krult

Zijn neus krult.
Hij heeft plezier.
Dat zijn praatjes.
Dat zijn roddels; dat is niet waar.
Die pijl komt niet uit zijn koker vandaan.
Dat heeft hij niet zelf bedacht.
Zij zijn met stille trom vertrokken.
Ze zijn er stilletjes vandoor gegaan.
Het is schuim van volk.
Het is tuig.





















