Een charmante mensenhater

Voor journalist en criticus Max Pamis Willem Frederik Hermans de grootste Nederlandse schrijver van de twintigste eeuw.

W.F. Hermans. Foto ANP
Niet Reve, niet Mulisch, niet Wolkers, nee: Hermans. Pam is met filmer Jan Bosdriesz maker van het tweeluik Een overgevoelige natuur. Hij stapt in de twee films, die elk een uur duren, geregeld het beeld in om over Hermans te vertellen of vragen te stellen over zijn persoon en werk.
W.F. Hermans blijkt een vaak charmante man die het vooral zichzelf moeilijk heeft gemaakt. ,,Hij was nogal ongelukkig,’’ zegt Hermans’ biograaf Willem Otterspeer. ,,Ik ben een verschrikkelijke misantroop. Heel gevaarlijk,’’ zegt de auteur zonder ironie van zichzelf. Een mensenhater, dus. Schrijver Cees Nooteboom laat het woord paranoia vallen. Volgens Rudy Kousbroek oefende hij soms ’een ware terreur’ uit.
De vrienden van de schrijver, vooral mannen van middelbare leeftijd of ouder, zwijmelen als boeken tevoorschijn komen die in Hermans’ doorrookte werkkamer hebben gestaan. Weer hangt even de lucht van Gauloises, de zware Franse sigaretten die Hermans rookte, in de lucht. ,,Ha, heerlijk!’’ roept Max Pam uit.
Uit de film blijkt wat een maniakale archivaris van zijn eigen leven W.F. Hermans is geweest. Alles is goed geordend bewaard, in wijndozen, Omo-dozen, boekendozen. Biograaf Otterspeer ploegde zich door 48 verhuisdozen correspondentie, zo’n tienduizend brieven.
Dat hele archief ligt in het Letterkundig Museum in Den Haag, maar niemand behalve de biograaf mag het inzien. Dat heeft de auteur testamentair bepaald. Ook de af en toe ijdeltuiterig in de lens kijkende Max Pam niet, als hij zijn eigen naam op een archiefmap ontdekt.
Geboren: Amsterdam, 1 september 1921
Overleden: Utrecht, 27 april 1995.
Hermans studeerde fysische geografie en werd in 1958 lector in Groningen. Hij woonde later ook jaren in Parijs en Brussel. Zijn debuut Conserve verscheen in 1947. Daarna romans als De donkere kamer van Damocles (1958), Nooit meer slapen (1966), Onder professoren (1975) en polemische essays in Mandarijnen op zwavelzuur (1963).




















