolese veiligheidschef Victor Nendaka organiseerde een zeer verregaande repressie onder de burgerbevolking. Personen die ervan werden verdacht met de Simba’s te sympathiseren, werden doodgemarteld. De strijd tegen de Simba’s, die Punia nog veroverden, zou voortduren tot mei 1965. Na de ontzetting van Watsa, waar de lijken van 38 vermoorde westerlingen werden gevonden. Het zou nog tot augustus 1965 duren alvorens de gevechten in het land stopten. Zo volgde op zondag 30 mei 1965 nog een moordpartij in Buta, waar eenendertig missionarissen werden vermoord. In november greep Mobutu de macht en begon een periode van relatieve stabiliteit.

René DE LAET.

“Velen hebben zich waarschijnlijk al afgevraagd wat ik zoal meegemaakt heb, en op welke wijze wij ontsnapt zijn uit wat men noemt “de hel van Kongo”. Daarom ga ik trachten de lezers van DE BAND eenvoudig ’t een en ’t ander vertellen over die drie maanden die wij doorgebracht hebben onder rebellenbewind. Ik zeg in ’t kort en “’t een en ’t ander” want alles tot in de details neerschrijven zou tot resultaat hebben dat u een boek zou voorgeschoteld krijgen. Weest er ook niet over verwonderd dat ik dikwijls in de eerste persoon zal spreken ; dat wil zeggen dat bijna alles wat gaat volgen door mij persoonlijk beleefd is. Al hetgeen er gebeurd is in andere streken hebt u vernomen langs de dagbladen, radio en T.V. Eerst geeft ik u een klein overzicht van onze missie, de plaats en de streek waar wij leefden en hopelijk zullen terugkeren. Neemt u de kaart van Kongo, dan ziet u de voormalige Oostprovincie met Stanleystad als hoofdplaats liggen in de rechterbovenhoek, m.a.w. in het noordoosten van het land. Ik zeg de voormalige Oostprovincie, want sinds 1961 is iedere Kongolese provincie ingedeeld in drie of vier omschrijvingen die samenvielen met de vroegere districten, die men nu ook provincie noemde en die onafhankelijk waren van mekaar en in theorie tenminste bestuurd werden door het Centraal gouvernement van Leopoldstad door middel van de provinciale regering. De uithoek van Kongo in het noordoosten, ingesloten in het noorden door de Soedan en in het oosten door Uganda, werd dus de provincie van KIBALI-ITURI met BUNIA als hoofdplaats; ze werden zo genoemd naar de twee voornaamste rivieren die er stromen. We kregen dus een regering met President en een twaalftal ministers, functionarissen, de ene al meer onbekwaam dan de andere, wiens aantal steeds meer aangroeide, zonder dat er iets gedaan werd om de toestand op gelijk welk gebied te verbeteren. Wanneer de provincie bij ons opgericht werd waren de meeste agenten van de administratie in dienst, en die dus al een heel klein beetje ervaring hadden, afkomstig uit Stanleystad en omstreken. Al die vreemden werden door de mensen WATOKACHINI” genoemd (degenen die komen van beneden, omdat Bunia hoger gelegen is dan Stanleyville). Er was stilaan verzet gekomen tegen die Watokachini, omdat de Ituri zo een beetje als wingewest van Stan beschouwd werd; met het gevolg ook dat Ituri onafhankelijk werd en vele vreemden, vooral die uit de administratie, vertrokken. Ook met het gevolg dat alles nog meer in ’t honderd liep. De belastingen vermeerderden ; de prijzen gingen de hoogte in ; vele zaken kon men niet meer krijgen ; er kwamen altijd maar meer werklozen bij ; bijna al de plantages van koffie waren verlaten, stonden in de brousse en brachten niets meer op ; sommigen zoals onderwijzers, kantonniers of bedienden werden onregelmatig of in ’t geheel niet meer betaald; de wegen waren in een heel slechte staat en werden niet meer onderhouden buiten enkele grote wegen en dan nog ; zoals b.v. de baan van Stan-Bunia die 700 km lang is en op sommige plaatsen veel weg had van de Larestraat of het Hoogveld in Leest ; ze is alleen een stuk breder. Op diezelfde baan (Stan-Bunia) ligt onze missie van BADIYA, 4 kilometers er van verwijderd en 40 kilometers van Bunia (de dichtstbijzijnde stad). De grens van onze Missie in de richting van Stanleystad is op 75 km, in het grote oerwoud dat begint op 40 km van bij ons en zich uitstrekt tot in Stan. In dezelfde richting ligt de hoofdplaats, of hoofdplaatsje, van het gewest (territoire), IRURU genaamd op 25 km ; daar nog 20 km verder bevindt zich het grote kruispunt (NJIAPANDA, noemden we dat); de grote weg splitst er zich in twee; rechtdoor naar Stan en links naar BENI, waar de Paters Assomptionnisten hun missies hebben : BUTEMBO, GOMA en BUKAVU, die laatste plaats is 800 km van hier verwijderd. Op het grondgebied van onze missie wonen er zo ongeveer 36.000 mensen, verdeeld onder vier verschillende rassen ; talrijkst waren de BABIRA, 20.000, 4.000 WALESE (bosmensen), een paar duizend Pigmeeën of dwergen, die ook in het bos wonen en WAHEMA of koeherders die met de BABIRA samenwoonden. Daarnaast had men mensen van allerlei rassen die hier komen wonen waren; vooral WAGETI, die bij hen moesten uitwijken omdat zij te talrijk waren en geen eten genoeg konden vinden. Van al die mensen waren er 14.000 katholiek gedoopten, verdeeld over zes centrale en 28 brousse schoolkapellen, die we regelmatig bezochten.
We waren met drie Paters : Pater Jaak De Meyer, een Bruggeling, Pater De Keyser uit Sint Agatha Berchem en ik. Pater De Keyzer die tevens professor van godsdienst was aan het Atheneum van IRURU was op verlof in Europa sinds juni, evenals alle andere blanke professoren, zodat we met twee overbleven. In heel de streek waren we trouwens de twee enige blanke professoren. In BUNIA bevond zich de voornaamste missie van het bisdom met Monseigneur Gabriel UHEC, een inlandse priester, sinds augustus 63 na de dood van Monseigneur Matthyssen Apostolisch Administrator van het Bisdom.

Vervolgt.

Foto’s :

-Joseph Kasavubu.

-Patrice Lumumba.

-René De Laet - herinneringen aan de dag van zijn eremis.



2717242-9dac494cbeb97fc2f5592e546ce1a218.jpg

2717242-dc80207822cba283e8efe08f2f8ea6c7.jpg

2717242-b95e554fad886e1ba3726c722788dabf.jpg

2717242-3a7fcf90dd970409a5c88e090195ff68.jpg

2717242-09651962bd226ed165e52c810271dea1.jpg
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Marcel Van Hoof om 11:41 Reageer op dit bericht

Wijzigingen - Aanvullingen

1964 – Juninummer “De Band” : Chiro-Nieuws
“Sedert geruime tijd werden voorbereidselen getroffen voor de TOP’64 die te Antwerpen moest doorgaan. Menig inwoner maakte er propaganda voor door het ophangen van de daartoe bestaande pamfletten. De Chirojongens trappelden van ongeduld om te kunnen genieten van het grootste schouwspel dat zou plaats hebben…en dan eindelijk was het zo ver. Bus nr. 2 was voor de Chiro van Leest, de tweede van een caravaan van 200, ja, ja, goed gelezen, tweehonderd ! Het was dan ook met de grootste belangstelling dat de verslagen in dag- en weekbladen werden verslonden om langs die weg te vernemen wat er allemaal gebeurd was, want van wat op de beeldbuis van onze Nederlandse T.V. te zien was, kon men niet veel van meedragen ; ne stoet links en ne stoet rechts is voor die heren wel belangrijker dan een jeugdmanifestatie van wel 70.000 jongeren. Op het Flageyplein had men er dus niet veel interesse voor. De TOP’64 zal wel deugd gedaan hebben aan alle Chiro’s en hun enthousiasme zal er zeker door versterkt zijn. (Noot : op 24 mei 1964 zakten meer dan 60.000 jongeren af naar het Antwerpse Bosuilstadion voor een spectaculair belijdenisfeest, de TOP’64. Leden en leiding demonstreerden op indrukwekkende wijze de typische Chirostijl van toen met hun honderden groepsbanieren, trompetgeschal en tromgeroffel, massazang en dans.) Benevens deze gebeurtenis, een echt verbroederingsfeest, nam de Chiro-Leest ook deel op 31 mei jl. aan de geplande sportmanifestatie te Hombeek. Deze sportnamiddag ging door op het prachtig domein van de heer Burgemeester, Baron de Meester. Ook de Chiro-jongens van Leest waren van de partij en behaalden eervolle uitslagen, o.m. : Wedstrijd 1000 meter 4de plaats voor Erik Bradt (10 deelnemers) Wedstrijd 1200 meter 5de plaats voor Alfons Huysmans (10 deelnemers). In ’t algemeen klassement behaalde Leest de 3de plaats. Ten slotte kan vermeld worden dat vele ouders, sympathisanten en andere sportmannen ooggetuigen waren van deze respectievelijke spannende wedstrijden, en ter beschikking gestelde bekers waren de schoonste beloning voor de overwinnaars. Op die zelfde zondag ging voor de tweede maal de Processie langs de straten der gemeente. Ook daarin stapten wederom de Chiro-jongens, in keurig uniform, tuchtvol. Maar wat we ons afvragen is, waar blijven de klaroenblazers en trommelaars ? Waarom blijven die opgeborgen ? Met klaroenen en trommels vooraan zou de Chiro-groep nog een mooie indruk nalaten. Denk even terug aan vroeger ! En nu er toch een vraagje gesteld wordt, kan er nog wel eentje bij : er bestaat te Leest een Groep-Chiro meisjes ! Waar zijn die gebleven, waarom ook die groep niet in de Processie ? ’t Is toch op die manier dat het mogelijk is er bij te werven, en de meisjes van het eigen dorp onrechtstreeks niet te verplichten bij een groep van een naburige gemeente of gehucht ? De jeugd te Leest moet sterk worden, maar zich dan ook durven en mogen tonen !!”

1964 – Juninummer “De Band” : Gevonden voorwerp
“Langs de openbare weg werd een paar bruine schoenen gevonden, gewikkeld in papier. Deze kunnen terug bekomen worden bij de vinder ervan : Jozef Peeters, Blaasveldstraat 9a Leest.”

1964 – Juninummer “De Band” : Zomerreis van de Vrouwengilde
“De Vrouwengilde ging op reis naar Beauraing, Bouillon en Orval. Een andere uitstap ging door naar het Zilvermeer te Mol alwaar een uitgestrekte speeltuin ter beschikking was van de kinderen. Deze uitstap was inderdaad voorbehouden voor moeders met kinderen.”

1964 – Zondag 7 juni : De K. F. Ste Cecilia nam deel aan stapwedstrijd te Kapelle-op-den-Bos.“Deze wedstrijd was ingericht door de Fanfare “De Werker”. Als gekozen stuk werd uitgevoerd “De officiële Mars van de Belgische Politie” en als verplichtend stuk de mars “Mozes” van Rossini naar een bewerking van Jean Segers. Hieraan namen een vijftiental muziekverenigingen deel. De uitslag leerde ons dat de K.F. Sint Cecilia 91% behaalde met onderscheiding van de Jury.” (“DB”, juni 1964)

1964 – Zondag 5 juli : Uitreiking diploma’s Kantonale wedstrijd
In het gemeentehuis had de uitreiking van de diploma’s plaats aan de leerlingen van het zesde studiejaar die deelgenomen hadden aan de Kantonale wedstrijd te Mechelen. Na de hoogmis togen burgemeester Verschueren, de schepenen Frans en Ferdinand De Prins, de gemeenteraadsleden Buelens en Van den Heuvel, samen met de pastoor, de onderpastoor en schoolhoofd Meyers met zijn leerkrachten Huysmans en Hendrickx zich naar de raadszaal van het gemeentehuis. Ook de betrokken leerlingen en de meeste van hun ouders waren aanwezig. De burgervader opende de zitting met een warme hulde aan het onderwijzend personeel en speciaal aan de heer Huysmans, titularis van het 6de studiejaar. Hij legde er de nadruk op dat de resultaten eens te meer bewezen dat de gemeenteschool van Leest degelijk onderwijs verschafte en dat de ouders niet te snel hun kinderen naar andere scholen dienden te sturen. Na een hartelijk proficiat tot de geslaagden, namen die hun prijs in ontvangst : een exemplaar van het Kramer’s woordenboek. Hierna kwam de pastoor aan het woord die een vergelijking maakte tussen een te bouwen huis met stevige fundamenten, bestand tegen wind en andere natuurelementen en de leerlingen die thans de 12-jarige leeftijd bereikten. Ook voor hen is het nog te vroeg van nu af reeds een bepaalde richting te kiezen, te vroeg om reeds aan bouwen te denken op “ersatz”grond. Hij spoorde de ouders en de leerlingen aan voort te gaan op de ingeslagen weg en zeker niet te vergeten dat een goed onderwijs dient gegrondvest te zijn op christelijke grondslag. Meester Meyers deelde vervolgens mee dat leerlingen die graag een leerboek bekwamen, dit eenvoudig moesten vragen, zodat de werklustigen zich verder en vaster in het zadel konden zetten voor aanvang van een nieuw schooljaar. Van dit aanbod werd gretig gebruik gemaakt. Het slotwoord was van meester Huysmans die wees op de gezonde samenwerking tussen het onderwijzend personeel, niets was teveel wanneer het om het welzijn van de kinderen ging, want voegde hij eraan toe “uw onderwijzers staan graag in de klas”. Vanaf de inrichting van de kantonale wedstrijden mocht Leest zeer tevreden zijn over de onderscheiden resultaten ging hij verder. Het 1ste jaar waren er 5 deelnemers waarvan 4 geslaagden. Het 2de jaar 5 en evenveel geslaagden. Het 3de jaar 6 en allen geslaagd en het 4de jaar 9 en alle 9 geslaagd. Aan de best gerangschikte leerling van de gemeente Eddy Van Hoof werd een plakket overhandigd, waarvan niemand de herkomst kon bepalen. (“DB”, augustus 1964) (De foto van Eddy onderaan)

1964 – Zondag 12 juli : De K. Fanfare Ste Cecilia te Hombeek
De Leestse fanfare nam deel aan het festival van de Koninklijke Harmonie St. Martinus te Hombeek. Dit naar aanleiding van het 100-jarig bestaan van deze harmonie. (“DB”, juni 64)

1964 – 15 juli : Overlijden van Victoria “Toor” Coosemans
Anna Catharina Victoria “Toor” Coosemans was te Leest geboren op 27 september 1877. Ze was gehuwd met Jan Huysmans (°Leest 27/9/1877, +Leest 9/2/1951) de stichter van het limonadefabriekje “In de Proef” die haar drie kinderen schonk : Albert, Alfons en Constant. Gedurende de oorlogsjaren, 1914-1918, moest moeder “Toor” zelf met de limonade rondrijden omdat vader Huysmans aan het front zat. Albert “Bert” en Alfons “Fons” Huysmans zetten de zaak van hun vader voort tot in 1972.

“Ze is zacht ontslapen : stil en onderworpen. Zoals wij haar zovele jaren gekend hebben, zo zal zij immer in onze herinnering leven : bedrijvig, eenvoudig, opgewekt, godsdienstig : sieraden van een goede echtgenote en moeder. Met de dood houdt het leven niet op; ’t verandert slechts in een eeuwig tehuis. Beminde kinderen, kleinkinderen, verwanten en vrienden : gedenkt, een hoge ouderdom is rap bereikt. Bedankt voor uw goede zorgen en genegenheid. Vergeet mij niet in uw gebeden.”

1964 – Vrijdag 31 juli : Diefstal van vier balen tarwe
Van de landbouwer Victor Juliaan De Laet (°Leest 28/6/1914, +Mechelen 17/6/1996), wonende Tiendeschuurstraat 12, werden 4 balen tarwe, een totaal van 200 kg, gestolen. De gewezen burgemeester van Leest had zijn tarwe met een pikdorser laten maaien en ze in jute zakken gestopt. 100 balen had hij ’s avonds naar huis gebracht maar omdat het laat geworden was had hij er vier achtergelaten aan de schuur, zijde der straat. (VVH)

1964 – Augustusnummer “De Band” : Gemengd nieuws
-Ontvreemding : Bij Juul Geens wonende Juniorslaan, werden tijdens de verlopen maand een partij aardappelen ontvreemd. Deze bakjes stonden klaar om opgehaald te worden. Enkele dagen nadien vond de diefstal plaats bij Victor De Laet, evenals 10 kassen spinazie bij V. Robijns in de Alemstraat.
-Fietsdiefstal: Uit een bergplaats ten huize van K. Leemans werd een fiets gestolen.
-Aanrijding : Een botsing deed zich voor aan de Adegempoort tussen de vrachtauto’s van Leestenaar Maurice Vleminckx en Hugo Coenen uit Sint Truiden en nog een personenwagen. Gelukkig slechts stoffelijke schade.

Foto’s :
-Eddy Van Hoof was de best gerangschikte leerling.
-Victoria “Toor” Coosemans met haar drie kinderen Albert, Alfons en baby Constant. De foto dateert van 1918 toen vader Huysmans aan het front zat.
-Moeder Toor anno 1933 aan het begin van de Scheerstraat (thans Ten Moortele).
-De doodsbrief van moeder Toor.
-Juul Geens en zijn echtgenote Melanie Van Praet.



2716300-2d5684642dc8011e908cb26544b7738b.jpg

2716300-24f9f29a739b61fd639a9ea48d07de3b.jpg

2716300-7a1d61dfe7ecda870ec81f9835fd02b9.jpg

2716300-e297a18640325f95be26c5348592435b.jpg

2716300-a5b181b61bdd28f157d41b901ec5815e.jpg
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 11:07 2 reacties Reageer op dit bericht

Wijzigingen – Aanvullingen

1964 – Mei : Voettocht naar Scherpenheuvel
De voettocht verliep dit jaar in de beste omstandigheden. Er waren 51 deelnemers (sters). (DB)

1964 - Meinummer “De Band” : Gekwetst bij ’t spel
-Toen enkele jongens op het speelveld van het parochiehuis aan het voetballen waren werd de kleine Alfons Silverans door een bal in het oog getroffen, waarbij hij zo erg gekwetst werd dat doktershulp noodzakelijk was. (Zijn foto onderaan)

1964 – Meinummer “De Band” : Soldaat Marcel VERWERFT
-Luchtbal-Antwerpen : “Eindelijk, zullen de Leestenaren zeggen, ofwel nu al, want naar ik vernomen heb zijn er nog velen die niet weten dat ik in het leger ben opgeroepen ; in ieder geval beter laat dan nooit. Van de 7de augustus 1963 ben ik in Antwerpen, de sinjorenstad gekazerneerd, en ik begin nu stilaan af te tellen. Wat in die 9 maanden gebeurd is zou ik in één brief niet kunnen neerschrijven, want als infanterist is er elke dag iets nieuws te beleven en is elke dag goed gevuld. In ’t kort volgt hier een relaas van de vervlogen 9 maanden. Zoals alle piotten kregen we onze basisopleiding, wat meteen een aanpassing was aan het militaire leven; kruipen, drill, lopen, wacht en al wat maar nodig geacht wordt voor een moderne soldaat. Maar daarna begon het pas : onze opleiding tot stormfuselier wat voor heel wat onder u een onbekend woord zal zijn, maar als ge er zelf met uw beide voeten instaat, veel duidelijker is. Dagelijks maar trainen op de hindernispiste, voor de oudgedienden beter gekend onder de naam “Piste of Stahle” met rugzak gevuld met drinkbus, gamellen, helm, wapen, granaatwerper, bewapening, in en uiteensmijten van de wapens op zo kort mogelijke tijd, patrouillelopen, oversteken van waterlopen met stormboten, close-combat of ook lijf aan lijf gevecht genaamd, plus natuurlijk schieten. Na deze zware opleiding wisten wij ons prachtig te onderscheiden in Vogelsang en behaalden de eervolle 5de plaats in de wedstrijd tussen de verschillende Bataljons. Daarna kwamen de grote oefeningen, waar we nu volop aan bezig zijn, maar dit is voorlopig niets voor mij, want ik doe nu dienst als hulponderrichter bij onze nieuwe rekruten, een mooi leventje is dit wel. Voor mijn eerste brief is dit wel voldoende denk ik, er zullen nog wel andere volgen, ook verder de hartelijke groeten aan al de Leestenaars, maar in het bijzonder aan mijn wapenbroeders en tot ziens ! N.B. Dank u voor het mooie geschenk.” (Zijn foto onderaan)

1964 – 10 mei : Chiroknapen per fiets naar Scherpenheuvel
“Op zondag 10 mei deden de Knapen een fietstocht naar Scherpenheuvel, ze werden vergezeld door een buitengewoon mooi weertje. Op Pinksteren werd overgegaan tot de beloftenaflegging der knapen.” (DB,1964)

1964 – 31 mei : Chiro Sportmanifestatie te Hombeek
Op het domein van burgemeester Baron De Meester behaalde de chiro van Leest de 3de plaats. Individuele uitschieters waren er van Erik Bradt met een 4de plaats op de 1000 meter en Alfons Huysmans met een 5de plaats op de 1200 meter. (Foto’s van Erik en Alfons onderaan)

1964 – Juninummer “De Band” : Ongevallen
-Een aanrijding deed zich voor op de Kapellebaan tussen de personenwagen van Pieter De Hertogh en twee fietsers uit Londerzeel.

-Door een onvoorziene omstandigheid kwam W. Lauwers uit Leest met zijn auto terecht op een veld in de Vinkstraat. Lauwers kon zijn weg verderzetten nadat een geneesheer was ontboden.

-Op de Gentse steenweg te Mechelen deed zich een ongeval voor tussen de personenwagen van Frans De Prins uit Leest en Erik De Raeymaeker uit Willebroek. Enkel stoffelijke schade.

-Een verkeersongeval deed zich voor op de steenweg naar Hombeek waar de voetganger Victor De Mazy aangereden werd door de bestelwagen van Alfons Hellemans en waarbij eerstgenoemde licht gewond werd.

-Tijdens de speeltijd deed de kleine Vicki De Laet op de koer van de speelplaats een ongelukkige val en diende geneeskundige zorgen te krijgen. Na enkele dagen volledige rust kon hij opnieuw naar school gaan. (Zijn foto onderaan)

-Tijdens het openen van een garagepoort ontsnapte de hond van Jozef Schools uit de Kouter. Het dier werd door een aankomende auto op slag gedood.

-Gebeten door hond : De moeder van Jan De Smedt, Dorpstraat, werd door haar hond gebeten. Geneeskundige zorgen waren dringend nodig.

-Aanrijding : Op de Veemarkt te Mechelen deed zich een aanrijding voor tussen K. Diddens en de voetgangster Seraphien Luyckx, alles zonder schade.

-Vermeldenswaard : onze dorpsgenoot en Chiro burchtknapenleider Roger Silverans werd als Primus Perpetuum uitgeroepen bij zijn uitgang van het Sint Rombautscollege te Mechelen. Hij volgde de wetenschappen. We wensen hem nog veel succes toe in zijn verdere studiën te Leuven waar hij de wiskunde zal volgen.”

Foto’s :

-Alfons Silverans kreeg een bal in zijn oog.

-Soldaat Marcel Verwerft vertelde over zijn opleiding.

-Erik Bradt en Alfons Huysmans haalden mooie resultaten in de sportmanifestatie van de Chiro te Hombeek.

-Vicky De Laet deed een ongelukkige val op de koer van de speelplaats.

-Roger Silverans werd uitgeroepen tot Primus Perpetuum in het Sint-Rombautscollege.



2715291-bb2e3fedea33fe85dfe34a90d1190bf5.jpg

2715291-71478fe45925a2d272db3b0a2019cead.jpg

2715291-d7c9e25c96f70f93aa3ae27bbe7a4144.jpg

2715291-73ca7bc7c2058d7892a7ac7a449993f1.jpg

2715291-f73de751503dbd4d4c0a864538df3dc1.jpg

2715291-454386435c625d664ebb131e181d49bf.png
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 10:16 Reageer op dit bericht

Wijzigingen – Aanvullingen

1964 – Maandag 15 april : Op reis met de Gepensioneerden

Bezoek aan de basiliek te Koekelberg, de Citadel van Namen en de bronnen Spontin en Dinant. Laatste oponthoud in het “Jagershuis” langs de Leuvensesteenweg in Hever (Boortmeerbeek). Dat was voor vele Leestse verenigingen in die periode de vaste afsluiter. Toendertijd werd die dancing geëxploiteerd door de Limburgse zanger Tony Geys.
In 2015 ging het gebouw tegen de vlakte.
In “De Band” verscheen van deze trip volgend verslag : “…een grote dag voor onze gepensioneerden. Te acht uur was iedereen klaar en werd afgevaren in de richting Brussel. Het moet gezegd dat het weder niet best was. Het regende en de koude wind die er mee gepaard ging deed vrezen dat dit wel een ganse dag kon duren. Nochtans was de stemming goed en we hoopten op beter. Eerste halte : de basiliek van Koekelberg. Door regen en wind naar de basiliek –wat kunnen we nog flink doorstappen als het moet !- voor een geleid bezoek. Voor velen was het de eerste maal dat ze dit monument te zien kregen. We kregen deskundige uitleg met cijfers en getallen. Iedereen was tevreden over dit bezoek. Spijtig dat de “klok” nog niet was aangekomen. De grootste klok van de Beneluxlanden komt slechts op 22 juni in de basiliek aan. Na een uitgebreid bezoek, een warme tas koffie of een pintje in de “Pelgrim” en opnieuw in de gezellige warme bus voor de tweede etappe Brussel-Namen. Terwijl het buiten regent rijden we door het Zoniënwoud. We nemen de nieuwe autostrade Jezus-Eik tot Waver en van daar langs Gembloers naar Namen. Het wordt doodstil in de bus wanneer deze langs de haarspeldbochten traag haar weg zoekt naar de Citadel. Boven op de Citadel hebben we een prachtig gezicht op de Maas. In het Hotel Panorama gebruiken we het middagmaal, dat lekker smaakt. Ondertussen is de regen opgehouden en komen de grappenmakers los. Vooral buiten op de molentjes wordt er veel plezier gemaakt. Om 13u30 stipt, zoals afgesproken rijden we weer de Citadel af, steken de Maas over. De chauffeur kent zeer goed de streek, maar we raken verloren in de kleine wegen die ons tenslotte brengen tot Crupet waar een grote grot is gelegen, een bedevaartplaats ter ere van St. Antonius. Na dit kleine oponthoud gaan we verder naar Spontin. Eerst een bezoek aan de bronnen van dit minerale water, daarna bezichtigen van het interessante gedeelte van de limonadefabriek, vervolgens trakteert de directie de bezoekers op een limonade. Ondertussen klaart de hemel stilaan op en terwijl we dan opnieuw afzakken naar de Maasvallei geraakt de zon er een beetje door. Dinant : dit prachtig stadje aan de Maas mochten we natuurlijk niet overslaan. Hier krijgen we tijd voor een wandelingetje en gelegenheid tot winkelen. Ook de knapzak wordt aangesproken. En wanneer we dan daarna de grote trip aanvatten is er van slecht weer geen sprake meer. Inderdaad, het was een grote trip van Dinant tot Rotselaar, waar we afspanden in “Heidelberg”. Na nog een oponthoud in het “Jagershuis” zeilden we in de vallende duisternis naar Leest toe, waar we rond 22 uur op het dorpsplein aanlanden. Het was een mooie dag geweest. Onze gepensioneerden hadden er plezier aan beleefd. Ze waren blij weer thuis te zijn maar zeggen : tot de volgende keer.”

1964 – 26 april : Georgette Daelemans legde haar tijdelijke beloften af

Georgette Coleta Alphonsina Daelemans werd op 7 mei 1937 geboren. Als derde Leestenaar uit de Alemstraat werd ze Kloosterzuster. Haar eerste schooltijd bracht ze door in Kalfort en Tisselt en vanaf het derde leerjaar ging ze naar Kapelle-op-den-Bos. Daarna moest ze als oudste van acht thuis meehelpen.
Tot ze (in 1958) naar Duffel kon waar ze een jaar later ziekenoppaster werd. Ze ging er binnen in het Convent van Betlehem bij de zusters Norbertienen (1961). Als zuster Charisia legde ze haar tijdelijke beloften af (26/4/1964) die ze drie jaar later vernieuwde. Haar eeuwige geloften deed ze twee jaar erna (1969).
In Duffel werkte ze (tot in 1978) op de psychiatrische afdeling van het bekende instituut. Van dan af als thuisverpleger te Antwerpen van o.a. zangeres La Esterella. Enkele jaren (van december 1999 tot in 2005) woonde ze met twee of drie medezusters in het mooie ‘wasgebouw’ (uit 1623) van de abdij te Averbode. In de abdij zelf verzorgde ze de zieke paters al moest ze het sinds een hartoperatie (in 2004) wel wat kalmer aan doen. Sinds 2006 woont ze met medezusters in het rusthuis van Ranst.
(“De St-Niklaasparochie in Leest”, W. Hellemans)

Foto’s :

-Het “Jagershuis” langs de Leuvensesteenweg in Hever waar de Leestse gepensioneerde hun laatste oponthoud hielden.

-Georgette Daelemans, alias zuster Charisia.

-Herinnering aan haar professie.



2714736-9b143d2c03b11d41e5be40a94673a93a.jpg

2714736-8ca5c8ad6811cf5a1fb2af64d6559454.jpg

2714736-ce9530b61ce1a955598305df6382abca.jpg
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 09:38 Reageer op dit bericht

Wijzigingen – Aanvullingen

1964 – 31 maart : Nachtelijke aanranding

In de vroege ochtend van 31 maart (02u30) werd Ludovicus Van Winghe, (°Leest 5/1/1943) Alemstraat 6 Leest, door vier mannen overvallen. Hij legde bij de garde volgende verklaring af:

“Gisteravond bevond ik mij op de Paaskermis te Leest. In café ‘Telstar’, Dorp waren een viertal jonge mannen van Kapelle op den Bos, die ruzie zochten. Daar is dan verder niets gebeurd, doch toen ik heden morgen rond 2.30 uur per fiets huiswaarts reed, werd ik onderweg door die vier mannen overvallen. Deze mannen zijn vier kameraden die steeds bij elkaar zijn en daarvan ken ik er één P. F. uit de Bormstraat in Kapelle op den Bos. Deze mannen stonden mij af te wachten op de Klein Heide, nabij de vijver van de oud-burgemeester alhier. P. die naar ik meen op een bromfiets reed, kwam naast mij gereden en wilde mij omverduwen. Ik moest dan stoppen en er is een tweede op mij gesprongen, die greep mijn fiets uit mijn handen en begon in mijn gezicht te boksen. Ik rukte mij los en liep achter de woning Vloeberghen. Daar klopte ik op de deur om hulp te vragen, doch daar werd ik terug ingehaald door alle vier en weer geslagen en gestampt. Hier werd ik dan door drie hunner vastgegrepen en ik hoorde ze tegen elkaar zeggen : we zullen eens zien hoe sterk dat hij is, we zullen hem leren zwemmen. Hierop sleurden ze me in de richting van de vijver, waar ze me wilden ingooien. Maar ik kon me losrukken, de velden inlopen en mijn woning bereiken. Mijn fiets heb ik echter moeten achterlaten. Deze werd dan later door mijn broer Achiel, zwaar beschadigd, nabij de vijver teruggevonden. Mijn fiets was tevoren door één onder hen herhaaldelijk tegen het betonnen wegdek gesmeten. Bij mijn thuiskomst hebben mijn familieleden dadelijk geneesheer Van der Heyden laten komen. Ik werd over gans mijn lichaam gestampt en geslagen en ben onbekwaam tot enig werk. Mijn klederen werden ook zwaar beschadigd, mijn regenjas is gescheurd, kostuum gans bevuild en mijn pullover werd bijna gans doorgescheurd.”

De garde constateerde een open wonde boven het rechteroog, dik gezwollen lippen en mond, geschramde neus en een gekneusde rechterhand. De voorvork van de fiets was opgestuikt, het kader aan achterwiel ingedrukt evenals de kettingkast. Het onderzoek werd verdergezet in Kapelle-op-den-Bos. (VVH)

Louis Van Winghe was gehuwd met Greta Dehaut en overleed te Mechelen op 22 augustus 1990. “Je hebt ons stil verlaten, zoals je altijd was, met alles tevreden, nimmer veeleisend voor jezelf. Je hebt je strijd gestreden, je hebt het meer dan moedig gedaan, wie kan begrijpen wat je hebt geleden, wie kan voelen wat je hebt doorstaan. Dank voor wat je was en blijf “onze papa”.
Veelzeggende woorden uit zijn gedachtenisprentje. Zijn soldatenbrieven zijn terug te vinden in deze Kronieken : 9/5/1962.

1964 – Aprilnummer “De Band” : Ongevallen

-Onze dorpsgenoot Maurice Van Camp (foto onderaan) kwam al fietsende in aanraking met de voetgangster Clementine Gillis die hierbij licht gewond werd.

-Onze medeburger Louis Polfliet werd aangereden door een tweewieler. De stoffelijke schade aan zijn auto was aanzienlijk.

-Apers uit Leest deed met zijn bromfiets een erge val toen hij naar zijn werk reed. Hierbij werd hij zeer ernstig gekwetst en moest naar een ziekenhuis te Mechelen worden overgebracht.

1964 – 12 april : Jaarlijks Concert Kon. Fanfare Sint Cecilia

Met optreden van radio en tv-ster Leonard Van Deyck.

1964 – Zondag 12 april : Chiro-Leest : de burchtknapen op trektocht

“De burchtknapen, onder leiding van hun aanvoerder Roger, trokken zondag 12 j.l. op trektocht. De zure gezichten werden thuis gelaten, en we zagen dan ook niets dan welgezinde burchtknapen opstappen, de rugzak dragende en gezwind naar Breendonk. Het werd voor hen een aangename dag, en met vermoeide benen kwamen ze allen opgewekt thuis. Zondag 19 dezer was het de beurt der knapen, en hier ging het naar Boom…” (“DB”, april ’64)

Foto’s :

-Louis Van Winghe werd het slachtoffer van een overval.

-Maurice Van Camp had een aanrijding met een voetgangster.



2714182-440cd289b9b2f81fff74914feaddd976.JPG

2714182-701c00d4abb328a608699e2a5282f0a2.jpg
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 11:11 Reageer op dit bericht

Vervolg Militaire Romebedevaart – Verslag van Herman Bradt

Maandag 30 maart

Weer maken we een uitstap per autocar in Rome. In de voormiddag bezoeken we de St. Paulusbasiliek, waar de overblijfselen van deze Apostel der Heidenen werden begraven. We komen langs de “TRE FONTANE” abdij waar St Paulus de marteldood stierf. In de namiddag brengen we een grondig onderzoek aan het oude Rome met het COLLOSEUM, DE BOOG en BASILIEK van KONSTANTIJN, de kerk van de H. COSMUS, en DAMIANUS en het FORUM.

Dinsdag 31 maart

Per autocar brengen we een bezoek aan het museum van het vaticaan. Verder was er een bezoek gepland aan de SIXTIJNSE kapel. Dit gaat echter niet door want we werden ontvangen door de H. Vader. In de kapel hebben we de Indische kazuifel kunnen bewonderen die we de H. Vader bij gelegenheid van de audiëntie zullen schenken. Hoe mooi deze reis ook was, de dertig minuten die wij bij de H. Vader mochten doorbrengen zijn de mooiste, de ontroerendste van heel de bedevaart. Daarom alleen reeds was deze Rome-reis de moeite waard. Helaas, veel te vlug moesten we van de H. Vader afscheid nemen, want hem wachten weer nieuwe bezoekers. Wij keren terug naar ons hotel en vertrekken naar TERMINI en POMPEÏ waar we te 18 uur de H. Mis bijwonen. De autocar brengt ons voorbij CASTELLAMARE naar SORRENTO waar we zullen overnachten.

Woensdag 1 april

Vroeg in de morgen vertrokken we en rijden langs ’s werelds mooie wegen naar AMALFI. We vieren de gemeenschapsmis in de crypte van de kathedraal, waar de relieken van de Apostel ANDREAS bewaard worden. De H. Andreas is de patroon der Oosterse Kerk. Een hulde door alle bedevaarders ondertekend wordt naar Z.H. ATHENAGORAS I, Patriarch van Constantinopel gezonden. Na het middagmaal maken we een excursie naar het eiland CAPRI.

Donderdag 2 april

Afreis naar NAPELS per autocar. Vertrek per trein naar ROME. Langs AREZZO en FLORENTIE rijden we tot BOLOGNE. ’s Avonds rond 19 uur komen we aan te PARMA. We maken een korte wandeling doorheen de stad, vooraleer we ons naar het hotel begeven voor de nacht.

Vrijdag 3 april

We beginnen de afreis met de autocar, dan verder met de trein tot MILAAN. Langs MONZE en COMO naar CHIASSO aan de Italiaans-Zwitserse grens. Na de controle reizen we verder tot LUZERN waar we in de Jezuïetenkerk met een H. Mis de bedevaart sluiten.

Zaterdag 4 april

Langs de Franse grens verlaten we Zwitserland en komen aan de Frans-Luxemburgse grens rond half vijf ’s morgens. Op Belgisch grondgebied gekomen, blikken we nog even terug op die prachtige bedevaart, we voelen ons ontroerd en dankbaar, en het is met de glimlach dat onze familie ons weerziet.
     S.M. Bradt Herman.”

Noot : de toespraak van Paus Paulus VI tot de Belgische militairen van 31 maart en die van de directeur van de bedevaart tot de Paus werden gepubliceerd in “De Band” van juni 1964.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 17:28 1 reactie Reageer op dit bericht

Wijzigingen - Aanvullingen

1964 – Van 26 maart tot 4 april : Militaire Romebedevaart – Verslag van Herman Bradt

“De Band” van mei 1964 : wij danken van harte onze vriend, milicien Herman Bradt, voor dit buitengewoon verslag over de militaire Romebedevaart, dat wij hier graag laten verschijnen.

“Ieder jaar, rond Pasen, richt het Belgische leger een bedevaart in naar Rome. Samen met 259 anderen kon ik deze reis meemaken. Graag geef ik een relaas over deze prachtige bedevaart. Moge het voor vele toekomstige miliciens en voor hun families een aansporing zijn om er deel aan te nemen.

Witte Donderdag

Na een H. Mis in de kerk der E.P. Franciscanen vertrekken we in het Zuidstation te Brussel. Wij kijken niet naar buiten, maar wel in ons coupé, waar we ieder op onze beurt de gezellen aan een onderzoek onderwerpen. We maken vlug kennis en het valt erg mee. Na de halte te Aarlen bidden we het avondgebed en reizen langs het Groothertogdom Luxemburg verder.

Goede Vrijdag

Wij ontwaken op Zwitsers grondgebied en dra bereiken we BERN. Prachtige en afwisselende vergezichten brengen ons naar de LOTSCHBERG. Aan de uitgang van de tunnel strekt zich de prachtige RHONE-VALLEI uit. We dalen af en komen aan de SIMPLONTUNNEL die 21 km lang is. Stilaan bereiken we de Italiaanse grens. Verder rijden we langs het MAGGIOREMEER voorbij het mooie STRESA. Nadat we te Milaan zijn overgestapt komen we te FLORENTIE aan waar we de kerk “SANTA MARIA NOVELLA” bezoeken. Lang mogen we echter niet dralen, want de reis gaat verder. Omstreeks half negen ’s avonds komen we aan te ASSISI waar vriendelijke zusters ons opwachten om ons na een stevige maaltijd ook nachtverblijf te gunnen.

Zaterdag 28 maart

Bezoek aan het klooster van St Franciscus en aan zijn graf. Wij zien het kruis dat tot Franciscus sprak en plukken een paar blaadjes van de rozenstruik zonder doornen. We bezichtigen ook het graf van de H. Klara. Vervolgens gaan we naar de basiliek “de PORZIUNCOLO”, de volle aflaat verdienen. Weer gaat de reis verder en in de namiddag komen we te ROME aan. Hier bidden we in de St. Pieterskerk luidop het Credo. Nog helemaal onder de indruk van die indrukwekkende St. Pietersbasiliek dalen we af in de CATACOMBE van St. DOMITILLA. Dan keren we terug naar ons hotel en nemen rust voor de grote dag.

PASEN 29 maart

Na de H. Mis en Paascommunie keren we naar ons hotel terug om te ontbijten. Vervolgens brengt een autobus ons naar de St. Pietersbasiliek waar we de Pauselijke mis bijwonen. Op het St. Pietersplein wachten we de H. Vader op om zijn zegen “URBI ET ORBI” te ontvangen. Even gaan onze gedachten naar België, waar duizenden landgenoten deze plechtigheid meeleven. In de namiddag brengen we per autocar een bezoek aan de stad. Naast het “oude Rome”, met zijn prachtige gebouwen uit de eerste eeuwen ontdekken we ook het “moderne Rome”, waar rijke filmsterren hun villa’s betrekken."

Vervolgt.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 17:16 Reageer op dit bericht

Meer van Kronieken van Leest

↑ Terug naar de berichten