Naar de inhoud

Schriek

Geschiedenis – Genealogie – WO 1
akke.beakke.be

Berichten van 1 februari 2026 tot 28 februari 2026

Schriek - Het onderwijs tot 1800

De school van de parochie Sint Jan Baptist.

door René Lambrechts

Oudste vermelding.

-Van 1560 tot 1565 deed Jan Gas (wiens naam aan de grondslag ligt van Grasheide ) dienst als koster en schoolmeester te Schriek, iets wat hij in de jaren 1569 en 1570 ook deed.
-De school wordt op rekening van de kerk, in 1564 voorzien : “zes voeren (=vrachten) leem en vier busselen walm (=stro) om te dekken”. Nog eens in 1569 : honderd en vijftig busselen walmstro tot de school en tot de stal van de school.

-1599 : Marten Verschueren, koster, onderricht ook loffelijk en met vrucht de jeugd.

-1606 : De kerk heeft een school gebouwd, waarin de pastoor woont tijdens zijn residentie, alhoewel hij ’s nachts naar de sacristie trekt.

-1616 : Even vermeld : Hendrik Keinis, koster en schoolmeester.

-Sedert Bamis 1617, meester Jan Serneels koster.

-1623 : Er worden heilighertekens, beeldekens en andere prijzen uitgedeeld aan de jonkheid die de Katechismus bijwoont.

-1635 De school getimmerd op het kerkhof, waartoe 103 busselen schutstro.

-Sedert Lichtmis 1638 is Lodewijk Elen de nieuwe koster en schoolmeester. Benoemd op 8 augustus 1637 op de kondities door de schepenen goedgekeurd. Niettegenstaande de regeerders de pastoor verzochten om hem af te zetten wegens zijn hoge leeftijd (70 jaar) heeft de pastoor hem gehouden tot op zijn sterfdag.

-Uit de rekeningen van de Heilig-Geesttafel of Armenzorg van 1619 is het duidelijk dat het onderwijs voor de armen kosteloos was. Voor hen wiens ouders er wat beter voorkwamen, diende men schoolgeld te betalen.

-In 1617 had de deken er meermaals op aangedrongen dat de koster zijn eed zou doen en als schoolmeester de geloofsbelijdenis afleggen, wat wel bewijst dat beide ambten onder geestelijk toezicht stonden.

-In 1659 wordt door de pastoor Peter Mangelschots (was tevens een belangrijk notaris) aangesteld en gepresenteerd aan de schepenen en kerkmeesters, die zijn keuze bijtreden. Zijn ambt van koster en schoolmeester wordt op Sinksen 1662 voor 12 jaar verlengd onder volgende voorwaarden :
-Meester Mangelschots zal de kosterij bedienen gelijk dat behoort : ’s morgens, op de noen en ’s avonds de beeklok luiden, ook wanneer het tempeest is van donder en bliksem, en tot alle missen, gelijk het geplogen is.
-Ook zal hij gehouden zijn, op zon- en heiligdagen de missen te zingen naar gewoonte, en alle ander missen te dienen of een bekwaam dienaar aan te stellen.
-Nog verplicht de kerk net en schoon te houden, ten minste alle acht dagen eens uit te keren, de altaren te paleren, enz…
-Altijd in het visiteren of communiceren van zieken mee te gaan.
-De school zal hij moeten houden het geheel jaar, en niet alleen leren vlot te lezen en te schrijven, maar ook goede manieren, en van buiten de paternoster, weesgegroet, credo, tien geboden, zeven H.Sacramenten, vijf geboden der H.Kerk, enz…
-Hiervoor zal hij hebben jaarlijks, eerst voor de kosterij zijn gewoon kosterskoren, van een ploeg : een moken, van een paard of half ploeg : een half moken, en van elk ander handwerker een brood van 10 pond of 5 stuivers.
-Nog zal hij hebben jaarlijks uit het inkomen van de kerk 48 gulden, maar zal moeten ophalen het honderdgeld.
-Zal nog genieten uit de H.Geesttafel, voor het stellen van de horloge, jaarlijks 12 gulden ; voor het leren van de arme kinderen, twee veertelen koren ; en van de andere kinderen voor schoolgeld, 2 gulden.
-Hij mag het huis bewonen, gelijk tot nu toe.
-Hij zal vrij wezen van tocht, wacht, impost, en mag zonder lasten een bunder land gebruiken ; de school moet gemaakt en hersteld worden om goed te kunnen leren, en de schepenen staan borg voor het koren of broodgraan.
Over de ontvangsten van andere kerkelijke diensten als jaargetijden of lijkdiensten geen woord. Ook over het onderhoud van de school en de kosterswoning dat door de kerk wordt gedragen wordt niets vermeld.

-1659 reparatie aan de school : 50 gulden

-1698 aankoop van 10 banken : 7 gulden.

-Rond 1698 : Toen Peter Mangelschots oud en ziek was, heeft de pastoor hem een helper plaatsvervanger gegeven, nl. Peter Van Hove, een weesjongen van eerlijke ingezeten ouders. De Heer van het dorp poogde echter vier andere kandidaten hetzelfde ambt te bezorgen, mits het nodige ‘smeergeld’. In 1701 trekken de drie eerste kandidaten hun woord in, en komen twee ingezetenen en een schepen hun handtekening herroepen voor de notaris, als beschonken of gedwongen geweest te zijn.
Na de dood van Peter Mangelschots op 8 januari 1701, wordt op 13 januari Peter Van Hove aangesteld als nieuwe koster en schoolmeester. Op 29 januari schreef de deken, dat geen enkele kandidaat, in strijd met de kerkelijke en burgelijke wetten, koster en schoolmeester mocht worden, alvorens door de deken toegelaten te zijn.

-Vanaf 1693 worden de kinderen van de Catechismus bijzonder bedacht met prijzen, paternosters, boekjes, perkamenten beeldekens ; ook vijgen en rozijnen te half-Vasten en als ze te biechten komen voor Pasen.

-24 oktober 1713 : Ferdinand Van Hove wordt aangesteld als koster en schoolmeester door : de pastoor, de Heer van Schriek en Grootlo, de schepenen en de kerk- en H.Geestmeesters.
De voorwaarden zijn ongeveer dezelfde als in 1662.
-Zo zal hij school houden het geheel jaar of zo lang als tien of twaalf kinderen ter school komen. Zal ook enige kinderen die de beste stemmekens hebben, in de kerk leren zingen.
-Hij zal zoveel half mokens koren hebben als er werkende paarden, jong of oud zijn.
-Voor het stellen van de horloge, twaalf gulden, waarvan het dorp en de H.Geest elk de helft betalen.
-De school zal onderhouden worden half van het dorp en half van de kerk.

-1740 : Na het overlijden van Ferdinand Van Hove (04.10.1740) wordt Jacobus Weyns aangesteld tot de nieuwe koster en schoolmeester. Hij zal 23 januari 1799 overlijden en zonder enige eredienst zal hij begraven worden, omdat de kerken door de Fransen waren gesloten.
Tijdens deze oorlogstijd is het ene zekere Anna Elisabeth Van Calsteren, een godvruchtige vrouw van meer dan 40 jaar, die de kinderen ergens in een schuur, catechismus onderricht gaf.

-11 november 1802 wordt door de maire, de notabelen, de heer Van der Stegen en de pastoor, Guibertus De Meutter gekozen tot nieuwe koster en schoolmeester. Hij was reeds 14 jaar schoolmeester te Heist.

-Na de Franse Revolutie komt onderwijs en armenzorg in handen van de gemeenten, evenals de eigendommen der kerk.

Geschreven door Renic om 00:00 Reageer op dit bericht

Het lager onderwijs in Schriek in de XIX eeuw.

Het lager onderwijs in Schriek in de XIX eeuw.

door Victor De Belser

Transcriptie René Lambrechts

Blz 1.

Een geschiedkundig overzicht maken van het lager onderwijs in uwe gemeente van af 1831 tot op den huidigen dag.

A. Toestand vóór de wet van 1842.

B. a) Inrichting: 1. Stoffelijke (schoolgebouw, bemeubeling), leermiddelen, woning en tuin des onderwijzers).

  2. Opvoedkundige (schoolverordening, programma's, methode, schooltucht, enz.).

  3. Onderwijzend personeel (bekwaamheid, jaarwedde, enz.).

b) Ontwikkeling.

c) Bekomen uitslagen onder de wetten van 1842, 1879, 1884 en 1895.

 

Een terugblik op lang verloopen tijden is altoos leerzaam, want, zoals de dichter zegt:

"In 't verleden ligt het heden,

"In wat is, 't geen worden zal."

 

Wanneer wij dus een honderdtal jaren in de geschiedenis terugkeeren en den toenmaligen toestand van het onderwijs hier te lande vergelijken met den huidigen staat van zaken, dan moeten wij bekennen, dat de negentiende eeuw, onder opzicht van onderwijs, te recht de eeuw van vooruitgang mag genoemd worden.

Wanneer wij terugblikken en eenen oogslag werpen op dit droevig tijdvak der Fransche regeering, kunnen wij ons licht een denkbeeld vormen van den akeligen toestand der Belgische lagere scholen in 't algemeen, maar bijzonder van die op den buiten. Onze voorouders waren diep verdrukt, verarmd en verslaafd. De jongelingen werden, van hun zestiende jaar af, bij het Fransche leger ingelijfd, om Napoleon in zijne roekelooze tochten tegen de verschillende mogendheden te volgen. Er bleef schier niemand bij de ontroostbare vrouwen dan kinderen, kreupelen en ouderlingen. Deze meesten samen vroeg en laat zwoegen om den akker te bezaaien, te beplanten, en vervolgens de zuurgewonnen vruchten te oogsten. De bekommernis, het gebrek en de armoede waren te groot om aan de school, aan de opvoeding en het onderwijs der kinderen te denken. Het stoffelijk welzijn ontbrak en zedelijk welzijn besefte men niet. Van schoolgaan was er in de meeste plattelandsche gemeenten geen spraak, want de ouders rekenden op den geringen onderstand, dien de kinderen, hetzij op het veld, hetzij in 't huishouden, konden bijbrengen. Het was dus niet te verwonderen, dat de zeldzame scholen, die alsdan in de Fransche Noorderprovinciën bestonden, weinig of niet bezocht werden.

Schriek was een van die rare gemeenten, waar er te dien tijde eene school bestond, doch welke school? Den eersten Pluviôse van het jaar Tien der Republiek,

Blz 2.

(22 Januari 1803) schreef de toenmalige Maire der gemeente Schrieck aan den Sous-Préfect van Mechelen: "Il se trouve dans ma commune une maison d'institution; il y avait un bâtiment d'école, mais par le coup du vent il est abattu jusqu'aux fondements; le maire de cette commune a pris en louage une chambre pour laquelle on donne une somme annuelle de 15,19 fr.; le nombre des élèves est de 180." – Den 15 April 1807 schreef dezelfde Maire: "La commune de Schrieck a une école primaire où l'on apprend à lire, à écrire et à chiffrer, tout en langue flamande; les garçons et les filles sont réunis dans une et même école; dans cette école il y a 104 garçons et 85 filles." En den 15ᵉ der maand April schreef hij nogmaals: "L'école est au neuf à l'an 1811, assez commode."

Zelfs werd er in de Schriecksche school althans in de eerste jaren der verloopen eeuw, des zomers klas gegeven, iets wat op meenige plaatsen het geval was. In eenen Staat van inlichtingen over het jaar 1810, vinden wij dat de lagere school van Schrieck des winters gevolgd werd door 160 leerlingen en des zomers door 20. – Doch, volgens eenen idem over het volgende jaar werd de school des winters bijgewoond door 200 leerlingen en, zoo luidde genoemde staat: "En été il n'y a pas d'élèves." De staat, opgemaakt den 5 April 1813, waaruit wij hierboven eenige inlichtingen neerschreven, vermeldde dat 210 kinderen ter schole gingen, doch enkel gedurende vijf wintermaanden.

Zooals blijkt uit hetgeen wij hooger aanhaalden, leerde men hier alsdan enkel een weinig lezen, schrijven en rekenen, en dit alles, ofschoon onder het Fransch bewind, in de Vlaamsche taal. De Maire, die Franschgezind was, (hij was door 't koopen van zwart goed rijk geworden) en de taal onzer zuiderburen tamelijk wel sprak, las en schreef, zou gaarne het onderricht dezer taal in de school hebben zien invoeren, zooals blijkt uit de volgende aanmerking, door hem zelven op eenen der bovengemelde Staten geplaatst: "Le Maire désirerait que l'instituteur actuel fût remplacé par un instituteur en état d'enseigner le français." Doch Vlaamsche onderwijzers, die Fransch kenden, waren er te dien tijde niet te vinden, en onmogelijk dus de Fransche taal in de Schriecksche school te onderwijzen.

De methode, welke er gevolgd werd, was deze, welke men de oude Spelkunst van Kruisken A, B, C noemde. Dit was een klein eerste leesboek. Het begon aldus: † a, b, c...... x, y, z. Dan kwamen eenige verbindingen van klinker, gevolgd door een medeklinker, ook omgekeerd, als spel- en als leesoefening. Daarna stond het Onze Vader met de andere gewone Gebeden." (J. A. Torfs). Zoodra de leerlingen deze Spelkunde op hun duimpken van buiten kenden, en nog wat meer in het spellen en lezen geoefend waren in andere gedrukte boekjes, leerde men hun brieven en oude geschriften lezen. Wie daarbij nog wat rekenen en schrijven kon, stond als een schriftgeleerde te boek.

Blz 3.

Zoo stonden hier de zaken, toen in 1815, korten tijd na het tractaat van het Schoon Verbond, waardoor onze provinciën met die onzer noorderbroeders vereenigd werden, de Schriecksche school, evenals alle Belgische scholen, gesteld werd onder het beheer der Hollandsche onderwijswet van 1806, eene wet, die, zooals M. Cousin zegde, steunde op zeer wijze grondbeginselen, doch welke in België verkeerd toegepast werden.

Het Hollandsch bestuur deed veel voor de zedelijke en verstandelijke verbetering van het volk: Het richtte het lager onderwijs op goeden voet in; het stichtte de Liersche kweekschool, die vooral onderwijzers voor de steden vormde, alsmede in menige stad Koninklijke Lagere Modescholen, waar de kinderen der rijke familiën het onderwijs ontvingen en waar tevens bekwame onderwijzers voor de landelijke gemeenten voorbereid werden. Het Hollandsch Bestuur deed al wat het kon om zijn onderwijsstelsel, zooals lezen zonder spellen en klassikaal onderricht, in al de gemeentescholen van het rijk der Nederlanden in voege te brengen, doch, niettegenstaande dit alles, ging het onder het Hollandsch tijdvak in Schrieck met het onderwijs nog slechter dan in den Franschen tijd. Het Lager onderwijs bestond er maar in schijn; in werkelijkheid was het om zoo te zeggen nul en van geener waarde. De onderwijzers, die meestal geene andere school gevolgd hadden dan de gebrekkige lagere school van hun geboortedorp, waren onbekwaam en bleven, zoo goed mogelijk, de oude methode volgen. Zoo werd in zitting van 25 September 1822 "de provisionele waarneming van de vacerende school (de school was gedurende twee jaar zonder onderwijzer geweest) binnen de gemeente Schrieck opgedragen aan Jozef De Meutter, oud 20 jaren." In het verslag aangaande het Lager Onderwijs in de gemeente Schrieck, dagteekenende van den 19 Juni 1824 werd Jozef De Meutter beoordeeld als volgt: "De plaats van onderwijzer vacant geworden zijnde, is men verplicht geweest, uit gebrek van anderen, eenen jongeling in de school te gelasten met het onderwijs, welke om zoo te zeggen niets en kent." Toen dit verslag verscheen was er reeds zekere Willem Schools, discipel der kweekschool, en die in het vergelijkend exaam den vierden rang van Schoolonderwijzer bekomen had, tot onderwijzer in de gemeenteschool van Schrieck benoemd, doch alzoo hij geene andere manier van onderwijs erkende als de klassikale methode, en dat men nog de schrijftafelen, leesmachienen, enz. niet voltrokken had, kon deze zijn onderricht enkel beginnen op eersten Augustus." Het schijnt dat deze Schools een bekwame onderwijzer was, doch hij onderwees volgens de nieuwe methode, die Hollandsch was, en dit was de groote oorzaak dat het aantal leerlingen alsals verminderde. In 1817 werd de school des winters gevolgd door 115 leerlingen, in 1826 door 82 (in de zomermaanden enkel door 32), in 1828 door 73 en in het begin van het jaar 1830 nog slechts door 30 en des zomers door 9. – Dat het, in dergelijke omstandigheden met Schools, die het in den

Blz 4.

beginne goed meende, niet opperbest bleef gaan, zulks kan men licht begrijpen. Naarmate het getal leerlingen afnam, verzwakte zijn iever; onder klastijd vond hij in de herberg weleens meer verzet dan in zijne school. Tot overmaat van ongeluk verloor Schools ten jare 1828 zijne vrouw, werd toen eene echte herbergpilaar en op het einde veronachtzaamde hij zoozeer zijne plichten, dat de Burgemeester, de vroegere maire, op eenen staat over de sommen, welke aan den dienst van het onderwijs werden besteed in de kolom van aanmerkingen deze nota plaatste: "De onderwijzer verdient van beroofd te worden van alles wat de gemeente hem heeft toegestaan, wanneer hij is in functie getreden, aangezien hij het onderwijs geenszins ter harte neemt, en den eigen functie van koster slechts gedurende de helft van den tijd zich met het onderwijs nuttig maakt".

Geen wonder dus, dat de omwenteling, die in Augustus van het jaar 1830 te Brussel uitbrak, niet alleen in Luik en in andere groote en kleine steden, doch zelfs hier in Schrieck haren weerklank vond. Naar het voorbeeld der Brusselsche opstandelingen, die de huizen der voornaamste Hollandsch-gezinden verwoestten, werd den eersten Zondag van de maand September de woning (het was maar een huizeken, gedeeltelijk in steen en gedeeltelijk in leem) van den Hollandschen onderwijzer des nachts bestormd en zoo beschadigd zoodanig dat men 's anderendaags 's morgens er kon binnentreden zonder deur of venster te openen. Ook voor Schools, die tot groote armoede vervallen was, het geraadzaam aan kosterij en schoolmeesterij vaarwel te zeggen. Het verliet het dorp, twee kinderen achterlatende, nam dienst in het Hollandsch leger, kwam later, – als deserteur, – zoo zeggen de oude lieden van ons dorp, – terug naar Schrieck waar hij van den arme besteed werd, enz. enz..

Zwijgen wij hierover, want meesten wij al neerschrijven wat wij omtrent den ongelukkige vernomen hebben er kwame wellicht geen einde aan de inleiding onzer verhandeling. Zeggen wij liever, om te voldoen aan de ons opgelegde taak, eenige woorden over den toestand van het lager onderwijs in onze gemeente gedurende den tijd van België's onafhankelijk bestaan.

Als schoolmeester werd Schools vervangen door eenen inwoner der gemeente, namelijk Francis Lambrechts, die tevens gemeentesecretaris was, en als koster door Jozef De Meutter, voornoemd, insgelijks hier geboren en verblijvende.

Ter gelegenheid van de benoeming van den nieuwen onderwijzer, werd een inventaris opgemaakt der meubelen in de school aanwezig. Deze waren: 10 lessenaars, 26 inktpotten, 2 rekenborden, 1 leesletterkastje met lettersplanken, 1 hoekkastje, 9 leestafels, 1 el, 8 maten voor droge waren (25 Ned. kop, enz.), 6 maten voor natte waren (dubbel kan, enz.), 8 gewichten (één houd, enz.).

De school bestond te dien tijde maar uit een enkel lokaal, van 7 meters in 't vierkant en eene hoogte van 3,20 m. Zij was voorzien van vier kleine vensters, twee in den voor-, en twee in den achtermuur en van eene smalle deur, welke uitgaf op de straat. Zij was gebouwd zooals wij in onze inleiding lieten verstaan, ten jare 1807 en in 1811 gansch in 't nieuw gezet.

Blz 5.

Daarenboven had zij in de jaren 1825 en 1826 eene groote verandering ondergaan met voorziening van schoolmeubelen. Zij stond op de plaats, waar de kleine klas der Oude Gemeenteschool, die sinds 1894 tot een ander doeleinde gebruikt wordt, zich hedendaags nog bevindt namelijk op een gedeelte van het kerkhof. Nevens en achter de school was de tuin, insgelijks een deel van het kerkhof, van den vroegeren koster-onderwijzer. Op het deel van dien tuin, dat het dichtst bij de kerk gelegen was, en waar thans het lieve huis van onzen tegenwoordigen Koster staat, zag men de vervallen en onbruikbaar gemaakte kosterswoning. Ten jare 1834 werd er tegen den linkerzijgevel van de school een gebouw bijgezet, hebbende eene lengte gelijk aan de zijde der school en eene breedte van slechts 1,70 m. Dit gebouw was door eenen binnenmuur in twee plaatsen gescheiden. De eene, omtrent het derde van het geheel, diende tot prison, de andere was het wachthuis van de nachtwacht. Een breed deurgat stelde het schoollokaal in gemeenschap met dit laatste deel, met het corps de garde, zooals de menschen dat noemden. Langs een klein vensterken in den zijgevel, mocht er een weinig licht binnendringen. 't Was dit corps de garde, dat later, wanneer de schoolbevolking aangroeide, door de minst gevorderde leerlingen – de verschen, zooals men die noemde – ingenomen werd. In dit plaatsken waren in den beginne noch lessenaars, noch andere meubels; banken uit de kerk werden er als zitplaatsen en de binnenzijde der deur als bord gebezigd.

't Is in dit kleine, weinig verlichte en nog minder verluchte schoollokaal met corps de garde, dat de leergierige jeugd opgestapeld bleef tot in het jaar 1847, wanneer de school vergroot werd. Doch loopen wij thans weer niet te spoedig vooruit en keeren wij terug tot onzen secretaris-onderwijzer, Mijnheer Francis Lambrechts.

Deze was benoemd den 17 September 1830, en nauwelijks had de Burgemeester, nog altijds de Oude Maire, in zijn dagblad gelezen, dat het Hollandsch leger Brussel verlaten had en het Voorloopig Bewind 's lands onafhankelijkheid had uitgeroepen, of den Zondag daaropvolgende werd er door hem aan "den staak", de gewone plaats der afkondigingen, na de hoogmis aan de ingezetenen het verheugend nieuws bekend gemaakt, waarop hij volgen liet: "Den tweeden Maandag van October begint opnieuw de school, thans eene Belgische school. De nieuwe meester zal onderwijzen: Vlaamsche taal, lezen, schrijven, rekenen, aardrijkskunde en beginselen der Christelijke leering, en... dit alles – hier verhief hij de stem – volgens de Oude Wijze." De veldwachter, die zich tusschen de toehoorders bevond, werd uitgenodigd het bericht, betrekkelijk de school, verder onder de Schriecksche bevolking te verspreiden. Het gevolg hiervan was, dat den tweeden Maandag van Octobre er zich 204 groote en kleine knapen en meisjes ter schole aanboden, zoodat de onderwijzer, bij gebrek aan plaats, zich verplicht zag de jongsten door te zenden, met verzoek te wachten tot bij zomertijd. Het gebruik van enkel nieuwe leerlingen ter schole aan te nemen met Paschen, dat hier langen tijd in voege bleef en over twee jaren nog gedeeltelijk bestond, vond wellicht zijnen oorsprong in het aangehaalde feit.

Blz 6.

De school begon dus met de kinderen, welke mochten blijven. Letterkast, lettersplankjes, leestafels en al wat Hollandsch hiet, werd zorgvuldig weggestopt. Kruisken A B C, en andere leerboeken van vroeger tijd, zooals het Kabinet door Fleury, de Nieuwe Nederduitsche Spraak- en Spelkunst door W. Van Aerschot, de Reis naar Jerusalem door Van der Linden, het Leven der H. Maagd, de kleine en groote Catechismus, de Gazetten en Vlaamsche plakbilletten, welke laatste bij den Burgemeester-herbergier aan 1 cent het stuk te verkrijgen waren, de Halve Geschrifte, de Gewone Brieven, de Oude Geschriften kwamen opnieuw voor den dag. Men leerde weer lezen door middel van spellen; alles gebeurde weer voor elken leerling afzonderlijk; in één woord, 't was, zooals de Burgemeester afgekondigd had, heel en gansch de Oude Leerwijze uit den Franschen tijd, die in de Belgische school door den Belgischen onderwijzer gevolgd werd.

Meester Lambrechts was een wekelijk mensch; hij kon het schoolhouden niet uitstaan. Gelukkig dat Riksken, zijn broeder, broederlijke liefde genoeg bezat om een deel van den zwaren last op zich te nemen. In eenen Staat over den toestand der gemeenteschool op den 1 Mei 1831 lezen wij: "De jaarwedde des onderwijzers beloopt ter somme van 25 Nederlandsche gulden; genietende daarenboven 25 gulden voor schadeloosstelling van huishuur. Er is geen aangestelde hulponderwijzer, doch om de onpasselijkheid des onderwijzers is hiertoe geduld Lambrechts Henricus, oud twee en twintig jaren, geboortig van Schrieck, broeder des onderwijzers".

Men ziet van hier hoe het ging in de school, waar de gebroeders Lambrechts in dezelfde zaal gelijktijdig werkzaam waren; waar daarenboven de leerlingen aan elkander hunne indrukken over het geleerde mochten mededeelen; waar de meesters zelven voor het rekenen, bij voorbeeld, den raad gaven: "Als gij het niet kunt, vraagt het dan maar aan eene of eenen die het weet". Het was er soms een geroezemoes om er doof van te worden. Tucht heerschte er niet en de vooruitgang was om zoo te zeggen nul. Ook werd de school op 1 Mei 1831 nog slechts gevolgd door 82 leerlingen. De Lambrechtsen waren nochtans van de domsten niet, wel integendeel. Zoo lezen wij nogmaals in eenen Staat, ingezonden den 18 Juli 1831: "De zedelijkheid van den onderwijzer is loffelijk. Zijn ijver, neerstigheid, bekwaamheid en de wijze waarop hij zijn beroep uitoefent, laten niets te wenschen". Doch Susken was ziekelijk en kon dus niet. En Riksken? Hij liet het maar gaan: hij was onderwijzer tegen dank; hij hield enkel school uit genegenheid voor zijnen broeder. Later, onder de wet van '42, toen de stoffelijke toestand der onderwijzers begon te verbeteren, zegde Riksken Lambrechts aan al wie het hooren wilde dat den onderwijzerspost eene van de moeilijkste van alle plaatsen wezende, men de schoolmeesters niet genoeg kon betalen, want, "ik houd staan, voegde hij erbij, dat een man, die vader en moeder vermoord heeft, eene genoegzame straf zoude onderstaan, indien men hem tegen dank schoolmeester maakte".

Blz 7.

Ook was hij zoo blij als een losgelaten gevangene, toen Jozef De Meutter, de koster, die ondertusschen met Adela, de zuster der gebroeders Lambrechts, het huwelijksbootje was ingestapt, toen zijn zwager, zeg ik, zoo goed was hem, te beginnen van October 1832, op te volgen als ondermeester, of liever als plaatsvervangend onderwijzer, want de onderwijzer-titularis was sinds langen tijd niet meer in de school te zien geweest: de brave man leed aan de tering.

Jozef De Meutter, hij, aan wien in het jaar 1822 de provisionele waarneming van de vacerende school was opgedragen, was weerom schoolmeester, doch ditmaal koster-onderwijzer. En toen eenige maanden later zijn zwager het tijdelijke met het eeuwige verwisselde, dacht er misschien niemand aan dat door dit overlijden de plaats van schoolmeester open viel. Althans de koster was en bleef, zonder definitief mandaat gemeenteonderwijzer tot in 1844. 't Was enkel in dit jaar namelijk den 13 December, dat de heer Jozef De Meutter, die, – zoo staat er geboekt in het register van beraadslagingen van den gemeenteraad – niet voorzien was van eene schriftelijke benoeming, met algemeene stemmen tot het ambt van gemeenteonderwijzer alhier aangesteld werd. Een ministerieel besluit in dagteekening van den 14 April 1845, bekrachtigde bovengenoemde beslissing, en machtigde tevens den heer De Meutter met zijne bediening van onderwijzer degene van koster en organist in de parochiale kerk te blijven cumuleeren, hetgeen hij dan ook deed tot in 1867, wanneer hij als onderwijzer gepensioneerd, en als koster-organist opgevolgd werd door zijnen zoon, die hedendaags deze plaats nog bekleedt.

Koster De Meutter – hij was schoolmeester, ja, doch werd door de menschen nooit anders dan koster geheeten; zelfs zijne leerlingen noemden hem in de school eenvoudig weg "Koster".

Koster De Meutter, zeg ik, had noch normale, noch andere bijzondere studiën gedaan. Hij had enkel ter schole gegaan bij zijnen vader zaliger, die in de eerste jaren van het Fransche tijdvak koster en tevens onderwijzer was te Schrieck. Ook liep zijne geleerdheid niet hoog. Doch ten jare 1832 kon er van hem niet meer gezegd worden, zooals in 1824, dat hij een jongeling was die niets en kende. Gedurende twee jaren, dat hij onder het Hollandsch Bestuur in de school werkzaam was geweest, had hij de ondervinding opgedaan, dat hij nog verre van volleerd was, en zulks was de eerste spoorslag geweest, die hem aanzette onverpoosd, zoo goed en zooveel hij kon, aan zijne verdere volmaking te arbeiden. 't Was vooral in de jaren, wanneer hij diende als tafelgast bij den heer van het kasteel, den Graaf Philip van der Stegen de Schrieck, dat hij in zijne vrije stonden zich met de studie onledig hield. Zelfs raapte hij daar wat Fransch op, zoodat, toen hij de plaats van heerenknecht met die van koster ruilde, hij wel geen Fransch kon spreken of schrijven, doch nogal veel verstond wat men hem in die taal zegde. Ook toen hij onderwijzer was, bleef hij voortstudeeren, en – ofschoon hij er nooit toe geraakte, zoo hoorde ik zeggen, stellingen

Blz 8.

met eenen deeler van drij cijfers, te maken, – bracht hij het door zelfstudie zoo ver, dat hij bij de Schrieckenaars van dien tijd en in zonderheid bij de leden van het gemeentebestuur, de Oude Maire er in begrepen, als een tamelijk bekwame en vooral ijverige schoolmeester geboekt stond. Koster De Meutter spande al zijne krachten in om de kinderen zooveel mogelijk naar de school te lokken. Hij ging van huis tot huis om de ouders aan te sporen hunne kinderen, zooniet des zomers, dan toch des winters naar de school te zenden. Zijne school was dan ook weldra opgepropt met groote en kleine leerlingen. Men mag wel zeggen groote leerlingen, vermits er waren die tot hun 18ᵉ jaar ter schole gingen. Men verzekert mij dat te dien tijde bijna geen kind van Schrieck de school verzuimde, doch daarom kwamen zij niet allen bij den koster. Vele jongens en vooral meisjes van de gehuchten Hazenbergen, Grootloo en Pandoerenhoek gingen naar de bijzondere scholen, die ingevolge de "Vrijheid van Onderwijs", tot stand gekomen waren in den Loozenhoek (gehucht van Keerbergen) en te Grasheide (gehucht van Putte). Daar moest men evenwel betalen als te Schrieck, namelijk vier stuivers per maand; ook leerde men er niet beter, misschien slechter, dan bij den koster, doch de ouders zonden er hunne kinderen naartoe, omdat deze daar kosteloos de boeken der school mochten gebruiken en er pennen en papier kregen voor wat houillie en een bundeltje hout, dat de scholieren onderwege in bosschen en struweelen bijeenzochten en mede ter schole namen.

Mijnheer De Meutter volgde dezelfde methode als zijn voorganger. Bij hem spelde men ook: bé-er-o-o-de – brood ; bé-er-o-e-broe-de-é-er-der - broeder - el-i-é-ef-lïef - broederlief - dé-é-de - broederliefde; enz. De leerlingen kwamen, zooals ten tijde van Maria-Theresia, me getwee en gedrijen, ja soms gevieren te gelijk, hunne les opzeggen bij den koster, die in zijnen bureel-lessenaar gezeten bleef. Behalve de boeken, in 't jaar '30 opnieuw in de school gebracht, gebruikten de kinderen handboeken over rekenkunde, namelijk Jan Brunts Eerste beginselen der Rekenkunde door Anslijn.

Zelfs na 1836 onderwees de koster aardrijkskunde, doch dit onderricht bestond enkel in het opzeggen van lessen, door de leerlingen te huis uit een handboekje van buiten geleerd, nog een werkje van Anslijn. Ook werden door Mʳ De Meutter langzamerhand de broeders en zusters van Anslijn's Reken- en Aardrijkskunde aanvaard, zoodat Kruisken A B C en Cⁱᵉ ten jare 1839 voor goed de school verlieten om plaats te maken voor: Nieuw Spel- of Leesboekje, De Brave Hendrik, De Brave Maria, De Arme Jacob en andere school- en leerboeken door N. Anslijn, gedrukt bij D. Mortier en Zoon te Leiden. De jongste leerlingen brachten den onderwijzer weinig last bij, want vele kinderen kenden, vóór zij ter schole gezonden werden, hun kruisken A. B. C en later de eerste leesboekjes van Anslijn, alsmede de getallen van 1 tot 100, ja zelfs tot 1000 reeds van buiten: zulks leerden zij te huis bij hunne oudere broeders of zusters, en bij gebrek aan deze, bij grootere jongens of meisjes uit de buurt. Kwamen er soms verschen, welke nog niets kenden, die, zooals de koster zegde, van toeten noch blazen

Blz 9.

wisten, dan werden deze toevertrouwd aan de verst gevorderde leerlingen en de moniteurs meesten de ongeletterden op de hoogte brengen. Was Koster De Meutter belet naar de school te komen ter oorzake van eene berechting of van eenen dienst in de kerk, dan hielden deze opperleerlingen klas voor al de leerlingen, en zulks gebeurde nog al dikwijls.

Schrijfboeken waren er voor '42 niet in de school. Wel maakten de leerlingen der hoogste klas nog al dikwijls eene bladzijde schoonschrift, doch telkens op afzonderlijke bladen, waarop zij zelve met liniaal en potlood regels meesten trekken om ze vervolgens door middel van in inkt gedoopte ganzenpennen te bekribbelen. Eens het blaadje vol, kwamen de leerlingen hunne calligraphie aan den koster tonen; de zuiverst afgewerkte mochten mede naar huis genomen worden; de andere gingen des zomers de vuilmand en des winters het vuur in. Dicteeren, opstellen, zingen en andere zaken werden voor '42 niet gedaan in de Schriecksche school. In de school van Mr De Meutter heerschte er nog al stilte. Men vreesde den koster, ja, want hij zag er niet op eens de broek der deugnieten te spannen en de bezemroede te gebruiken.

Koster De Meutter kon geene onbeleefde en luie menschen dulden. Ook drukte hij in de school veelvuldig op de beleefdheid en de werkzaamheid; hij leerde zijne scholieren hoe ze zich in alle omstandigheden in tegenwoordigheid van vreemde personen en overheden meesten gedragen, en dan volgde hij, misschien zonder het zelf te weten, de gezamenlijke leerwijze. Hij verraste schier dagelijks de kinderen na de klassen van den vóór- en den namiddag; hij zag ze na in hun spel en verzekerde zich op den hoek van de eene of de andere straat of zij braaf en beleefd waren. Deze handelwijze deed hare uitwerksels gevoelen, niet alleen op de kinderen, maar ook op de groote menschen. Kwam Mijnheer De Meutter 's Zondags eene herberg binnen, iedereen ontdekte zich beleefd; men zegde: "Dag Koster", en overwoog wel de woorden welke men ging uiten om zich niet te misspreken. Een ander feit: "Op zekeren dag, 't was na '42, dat de schoolopziener Mijnheer Proost, te Schrieck een bezoek had gedaan en Mijnheer De Meutter hem enige stappen uitgeleide deed, kwamen zij eenen werkman tegen, die met eenen kruiwagen huiswaarts keerde. De arme man zette op drie stappen afstand zijnen kruiwagen neder, ten einde den Schoolopziener, dien hij niet kende, en den koster met eerbied te kunnen groeten. Mijnheer Proost kon niet nalaten den onderwijzer hierover geluk te wenschen, zeggende : "Ik bewonder uw gezag. Voor u, ik weet het, is het de schoonste voldoening, de grootste belooning!"

De heer Jozef De Meutter trok van het eerste jaar af als jaarwedde van de gemeente eene toelage van 52,90 fr. Buiten het gebruik van den schooltuin genoot hij daarenboven wegens schadeloosstelling voor huurhuur eene evenzoo hooge jaarlijksche somme; zijne woning stond nochtans op gemeentegoed, doch in den Zomer van 1832, toen hij nog enkel de bediening van Koster waarnam, had Mijnheer De Meutter, op eigen kosten,

Blz 10.

het vervallen huizeken in 1830 door den ongelukkigen Schools verlaten, in steen opgetrokken, zoodat deze woning aanzien werd als het eigendom van den koster en niet als onderwijzerswoning.

Bij koninklijk besluit gegeven te Parijs, den 2 Juli 1836, werd er van af 1 Juli van dat jaar op de fondsen van het Departement van Binnenlandsche Zaken eene subsidie van 100 fr. toegestaan aan den onderwijzer van Schrieck, zoodat tot in 1842 de onderwijzerspost aan den heer De Meutter rond de zes honderd vijftig frank 's jaars opbracht, daarin begrepen de schoolgelden der betalende leerlingen. Het ambt van koster-organist verzekerde hem eene bijwinst, of liever eene hoofdwinst van omtrent 900 fr. Voeg daarbij nog dat hij insgelijks aangesteld was als luider der politieklokken, opwinder der gemeentehorloge en dat hij in zijne hoedanigheid van koster jaarlijks van elk Schriecksch huisgezin eenen goeden nieuwjaar kreeg: de handwerkers gaven eenen halven frank per huishouden, de landbouwers met een paard een half meuken en de boeren met twee paarden een heel meuken graan. Dit was de algemeene regel. Ook zou te dien tijde niemand, uit vrees van de straffen des Hemels op zich te trekken, den koster zonder iets hebben durven doorzenden, wanneer hij met zijnen werkman rondging om de nieuwjaarsgeschenken in te zamelen.

Wat is zulks tegenwoordig alles veranderd! Met Witten Donderdag en Goeden Vrijdag ging daarenboven de koster, weerom vergezeld van zijnen werkman, rond om Paascheieren. Als men dan nog weet, dat vele lieden, wanneer het vette zwijn geslacht werd, een lekker beetje bij Mijnheer Pastoor en dus heel natuurlijk ook bij den koster droegen, dan kan men begrijpen dat, onder stoffelijk oogpunt, de heer Jozef De Meutter geenszins te klagen, althans daartoe veel minder reden had dan menigen van hen die hedendaags met het onderricht en de opvoeding van het opkomend geslacht belast zijn.

Nog eenige bijzonderheden over het tijdperk 1831 - 1842. Kapstokken waren er niet in de school. Naar het voorbeeld van den meester hielden de kinderen onder klastijd klak of muts op het hoofd. Stoof of kachel was er ook niet. Des winters werd er nochtans vuur gemaakt in eenen open haard, doch enkel op die dagen, dat de scholieren brandstoffen meebrachten.

De eerste som gelds na 1831 besteed tot verbetering van het schoolgebouw, beliep 70 fr. En waartoe werd die som gebruikt? Wel, tot het maken en hangen van slagvensters om de zon uit de school te houden. Op Zon-, Feest- en andere verlofdagen, alsmede gedurende gansch den tijd der vacantiën bleven deze vensterluiken gesloten. Gedurende de groote vacantie diende het schoollokaal tot bergplaats van aardappelen en andere veldvruchten.

In 1841 werd het schoollokaal voor de eerste maal gewasschen en gewit.

Er was geene speelplaats. Vóór de klassen en binnen den tijd der uitspanning speelden de leerlingen op de straat. Waterplaatsen waren er niet; bij gebrek aan deze, werd daartoe verkozen den zijgevel van het corps-de-garde, alsmede den leemen muur eener nabijstaande schuur. Tegen de woning van den koster stond een enkel gemak, doch 't was er een met twee brilgaten. Dit stond ten dienste der mannelijke en vrouwelijke scholieren.

't Zag er lief uit, in dien tijd, niet waar?

Hiermede sluiten wij het overzicht van den toestand van het onderwijs in onze gemeente gedurende het eerste elfjarig tijdperk van België's eigen bestaan.

Blz 11.

Als wij nagaan hoe b.v. de kinderen te dien tijde tot het lezen voorbereid werden en deze gebrekkige spel- en verdere methoden vergelijken met de leerwijzen, thans hier in de scholen gevolgd; als wij daarbij overwegen dat er 1842 slechts 28 kinderen gratis ter schole mochten gaan en dat tegenwoordig onderwijs en schoolgerief gansch kosteloos verschaft wordt aan al de scholieren, zoowel aan de kinderen der begoede familiën als aan die der behoeftige ouders; als wij verder inzien dat, in plaats van een enkel lokaal, dat onder alle opzichten gebrekkig was, met eenen enkelen onderwijzer, zooals 't vóór 1842 bestond, Schrieck thans niet alleen eene gemeenteschool, maar ook eene aangenomen meisjesschool bezit, bij welke eene gesubsidieerde bewaarschool gehecht is, dus drie scholen welke onder opzicht van gebouw, meubelen en leermiddelen, weinig of niets te wenschen laten, en waar in de eerste twee onderwijzers (met October aanstaande drij), in de twee drie onderwijzeressen en in de derde twee meesteressen in afzonderlijke lokalen werkzaam zijn; als wij ten slotte nagaan dat het budget van onderwijs, dat in '42 slechts 105,50 fr. bedroeg, thans geklommen is tot 7025 fr., dan moeten wij luidop verklaren dat de vooruitgang op onderwijsgebied gedurende de negentiende eeuw hier in Schrieck enkel waar te nemen was na het in voege treden der wet van 23 September 1842, zooals wij verder zien zullen.

De lezer herzie wat wij in vorige regels zegden over lokaal, meubelen en leermiddelen, en dan herkent hij de gemengde gemeenteschool van Schrieck, waar de hoofd- en hulponderwijzer werkzaam waren van 1842 tot 1847. 't Is in dit laatste jaar dat er aan de school eene merkelijke verandering werd toegebracht. De muur tusschen het eigenlijke schoollokaal en het zoogenaamde corps de garde met prison werd afgebroken en deze drij plaatsen tot eene enkele gemaakt. De muren en de plafonneering werden insgelijks 0,80 m. verhoogd, zoodat dit lokaal toen eene lengte had van 9 m., eene breedte van 7 m. en eene hoogte van 4 m. De vier vensterkens met kleine glazen werden vervangen door zes breede en hooge ramen met groote ruiten, en de smalle waaierlooze deur door eene breedere met glazen waaier. In den linkerzijgevel werden daarenboven nog drij vensters aangebracht, twee smalle en eene breede in vervanging van het lichtgaatje van het afgeschafte wachthuis der nachtwacht. Wat meer is, tegen den rechterzijgevel werd eene tweede klas gebouwd in alles gelijk aan de eerste. Twee groote dubbele glazen deuren in den binnenmuur (den vroegeren zijgevel) stelden en stellen thans nog beide klassen in gemeenschap. In 't midden van dien wand bevond zich de kachel, in 1845 aangekocht, die de twee lokalen te gelijker tijd zou verwarmen. De ingangdeuren bleven nog in den voormuur tot in het jaar, dat de nieuwe klas nogmaals 4,20 m. verlengd werd. Dit gebeurde in 1854. In den Zomer van genoemd jaar werd op het middendeel van het schoolgebouw een verdiep geplaatst, bestemd tot zittingzaal der leden van den gemeenteraad. Na lang zoeken kwam men op het denkbeeld den ingang tot het gemeentehuis langs den achterkant te maken,

wordt vervolgd

Geschreven door Renic om 00:00 Reageer op dit bericht

Het lager onderwijs in Schriek in de XIX eeuw. (2)

Het lager onderwijs in Schriek in de XIX eeuw.

door Victor De Belser

Transcriptie René Lambrechts

Blz 12.

en, daar de ledige plaats achter de school gelegen toen niet meer als tuin kon benuttigd worden, maakte men van deze gelegenheid gebruik om de deuren langs de straat door vensters te vervangen en in ingang der schoollokalen insgelijks in den achtermuur te brengen. Door dit feit werd de vroegere tuin in speelplaats herschapen, doch deze had slechts eene oppervlakte van 136 m² en was enkel om eene haag gescheiden van het kerkhof en van het straatje langs henen de school. Twee jaar later werd deze haag door eenen steenen muur vervangen; tevens werden alsdan in den eenen hoek der koer drij gemakken gemaakt voor de meisjes en in den tegenovergestelden hoek insgelijks drij voor de jongens. Daarenboven hing men tegen den muur langshenen het kerkhof eenen smallen, met zink beslagen bak, van omtrent 3 m lang; deze moest dienen als waterplaats, natuurlijk enkel ten dienste der jongens. Dit allen kostte aan de gemeente 350 fr. 't Is slechts ten jaare 1874 dat deze afhellende goot door houten planken in 5 afzonderlijke vakken gescheiden werd, op welke afsluitsels men het volgende jaar een pannen dak te zien kreeg. 't Was ook in dit laatste jaar dat de school voorzien werd van een verlichtingsstelsel dat 350,92 fr. aan onkosten bedroeg.

In 1877 werd eene meisjesschool met woning voor de onderwijzeres gebouwd, waarvan de aannemingsprijs 32850 fr. beliep; 't was eene echte modelschool, bestaande uit twee klassen, ieder van 8 m lang, 5 m breed en 4,5 m. hoog, hebbende een speelhof van 26 m. x 20 m. met overdekte gaanderij van 3 m. breedte, en bezittende daarenboven aan den achterkant der koer eene gymnastiekzaal van 8 m. x 5 m., waarin bij gebrek aan toestellen, nooit lichaamsoefeningen uitgevoerd zijn geworden. Deze school werd het volgende jaar voorzien van meubelen en leermiddelen, zoodat van 1 Januari 1879 de geslachten gescheiden werden en Schrieck twee gemeentescholen bezat, eene waar enkel meisjes en eene waar enkel jongens aanvaard werden, welke laatste school in de oude lokalen ingericht bleef. 't Is deze meisjesschool, die in het jaar 1884, ten gevolge van het op wachtgeld stellen der onderwijzeres, verlaten, maar tien jaar later opnieuw betrokken werd, doch ditmaal door de jongens, welke er thans nog gaan.

In 't voorbijgaan zij gezegd dat van 1873 tot 1879 het onderricht in naai- en handwerk in de gemengde gemeenteschool gegeven werd door Amelia Op de Beeck, oudste zuster van den tegenwoordigen hoofdonderwijzer. Deze genoot daarvoor eene jaarlijksche wedde van 125 fr.

De school, waar thans de meisjes het onderwijs ontvangen, dagteekent van het jaar 1880. Onder de schoolwet van 1879 was zij eene vrije school, doch werd bij beraadslaging van den 6 October 1884 door het gemeentebestuur zonder voorbehoud aangenomen met twee klassen en in Maart 1899 nog eens aangenomen met drie klassen.

De lokalen, waar de kinderen van beide geslachten, van 3 tot 6 jaar oud, bewaard

Blz 13.

worden en ook wat onderricht ontvangen werden gesticht in 1883 en verleden jaar derwijze ingericht, dat deze vrije kindertuin thans eene toelage van den Staat geniet.

Keeren wij nog eens eventjes terug tot de Oude Gemeenteschool.

Na de vergrooting der school in 1847, werd natuurlijk de nieuwe klas voorzien van een voldoende aantal nieuwe lessenaars, alsmede van een dubbel bord met raam; ook kwamen er nu kapstokken. Er werden toen ook aangekocht: twee kruisbeelden, een O. L. V. beeld, een beeld van St Jozef, platen van gewijde geschiedenis, de verzameling gekleurde bladen voor het aanschouwingsonderricht, uitgegeven door Schreiber in Stuttgart, eene wandkaart van België en eene verzameling gewichten. De oude inhoudsmaten bleven, doch kregen van toen af de hedendaagsche benamingen. Het volgende jaar werd de school verrijkt met eene kaart der provincie Antwerpen en weerom het volgende jaar met eene van Europa. Eene telraam en een houten meter deden hunne intrede in de school ten jaare 1855, en toen in 1857 de slagvensters van 't jaar 1837 versleten waren, werden deze, alsook degene, welke aan de nieuwe klas gehangen waren afgehaakt en vervangen door rolgordijnen. In 1860 kwam in de groote klas een bord bij, dat men kon verdragen, een ezelsbord zoals wij dit in onzen tijd noemen, en 't volgende jaar in de kleine klas een dubbel bord met raam. Eene weegschaal maakte sinds 1869 het gebruik der gewichten mogelijk. Eene wereldkaart en eene verzameling meetkundige vormen, bekwam de onderwijzer in 1875. Na dit jaar moest hij de niet-gebezigde boeken ook niet meer in eenen hoek der school opstapelen, want 't was insgelijks in 1875 dat er in elke klas eene groote, schoone boekenkast, met glazen deur geplaatst werd. Al het overige, wat er ooit in de oude school te zien was, namelijk een rond uurwerk, Bopp's kleine physikalischer apparat für volksschulen, Bopp's wandtafelen für Physik, een Barometer, een Thermometer, 52 teekenplaten Licot, 26 muurplaten van Natuurlijke historie door Deyrolle, 50 platen "Enseignement par les yeux" door Hachette en Cie, 14 platen van Vaderlandsche geschiedenis door Gérard, de portretten van Koning en Koningin, een wereldbol, eene landmetersketting; dit alles, zeggen wij, werd aangekocht ten jaare 1880 en betaald met het overschot der gelden bestemd voor de bemeubeling der gemeentemeisjesschool.

Wij vergissen ons, de portretten werden slechts aangekocht in 1884 en in de groote klas opgehangen; de landmetersketting en de platen Gérard werden benevens vier landkaarten (prov. Antwerpen, België, Europa en Palestina), eenen meter, eenen vierkanten meter, de verzameling inhoudsmaten, vier ramen voor programma's en tafels van werkzaamheden en twee portretten onzer vorsten (voor de kleine klas), met toestemming van het Gemeentebestuur

Blz 14.

uit de ledigstaande meisjesschool in de Oude school overgebracht ten jaare 1892.

Ingevolge eene beraadslaging van den Gemeenteraad, dagteekenende 19 Februari 1885, was binst de Paaschvacantie van dat jaar uit de ongebruikte klassen door de Zusters-onderwijzeressen reeds het volgende weggenomen en in de aangenomen school geplaatst: 24 lessenaars met twee zitplaatsen, twee staande borden, een wereldbol, twee pendules, 35 prenten der gewijde geschiedenis, twee leunstoelen en eene telraam. Al deze klasvoorwerpen bleven en zijn daar nog, en toen in de maand Mei van het jaar 1894 de gemeenteonderwijzers met hunne leerlingen de nieuwe school betrokken, namen zij uit de Oude lokalen mede al wat nog eenigszins dienen kon, en zoo komt het dat men thans zoowel in de meisjes- als in de jongensschool meubelen van het oude en nieuwe model aantreft en dat in elke school de wanden der klassen versierd zijn met allerhande kaarten, platen en andere leermiddelen.

Van in 1848 werd er jaarlijks op de begrooting eene voldoende som uitgetrokken tot onderhoud der school. Dit krediet werd telken jaare benuttigd, ja nog al eens overschreden, want dit strekt het Gemeentebestuur tot eer; op tijd werden aan de school de nodige verbeteringen gedaan, binst iedere vacantie de lokalen gewasschen en gewit en meermaals binnen en buiten eens opgeverfd. Hetzelfde mag gezegd worden over de meubelen: wij vonden veelvuldig in de gemeenterekeningen, dat oude lessenaars hersteld, nieuwe aangebracht waren, enz.; over twee jaar nog werden de twee groote zoogenaamde gezondheidskachels, die veel steenkolen verslonden maar weinig warmte afgaven, vervangen door exemplaren "Le vrai Belge" met vuurvaste steenen; op het einde van verleden jaar kregen wij in elke klas een splinter nieuw draaibord in de plaats van de twee staande borden, thans in de aangenomen school te huis, en dit jaar bekwamen wij weeral nieuwe stores. Te beginnen van 1847 genoot de onderwijzer eene vergoeding voor verwarming der schoollokalen; deze steeg ten jaare 1871 van 30 fr.tot 40 fr. en werd voor 1874 en volgende jaren op 112 fr. gebracht; in 1884 daalde zij tot 75 fr., doch toen in 1894 de school overgebracht werd naar de ledigstaande meisjesschool, waar twee vuren te onderhouden waren, steeg deze som opnieuw tot 125 fr., en, ingezien de aanhoudende duurte der steenkolen, is de schadeloosstelling voor verwarming der schoollokalen voor het loopende jaar gebracht op 185 fr. 't Is enkel na 1876 dat de hoofdonderwijzer betaald werd voor het reinigen der school en schoolmeubelen; deze toelage beliep telken jaare 72 fr. tot in 1884 (toen alles verminderde, en sinds dien bedraagt zij nog 40 fr. (dat is te weinig, niet waar?).

Tot in 1874 bestond er geene onderwijzerswoning. Vóór dit jaar genoot de hoofdonderwijzer eene schadeloosstelling voor huurhuur, die, zooals wij vroeger aanhaalden, in 1831 en volgende jaren 52,90 fr. bedroeg, doch in 1847 gebracht werd op 75 fr., in 1858 op 80 fr. en in 1869 op 100 fr. In zijne hoedanigheid van gemeenteonderwijzer gebruikte Koster De Meutter den tuin nevens en achter de school, en toen de school

Blz 15.

vergroot werd en de speelplaats tot stand kwam, kreeg hij als vergoeding voor het verlies, dat hij daardoor kwam te ondergaan, 9 aren gemeenteland kosteloos in gebruik. Dit stukje grond werd door zijnen opvolger verhuurd tot in 1874, toen de onderwijzer in genot trad der in het vorige jaar gebouwde woning, met eenen aanpalenden tuin van 20 aren oppervlakte. Deze woning met hof is thans verhuurd aan eenen jaarlijkschen prijs van 125 fr.

De woning, waar vroeger de gemeenteonderwijzer ed en hedendaags de ondergeteekende hoofdonderwijzer gehuisvest is, is voldoende; de tuin beslaat eene oppervlakte van 21,40 aren.

Het eerste schoolreglement, een beknopt maar kernig stuk, bestaande uit 16 art., werd op voorstel van den heer C. Verdeyen, provincialen opziener, aangenomen in de zitting van den gemeenteraad, den 23 Mei 1845, en door de Bestendige Deputatie van den provincialen raad goedgekeurd den 20 Juni van hetzelfde jaar. Uit dit stuk deelen wij hieronder eenige schikkingen mede, daar zij nog al verschilden van de tegenwoordige verordening:

Art. 3. De schoolgelden zijn bepaald op 0,50 fr. ter maand, voor alle betalende leerlingen, zonder onderscheid. De schoolmaand, die begonnen is, moet ten volle betaald worden.

Art. 4. De schoolgelden worden bij de maand en vooruit betaald, in handen van den onderwijzer, tegen kwitantie.

Art. 7. De leerlingen zullen zich in de school bevinden, ten minste 10 minuten voor het begin der lessen; na het verloop van dien tijd, kunnen zij gestraft worden, volgens de bepalingen van Art. 10 van het tegenwoordig reglement; zelfs de toegang der school mag hun volgens de omstandigheden geweigerd worden.

Art. 9. De vacantien zijn vastgesteld als volgt :

1-Van Witten Donderdag tot Woensdag na Paschen ingesloten;

2-Van den 8en September tot den 1en October.

Art. 10. De geoorloofde straffen zijn de volgende:

1-Bijzondere vermaning.

2-Het doen rechtstaan in eenen hoek der school.

3-De gedeeltelijke of geheele beroving der speeluren zonder of met buitengewone taak (te schrijven of van buiten te leeren).

4-Het wegzenden uit de school, gedurende den schooltijd, insgelijks zonder of met buitengewone taak.

5-De tijdelijke uitsluiting voor eenen termijn van ten hoogste vijftien dagen.

6-De uitsluiting uit de school voor altijd.

De hoofdonderwijzer beslist wanneer eene der vijf eerste soorten van straffen moet opgelegd worden.

Blz 16.

Dezelfde hoofdonderwijzer doet uitspraak over de definitieve of eindelijke uitsluiting, zoo nogtans, dat hij den kantonalen schoolopziener aanstonds zal moeten schriftelijk bericht geven van de beweegredenen diens maatregels."

't Was enkel in zitting van 10 Aug. 1869 dat, bij afwijking van Art. 3 van bovengenoemd reglement, de gemeenteraad het schoolgeld der betalende leerlingen verhoogde tot 0,70 fr. 't Was ook te beginnen van 1874 dat de Paaschvacantie verlengd werd tot 's Maandags na Beloken Paschen en dat de Zomerrusttijd de gansche maand September mocht duren. Verders bleven de andere bepalingen in voege tot October 1879, toen het Algemeen Schoolreglement, door Koninklijk besluit in dato 16 Aug. 1879 voorgeschreven, hier in de gemeentescholen van toepassing werd. Het houden van een klasboek, iets dat den onderwijzers in den beginne wat tegen het hoofd sprong, omdat zij er het groote nut niet ten volle van beseften, was eene nieuwigheid, door deze verordening gehuldigd. Dit laatste reglement bleef in voege tot na den val der wet van 1879 of liever tot in 1888, want 't was enkel in zitting van 31 Mei van dat jaar, dat de gemeenteraad, mits bijvoeging van eenige verlofdagen, voor de gemeente- en aangenomen scholen de model-verordening aannam, door het Staatsbestuur, ingevolge de wet van 20 September 1884, uitgegeven. Deze werd op hare beurt in zitting van den 23 December 1897 vervangen door de hedendaagsche, weinig of niet verschillend van de vorige.

Onder de wet van '42 bestond er hier geen door het gemeentebestuur vastgesteld omstandig programma in de school; dat van het aannemingsexamen ter normaalschool diende den onderwijzers tot leiddraad. Behalve de verplichtende vakken van Art. 6 dier wet (godsdienst, lezen, schrijven, wettig stelsel van maten en gewichten, beginselen van rekenen, vlaamsche taal) onderwees men alsdan ook Geschiedenis van België, Aardrijkskunde en sommige onderwijzers, die muzikant waren, voegden daar nog den zang bij. Ingevolge de wet van 1 Juli 1879 werden, behalve de Godsdienst, de bovengenoemde vakken allen verplichtend, en daarbij nog Teekenen, Natuurkunde en Gymnastiek. Zij werden dan ook allen, de Godsdienst inbegrepen, met het begin van het schooljaar 1880-1881 onderwezen volgens het omstandig programma bij ministerieel besluit van 20 Juli 1880 voorgeschreven. Na de afkondiging der onderwijswet van 1884 kwam er weeral verandering. Bij hoogergemelde leervakken kwam zich nog landbouwkunde voegen en dit alles werd onderworpen volgens het modelprogramma, door het Staatsbestuur opgemaakt en den 31 Mei 1888 door het gemeentebestuur van Schrieck in zijne scholen uitvoerbaar verklaard. Het programma, hedendaags in onze gemeenteschool gevolgd, werd aldus vastgesteld in zitting van 23 December 1897. Het is enkel, mits weglating van het niet verplichtend vak "Bijhoorige taal" de herhaling van het voorbeeld-programma, gehecht aan het ministerieel besluit van 1 Mei 1897, en boven de reeds aangehaalde leervakken vermeldt het dus insgelijks de beginselen van Gezondheidsleer.

Blz 17.

De Fransche taal werd hier nooit als verplichtend vak in het programma geschreven, doch niettemin van af October 1842 tot op den dag van heden zonder onderbreking onderwezen in eenen bijzonderen leergang, buiten de gewone klasuren gegeven.

Om het overzicht der opvoedkundige inrichting van het Lager onderwijs in de gemeente Schrieck te volledigen, zouden wij nog moeten spreken over methode, schooltucht, enz. Doch, wanneer wij straks over "Onderwijzers" handelen, zullen wij wellicht gelegenheid vinden om een woordje te reppen over tucht en verdere zaken. Daarenboven, onze verhandeling werd een lijvig boekdeel, indien wij voor elk leervak de verschillige methoden, welke tot op onze dagen in de Schriecksche gemeente- aangenomen en bewaarscholen gevolgd werden, breedvoerig moesten uiteenzetten, en daartoe ontbreekt ons heden den tijd. Stippen wij dus enkel het volgende aan:

1-Het afzonderlijke onderricht werd totaal verlaten ten jare 1847 en vervangen door de gezamentlijke leerwijze.

2-De spelmethode, die de heer Joseph De Meutter vóór 1842 volgde, bleef in voege tot in 1854. Na dit jaar leerde men den kinderen nog wel lezen door spellen, dan alsdan noemde men de letters niet meer zooals voorheen; bij het uitspreken voegde men achter de medeklinkers enkel eene stomme e; men scheidde de lange klinkers en tweeklanken ook niet meer in twee en legde b.v.: be, re-oo-de-brood en eenige jaren later bre-oo-de-brood. Van af 1844 tot in 1864 werd in de lage klas gebruik gemaakt van de leestafels Prinsen, Pieters en De Coster, alsmede van de leesmachine en van de letterplanken. 't Was van af dit laatste jaar dat de "Samenstellender wijze lezen volgens Leesonderricht De Coster" gevolgd werd. Een nieuwe ondermeester bracht ten jare 1879 de klankmethode bij het lezen-leeren in de school, doch deed nog samenstellen. De laatste methode werd door zijnen opvolger vervangen door de vroeger gevolgde Samenstellende wijze, doch weenom opnieuw ingevoerd door den tegenwoordigen hulponderwijzer, maar ditmaal zonder spellen of samenstellen; al de letters van een woord worden thans achter elkander genoemd, zooals ze bij het spreken gehoord worden en het woord is gelezen.

3-Vóór 1855 leerde de onderwijzer den kinderen het cijfer alvorens het begrip te stichten der hoeveelheid, door het in cijfer uitgedrukte getal voorgesteld. Ook bestond het rekenenin de lagere klas alsdan bijna enkel in geheugenoefening, doch dit alles verbeterde toen de school vvoorzien werd van eene telraam.

4-Van October 1851 was het gedaan met op losse bladen papier te schrijven; de kinderen kregen schrijfboeken en pennenstokken met stalen pennen; de tijd der ganzenpennen was voor goed uit, en ofschoon de schrijfboeken uit ongeregelde bladen papier waren samengenaaid moesten de leerlingen niet meer lijnen trekken : transparanten werden benuttigd bij het geschrift Poffé want 't was de schrijfmethode Poffé, die ingevoerd was.

Blz 18.

Deze methode bleef den schepter zwaaien tot zij zoorond het jaar 1860, toen de methode Callewaert onttroond werd. Een jaar later maakte deze laatste leergang insgelijks plaats voor het Werchters loopend schrift door Bols, doch werd opnieuw onderwezen in de jaren 1885 tot 1894, toen het nogmaals de plaats moest ruimen voor het geschrift Bols dat in 't begin van het schooljaar 1897-98 ook weer vervangen werd door "La Coulée" par un profeseur d'Ecole normale. Dit "La Coulée" is met eenige kleine wijzigingen het Werchters geschrift.

5-Andere werkzaamheden dan oefeningen van schoonschrift heb ik, de hoofdonderwijzer noch allen voor mij, noch velen na mij, in de school van ons dorp nooit in een schrijfboek noch op papier gemaakt. Het werkcahier en het takencahier kwamen eerst in mode ten jare 1885. Vroeger geschiedde al de zaken op de lei.

6-Zooals overal verdrongen de nieuw verschenen lees- en leerboeken de andere van dagen. Zoo verschenen hier onder de verschillende onderwijswetten achtervolgens in de gemeenteschool gebruikt:

A. Lezen: Lagere klas: De drij leesboekjes voor de scholen, uitgegeven door Van Rompaey te Lier - De vijf eerste leesboeken van Pieters – Leesboek Troch I, 1e en 2e afdeeling – Leesonderricht in kinderlust van Minnaert en Vilders met Taalsleutel , J.R. Torfs – Het leerenleezen bij vergelijking door De Backer en De Coene met de Dieren de Planten en de Delfstoffen door Jacobs; – Hoogere klassen – Leesboeken Pieters, – Het mengelwerksken door Wolf – De kinder kleine Vertellingen door Schmid – De Vriend der Scholieren, te Gent bij Gijselinck – De Kindervriend van Alph. Le Roy,– Leesboek P. Troch II en III – Leesboek Genonceaux 2e en 3e Deel.

B. Rekenen: De boekjes van Pieters; Kleyer, Roevens, Henry en Defour en Sels en Maes.

C. Godsdienst: De verschillige catechismussen uitgegeven door het Aartsbisdom – Gewijde geschiedenis uit het Oude Testament en Verhalen uit het Nieuw Testament te Turnhout bij Glemsson – Oud- en Nieuw Testament door Heyderscheid – De kleine Schriftuur door P. Claessens – Gewijde geschiedenis in verband met den catechismus door Van Reusel.

D. Taal: Germain's grondbeginselen en oefeningen op de grondbeginselen der Nederlandsche spraakleer ingevoerd omtrent het jaar en bij het begin van het loopende jaar vervangen door Praktisch taalboekje 2e en 3e stukje door G. Senden.

E. Geschiedenis en Aardrijkskunde: Het invoeren van handboekjes bij het onderricht dezer vakken dagteekent enkel van 1867. In den loop van dit jaar ontvingen de leerlingen Ernest's Kleine geschiedenis en Kleine Aardrijkskunde met kleine Atlas van België. Waar het voorbeeld van hetgeen in vroegeren tijd gebeurde, kregen, rond het tijdstip der prijskampen de verst gevorderde leerlingen, daarenboven Ernest's Kern der Geschiedenis in handen, en in de jaren 1879 tot 1890 (?).

Blz 19.

Genonceaux Kort Begrip der Geschiedenis van België, Het atlasken van Ernest wordt hedendaags nog benuttigd in de middelklas, doch de andere werkjes zijn thans in onbruik gevallen en vervangen door het geschiedenisboek Toisoul en het kaartenboek van denzelfden schrijver en in den middelbaren graad door Verhalen uit de geschiedenis van België door R. Keersmaekers.

F. Fransche taal: In de bijzondere les van Fransche taal werden in het jaar der stichting en volgende jaren onder de andere als leerboeken benuttigd: Verzameling van Opstellen door A.N.A. te Antwerpen bij Van Woerken Grammaire des commercants par Raingo – Grammaire française par Noël et Chapsal – Zonder den Télémaque kon men geen schoon Fransch leeren ! – Les Aventures de Télémaque. de bijhoorige taal met meer praktische aangeleerd werd, verlieten bovengenoemde boekjes voor het grootste gedeelte de school rond 1890 (denken wij), en hadden achtereenvolgens voor opvolgers: Athu's Praktische leerwijze; Nouveau livre de lecture par Th. Braun; L'ami des Enfants par Le Roy; Volledige cursus der Fransche taal door B. Mortier; Praktisch onderricht en livre de lecture door P.A. De Vos en eindelijk de tegenwoordig gebruikte drij stukjes van de Fransche taal op de Volkschool door G. Senden".

De eerste hoofdonderwijzer, die na het in voege treden der wet van 23 Sept. 1842 in Schrieck werkzaam was, hiet zooals wij vroeger zagen Jozef De Meutter. Deze heer bleef, zooals wij insgelijks reeds zagen (zegden), met het bestuur der gemeenteschool belast tot in het jaar 1867. In tusschentijd was zijn toestand op stoffelijk gebied langzamerhand verbeterd en genoot hij bij zijn afscheid een jaarlijksch traktement van ruim 1300 fr. 't Was met deze wedde, dat zijn opvolger, Mijnheer L. Viskens, begon.

Mijnheer Viskens was geboortig van Werchter, waar hij tot op zeventienjarigen ouderdom de leergangen gevolgd had der toen alomvermaarde Werchtersche school, destijds bestuurd door Mijnheer Prudent Bols, thans oprichter van het Vrij Onderwijs en Schepen van onderwijs te Laeken. Van drie jaren verblijf in de Liersche Normaalschool verliet hij in 1861 dit gesticht, voorzien van een diploma van 2en graad, en bekleedde achtereenvolgens de bediening van hulponderwijzer in eene der lagere scholen en van onderwijzer bij de gemeente middelbare school van Elsene, bij Brussel, tot hij in zitting van 19 December 1866 door ons plaatselijk bestuur werd tot hoofdonderwijzer der gemeenteschool van Schrieck, en in deze hoedanigheid in dienst trad den 4en Februari 1867.

Meester Viskens was in den vollen zin des woords een bekwaam onderwijzer en tevens een overtuigde apostel, die met recht dacht, dat hij de verhevenste zending te vervullen had. Zijn doel, het eenige van zijn leven mag men zeggen, was de beschaving, de veredeling van het volk door opvoeding en onderwijs. Dit doel was het gedurig voorwerp van al zijn streven; daaraan wijdde hij al zijnen tijd, al

Blz 20.

zijne bekwaamheden, al zijne krachten. Begaafd met eenen ijzeren wil, ging hij steeds onverschrokken vooruit, niets scheen hem te moeilijk; zijne kenspreuk was: "willen is kunnen." In een woord, zijne school was zijn al, zijn leven!

Toen wij zijne goede en schoone lessen als leerlingen volgden, aanzagen wij meester Viskens als een door en door geleerd meester, als een alwetend man. Deze gedachte werd bij ons telkenmale versterkt, wanneer hij, eene der prenten van Bilder zum Anschauungs-Unterricht für die Jugend van Schreiber in de linker, en den wijsstok in de rechterhand, zijne scholieren onderhield over natuurlijke historie en over de dieren en planten uit de verschillende streken der vijf werelddeelen.

En toen wij later onder zijn bestuur in de school werkzaam waren en gedurende vijftien jaren dagelijks met hem in aanraking kwamen, ondervonden wij dat wij, nog leerling zijnde, juist gedacht hadden, - want dit zullen al degenen, die den braven man van dichtbij gekend hebben, getuigen. Meester Viskens onderscheidde zich vooral door zijne algemeene en praktische kennissen.

Stond de toenmalige school van Schrieck, zoo niet aan het hoofd der scholen van den omtrek, zij werd toch alras onder de beste gerekend, ja, menige ouders der omliggende gehuchten kwamen meester Viskens bidden en smeeken om aan hunne kinderen ook een plaatsken in zijne goede school te willen verleenen. Voor de geslachten gescheiden waren, zaten volgens zij-meisjes opeengepakt als haringen, en ondanks zweren leerlingen heerschte er een plechtige stilte in de school terwijl meester Viskens zijne les gaf. Zijn gezag was zeer groot; men vreesde hem ja, men beminde hem veel meer.

Pas een jaar hier werkzaam, bood zich aan meester Viskens de gelegenheid aan te toonen wat een onderwijzer door aanhoudende werkzaamheid vermag.

In den prijskamp van het jaar 1868 tusschen de leerlingen der lagere scholen van de kantons Lier, Duffel en Heist.o.d.Berg behaalde de school van Schrieck eenen eersten, eenen tweeden en eenen derden prijs, alsmede eene eervolle melding. Dat mocht tellen! Ook lezen wij in den uitslag van dien wedstrijd, dat het certificaat, vermeld aan art. 29 van het organiek reglement over de prijskampen zal afgeleverd worden:

3e aan den heer Viskens L. gemeenteonderwijzer te Schrieck, waarvan de leerlingen Wouters en Op de Beeck wederzijds eenen eersten en tweeden prijs behaald hebben.

1e Aan den heer Viskens voornoemd, waarvan de leerlingen gemiddeld de helft der punten bekomen hebben, toegekend aan een volmaakt werk ‘t zij 139 op 200 punten.

In 1872 was de uitslag even schitterend. Twee leerlingen van meester Viskens behaalden den eersten en den tweeden prijs, en een derde bekwaam 3e loffelijke melding. Daarenboven behaalde zijn leerlingen Van Roosbroeck Jan-Alfons den Eereprijs, en een andere de 4e loffelijke melding in den bijzonderen prijskamp van de fransche taal, en in gevolg dien bekomen uitslag werden aan den onderwijzer van Schrieck

Blz 21.

weer certificaten afgeleverd.

In den algemeenen prijskamp van het jaar 1877, droeg de Schriecksche school nogmaals twee tweede prijzen, eene eerste en eene derde volle melding weg en in den bijzonderen prijskamp voor de Fransche taal eenen eersten en eenen vierden prijs en eene eervolle melding.

En toen in 1878 en volgende jaren de prijskampen ieder jaar plaats grepen, bekwam de school, bestuurd door den heer Viskens, telkens een ruim aandeel der uitgereikte diploma's.

Het zal dan ook niemand verwonderen, als wij zeggen, dat mijnheer Viskens door zijne overheden wel gezien was; wij vinden den naam van mijnheer Viskens vermeld in de lijst der onderwijzers, welke zich onderscheiden hebbende in het nakomen hunner plichten, ten jaare 1878 van wege het Staatsbestuur eene belooning van 100 fr. bekamen. Aangezien de belooningen in geld niet verleend werden dan aan de onderwijzers welke meer dan tien jaar dienst hadden in dezelfde gemeente, bekwam de heer Viskens in vorige jaren enkel eervolle meldingen.

Wat veranderde dit alles ten jaare 1879! Die goede school van vroeger werd afgeschilderd als eene school zonder God de voorbeeldige onderwijzer gedoemd als een meester zonder geloof.

Wat zal het meester Viskens pijn aan het hart zich verlaten te zien van meest al zijne leerlingen, die hij zoo teeder beminde en aan wiens onderricht hij ten koste zijner gezondheid, zijne beste zorgen besteed had. Er bleven er hem enkel een dozijn getrouw; de overigen gingen bij de zusters ter school.

Wat die brave man gedurende dit vijfjarig tijdperk van schoolstrijd geleden heeft, is mij onmogelijk te beschrijven. Zijn arbeid was toen voorzeker niet lastig en nochtans verzwakte zijne gezondheid van jaar tot jaar. Daarenboven werd, bij het in werking treden der wet van 20 September 1884 zijne jaarwedde, die tot 2400 fr. gestegen was, met een vierde verminderd. Dit was hem te veel! En toen op 13 Octobre 1884 de jongens ter gemeenteschool terugkwamen, was meester Viskens zedelijk geknakt en lichamelijk versleten: Hij wilde nog wel, maar kon niet meer. Ook verzwakte allengskens de schooltucht en de prijskampen hadden daar ook wel eenigszins schuld aan – de achterblijvers werden niet meer als voorheen opgewakkerd, en het onderricht vooral aan de verst gevordenden gegeven. Zo sukkelde meester Viskens voort tot op het einde van het jaar 1893, toen hij, op aanraden van den geneesheer, zijne pensioenstelling vroeg, en, dezelve bekomen hebbende, zijn eervol ontslag gaf als hoofdonderwijzer der gemeenteschool, in welke hoedanigheid hij vanaf 1 Februari 1894 opgevolgd werd door den tegenwoordigen hoofdonderwijzer, die van het eerste jaar af eene jaarwedde genoot van 1800 fr. op welke som hij op den dag van heden nog staat

Blz 22.

en wellicht nog lang zal blijven staan.

Voor de laatste maal gelieve de lezer met ons nog eens terug te keeren tot in het jaar 1842, ten einde gezamentlijk de verschillende hulponderwijzers die in de Schriecksche gemeenteschool mekaar opvolgden met ter haast in ogenschouw te nemen.

De Schriecksche bevolking was in den laatsten tijd fel aangegroeid; er waren meer overlijdens en vooral meer geboorten dan in vorige jaren; de diensten in de kerk werden talrijker en de oude koster moest teer dikwijls uit de school afwezig zijn. Dien ten gevolge werden de bijzonder vrije scholen meer en meer bezocht ten nadeele van de zijne. Echter hier en daar een kind van welstellende ouders zegde de Schriecksche school vaarwel, om de gemeente- of vrije scholen der naburige gemeenten te volgen, waar de fransche taal onderwezen werd, zoodat om zijne school recht te houden, mijnheer Jozef De Meutter bij den aanvang van het schooljaar 1842-1843 zich verplicht had gezien, op eigen kosten, eenen helper te nemen, die in staat was de Fransche taal te onderwijzen. Zoo waren hier, gedurende het vijfjarig tijdperk 1842-1847, als door de gemeente niet bezoldigde ondermeesters, in de school achtervolgens werkzaam:

1. Verboven Felix afkomstig van Beerzel, een man van groote gestalte, met deftig voorkomen en zeer veel ontzag. Hij bezat eene felle geleerdheid, zoo beweren de lieden, die bij hem ter schole gingen, en werd, zoo verzekert men mij, bij zijn vertrek uit Schrieck onderwijzer en koster te Morckhoven.

2. Van Erps Engelbert van Thildonck. Hij was onderofficier geweest bij het leger, kon bijzonder schoon schrijven en ook vlug rekenen en was de fransche taal heel machtig.

3. Van Dessel Frans van St Catherina Waver over wien mij enkel vernamen dat hij later onderwijzer was te Putte.

4. Boelpaep Antoon een achttienjarige jongeling van Putte, die zich destijds bereidde tot het aannemingsexaam der normaalschool. Deze hielp enkel den koster uit gedurende eenige maanden, want met Paschen van het jaar 1846 ging hij werkelijk naar de normaalschool en werd, gediplomeerd zijnde, hulponderwijzer te Haecht en later onderwijzer te Rhode-St-Genese.

5. Van Craen Jan-Baptist van Heist-o.-d.-Berg. Deze bezat maar weinig kennissen, zoo zeggen weerom de menschen, die toen ter schole gingen. Hij verliet de gemeente den 15 Maart 1847.

Al deze helpers waren gelast met het geven der Fransche les en andere moeilijke vakken. De koster hield zich nog enkel bezig met de kleinsten.

Wat deze ondermeesters, boven kost en inwoon, jaarlijks verdienden, zulks zijn wij niet te weten gekomen.

Op denzelfden voet als de vorigen, begon na de Paaschvacantie van het jaar

Blz 23.

1847, de heer Verkoyen Hendrik, geboortig van Lommel, zijn dienst te doen als ondermeester. Deze was niet gediplomeerd, doch drie jaar kweekeling in Rijks normaalschool geweest. "Had ik dien zomer de school niet moeten verlaten, dan zoude ik nog wat geleerd hebben, want Verkoyen was een goede meester," zoo zeide mij laatst iemand. – Bij beslissing van 26 Aug. van dat jaar, (de school was toen vergroot zoals wij weten) vroeg het gemeentebestuur gelijkvormig aan het laatste paragraaf van art. 10 der wet van 23 Sept. 1842 autorisatie om den heer Verkoyen tot hulponderwijzer aan te stellen. De machtiging werd toegestaan en in zitting van 9 December werd de heer Verkoyen definitief benoemd. Het was deze heer, die de gezamenlijke leerwijze invoerde en den hoofdonderwijzer zoo goed mogelijk op de hoogte bracht dezer methode. Op verzoek van mijnheer De Meutter belastte de hulponderwijzer zich met het onderricht in de hoogere klassen; en hij zelf, waarschijnlijk bewust van zijne weinige kennissen, ging tot de kleinste klas over en bleef daar totdat hij ophield met onderwijs te geven. Mijnheer Verkoyen genoot het eerste jaar een vast traktement van 173 fr., hetwelk voor de volgende jaren op 200 fr. gebracht werd.

Daarbij bekwam hij 1/3 der schoolgelden van de betalende leerlingen, zoodat zijn gemiddeld jaarlijksch inkomen mocht geschat worden op 400 fr. In Mei 1849 verliet mijnheer Verkoyen de gemeente om onderwijzer te worden te Kleinen-Brogel, in Limburg.

Zijn opvolger, de heer Vital Van den Bosch, van Beerzel, was de eerste gediplomeerde ondermeester, die zijnen voet in de Schriecksche school zette. 't Was dank aan hem, dat in den prijskamp van het jaar 1852 de gemeenteschool van Schrieck een accessit en eene eervolle melding behaalde. – Met 400 fr. jaarwedde begonnen, eindigde hij hier met dezelfde som, toen hij in Aug. 1852 tot onderwijzer te Lubeek benoemd, zijn ontslag gaf en als hulponderwijzer der gemeenteschool van Schrieck opgevolgd werd door den heer Sicard Paul-Jean, insgelijks gediplomeerd leerling der normaalschool van Lier. Van af 1 Januari 1853 genoot deze 100 fr. meer dan zijn voorganger, zijnde de 2/5 der schadeloosstelling voor het onderwijs der arme kinderen, welke vroeger de hoofdonderwijzer gansch alleen opstreek.

"Mijnheer Sicard had hier goeden aard," zoo vertelde men mij; "ook dacht hij hier zijn leven te kunnen verslijten, doch hij had zonder den waard gerekend."

Eenige dagen vóór Paschen van het jaar 1854 kwam Stanislas, de zoon van den hoofdonderwijzer, voor goed naar huis uit de Liersche normaalschool, welker leergangen hij gedurende drie jaren met de grootste vrucht gevolgd had. Na de vacantie deed de zoon het werk van vader en intusschen werd mijnheer Sicard, vooral door moeder De Meutter, zoodanig tegengewerkt, dat hij het hier moede werd, naar eene andere plaats uitzag, dezelve te Elsene bij Brussel, bekwam en hier zijn ontslag gaf bij brief van 13 Aug. 1854. Den 15e derzelde

wordt vervolgd

Geschreven door Renic om 00:00 Reageer op dit bericht

Het lager onderwijs in Schriek in de XIX eeuw. (3)

Het lager onderwijs in Schriek in de XIX eeuw.

door Victor De Belser

Transcriptie René Lambrechts

Blz 24.

maand werd dit ontslag door den gemeenteraad aangenomen en in dezelfde zitting de heer Stanislas De Meutter met algemeene stemmen tot hulponderwijzer aangesteld.

"Stanislas ging over tot de groote klas,

En Jan, zijn broeder, die door Stanislas

In 't schooldoen iets wat onderwezen was,

Die deed in vaders plaats de kleine klas."

Mijnheer Stanislas De Meutter was een bekwaam en ijverig onderwijzer. Ook was hij een buitengewoon muzikant; geen wonder dus dat hij in de klas zich veel, zeer veel, misschien te veel bezighield met den zang. Bijna dagelijks weergalmden in de school allerlei Vlaamsche en Fransche liederen. Toen mijnheer de Inspecteur Troost de eerste maal na zijne benoeming tot ridder der Leopoldsorde, te Schrieck in de school kwam, werd hij door de leerlingen verwelkomd door een gelegenheidslied, dat Stanislas zelf gedicht en getoonzet had. Onder het bestuur van mijnheer De Meutter ging de school van Schrieck zoo zeer vooruit, dat de vrije scholen der omliggende gehuchten, bij gebrek aan leerlingen, hunne klassen sloten. In den prijskamp van 1857 bekwam zij een accessit en twee eervolle meldingen en in dien van het jaar 1861 vier accessits en eene loffelijke melding.

Jammer dat die goede onderwijzer langzamerhand een tweede Schools werd en op 't einde onmatig gebruik maakte van sterken drank, waardoor hij zich eene ziekte kweekte, die hem, na zes maanden lijdens, den 26 Mei 1864 ten grave sleepte. Dit laatste jaar genoot hij als onderwijzer eene jaarwedde van 730 fr. en als gemeenteontvanger, welke bediening hij sedert 1856 bekleedde, eene jaarlijksche somme van 350 fr.

Was er destijds gebrek aan onderwijzers? Wij weten het niet. Althans er bood zich binst het jaar geen enkel postulant aan en het was slechts in zitting van 27 April 1865 dat de heer Van Eepoel Theophile, weerom een gediplomeerd leerling der normaalschool van Lier, benoemd werd van hulponderwijzer in de gemeenteschool van Schrieck. Intusschentijd, van af October 1863, had Jan De Meutter, in de school de plaats ingenomen van zijnen broeder Stanislas en hij zelf was in de kleinste klas vervangen door Henri, de oudste doch minst geleerde der nog overblijvende zonen, met den titelvoerenden hoofdonderwijzer. Met de komst van mijnheer van Eepoel mocht Henri te huis blijven en Jan ging terug tot de kleine klas.

Mijnheer Van Eepoel bleef hier, met eene jaarwedde van 750 fr., slechts een jaar werkzaam: hij vertrok naar Gelrode, waar hij de bediening van hoofdonderwijzer waarnam tot in 1879, in welk jaar hij benoemd werd tot Inspecteur van het lager onderwijs voor het schoolkanton Zottegem, welk verheven ambt hij hedendaags nog bekleedt.

Van April tot Juni waren de gebroeders De Meutter weer in de school werkzaam

Blz 25.

op denzelfden voet als vroeger.

Het moet er destijds nog al gegaan hebben in de Schriecksche school, waar twee onbekwame meesters zich met het onderricht onledig hielden. Zo lezen wij onder andere in eenen brief van den heer Gouverneur, dagteekenende 25 April 1866: "L'enseignement primaire à Schrieck devrait être entièrement réorganisé. Il est à désirer que le sieur De Meutter, que son âge avancé et son état maladif empêchent de remplir encore les fonctions d'instituteur, sollicite sa mise à la pension et soit remplacé par un titulaire capable." Op 25 Juni van hetzelfde jaar ontving het gemeentebestuur op nieuw een schrijven van dezen hoogen ambtenaar, waarin gezegd werd: "Le conseil comprendra, j'espère, qu'il y a ici un devoir à remplir; il doit inviter le sieur De Meutter, père, sa démission et au besoin, l'y obliger ... Je suis tellement convaincu de la nécessité de donner une bonne organisation à l'enseignement en cette commune que je suis déterminé à agir d'office, si le conseil tarde à prendre lui-même des mesures." En eindelijk op 28 November 1866 komt mijnheer de Gouverneur nogmaals op de zaak terug en schrijft onder andere: "Cette situation ne peut être tolérée un moment de plus. Il faut que l'instituteur De Meutter donne immédiatement sa démission. ... Le conseil devra, sans aucun retard, procéder à la nomination d'un instituteur et prendra un candidat diplomé. ... Je désire recevoir une réponse satisfaisante dans la quinzaine au plus tard. Je prendrai des mesures d'office, si le conseil continue à s'abstenir!" Daarop gaf de oude koster zijn ontslag als hoofdonderwijzer der gemeenteschool, en wij weten wie er tot zijn opvolger werd aangesteld.

Wij vergaten te melden dat intusschentijd een nieuwe ondermeester benoemd was, namelijk mijnheer De Meutter Felix, die in dienst trad den 1 Juni 1866. Deze was niet een kosterszoon, maar geboortig van Itegem, en later onderwijzer te Beersel. Hij bezat evenals mijnheer Eug. Van Hoof, thans onderwijzer bij de middelbare school te Leuven, die hem met November 1873 opvolgde, een diploma bekomen bij 't Rijks normaalschool van Lier. Beide waren in de school werkzaam onder het bestuur van mijnheer Viskens, en daar bij hen "Zulke meester, zulke knecht" waarheid was, hoeven wij niet aan te stippen met welke nauwgezetheid, met welken iever deze heeren de opvoeding der hun toevertrouwde kleinen ter herte namen. De eerste eindigde hier met een traktement van 950 fr. en de tweede met eene wedde van 1250 fr. 't Was met deze laatste som dat de opsteller dezes als hulponderwijzer alhier begon den 1 April 1879. In zitting van 6 October 1884 werd zijn traktement tot 1450 fr. geklommen, verminderd op 1100 fr. en voor het jaar 1893 opnieuw met 100 fr. vermeerderd. In zitting van 4 Januari 1894 bevorderd zijnde tot hoofdonderwijzer werd hij als hulponderwijzer

Blz 26.

vervangen door mijnheer t’Servranckx Hendrik, vroeger in dezelfde hoedanigheid werkzaam in de gemeenteschool van Zoerle-Parwijs. De heer t’Servranckx had de drie leergangen der Vrije Katholieke normaalschool van Mechelen met goeden uitslag gevolgd en mocht een knap ondermeester genoemd worden, in wiens klas bijzonder veel tucht heerschte. Hij begon met 1100 fr. en bekwam, ingevolge der laatste onderwijswet, ten jare 1896 honderd frank opslag.

Benoemd den 17 Aug. 1899 volgde de tweede ondertekenaar dezer verhandeling, met eene jaarwedde van 1200 fr., den heer t’Servranckx op den 1e October van hetzelfde jaar.

Stippen wij nog aan dat, bij het openen der gemeentemeisjesschool, deze bestuurd werd door de Eerw. Zusters, welke respectievelijk 1800 fr. en 1050 fr. jaarwedde genoten; doch bij het invoegentreden der wet van 1879 dienden deze hun ontslag in en namen het bestuur in handen der Vrije Katholieke jongens- en meisjesscholen. Daar de gemeente weigerde in hunne vervanging te voorzien, stelde het Gouvernement van ambtswege als gemeenteonderwijzeres aan: mejuffer Victoria Weyns, gediplomeerde hulponderwijzeres te Merchtem. Met eene jaarwedde van 1800 fr. bleef juffrouw Weyns, later Madame Van der Borght geworden, hare bediening hier gewetenvol vervullen tot October 1884, toen zij, ten gevolge van afschaffing harer bediening, in beschikbaarheid gesteld werd.

Wij vergaten te spreken over de bekwaamheid der tegenwoordige onderwijzers; of beter gezegd, wij verzuimden zulks met opzet. "Eigen lof stinkt", en daarom laten wij liefst aan anderen en aan het nageslacht de taak den huidigen toestand te beoordeelen.

Om hetgeen wij in den loop dezer verhandeling over de ontwikkeling van het lager onderwijs in onze gemeente reeds zegden, eenigszins te volledigen, willen wij nog aanhalen:

1- Op 6 Juni 1895 werd er in de school een matigheidsgenootschap gesticht.

2- Op 15 Mei 1898 kwam een schoolbond tot bescherming der dieren tot stand.

3- Het schoolsparen in 1882 begonnen, ging in den laatsten tijd met reuzenstappen vooruit, zoodat op den dag van heden 92 leerlingen der gemeenteschool een spaarboekje bezitten.

4- De schoolmutualiteit, op 2 December gesticht, telt 28 leden.

Als slot laten wij hieronder, tot verdere vollediging van het voorlaatste en als beantwoording van het laatste punt der opgave, volgen :

Blz 27.

A. Aantal leerlingen voorkomende op de lijsten van het kosteloos onderwijs.

Schooljaar---Jongens--Meisjes--Totaal

1843-44.-------19.-------13.-------32.

1848-49. -------57.-------46.-------103.

1853-54. -------68.-------37.-------105.

1858-59. -------72.-------66.-------138.

1863-64. -------73.-------72.-------145.

1868-69. -------79.-------88.-------167.

1873-74.-------110.-------113.-------223.

1878-79.-------134.-------136.-------270.

1883-84.-------136.-------140.-------276.

1888-89.-------144.-------154.-------298.

1893-94.-------163.-------154.-------317.

N.B. Met het schooljaar 1894-95 en volgende was het onderwijs voor allen kosteloos.

B. Bevolking der gemeenteschool.

Jaren / Op 30 Juni (Jongens) / (Meisjes) / (Totaal) / Op 31 December (Jongens) / (Meisjes) / (Totaal)

1847.-------52.-------93.-------145.-------54.-------100.-------154.

1848.-------64.-------84.-------148.-------93.-------90.-------183.

1849.-------65.-------80.-------145.-------43.-------98.-------141.

1850.-------33.-------81.-------114.-------63.-------77.-------140.

1851.-------45.-------62.-------107.-------65.-------70.-------135.

1852.-------42.-------77.-------119.-------89.-------80.-------169.

1853.-------81.-------60.-------141.-------100.-------90.-------190.

1854.-------67.-------52.-------119.-------88.-------84.-------172.

1855.-------71.-------53.-------124.-------89.-------102.-------191.

1856.-------73.-------81.-------154.-------123.-------115.-------238.

1857.-------98.-------92.-------190.-------?-------?-------?

1873.-------?-------?-------?-------145.-------135.-------280.

1874.-------113.-------103.-------216.-------132.-------146.-------278.

1875.-------126.-------137.-------263.-------139.-------146.-------285.

1876.-------139.-------140.-------279.-------151.-------147.-------298.

1877.-------147.-------137.-------284.-------162.-------143.-------305.

1878.-------147.-------134.-------281.-------151.-------145.-------296.

1879.-------147.-------0.-------147.-------16.-------0.-------16.

1880.-------18.-------0.-------18.-------19.-------0.-------19.

1881.-------14.-------0.-------14.-------14.-------0.-------14.

1882.-------13.-------0.-------13.-------17.-------0.-------17.

1883.-------24.-------0.-------24.-------28.-------0.-------28.

1884.-------geen klas---------------------158.-------11.-------169.

1885.-------138.-------9.-------147.-------141.-------7.-------148.

1886.-------143.-------7.-------150.-------149.-------9.-------158.

1887.-------153.-------4.-------157.-------157.-------4.-------161.

1888.-------152.-------3.-------155.-------150.-------3.-------153.

1889.-------141.-------2.-------143.-------151.-------2.-------153.

1890.-------160.-------2.-------162.-------154.-------2.-------156.

1891.-------164.-------2.-------166.-------168.-------2.-------170.

1892.-------170.-------1.-------171.-------170.-------0.-------170.

1893.-------172.-------0.-------172.-------172.-------0.-------172.

1894.-------175.-------0.-------175.-------174.-------0.-------174.

1895.-------173.-------0.-------173.-------177.-------0.-------177.

1896.-------164.-------0.-------164.-------177.-------0.-------177.

1897.-------156.-------0.-------156.-------175.-------0.-------175.

1898.-------166.-------0.-------166.-------178.-------0.-------178.

1899.-------160.-------0.-------160.-------177.-------0.-------177.

1900.-------163.-------0.-------163.-------193.-------0.-------193.

Aanmerking Over de ontbrekende jaren 1858-1872 niets gevonden.

Blz 28.

C. Aantal Diploma's, behaald in de officieele prijskampen.

Jaren / Diploma's

1878.-------8.-------1884.-------1.-------1887.-------5.-------1890.-------1.-------1893.-------7.

1879.-------3.-------1885.-------1.*-----1888.-------5.-------1891.-------5.-------1894.-------5.

1883.-------1.-------1886.-------3.-------1889.-------3.-------1892.-------3.-------1895.-------2.

*De uitslag was overal betrekkelijk. Thibaut Jos. leerling der gemeenteschool van Schrieck, was de eerste van het schoolkanton Herenthals en de tweede van het hoofdschoolgebied Mechelen.

Aanmerking: a) Voor de uitslagen van vroegere jaren, zie onze verhandeling; b) bij gebrek aan leerlingen nam de school van Schrieck geen deel aan den wedstrijd in de jaren 1880, 1881 en 1882.

D. Uitslag van den wedstrijd in Godsdienst.

Jaar. / Eerediploma's / Accessits. / Eervolle meldingen. / Meldingen.

1889.-------3.-------1.-------3.-------8.

1890.-------0.-------5.-------1.-------1.

1891.-------2.-------2.-------0.-------3.

1892.-------1.-------2.-------2.-------2.

1893.-------1.-------3.-------3.-------1.

1894.-------0.-------3.-------2.-------2.

1895.-------4.-------3.-------3.-------2.

1896.-------0.-------1.-------4.-------9.

1897.-------1.-------3.-------5.-------4.

1898.-------6.-------2.-------3.-------3.

1899.-------2.-------3.-------7.-------4.

1900.-------2.-------8.-------2.-------2.

Schrieck, den 6 April 1901.

J Op de Beeck.

V. De Belser

Blz 29.

De Belgische afdeeling van het Nederlandsch Bestendig Commiteit der lichamelijke opvoeding heeft den wensch uitgedrukt, buiten den speeltijd en de spelen alle dagen aan de leerlingen der lagere scholen eenige gymnastische oefeningen te zien geven.

Het model-programma kent thans een uur gymnastiekles toe per week aan elken graad. Daarenboven schrijft het voor na elke uur les eenen zang of eenige gymnastische oefeningen en gedurende de speeltijden dikwijls gymnastische spelen te doen uitvoeren.

Moet het statu-quo nog behouden blijven? Welke veranderingen dienen in omgekeerd geval aan het thans gevolgde programma gebracht worden?

Dat een goed gymnastisch onderwijs eenen heilzamen invloed uitoefent op 't lichaam, den geest en 't hart der kinderen, en dus ook op hunne gezondheid, op de school en de samenleving, is algemeen erkend. Om wille van dit alleszins opvoedend vermogen, dient aan dit onderricht de beste zorgen besteed. Gaarne zouden wij derhalve met den hierboven uitgedrukten wensch instemmen, maar eenerzijds vrezen we dat dagelijksche turnlessen, naast het voordeel dat haar eigen is, ernstig nadeel zullen opleveren voor de overige vakken van 't programma, en van den anderen kant meenen we, dat de huidige stoffelijke inrichting van vele plattelandsche scholen de volledige uitvoering van het programma zal verhinderen.

Trachten wij deze twee punten wat uiteen te zetten.

I. Voorerst zijn we van gevoelen dat, ten minste in de buitenscholen, waar één onderwijzer voor twee, soms drij afdeelingen staat, de overige leervakken onder de uitvoering eener dagelijksche gymnastiekles moeten lijden en dit om de volgende redenen: 1. De tijd van boven bedoelde lessen van gymnastiek buiten de uitspanning en den speeltijd te geven wordt onttrokken aan den tijd voor de overige vakken bestemd, tenzij men 't getal klasuren vermeerdere. 2. Hoe gaat het doorgaans in onze turnlessen? Gewoonlijk vangen deze aan, wanneer na twee of meer lessen of stille oefeningen de aandacht der knapen begint te verzwakken door vermoeidheid van geest. De onderwijzer door gedurig spreken ook min of meer afgemat, is bij deze lessen weer verplicht uitleg te geven, voor te doen, te bevelen. Bij vlugge leerlingen gaat dat goed van de hand en dit geeft hun moed; maar voor abnormalen, die in alle klassen te vinden zijn en niet gansch verwaarloosd mogen worden, is hij gedwongen dit alles vijf, ja, soms tienmaal te herhalen om tot eenen bevredigenden uitslag te geraken. Zulke gymnastische les is een afbeulend werk. Zeker kan de onderwijzer zich hier, evenals in vele herhalingslessen door zijne

Blz 30.

bekwaamste leerlingen doen vervangen, maar 't al eischt immer 't nazicht, de tusschenkomst van den onderwijzer. Afgemat naar lichaam en geest – de ondervinding leert het ons genoeg – moet de onderwijzer zijne overige lessen in de klas gaan voortzetten. Waar haalt hij de noodige sterkte, frisch- en opgewektheid en ijver om die lessen aantrekkelijk en vruchtdragend te maken? Voor de twee dagen ter week, waarop wij onze turnles geven, hebben wij getracht het onderricht in de overige vakken zoo te regelen, dat de gymnasles door eene andere, die minder inspanning vergt, voorafgegaan of gevolgd wordt, maar voor elken dag schijnt zulke wijziging ons moeilijk, ja, onmogelijk.

Ons besluit is dat andere leervakken bij de invoering van dagelijksche lessen van gymnastiek verliezen – tenzij het getal klasuren vermeerderd worde. Overigens aan verschillende andere vakken van 't leerprogramma, o.a. aardrijkskunde, geschiedenis, teekenen, gezondheidsleer, zang, landbouw, waar van de kennis even noodzakelijk is, kan ook dagelijksch geene les, kunnen wekelijks geen 3 uren besteed worden.

Maar buiten de nadeelen van tijdsverlies voor de overige vakken, – en door verzwakte gesteltenis des onderwijzers, vrezen we, dat dagelijksche turnlessen ook nadeelig zullen werken op 't gemoed der kinderen. Hebben wij er altoos naar aangelegd om onze twee wekelijksche lessen van gymnasitiek aangenaam te maken voor de knapen, toch hebben wij ook meermaals opgemerkt, dat deze lessen, om wille van daarin voorkomende moeilijkheden of om eenen gebrekkigen uitslag, gedurende twee of drij opeenvolgende dagen hernomen, zoo zeer verveelden aan de kinderen, dat deze het einde der les met eenen luiden zucht van tevredenheid begroetten. Worden die leerlingen nu tot dagelijks turnen verplicht, dan kan die verveling plaats maken voor afkeur, ontevredenheid, morren en wanorde buiten en binnen de school. En niet zelden zal zich de ontevredenheid der kinderen op de ouders overslaan.

II. Gebrek aan stoffelijke inrichting. Wordt door dagelijksche lessen van gymnastiek aan de uitvoering van 't programma den noodigen tijd gegund, welke thans daartoe ontbreekt, dan nog vrezen we dat de stoffelijke inrichting der meeste buitenscholen daartoe een hinderpaal zal blijven. Immers, in vele scholen ontbreekt eene voldoende speelplaats, in bijna allen eene overdekte gaanderij of turnzaal, met de hoogst noodige toestellen, welke laatste ons 't hoofdmiddel schijnen, om het gymnastisch onderwijs voor de kinderen aantrekkelijk en doeltreffend te maken.

Om de hieraangehaalde redenen zijn wij voorstanders van het statu-quo. Echter zagen wij in 't programma de bewegingen en oefeningen b.v. degene

Blz 31.

aangewezen in den L. G. onder nr 2 en die in de vrije spelen gedurig van toepassing zijn, gaarne vervangen door meerdere vrije spelen. Deze spelen zouden in elk der drij graden als eene toepassing zijn op de bijzonderste lessen, geschikt wezen voor de lichamelijke, verstandelijke en zedelijke vorming des kinds en van lieverlede en ongemerkt de plaats van meer ruwe, gevaarlijke en onbetamelijke spelen innemen.

Schrieck, den 26 Maart 1904.

 

Duid de beste middelen aan om de leesles in den aanvankelijken graad aantrekkelijk en vruchtdragend te maken.

Tusschen de verplichte leervakken, die 't art. 4 der huidige wet op het lager onderwijs voorschrijft, bekleedt het lezen en schrijven in den lageren graad de eerste plaats. 't Lezen is immers het hoofdzakelijkste middel tot het erlangen en 't uitbreiden van alle andere kennissen, die later in 't werkelijk leven voor iedereen onontbeerlijk zijn. Dit is zoo waar, dat wij meermaals een ongeletterde vader of eene ongeleerde moeder hoorden zeggen: "Onze jongen kan al lezen 'lijk een advokaat, – als zij ons daarmee wilden bedoelen: 'Nu hij lezen kan, zal hij de rest van zelfs leeren – zijnen weg wel maken en eens een heele man worden." – En des niettegenstaande treffen wij overal – op zekere plaatsen zelfs een aanzienlijk getal leerlingen aan, die de school verlieten zonder dat zij goed konden lezen en zonder dat zij den lust tot lezen er uit meedroegen.

Om daarin eenigszins te voorzien, schrijft het modelprogramma van 1 mei 1897 de te volgen gang met toelichtingen voor. Maar een slaafsch, mekanisch en onberedeneerd uitvoeren van de voorschriften zou nog tot geenen doelmatigen uitslag leiden.

Wijl in den L. G. den grondslag tot de zoo onontbeerlijke kennis van het lezen moet gelegd worden, dient de onderwijzer daar vooral zijn onderwijs aantrekkelijk en vruchtdragend te maken. Ons dunkens heeft hij daartoe algemeene en bijzondere middelen aan te wenden. Onder de eerste zal ik noemen:

A. Vereischten in den persoon des onderwijzers:

1.-De onderwijzer moet altijd en in alles toonen dat hij het wel meent met de knapen en dat hij slechts hun welzijn betracht.

2.-Zich steeds minzaam, vrolijk en werkzaam toonen.

3.-Op zachten toon eene klare, eenvoudige, levendige taal spreken; eentonig- ruw en barschheid vermijden.

Blz 32.

4.-Zijn gezag weten te handhaven tegenover alle karakters.

5.-Bij alle lessen de vereischte levendigheid en warmte vertoonen.

6.-Behendiglijk de geneigdheden en gevoelens der knapen weten te baat te nemen om de aandacht geboeid te houden.

Ter bereiking van dit laatste punt zoo noodzakelijk tot het slagen bij alle onderricht, willen wij hier nog enkele middelen aangeven:

a) Alle noodeloos gerief moet van de lessenaars en uit de handen der leerlingen verdwijnen;

b) de lessenaars moeten van stof, water (besprenkeling des zomers) gereinigd zijn;

c) de overige gezondheidsvoorschriften dienen stipt nageleefd te worden om lichaam en geest niet te bezwaren;

d) geene les worde begonnen voordat de leerlingen in de vereischte houding gereed zijn tot luisteren;

e) niet sprekend in de klas rondloopen, maar eene vaste standplaats kiezen, van waar men elke leerling kan in 't oog zien;

f) alle oorzaak van stoornis van wege de kinderen onmiddellijk doen ophouden door eenen strengen blik of een kort woord;

g) niet dulden dat de knapen van plaats veranderen;

h) bij algemeene verslapping der aandacht de les staken of de kinderen op een ordewoord doen rechtstaan en weer neerzitten.

B. Vereischten in de leerstof:

1.-In den kinderwereld en in de omgeving der knapen blijven;

2.-Leerstof kiezen, die in den smaak valt van 't kind en afgemeten is naar zijne krachten, of waarin eene vrolijke strekking voorkomt, en die niet tot het kinderachtige of platte vervalt.

3.-'t Min behaaglijke verbinden met iets, waarin de kinderen trek hebben, b.v. eene kleine vertelling; een aantrekkelijk verhaaltje.

4.-De stof zoo kiezen, dat elk volgende onderwijs met het voorgaande op de eene of andere wijze in betrekking staat.

5.-Door aanschouwingsmiddelen (platen in leesboek of voorwerpen in natuur) de leerstof dieperen indruk doen maken op de kinderlijke ziel.

6.-Nooit onvoorbereid naar de klas gaan.

Leggen wij, na deze algemeene middelen, die alle onderricht – zeker dus ook het leeren lezen – aantrekkelijk en vruchtdragend maken, de bijzondere middelen uit, namelijk de methode bloot, die men dient te volgen, om de leerlingen spoedig en gemakkelijk te leeren lezen.

" 't Is er in den L.G. vooral de om te doen de leerlingen werktuigelijk te

Blz 33.

doen lezen. De leergang zal nu eens ontledend, dan weer samenstellend zijn. Ontledend wanneer men de woorden uitspreekt en ze door de leerlingen in hunne bestanddeelen doet ontbinden; samenstellend, wanneer men eerst de letters opgeeft en ze dan tot eene lettergreep, één woord doet vormen. Hoorbare ontleding en zichtbare samenstelling moeten echter bij het aanvankelijk lezen gepaard gaan.

Om volgens het modelprogramma (van 1 Mei 1897 dat voor den L. G. onder II bij de orde der moeilijkheden, eenige nuttige wenken geeft) te werk te gaan, vangt men aan met de klanken en van deze gaat men over tot de vormen. Hierbij volgt de verbinding tot lettergrepen en woorden. Bij elke letter geve men wel acht op den klank en op den vorm; elke klank moet dikwijls gehoord, elke vorm moet dikwijls gezien, nagewezen - en nagemaakt worden. Gelijkende letterteekens, lettergrepen en woorden moeten elkander opvolgen. Alle gebruikelijke samenstellingen moeten aangeduid, doch geene zinnelooze onmogelijke verbindingen zullen gemaakt worden. Men zal nooit te veel in eens willen aanleeren, niet tot nieuwe verbindingen overgaan, wanneer de vorige nog onvoldoende gekend zijn (L. O. jaarg. 1897, bladz. 691).

Men neme wel in acht, dat, zooals het huidig programma zeer wijselijk voorschrijft lezen, schrijven, dicteeren, en in zekere mate opstellen immer moeten samen gaan.

Wanneer het kind een nieuw woord leert lezen, moet het zich daarvan tevens de beteekenis en de spelling eigen maken. Het is noodzakelijk, dat de nieuwe woorden der leesles, voordat het boek geopend worde onder dat drijvoudig oogpunt aan het bord behandeld zijn geworden. De meester zal zich bepalen tot het doen van noodige verbeteringen, het geven van onontbeerlijke ophelderingen. Waar 't zinnen geldt, zal hij door gepaste vragen de beteekenis ervan doen vinden door de leerlingen.

Ziehier eene wijze die ik steeds met vrucht heb gevolgd. De onderwijzer noemt de letter of den klank, een groot getal leerlingen zeggen hem na en herhalen te zamen. Dan schrijft de meester den vorm of den klank op 't bord, na eerst der leerlingen aandacht te hebben gewekt. De kinderen noemen weer de letter of den klank, steken den wysvinger der rechterhand vooruit en volgen langzaam de richting van de hand van den onderwijzer, die de letter nog eens op 't bord voormaakt en schrijven daarna dezelve op hunne lei. Zoohaast de voorstelling eeniger letters goed gevormd is, en eenige letters of klanken goed gekend zijn, worden er verbindingen gemaakt. Voor- en achterverbindingen volgen elkander op en wisselen elkander af. Zoodra mogelijk trachte men aldus woorden te vormen die eene bepaalde beteekenis hebben waarover men hen ondervraagt en ze zoo leert denken en spreken.

Blz 34.

Kennen de leerlingen eenige woorden, dan worden spoedig kleine volzinnen gemaakt en zoo komt men langzamerhand tot leeslesjes in samenhangenden tekst. De oefeningen geschieden natuurlijk eerst op 't bord en vervolgens (zoo mogelijk) in 't boek. Men lette daarbij op, dat de leerlingen met den wijsvinger (griffel) al de woorden volgen. Daarna worden zij gedicteerd.

Men zal van de eerste oefeningen af de gewestelijke uitspraak vermijden, de kinderen aan eene zuivere uitspraak, aan eene wel gearticuleerde – en genoegzaam nadrukkelijke taal gewennen, en den zang- of schooltoon uitroeien. Deze aanbevelingen zijn van 't hoogste belang, want indien zij wel uitgevoerd worden, zullen zij den heilzaamsten invloed uitoefenen op het ontwikkelen van den leeslust en het vormen van eenen goeden stijl bij onze leerlingen.

De gesprekken over den inhoud der les hebben een dubbel doel. Ten eerste gewennen zij de leerlingen aan het ernstig nadenken over het gelezene, iets wat onze aandacht niet genoeg kan wekken. Daarbij leeren zij zich het gelezene eigen maken, het verwerken, zonder hetwelk het lezen van geen nut is, – ja, slechts oppervlakkige geesten kan kweeken.

Eindelijk zijn de leerlingen van jongs af verplicht zich klaar en juist mondeling uit te drukken, iets wat van het hoogste belang is.

Wanneer de onderwijzer in de laagste klas eene wel gearticuleerde, genoegzaame nadrukkelijke taal eischt, zal men in de hoogere klassen, bij het kunstmatig lezen, licht den natuurlijken toon verkrijgen.

Zoogauw mogelijk worden vragen gesteld over den inhoud der leesles, late men den inhoud mondelings weergeven, passe men taaloefeningen toe op de leeslesjes, dicteere men ze, late men keurige stukken van buiten leeren, en alsdan zal het eerste leesonderricht vormend en beschavend zijn." (zie Lager Onderwijs, bladz. 691, jaarg. 1897). 

Blz 34.

Schrieck, den 24 Februari 1905.

Heer Bestuurder,

De som van 1.053.13 fr. bestemd voor de erfgenamen Serneels-Gysemans, alsmede de metelen reklaamplaat, zijn mij in besten staat toegekomen. Hierbijgaande zend ik UEd. : 1. vier geteekende reglementen; 2. een bordereel van storting en terugbetaling; 3. eenen verzekerden brief inhoudende 1.500 fr. in banknoten in afzonderlijken omslag; 4. het kwijtschrift van terugbetaling der erfgenamen Serneels-Gysemans.

Minzame groeten.

Victor De Belser, agent der A. H. K.

Bordereel v. stort. en terugbet. van 16 Februari 1905 tot 24 Februari 1905.

 

Schrieck, den 3 Maart 1905.

Heer Bestuurder,

De ondergeteekende heeft de eer UEd., per bijgaanden brief te laten geworden: a) Een geteekend reglement; b) het bordereel der stortingen van 24 Februari 1905 tot 3 Maart 1905; c) het bordereel der spaarregels, heden in bewaring; d) in post-mandaat, ene som van 2.200 franken.

Hij is,   Heer Directeur,

Uw nederige dienaar,

Victor De Belser, agent der A. H. K.

 

* De Algemeene Hulp-Kas (A.H.K.) bood financiële ondersteuning aan zieke onderwijzers, weduwen of wezen van leerkrachten. Een "agent" van deze kas was de contactpersoon in een bepaalde regio of gemeente bij wie leraren zich konden aanmelden of via wie de uitkeringen en contributies liepen.

wordt vervolgd

Geschreven door Renic om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Schriek

↑ Terug naar de berichten