Een wijs man...

Zijn wie je bent

Diana......

Een wijs mens....


Als iemand een wijs man ontmoet die zijn gebreken opspoort en zijn afkeuring hierover te kennen geeft, dan is dit iemand die een verborgen schat openbaart; met zulk een wijze moet iemand omgaan. In zo'n gezelschap wordt iemand verrijkt en gaat er nooit op achteruit.
Pasen
Het was in mijn diensttijd dat op tweede paasdag, mijn commandant, -een kapitein- , mij naar een onbekende plek bracht.
Naar een privé-kliniek ver buiten de bewoonde wereld en omdat Pasen nogal vroeg viel, beschermd weggestopt in een deken van sneeuw
Op weg daar naar toe, weigerde hij mij iets te vertellen over het doel van dit geheime bezoek.
Ook niet over wat ik hier zou aantreffen
Na een lange wandeling door de kliniek stopten we voor de ingang van een eenvoudige ziekenkamer.
Eenmaal binnengekomen werd ik direkt geconfronteerd met een jonge kleurloze vrouw.
Liggend op en gebonden aan een steriel wit ziekenhuis bed.
Even, heel even, stonden we stil en was het de kapitein die zich naar haar bed begaf en daar ging zitten.
En.. daar zweeg.
Ook de jonge vrouw, gekluisterd aan dit witte bed, en met haar ogen gesloten en haar handen gevouwen in de vorm van een wit leeg kruis, zweeg.
En in die alles overheersende stilte speelden schemerachtige silhouetten hun eigen schimmenspel.
Waarin de woorden dood en leven werden nagebootst.
En dat alles op een macabere achtergond bestaande uit inktzwarte kleuren, beangstigende stilten, en onverwerkt verdrietsexplosies.
Zelf was ik ook stil en vergeleek haar met een kasplantje dat zonder enig doel, kleur en inhoud, kunstmatig levend werd gehouden
Maar plotseling kwam aan de steeds voortdurende stilte een even onverwachts einde..
Een nieuwe figurant verscheen nu op het toneel en gaf aan dit schimmelspel een andere alles overheersende nieuwe dimensie.
Het was een warm en betoverend zonnestraaltje dat zich naar het steriele bed van de jonge vrouw begaf, daar haar gesloten ogen kustte, vervolgens haar, in de vorm van een kruis, gevouwen handen aanraakte.
Nu werd het een boeiend samenspel tussen sneeuwwit, kastanje rood en inktzwart, die haar gezicht en haar handen in vuur en vlam zette.
En het waren haar handen die weer tot leven kwamen en haar zeeblauwe ogen die zich weer openden.
En.... diezelfde warme handen die op zoek gingen naar mijn koude handen én haar pratende ogen die mijn zwijgende ogen weer.. . open deed..
Op de terugweg sprak de kapitein voor het eerst tegen mij. En nadat hij mij vertelde dat deze jonge vrouw zijn dochter was, zei hij:
"Richard, God zij dank kan zij nu weer aan haar leven een doel, een kleur, én inhoud geven." .
Vlindertje....


vertel eens vlinder, vertel eens vlinder iets van je bestaan.
ik was een rupsje, ik was een rupsje en ik at daar maar wat.
toen ging ik spinnen, toen ging ik spinnen en ik spon een cocon.
dat is een huisje, dat is een huisje en daar sliep ik heel fijn.
maar op een morgen, maar op een morgen toen kroop ik er uit.
dat ik een vlinder, dat ik een vlinder, dat ik een vlindertje was.
en ik kon vliegen en ik kon vliegen ik vloog naar de zon.
Voor Diana


|
Vlindertje, wat ben je keurig
Vlindertje, wat ben je keurig,
Nee, ik zal je heus niet vangen, Vlieg maar rond, naar alle kanten Zie je wel die mooie bloempjes? En gebruik eens goed je neusje: Jij mag blij zijn, jij moet vrij zijn, Vlindertjes en mooie bloempjes met je vlerkjes blauw en rood. want dan ga je immers dood! in de mooie zonneschijn. óók niet graag gevangen zijn! En wat zeg je van hun kleur? ruik je wel die lekk're geur? zoek de mooiste bloempjes maar: horen immers bij elkaar? |
||
Palmzondag


- De ballade van het ezeltje
- Ik ben een ezel die wat staat te dromen,
- een lastdier, zoals alle ezels zijn.
- Aan zware vrachten kan ik niet ontkomen,
- ik draag ze in de felle zonneschijn.
- Ik wordt gedreven over smalle paden,
- een zweepslag zegt mij links of rechts te gaan.
- Mijn kleine lijf is altijd overladen,
- en in mijn huid staan striemen van het slaan.
- Ik ben de minste onder alle dieren,
- ik ben een ezel, ik tel niet zo mee.
- Behalve één keer toen men feest ging vieren,
- toen liep ik vooraan in de optocht mee.
- Ik droeg een Koning op mijn grauwe haren,
- een Koning zonder scepter, zonder kroon.
- Ik zie de palmen nog na al die jaren
- en nu nog hoor ik: Leve Davids Zoon!
- Ik ben een ezel die wat staat te dromen,
- mijn oren houden stil de wacht. Misschien
- Zal Hij vandaag of morgen toch weer komen
- en ben ik de eerste die Hem dan zal zien.
Liefde




