FILIPPUS EN JAKOBUS
Filippus en Jakobus, apostelen
Filippus en Jakobus treden niet zo vaak op de voorgrond in het evangelie. Over hun leven weten wij ook niet zo veel. Toch mogen we enkele punten aanstippen.
FILIPPUS
Filippus is afkomstig uit Betsaida in Galilea, de stad waar ook Petrus en Andreas geboren werden. Wellicht was hij een leerling van Johannes de Doper en zou hij op die manier met Jezus in contact gekomen zijn, en al vlug ook door Hem geroepen zijn tot apostel. Wanneer na de kruisdood en de verrijzenis de apostelen de ‘Blijde Boodschap’ gaan verkondigen, richt Filippus zijn schreden naar Samaria, waar hij de verrezen Christus predikt en ook zieken geneest. Later zou hij nog naar Griekenland geweest zijn, waar hij in het jaar 80 de marteldood sterft, omgekeerd opgehangen aan een kruis in T-vorm.
Bij Johannes vinden we de belangrijkste tussenkomsten van Filippus. Een eerste keer in de aanloop naar het wonder van de broden en de vissen, het wonder waarin Jezus ons op een profetische wijze, met het oog op zijn lijden en sterven, onderricht over ‘breken en delen’, over ‘gegeven en gebroken worden’.
Toen Jezus om zich heen keek
en zag dat die menigte naar hem toe kwam,
vroeg hij aan Filippus:
‘Waar kunnen we brood kopen
om deze mensen te eten te geven?’
Hij vroeg dat om Filippus op de proef te stellen,
want zelf wist hij al wat hij zou gaan doen.
Filippus antwoordde:
‘Zelfs tweehonderd denarie zou niet voldoende zijn
om iedereen een klein stukje brood te geven.’
(Johannes 6,5-8)
Filippus is hier de apostel, die door Jezus uitgekozen wordt, om het nodige reliëf te geven aan het wonder dat Hij gaat verrichten. Natuurlijk kan Filippus niet vermoeden wat Jezus zal doen, maar net door deze ‘onwetendheid’ komt de draagwijdte van het wonder sterker naar voren. De tussenkomst van Filippus is dus zeker niet zonder belang is, want de diepe inhoud van het wonder kan nu beter beklemtoond worden.
Een tweede keer vinden we Filippus tijdens de toespraak van Jezus bij het Laatste Avondmaal:
Jezus zei:
Als jullie mij kennen
zullen jullie ook mijn Vader kennen,
en vanaf nu kennen jullie hem,
want jullie hebben hem zelf gezien.’
Daarop zei Filippus:
‘Laat ons de Vader zien, Heer, meer verlangen we niet.’
Jezus zei:
‘Ik ben nu al zo lang bij jullie,
en nog ken je me niet, Filippus?
Wie mij gezien heeft, heeft de Vader gezien.
Waarom vraag je dan om de Vader te mogen zien?
(Johannes 14,6-9)
Opnieuw is de tussenkomst van Filippus erg belangrijk. Hij biedt aan Jezus de kans om ons te openbaren: als je wil weten wie of hoe God is, maak dan geen grote theoretische bespiegelingen. Kijk gewoon naar Mij, wie Ik ben, wat Ik doe. Zo ga je leren wie of hoe God is. Want ‘Wie mij gezien heeft, heeft de Vader gezien.’
Tenslotte wordt Filippus ook nog vermeld in de Handelingen van de apostelen, vooral in hoofdstuk 8,26-39. De apostel wordt door een engel van de Heer op weg gestuurd naar Gaza. Hij ontmoet daar een hoge ambtenaar van de koningin van Ethiopië. De man is het boek Jesaja aan het lezen, maar verstaat de tekst niet. Het gaat om enkele verzen uit een lied over de lijdende dienaar van Jahwe:
(Handelingen 8,32-39)
Filippus begint dan een gesprek met die man, en, met deze tekst als uitgangspunt verkondigt hij het evangelie van Jezus. En deze verkondiging is niet zonder gevolg. Ze komen bij een plaats met water, en de ambtenaar vraagt om gedoopt te worden.
Al weten we weinig over Filippus, zijn leven en werk zijn niet zonder belang. Een opsteker is dat voor die vele mensen, die van op de achtergrond hun goede werk voor het Rijk van God in alle stilte en bescheidenheid uitvoeren.
JAKOBUS DE MINDERE
Jakobus wordt de Mindere genoemd, niet omdat hij kleiner of jonger of minderwaardig zou zijn tegenover ‘Jakobus de Meerdere’, maar enkel omdat hij pas later door Jezus geroepen werd. Hij is de zoon van Alfeus, of Kleopas. Zijn moeder, die eveneens de naam Maria droeg, was een zus of dicht familielid van de moeder van Jezus. In het kader van de Joodse traditie wordt hij ook wel de ‘broer’ van Jezus genoemd.
De traditie vertelt ons dat hij naderhand de eerste bisschop van Jeruzalem is geworden. Historici schrijven dat hij in het jaar 62 werd doodgeknuppeld en zo op gruwelijke wijze de marteldood stierf.
Doorgaans wordt hij ook beschouwd als de auteur van de ‘Brief van Jakobus’, waarin hij op radicale wijze opkomt voor de armen en scherpe, harde verwijten richt tot al wie door uitbuiting van de weerlozen zichzelf verrijkt heeft. Een voorbeeldje:
‘En nu iets voor u, rijken!
Weeklaag en jammer om de rampspoed die over u komt.
Uw rijkdom is verrot en uw kleding is door de mot aangevreten.
Uw goud en zilver is verroest,
en die roest zal tegen u getuigen
en als een vuur uw lichaam verteren.
U hebt uw schatkamers gevuld, hoewel de tijd ten einde loopt.
Hoor de klacht van het loon dat u de arbeiders
die uw velden maaiden hebt onthouden.
Het geroep van de maaiers
is tot de Heer van de hemelse machten doorgedrongen.
U hebt op aarde in weelde gebaad en losbandig geleefd,
u hebt uzelf vetgemest voor de slachttijd.
U hebt de rechtvaardige veroordeeld en vermoord,
en hij heeft zich niet tegen u verzet.
(Brief van Jakobus 5,1-6)
Woorden van zo lang geleden, die ook vandaag konden gezegd of geschreven zijn. Ligt daar niet DE opdracht voor de kerk van vandaag: metterdaad tonen dat zij niet de kant kiest van de macht en de machtigen, maar daadwerkelijk aan de zijde van de armen staat?
Broeders en zusters,
het geloof in Jezus Christus, onze glorierijke Heer,
staat niet toe dat u mensen op hun uiterlijk beoordeelt.
Stel dat uw samenkomst wordt bezocht
door iemand die prachtige kleren en gouden ringen draagt,
en tegelijkertijd door een arme in vodden.
Als u dan de eerste met alle zorg omringt en tegen hem zegt:
‘Neemt u plaats, hier zit u goed,’
terwijl u tegen de tweede zegt:
‘Ga daar maar staan,
of ga maar bij mijn voetenbank op de grond zitten,’
maakt u dan geen ongeoorloofd onderscheid
en wordt uw oordeel
niet door verkeerde overwegingen bepaald?
(Brief van Jakobus 2,1-4)












