Lebbeekse benamingen voor vrouwen


EEN ACHTERWOURES : een vroedvrouw
NEN ANTEKLAA : een vrouw die niets met rust kan laten - die overal aankomt !!!
EEN APPEGGE : a) begerig, gretig b) kras : d'as nog een appeg vraamens c) bevallig, lief
NEN ARDIE : stoutmoedig, vermetel, koen, een vrijpostig iemand
NEN ARTIST : een fratsenmaakster
EEN BABBELKAAS (EEN BABBELLIT) : een babbelkous
EEN BAGGOYZZE : een opschepster, iemand van laag allooi
EEN BÊNNEGGE : een vinnige, een naarstige, een goeie werkkracht
NEN BETOEPER : een bedriegster
EEN BIESTEGGE : een beestachtige
EEN BLAUR (BLAUREMIE, een ZATTE/ZOTTE BLAUR) : een sloor, een simpel vrouwmens
EEN BLAUS : een vrouw die snoeft of pocht
EEN BOERINNE : 1. Een boerin 2. Smalend voor een vrouw zonder manieren
NEN BLOOZAUT : een blozende vrouw
EEN BLOOZEKRIEKSKEN : een vrouw die bloost als een kriek
EEN BLORREWIEZE : een nonchalante vrouw
EEN BROK : (een felle brok), (een goeie brok) : een tamelijk corpulente vrouw, een volslanke vrouw
EEN CAPAUBELE (E CAPAUBEL VRAAMENS) : een rouw met uitgesproken rondingen
NEN DIEVEL, EEN DIEVELLINNE : een duivelin
EEN AA JOENGE DOCHTER : een ongehuwde vrouw
EEN DOEÏTSKEN : een sukkeltje
EEN DOEZE (EEN DOEZEKEN) : 1. zacht, gewillig, meegaand vrouwmens 2. naief vrouwmens
EEN PROTTE DOEZE - E PROTTE DOEZEKKEN : lief kind, lief meisje
NEN DRAGONDER : 1. grote, zware en heerszuchtige vrouw 2. een vrouw die nooit thuis is, die steeds op de loop is
NEN DROEËM : een droom van een vrouw
NEN EFFENAF : iemand die steeds de indruk geeft hemel en aarde te zullen bewegen
NEN ÊINNEWWOËTN : zonderlinge, rare vrouw
EEN ÊIRRETUTSE (ÊIRRETITSE, ÊIRRETOEITS) : (= hagedis) een vrouw als een slang (e serpent)
NEN ÊITTEFRÊITTER : hardvochtige vrouw
EEN (H)EKS(E) : een heks
NEN ENGEL : een engel
Bron : Heemkring Lebbeke 1 maart 1991 - Dirk De Cock 






























