broek
Korte metten [wetten] maken.
Iets snel en (hardhandig) afhandelen.
Hij ziet leeuwen op de weg.
Hij probeert zich met een excuus aan het werk te onttrekken.
Het zit daar eivol.
Het zit daar helemaal vol.
Hij heeft veel noten op zijn zang.
Hij stelt heel wat eisen.
Op zijn luimen liggen.
Op de loer liggen.
Iemand achter de broek zitten.
Iemand in de gaten houden opdat hij doet wat hij moet doen.










