Jezus wordt bespot – 1e kruiswoord. – Bekering van de rouwmoedige moordenaar
Nadat de moordenaars aan het kruis gebonden en Jezus’ klederen door het lot verdeeld waren, raapten de beulen hun gereedschappen samen en verlieten onder het uitbraken van verwensingen en vervloekingen tegen Jezus de Kalvarieberg. Ook de overige, nog aanwezige Farizeeën te paard maakten zich op om te vertrekken; zij reden nog eenmaal om de aarden wal onder het gezicht van Jezus, slingerden Hem nog een vloed van smaadwoorden naar het hoofd en reden daarna daar vandaan. Ook de 100 Romeinse soldaten met hun officieren trokken de berg af en uit de omgeving weg, want zij werden vervangen door 50 andere Romeinse soldaten die de berg opkwamen en in hun plaats de posten bezetten.
De hoofdman van deze nieuwe afdeling was Abenadar, een Arabier van geboorte, die later gedoopt werd onder de naam Ktesifon en zijn onderbevelhebber heette Kassius, die later bij zijn doopsel de naam Longinus ontving. Deze laatste was een soort loopbode van Pilatus. Ook kwamen opnieuw nog 12 Farizeeën, 12 Sadduceeën, 12 schriftgeleerden en enige oudsten naar boven gereden. Onder hen waren ook degenen opnieuw teruggekeerd, die Pilatus een tweede maal te vergeefs om een andere tekst voor de kruistitel waren gaan vragen. Pilatus had hen niet eens bij zich toegelaten en deze smadelijke afwijzing had hen nog wreveliger tegen Jezus gestemd. Teruggekeerd reden zij rond de aarden wal en verdreven de H. Maagd die zij een lichtzinnige vrouw noemden.
Joannes bracht haar daarom weer bij de andere vrouwen, die verderaf stonden. Magdalena en Marta ondersteunden haar in hun armen. Toen al de nieuw aangekomen vijanden van Jezus onder het kruis rijdend aan Jezus voorbijtrokken, schudden zij met haat en verachting het hoofd en zeiden: “Foei! Schande over U, leugenaar! hoe breekt U de tempel af en bouwt U hem in 3 dagen weer op?” “Anderen heeft hij altijd willen helpen, maar nu kan hij niet eens zichzelf helpen! Als Uj Gods Zoon zijt, kom dan van het kruis af!” “Is hij de koning van Israël, laat Hij dan afkomen van het kruis en wij zullen in Hem geloven. Hij heeft zijn vertrouwen gesteld op God, laat God hem nu eens ter hulp komen!” Ook de soldaten bespotten Hem met woorden als deze: “Als Uj de Koning van de Joden zijt, zo help Uzelf.“ Terwijl Jezus daar nog in zijn bewusteloosheid zo hulpeloos en ellendig hing, zei ook Gesmas: “Zijn duivel laat Hem in de steek!”
Daarop stak een soldaat een met azijn gevulde spons op een stok en hield die tegen Jezus’ lippen en Jezus scheen er een weinig uit te zuigen. Het schimpen en lasteren echter duurde voort. De soldaat zei: “Als U de Koning van de Joden zijt, help Uzelf!” Toen het spotten op die manier een eind geduurd had, richtte Jezus zijn hoofd omhoog en zei: “Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen!” en in stilte bad Hij voort. Nu ook riep Gesmas: “Als U de Christus zijt, help Uzelf en ons!”, en zo ging het schimpen en lasteren verder zijn gang. Dismas, aan de rechterzijde van Jezus, werd diep ontroerd door het gebed van Jezus voor zijn beulen. Bij het horen van de stem van haar Zoon was Maria niet meer terug te houden; zij drong door tot in de kring, tot bij het kruis. Joannes, Salome en Maria van Kleofas volgden haar en de nieuwe hoofdman verdreef hen niet.
Dismas bekwam door het gebed van Jezus een straal van inwendige verlichting en op het ogenblik waarop de H. Maagd naar het kruis toetrad, kreeg hij inwendig de kennis dat Jezus en zijn Moeder Maria hem in zijn kinderjaren reeds genezen hadden en met een geweldige stem riep hij tot de schelmen die Jezus belasterden ongeveer als volgt: “Hoe is het mogelijk? U verguist Hem, terwijl Hij voor u bidt. Geduldig en zonder één klacht heeft Hij uw beledigingen verdragen en Hij bidt zelfs voor u en u belastert Hem! Hij is een Profeet, Hij is onze Koning, Hij is waarlijk de Zoon van God!” Deze onverwachte afstraffing uit de mond van een ellendig gekruisigde bracht hen in opschudding en zij zochten naar stenen om de boeteling aan zijn kruis te doden, doch de hoofdman Abenadar verijdelde hun opzet, dreef hen uiteen en herstelde de orde en de rust. De H. Maagd voelde zich ondertussen geheel gesterkt door het gebed van Jezus.
Dismas bestrafte ook zijn lotgenoot, die vol woede zijn verwijt tegen Jezus herhaalde: “Als U de Messias zijt, help Uzelf en ons!” Dismas nam het voor Jezus tegen hem op: “Vrees ook jij God nog niet, terwijl je toch dezelfde straf ondergaat en wij terecht, want wij ontvangen loon naar werken, maar Deze heeft niets verkeerds gedaan. Bezin je in je laatste uur en bekeer je.” Hij was inwendig zeer verlicht, sterk ontroerd en hij beleed nu zijn schuld aan Jezus met deze woorden: “Heer, indien U me verdoemt, dan treft mij de straf die ik verdien, maar ik smeek U, heb medelijden met mij.” Jezus antwoordde hem: “U zult mijn barmhartigheid ondervinden.” Dismas ontving nu de genade van een intens berouw gedurende ongeveer een kwartier. Dit gebeurde van 12u tot 12.30u. Er werd echter een grote ommekeer in de zielen van de meeste toeschouwers teweeggebracht, want de goede moordenaar was nog niet uitgesproken, of er ontstond een groot teken in de natuur, dat allen met angst vervulde.
Zonsverduistering – 2e en 3e kruiswoord
Nu kwam zich een roodachtige nevel vóór de zon. Om het 6e uur volgens de zon, omstreeks 12.30u ontstond er een zeer wonderbare zonsverduistering. Ik was in het begin van de gebeurtenis als buiten de aarde en ik zag allerlei hemelsferen en sterrenbanen wonderbaar elkaar doorkruisen. Ik zag de maan aan een andere zijde van onze aarde en zag haar als een vliegende vuurbol een snelle vaart nemen of sprong doen, en dan was ik weer in Jeruzalem en zag de maan boven de Olijfberg vol en bleek te voorschijn schieten en ze vloog uit het oosten met grote snelheid op tot vóór de zon, die reeds door een rode nevel verduisterd was. In het midden was dit beeld of verschijnsel vaal, maar er omheen was een rode schijn als een gloeiende kring. Hierop werd de hemel geheel donker en de sterren begonnen rood te schemeren. Een buitengewone verschrikking overviel mensen en dieren. Het vee loeide in de weide en zette het op een lopen; de vogels zochten een schuilhoek en streken in benden op de hoogten in de omgeving van de Kalvarieberg neer.
Men kon ze met de handen grijpen; het spotten viel stil. De Farizeeën zochten nog naar een natuurlijke verklaring van het hele wonder, maar ook zij werden door een inwendige angst overvallen. Alle mensen hieven hun ogen ten hemel; velen sloegen op hun borst wrongen zich de handen en riepen uit: “Zijn bloed kome over zijn moordenaars!” Velen, zowel ver als nabij, wierpen zich op de knieën en baden Jezus rouwmoedig om vergiffenis en Jezus richtte in zijn smarten nog zijn blik op hen. Terwijl nu de duisternis voortdurend toenam en hun aandacht zich op de hemel richtte en het kruis nu van allen verlaten stond, behalve van Jezus’ Moeder en zijn naaste vrienden, hief Dismas, na lang in een intens berouw verzonken te zijn geweest, met ootmoedig vertrouwen het hoofd naar Jezus op en smeekte: “Heer, laat mij in een plaats komen, waar U me zult verlossen. Wees mij indachtig, wanneer U in uw Rijk komt.” En Jezus antwoordde hem: “Voorwaar! Ik zeg u: heden zult u met Mij in het paradijs zijn.”
De Moeder van Jezus, Magdalena, Maria van Kleofas, Salome en Joannes stonden tussen de kruisen van de moordenaars rond het kruis van Jezus en zagen naar de Heer op. De H. Maagd, door haar moederliefde geheel overweldigd, bad inwendig zeer dringend dat Jezus haar met Hem zou laten sterven. Nu zag Jezus zijn Moeder plechtig, diep, ernstig en medelijdend aan en Hij wendde dan ook zijn ogen tot Joannes en zei tot haar: “Vrouw, ziedaar uw zoon! Hij zal nog meer uw zoon zijn, dan wanneer u hem had gebaard!” Vervolgens prees hij Joannes, zeggend: “Hij heeft altijd een eenvoudig, onwankelbaar geloof gehad en heeft zich slechts eenmaal geërgerd, nl. toen zijn moeder hem boven de andere apostelen verheven wilde zien.” Tot Joannes echter sprak Hij: “Zie, dat is uw moeder”, en eerbiedig als een vrome zoon omhelsde de apostel onder het kruis van de stervende Verlosser, de Moeder van Jezus die nu ook zijn moeder geworden was.
Na deze plechtige en laatste wilsbeschikking van haar stervende Zoon was de H. Maagd zo van verdriet en ernst ontsteld, dat zij, in de armen van de H. Vrouwen neerzinkend, het uitwendig bewustzijn verloor. Hierop werd zij door hen die haar omgaven, eerst een tijdje tegenover het kruis op de aardwal neergezet, en daarna buiten de omwalling van de strafplaats bij de overige, verderaf staande vriendinnen gebracht.
Toestand van stad en tempel gedurende de duisternis.
Het was nu omstreeks 13.30u en ik werd naar de stad gebracht om te zien hoe het daar zo allemaal verliep. Ik zag overal de grootste schrik en ontsteltenis. Nevel en donkere nacht vervulden de straten; de mensen doolden tastend rond. Velen waren in hoeken gevlucht, hadden hun hoofd bedekt en schuld bekennend sloegen zij zich op de borst. Velen ook richtten hun blikken ten hemel en barstten in jammerklachten uit: “Wat heeft men gedaan?” De dieren brulden en verborgen zich van angst; de vogels vlogen laag en streken neer op de grond. Ik zag Pilatus bij Herodes op bezoek; beiden staarden zeer ontsteld naar de hemel op hetzelfde terras van waar Herodes ‘s morgens met anderen toegezien had naar Jezus, die op zijn bevel bespot en mishandeld werd.
Ze spraken tot elkaar: “Dit is niet natuurlijk; men is te ver gegaan, men heeft zich aan Jezus vergrepen!” Hierop zag ik Herodes met Pilatus over het forum naar diens paleis gaan; beiden verkeerden in geweldige angst. Omgeven van hun lijfwacht stapten zij haastig door. Pilatus wendde zijn blikken niet in de richting van Gabbata, het Gerechtsverhoog waar hij Jezus veroordeeld had. Het forum was eenzaam en verlaten; hier en daar spoedde zich nog een mens naar huis; anderen liepen weeklagend her- en derwaarts. Op openbare pleinen stond hier en daar een kleine groep mensen bijeen. Pilatus ontbood in zijn paleis de Joodse oudsten en vroeg hun wat, naar hun mening, die duisternis betekende. Volgens hem hield dit teken een bedreiging in; hun God scheen op hen vertoornd te zijn, omdat zij tegen elke prijs de dood van de Galileeër geëist hadden, die nochtans gewis hun Profeet en Koning was, maar hij had zijn handen gewassen en was onschuldig aan zijn bloed, enz.
Zij echter bleven hardnekkig weigeren in het verschijnsel een hemelteken te erkennen; zij legden alles natuurlijk uit, bleven versteend en bekeerden zich niet. Hier en daar nochtans kwam menigeen tot inkeer en onder deze laatsten waren nl. al die soldaten die gisteren bij de gevangenneming van Jezus in de Olijfhof gevallen en weer opgestaan waren. Ondertussen verzamelde zich een grote volksmenigte vóór het paleis van Pilatus, en, waar zij ‘s morgens geroepen hadden: “Kruisig Hem! weg met Hem!”, schreeuwden zij nu: “Onrechtvaardige rechter! Zijn bloed kome over zijn moordenaars!” Pilatus vond het raadzaam zijn lijfwacht te versterken. Dezelfde Sadok, die ‘s morgens bij Jezus’ aankomst in het paleis Jezus’ onschuld luid uitgeroepen had, maakte thans vóór het paleis zulk een ophef, raasde en tierde zo geweldig, dat Pilatus op het punt stond hem te laten arresteren.
Pilatus, die ellendeling zonder karakter, maakte de Joden de zwaarste verwijten; hij echter had aan hun fanatisme geen deel genomen, beweerde hij, en was dus niet medeplichtig. Jezus was hún Koning en Profeet, hún verwachte Heilige geweest; de zonde trof hèm niet; de zaak ging hèm niet aan. ZIJ hadden zijn dood geëist en hadden zich te verantwoorden! In de tempel bereikten angst en schrik hun toppunt. Men was juist volop aan het slachten van het paaslam, toen de duisternis plotseling inviel. Alles raakte in verwarring en hier en daar liet men benauwde angst- en jammerkreten horen. De hogepriesters stelden alle pogingen in het werk om de orde en de rust te handhaven; midden op de dag stak men alle lampen aan, maar de verwarring werd slechts nog groter. Ik zag Annas ten prooi aan een vreselijke schrik; hij vluchtte benauwd uit de ene hoek in de andere om zich te verbergen. Toen ik de stad weer verliet, hoorde ik de luiken en tralies vóór de vensters van de huizen rammelen, hoewel het geen stormweer was. Elk ogenblik nam de duisternis nog toe.
Verlatenheid van Jezus – 4e kruiswoord
Op Golgota maakte de duisternis een bijzonder benauwelijke indruk. De gruwelijke kreten, de vreselijke verwensingen, de spotternijen en de pijniging van Jezus, de bedrijvigheid der beulen onder schreeuwen en vloeken gedurende de kruisoprichting; het binden der moordenaars aan hun kruisen en hun wanhopig gebrul, het heen en weer rijden van de Farizeeën onder gehoon, de aflossing der soldaten door een nieuwe afdeling; het wegtrekken van de beulen onder lawaai en dronkenmanspraat hadden in het begin van de zonsverduistering de benauwende indruk verminderd en dan volgde de strafrede van de rouwmoedige Dismas en de woedende uitval van de Farizeeën tegen hem. Maar nu groeide de duisternis aan, de toeschouwers werden ernstig en verlieten de een na de ander het kruis, Jezus beval toen zijn Moeder Joannes aan en zij werd hierop buiten de aarden wal gebracht. Er trad een bange plechtige stilte in.
De toenemende duisternis boezemde het volk schrik in, de meesten keken naar de hemel. In velen werd het geweten wakker; menigeen wendde rouwmoedig zijn blik naar het kruis; velen sloegen zich op de borst en hadden berouw; de gelijkgezinden naderden tot elkaar. De Farizeeën, hoewel heimelijk bang, bleven voort alles natuurlijk verklaren, maar zij sloegen reeds een lagere toon aan en verstomden tenslotte bijna geheel; nu en dan lieten zij zich nog wel een boos woord ontvallen, maar zij moesten zich hiertoe geweld aandoen. De kern van de zon was dof, zoals in het maanlicht; er was een rode kring omheen.
Roodachtig lichtend kwamen de sterren te voorschijn; de vogels streken uit de lucht op de Kalvarieberg en op de nabije wijnheuvelen tussen de mensen neer en lieten zich grijpen met de hand; de dieren in het rond brulden en sidderden; de paarden en muildieren van de bereden Farizeeën drongen in hun schrik bijeen en lieten hun koppen hangen. Alles was in damp en nevel gehuld. Rondom het kruis heerste stilte; men wendde er zich van af en velen vluchtten naar de stad terug. De gekruisigde Heiland wendde zich in zijn eindeloze foltering met het gevoel der diepste verlatenheid tot zijn hemelse Vader. Hij versaagde ondertussen niet in de liefde en het gebed voor zijn vijanden.
Ook nu bad Hij, zoals in het gehele verloop van zijn lijden, met teksten uit de psalmen, die nu in Hem hun vervulling vonden. Ik ontwaarde ook engelengedaanten rond Hem. De duisternis nam nog elk ogenblik toe; de schrik drukte op alle gewetens en een benauwelijke stilte verontrustte het gehele volk en midden in die bange omgeving en atmosfeer zag ik Jezus daar eenzaam en troosteloos hangen. Hij leed alles wat een arme, gemartelde, verbrijzelde mens in de grootste verlatenheid, beroofd van alle menselijke en goddelijke troost, moet lijden, wanneer het geloof, de hoop en de liefde geheel eenzaam, zonder iemands meevoelen, bijstand of aanmoediging, zonder het minste licht, naakt, dor en ledig in de woestijn van de beproeving alleen staan, eenzaam in een zee van foltering op zichzelf aangewezen zijn, van zichzelf en eigen kracht moeten leven.
Zo’n lijden is niet in woorden weer te geven. Hij won voor ons de mogelijkheid en de verdienste van de overwinning en volharding in de bitterste strijd van gehele verlatenheid en offerde zijn ellende, zijn armoede en troosteloze eenzaamheid aan God op voor ons, ellendige zondaars, zodat de mens die met Jezus in het lichaam van de Kerk verenigd is, niet meer voor vertwijfeling bang hoeft te zijn in zijn laatste uur, wanneer alles verduistert, alle licht en elke troost hem verlaat. Helemaal verlaten, doodarm en hulpeloos gaf Jezus zichzelf ten beste, zoals het de liefde eigen is; ja, Hij maakte zijn verlatenheid zelf tot een allerrijkste schat, want Hij offerde zichzelf, geheel zijn leven, al zijn werken, zijn beminnen en lijden en het smartelijk gevoel van onze ondankbaarheid aan zijn hemelse Vader op voor onze zwakheid en armoede.
Hij maakte voor God zijn Testament en vermaakte daarin al zijn verdiensten aan de Kerk en aan de zondaars. Hij was allen indachtig, was in zijn verlatenheid bij allen die tot het einde der tijden leven zouden. En zo legde Hij dan te midden van zijn lijden luidop getuigenis af van zijn verlatenheid en verwierf daardoor voor alle godskinderen, die in de uiterste verlatenheid verkeren, het recht en de vrijheid om voor God, hun Vader, met kinderlijke, vertrouwelijke stoutmoedigheid hun nood te klagen. Zo riep Jezus omstreeks 3 uur met luide stem: “Eli, Eli, lama sabaktani”, d.i. “Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten?” Toen deze luide kreet van de Heer de drukkende stilte rondom Hem verbrak, wendden enige spotters zich opnieuw driest naar het kruis en een van hen zei: “Hij roept om Elias!”
En een ander voegde er aan toe: “Laten wij zien of Elias komt om Hem naar beneden te helpen.” Nauwelijks had de Moeder van Jezus de stem van haar Zoon vernomen, en liep zij naar het kruis en Joannes, Maria van Kleofas, Magdalena en Salome volgden haar. Terwijl het hier en daar verspreide volk rondzwierf, jammerde en zuchtte, trok een groep van ongeveer dertig mannen van aanzien te paard uit Judea en meer bepaald uit het gewest van Joppe, die op weg waren naar het feest, daar voorbij. Ziende wat met Jezus gebeurd was en vernemend hoe men met Hem te keer was gegaan, brachten zij dit in verband met de dreigende natuurverschijnselen en zij gaven luidop uiting aan hun afgrijzen en zuchtten: “Rampzalige stad! stond de tempel van God niet binnen uw muren, men zou u door het vuur in de as moeten leggen, zulk een schuld hebt u op zich geladen!”
Deze uitlating van die vreemde voorname lieden was voor het volk een steun- en uitgangspunt; men begon overal te morren en te jammeren om de misdaad. De gelijkgezinden zochten mekaar te benaderen. Alle nog aanwezigen versmolten tot 2 partijen: de ene weeklaagde en morde verontwaardigd; de andere daarentegen schimpte en raasde. Intussen wist Abenadar door streng op te treden de orde en de rust te herstellen. Ook legde hij, om het volk niet te verbitteren, de spotters het zwijgen op. Na 15u werd de hemel helderder; de maan verwijderde zich nu van de zon; de zon brak door en haar stralen schenen eerst mat omneveld en rood. De maan daalde terug naar de tegenovergestelde kant zo snel dat ze scheen te vallen. Langzamerhand begon de zon ook stralender te schijnen; de sterren verdwenen, maar de hemel bleef toch nog somber.
5e, 6e en 7e kruiswoord van Jezus – Zijn dood
Als het klaarder geworden was zag het lichaam van Jezus er bleek uit, zwak, van alle krachten beroofd, witter dan te voren, zozeer was Hij uitgebloed. Hij zei: “Ik word uitgeperst als de druif, die hier voor de eerste maal gestampt werd; al mijn bloed moet ik geven tot het water komt en de schillen wit worden; hier evenwel zal geen wijn meer geperst worden.” Jezus versmachtte van dorst en zei met een verdroogde tong: “Ik heb dorst.” Toen zijn vrienden Hem droevig bezagen, voegde Hij er nog aan toe: “Had u Mij geen teug water kunnen bezorgen?” Hij wilde hiermee te kennen geven dat men hun dit gedurende de duisternis wel niet belet zou hebben. Vol spijt antwoordde Joannes: “Heer, wij hebben het vergeten!” Jezus zegde nog iets, waarvan de zin was: “Ook mijn naastbestaanden moesten vergeten Mij een teug water aan te bieden, opdat de Schrift vervuld worde.” (Ps. 69, 22). Deze vergetelheid had Hem pijn gedaan.
Op zijn klacht boden zij nu geld aan de soldaten aan, dat zij Hem daarvoor een teug water zouden aanreiken, maar hun verzoek werd niet ingewilligd. Één der soldaten evenwel doopte toen een spons in de azijn, die daar in een klein basten vaatje stond en goot er nog gal bovenop. Maar de hoofdman Abenadar was door Jezus geraakt; hij ontrukte de soldaat zijn spons, duwde ze uit en vulde die met zuivere edik. Vervolgens stak hij een uiteinde van de spons in een kort stuk hysopriet, dat tot mondstuk moest dienen om de azijn er door op te zuigen. Jezus vermaande het volk en zei: “Als ik geen stem meer zal hebben, zal de mond van de doden spreken.” Waarop enigen uitriepen: “Hij houdt nog niet op met te lasteren!” Abenadar evenwel gebood stilte. Daar nu het uur van de Heer gekomen was, geraakte Hij in doodstrijd. Een klam zweet brak over al zijn ledematen uit. Joannes die aan de voet van het kruis stond, droogde met zijn zweetdoek Jezus’ voeten af.
Magdalena, door droefheid geheel verpletterd, leunde tegen de achterzijde van het kruis. De H. Maagd, ondersteund door Maria van Kleofas en Salome, stond tussen het kruis van Jezus en dat van de goede moordenaar en zag op naar haar stervende zoon. Toen sprak Jezus: “Het is volbracht.” Hij richtte zijn hoofd op en riep met luide stem: ”Vader, in uw handen beveel Ik mijn geest!” Dit was een zoete, luide kreet, die hemel en aarde doordrong. Dan liet Hij het hoofd zinken en gaf de geest. Ik zag zijn ziel als een lichtschim in de aarde verdwijnen bij het kruis en naar de kring van het voorgeborchte neerdalen. Joannes en de H. Vrouwen vielen plat ter aarde op hun gezicht neer. De hoofdman Abenadar, een Arabier van geboorte, die later als leerling bij zijn doopsel de naam Ktesifon ontving, bleef, sedert hij de Heer met azijn had gelaafd, ononderbroken op zijn paard dicht bij de verhevenheid waarop het kruis stond.
Diep ontsteld en ernstig hield hij lang zijn blik onafgewend op het gezicht van Jezus gevestigd, dat door de doornenkroon overschaduwd was. Zijn paard, was als futloos en ziek, en liet de kop hangen en Abenadar, wiens trots gebroken was, hield de teugels niet meer gespannen. En toen was het dat de Heer zijn laatste woorden sprak en stierf met een luide en krachtige stem, die weerklonk tot in de aarde, in de hel en de hemel. De aarde beefde, de rots spleet, wijd openbarstend tussen het kruis van Jezus en dat van de slechte moordenaar. Alles was volbracht. De ziel van de Verlosser verliet het lichaam en toen zijn stervenskreet weerklonk, beefden allen die hem hoorden, mee met de aarde, die geschud haar Verlosser erkende. Dit was het uur der genade voor Abenadar: op het ogenblik dat de aarde schudde, sidderde zijn paard, begaf zijn ambitie, werd zijn trotse, onbuigzame geest gebroken gelijk de rots van de Kalvarieberg.
Hij wierp zijn lans van zich weg en sloeg met sterke vuist hard op zijn borst, terwijl hij met de stem van een nieuw mens luidop uitriep: “Gezegend zij de Almachtige! de God van Abraham en Jakob. Deze was een rechtvaardig man, Hij is zeker Gods Zoon!” Vele soldaten, getroffen door het voorbeeld van hun hoofdman, deden zoals hij. Abenadar, die een nieuw, een verlost mens geworden was en Christus nu openlijk als de Zoon van God had gehuldigd, wilde niet langer in de dienst van Jezus’ vijanden blijven. Hij reed naar Kassius, zijn ondergeschikte, die later als christen Longinus genoemd werd, steeg af, hief zijn lans naar hem op en gaf ze hem. Daarna sprak hij nog enige woorden tot zijn soldaten en tot Kassius, die nu te paard steeg en het bevel overnam. Abenadar verliet hierop haastig de Kalvarieberg en spoedde zich door het dal Gihon naar de spelonken van het dal Hinnom. Hij deelde aan de leerlingen die in de spelonken ten zuiden van het dal Hinnom verborgen waren, de dood van de Heer mee en haastte zich vervolgens naar Pilatus in de stad.
Op het ogenblik dat Jezus zijn stervenskreet slaakte en daarop de aarde beefde en de rots barstte naast het kruis, werden alle aanwezigen door een hevige schrik aangegrepen. Diezelfde schok en schrik voer door de gehele natuur, want in de tempel scheurde het voorhangsel midden door en vaneen; uit de graven stonden vele doden op; sommige muren van de tempel zonken, terwijl in vele wereldstreken gebouwen instortten en bergen verzakten. Met Abenadar legden ook veel andere soldaten getuigenis af voor Jezus; ook velen onder het nog aanwezige volk en onder de laatst aangekomen Farizeeën bekeerden zich. Velen sloegen rouwmoedig op hun borst; vol wroeging en weeklagend dwaalden zij van de berg door het dal naar hun huis. Anderen scheurden hun klederen en strooiden het stof van de weg op hun hoofd. Schrik en angst vervulden allen.Joannes richtte zich nu, na een tijdlang op de grond gelegen te hebben, weer op.
Vele H. Vrouwen, die tot op dit ogenblik verwijderd gestaan hadden, kwamen binnen de kring, hieven de Moeder van Jezus en haar vriendinnen insgelijks op en brachten ze buiten de kring om ze te verkwikken. Op het ogenblik dat de minnende Heiland, de Heer van alle leven, zijn wrede dood tot uitboeting van alle zondeschuld onderging, als mens zijn ziel aan God zijn Vader aanbeveelde en zijn lichaam aan de dood prijsgaf, spreidde zich er een bleke doodskleur over. Zijn lichaam sidderde een laatste maal van de foltering en nam de lijkkleur aan. De strepen bloed die uit de gewonde plaatsen neergevloeid waren, tekenden zich op het witte lijk somberder en duidelijker af. Zijn gezicht werd langer, zijn wangen vielen in, zijn neus werd smaller en spitser; zijn onderkin zonk neer; zijn met bloed gevulde en gesloten ogen openden zich half gebroken.
Hij hief zijn met doornen gekroond hoofd een laatste maal een paar ogenblikken op en liet het daarna onder het gewicht van de pijnen weer op de borst zakken; zijn loodblauwe, gespannen en verstijfde lippen lieten in de geopende mond zijn bloedige tong zien. Zijn handen, die Hij tot nog toe om de nagels gesloten ineengekromd hield, openden zich en zonken meer naar voren, terwijl de armen zich geheel uitstrekten, zijn rug zich tegen het kruishout rekte en het hele gewicht van zijn heilig lichaam op zijn voeten neerkwam. Nu zonken zijn knieën ineen, zich schuin naar de ene kant buigend, terwijl zijn voeten zich een weinig rond de nageldraaiden, waarmee ze doorboord waren. Ook de handen van zijn Moeder verstijfden, een vale doodskleur overtoog haar gelaat; horen en zien vergingen haar; haar voeten wankelden; zij zonk bewusteloos op de grond neer.
Ook Magdalena, Joannes en de anderen waren door droefheid overmand en terwijl zij zich het hoofd omhulden, zonken zij ter aarde. Toen kort daarop werd de Moeder van de Heer door haar nader getreden vriendinnen zo vol liefde en droefheid van de grond weer opgeheven, en ze opende haar ogen en sloeg haar blik omhoog en zag het lichaam van haar Zoon levenloos, dat lichaam dat zij in reinheid van de H. Geest had ontvangen, het gebeente van haar gebeente, het vlees van haar vlees, het hart van haar hart, het heilig Vat dat de H. Geest, haar overschaduwend, in haar schoot gevormd had. Zij zag het beroofd van alle sierlijkheid en gedaante, van zijn allerheiligste ziel gescheiden en overgegeven aan de natuurwetten, die Hijzelf gemaakt had en die de mens door zonde had misbruikt en misvormd. Zij zag zijn lichaam gewond, verscheurd, verbrijzeld en gedood door de handen van degenen aan wie Hij in zijn lichaam de verlossing, de herstelling, de genezing en het leven was komen brengen. Ach! dáár hing Hij vóór haar ogen gekruisigd, uitgestoten als een melaatse, veracht, versmaad, vernietigd, ontledigd, Hij, het Vat van alle schoonheid, waarheid en liefde!
Wie begrijpt deze smart van de Moeder van Jezus? de koningin van alle martelaren? Het licht van de zon was gedurende de aardbeving nog dof en nevelig, de lucht drukkend en zwoel. Later volgde evenwel een aangename koelte. Het ontzielde lichaam van onze Heer aan het kruis was, niettegenstaande zijn verminking, buitengewoon eerbaar en indrukwekkend; de moordenaars echter hingen daar afgrijselijk verwrongen als stuiptrekkende dronkaards. Tenslotte zwegen zij beiden, Dismas bad stil. Het was iets over 15u, wanneer Jezus stierf. Toen de eerste schrik die de aardbeving veroorzaakt had, verminderd was, herkregen meerdere Farizeeën hun driestheid; zij naderden tot de spleet in de rots van de berg en wierpen er stenen in; zij bonden touwen aan elkaar en lieten ze naar beneden om de diepte te peilen, maar omdat zij geen bodem konden vinden, stemde dit hen meer achterdochtig en nadenkend.
Ook kwamen zij onder de indruk van het weeklagen en het kloppen op de borst van het volk dat zijn berouw te kennen gaf; zij reden dan van daar weg. Velen waren innerlijk geheel veranderd en ook het volk trok van angst en schrik terug naar de stad door het dal. Vele mensen uit het volk waren bekeerd. Kassius (= Longinus) bleef met zowat 5 soldaten op de Kalvarieberg binnen de omwalling. De bloedverwanten van Jezus omgaven het kruis en waren er tegenover neergezeten, terwijl zij weeklaagden en treurden. Meerdere H. Vrouwen waren naar de stad teruggekeerd. Het werd hoe langer hoe stiller, doodser en treuriger op de berg. Uit de verte, in het dal en op verwijderde hoogten, vertoonde zich soms hier en daar een leerling, die benauwd en benieuwd in de richting van het kruis staarde, maar zich bij het naderen van mensen, telkens weer terugtrok.