AVOND DOCHTER SLAAPT IK ZIT OP TERRAS [gedicht]
AVOND
DOCHTER SLAAPT
IK ZIT OP BALKON
Avond. Dochter slaapt. Ik zit
op balkon. Fles landwijn staat.
binnen handbereik: vi negre.
In dit Catalaanse zomeren wordt
sinds ooit gestreden om blauwer
blauw. Lucht en zee lijken kalm
in elkaar te vloeien. Schijn slechts:
vlakken en vegen wit contrasteren.
Klaarder dan de grauwe streek
van kunstlicht en randverlichting.
Zomer. Lucht. Blauw. Toch heb
ik het koud soms in dit land
van golvende en rijpe velden
waar oorsprong dichter dan einde
is. Vanuit een andere vallei
klinkt kleurloos een klank
die woord wordt. Woorden
worden helder, zuiverheden
van kristal. Zang. Adem.
Haal altijd gulzig adem,
Sarah. Geloof nooit
wat verklaard wordt.
Doorlopend pompen torens
als fallussen levenskracht
en water. Wat daar beschamend
weggestopt wordt, is hier
godsgeschenk. Een flauwe tik
op een rots vermag veel. Toch
is dit niet het beloofde land.
Het glas wijn ligt goed
in de hand. Misschien
moet ik toch minder drinken.
Sarah, haal altijd gulzig
adem. Wat verklaard wordt
moet je niet geloven. Zoek.
en lees vergeelde boeken,
vooral de nooit-gekraakte.
Op zoek ben ik. Naar wie
ik ben? Waarnaar ik zoek?
Warmte in mijn mond zoek
ik. Geen verkoudheden meer
en slijmen die doorlopend
praten beletten. Geen oostenwind
die verkilt en vingers verkrampt.
Geen gefilterd kraantjeswater
maar bergbronwaters, eerlijker
dan wat open riolen bezoedelt.
Ik kan de slaap weer maar niet
vinden. Het eeuwige draailicht
van de vuurtoren houdt me
in de ban. Roodgekleurd
wordt niet: geen scheepje
uit de branding ligt radeloos
en dof verdrinking te spelen.
Een gewetenloze revolutie
bestaat niet, heeft X ooit
beweerd. En terecht. Woorden
veranderen niemand. Net
als molotovs. Kijk om je,
Sarah, weet: het abc is zin-
loos. Kijk en weet: bij-
geloof verandert. Moordt.
Sarah, waarom nog iets
geloven? Waarom nog zoeken?
Blauwen ik versmelten.
Minder gejaagd begint
mijn hart te slaan. Intenser
onderga ik dagelijkse ervaringen
beleef ik onderhandse sensaties
doorleef ik momentopnames
en verrassende Yashica-snaps.
Smal en steil is de kuststrook,
doorgaand en hemeltergend.
Waar water lucht wordt, is
alles impressie: blauwer
en groen en ontelbaren geel,
rood en hout en peper en zout.
Onrustig slaapt mijn dochter
haar slaap. Geen wind raakt
beschermende naaldbomen aan.
Sterren weerkaatsen golven.
Bevend volgt gammel licht
flauwe bootjes op zoek.
Verroeste sleutels vinden
abrikozen kerkjes op formaat
mogelijk zijn. Kloostergangen
geven rust en dromen. Ze
onthullen een verleden,
vaag en nabij. Deel geworden
ben ik van dit binnenlandschap.
Het zomert in Catalonië. Water
planten mensen verdampen. Hoog-
seizoen en uit nevels stijgen
geuren en kunst op. Stel je voor:
een verkleurde prentkaart.
Een lucht onmogelijk blauw
vol mistigheid en mysterie.
Een gelig kerkje vol adem.
Adem, Sarah, maar hoed je
voor bedrukt papier. Vergeet
nooit: ik lieg, de dichter
liegt bij elke pennetrek.
Dronken spreek ik een nieuwe fles
aan. Bomen zee en lucht onderscheid
ik amper nog. Ver weg gieren banden.
Ik heb gelogen, Sarah, ik
lieg niet: ik verwoord
slechts andere waarheden.
Ik ben thuisgekomen in dit land
van vergeten waterputten. Is dit
verbeelding? Koester ik zon?
Aanbid ik nacht? Of is het de stilte
die ik niet zie en waarvan ik smaak
de geschreven kus die twijfelt
aan oude en vergeten teksten.
Dromen over waarheid doe ik
niet. Dromen zijn niet langer.
Waarheid is. Eénzelvig woord
dat naaktheid verbeeldt, staat
op. Op zich. Duurzaam moet
papier zijn: vrij en open.
Een gedicht, Sarah, heeft
geen contoeren of zwarte lijnen
als stripverhalen. Uit
deint het gedicht. Wat
jij als streling aanvoelt,
is verruiming. Een gedicht,
Sarah, is onvatbaar als
jij?
Mat is de zee geworden.
En egaal. Op oneindig staat
de horizon. Doorheen zwart
kreet een onwillige motor.
De ondraaglijke pijn hoor ik
nog van een geweten overlijden,
plagiaat en de verbannen lach
van een te ver familielid.
Dronkenschap is wonderbaar
sloopt werende grensbakens
en laat demonen uit mijn hart
ontsnappen. Heimwee keert
terug en gedichten vol pijn
en weemoed, wanhoop.
Stom is de nacht geworden
bijna: scheepjes dobberen nog
misschien. Motoren zwijgen.
En voel: ik ween niet meer
achter mijn ongenadige ogen.
Ik ween met tranen. Uit woede
tegen haar wrede god. Denken
doet hij niet. Slechts wegnemen
wat dierbaar is. Zij, wrede god,
zíj hield van jou. Ik kan niet
anders dan wenen en jou haten.
Drank moet niet meer. Nuchter
begin ik te worden. Kan dronken-
schap soberheid zijn? Kan sprake-
loosheid rijkdom brengen? Ademhalen
verruimt. De horizon wordt voorgoed
verlegd. Anders gelegd. De streep
tussen land en lucht, werkelijkheid
en droom, vervaagt. Is niet langer
begrenzing, barrière. Drank moet
niet meer. Nuchter ben ik geworden.
Het draailicht van de vuurtoren lijkt
geen schepen meer te lokken: met sirenen
is ook verbeelding verdwenen. Zwart
is zee geworden. En afwezig plots.
Luister, Sarah, luister. Eindelijk
zal ik mijn waarheid vertellen.
Niet de dichter zal spreken;
wel de vader die diep ergens
in me woekert. En toch, Sarah,
kan ik me de vader niet los
van de dichter voorstellen. Weet:
kind ben ik met jou. Gesprekspartner.
Samen groeien we op. Slechts jou
zal ik nooit zijn kunnen wellicht.
Eén twee drie lichten één
twee tellen zwart. Kleuren doet
de vuurtoren niet meer. Wind
rust. Verdorde takken kraakt
geen voet. Hond noch ruiter
kondigen een laatste oordeel
aan. Geen mogelijke uitweg.
Hoor, Sarah, hoor. Onthoud de woorden
van een oud en geleefd man. Grijs word
ik: allang tel ik niet meer. De slaap
der onschuldigen die jij ondergaat,
is mij ontnomen. Recht van spreken
heb ik. Des te meer. Zalven doen
mijn woorden niet (Dat weet jij maar
al te best.): kwetsend bereiken ze
veel meer. Zelfs moorden kunnen ze.
Ogen en lippen en woorden bepalen
mijn bestaan. Wat ik verzwijg, meen ik
niet. Wat ik hoop, verwerp ik. Wat
ik zie, probeer ik te verwerken.
Wat mij bepaalt, zijn vingers. Letters.
Wat mij beperkt, zijn letters. Vingers.
Woorden. Nog zwijg ik meer dan ik
zeggen wil. Nog bedoelen woorden meer
dan interpreteerbare betekenissen.
Weet je, Sarah, buigen doe, ik soms. Knielen
kan ik niet. Hét woord is mijn enige zekerheid.
De enige dwaasheid zou verloochening
ervan zijn. Saartje, ik smeek je: herroep
nooit wat je woord verkondigt. Geloof
de waarheid niet die omstaanders
domweg uitbraken. Ga alleen maar voort
op ervaren en pijnlijke kaakslagen.
Taal zeg ik en denk: oorsprong,
bestaan en overleving. Want dood
ga ik niet, Sarah, dood ga ik nooit.
Immers: woord taal gedicht ben ik.
[begin zomer 1993 - 18 januari 1995]
-o-o-o-o-o-
Verschijningsdatum: juni 1996.
Uitgiftegegevens: WOUTERS, Rik. "Het woord herhalen" en "Wat stilte genoemd wordt" [dubbeldichtbundel]. Casita de la soledad-stichting, Ruisbroek. 1996.
Extra-gegevens: ik heb het over "Catalonië" gehad. Pas later is het bewustzijn gekomen dat het Catalunya moet zijn. Catalunya is immers slechts tegen zijn zin lid van wat Spanje genoemd wordt, geworden, met alle negatieve politieke, culturele, economische en menselijke gevolgen vandien. Vereenvoudigd kan gesteld worden dat Catalunya 'met mondjesmaat' sinds 1412 en vooral en op absolute wijze sinds 1714 door wat Spanje genoemd wordt, verdrukt en uitgebuit wordt. Vergelijk het maar met Vlaanderen en wat België genoemd wordt;
-Ik ben aan het aan het gedicht beginnen schrijven tijdens een verblijf in Palamós in Baix Empordá in het noordoosten van Catalunya.



