Brief 75 Toelichting
Ook van deze brief heeft Leibniz een kopie gemaakt die bewaard is gebleven.
Spinoza bekent in zijn ‘nieuwjaarsbrief’ aan Oldenburg dat hij eindelijk inziet wat Oldenburg hem vraagt niet te publiceren. Maar laat dat nu net het belangrijkste punt zijn van de hele Ethica…
Hij interpreteert het bezwaar van Oldenburg als zou hij God zelf ondergeschikt maken aan de noodwendige natuurwetten, zodat God daarvan niet kan afwijken, bijvoorbeeld om mirakels te doen, of om voorzienig tussenbeide te komen ten gunste van een of andere verdienstelijke persoon, al dan niet op diens persoon, of na voorspraak van een heilige, tot wie men een smeekgebed heeft gericht. Dat is een ernstige misvatting: de natuurwetten vloeien voort uit de natuur van God zelf, en dus wordt God er niet door gedwongen, maar handelt hij van nature volledig vrij, zoals hij ook van nature zichzelf volledig verstaat, en niemand daarbij meent dat hij dat onder enige dwang van het noodlot doet. God is niet gebonden door zijn eigen wetten als door iets dat buiten hem bestaat, hij is zijn eigen wetten en wordt dus door niets gedwongen.
Spinoza citeert hier zichzelf: zie brief 43 aan Ostens, § 5 en 6.
Vervolgens: als alles door de natuurwetten bepaald is, is er geen nood meer aan religieuze of burgerlijke wetten en normen. Juist wel, zegt Spinoza: de morele normen zijn noodzakelijk voor de mensheid, en of ze door God uitgevaardigd of bekrachtigd worden, doet er niet toe: ze zijn hoe dan ook ‘goddelijk’ want heilzaam. Of we iets goed noemen omdat God het zo verordend heeft, of het zo noemen omdat het voortvloeit uit de Goddelijke natuur, dat wil zeggen de natuurwetten, het blijft even goed, net zoals het kwaad hetzelfde kwaad blijft wanneer we aannemen dat het een noodzakelijk gevolg is van de natuurwetten als wanneer het veroorzaakt wordt door misdaden en kwaad opzet. De dingen zijn goed en kwaad in hun context, wat ook de oorzaak ervan is. Niet de intentie moet beoordeeld worden, maar de daad. De mens handelt overigens altijd uit hoop op beloning en vrees voor straf, of wij nu handelen volgens de natuurwetten of niet.
Met een prachtige beeldspraak, ontleend aan de Romeinenbrief (Rom 9, 20-21, een tekst die zelf verwijst naar Jer 18, 1-6 en Jes 29, 16; zie ook TTP adn.34 en TP 2, §22) wijst Spinoza Oldenburg terecht wanneer hij zegt dat de mens aan God geen verantwoording verschuldigd is, omdat hij of zij niet anders kon dan handelen volgens de onontkoombare natuurwetten. Nee, zegt Spinoza: God, of de Natuur maakt de mensen, zoals een pottendraaier zijn potten, allemaal uit dezelfde materie, maar toch zijn ze allemaal anders, en dus zijn ze inderdaad tegenover God geen verantwoording verschuldigd: God is geen rechter, hij oordeelt niet, beloont noch bestraft, want hij is zelf verantwoordelijk voor al wat is, zoals het is. En dus is er een andere instantie nodig die oordeelt over goed en kwaad, wetten maakt en sanctioneert, terwijl iedereen toch uitsluitend handelt binnen de natuurwetten; dat kan alleen de menselijke gemeenschap zelf zijn.
Oldenburg beroept zich op de traditionele theologische moraal, die uitgaat van een God die als een wijze rechter verordent wat mag en wat niet mag, wat goed en kwaad is, en die de mensen tot het goede brengt door hen als zijn huisdieren te belonen als ze doen wat hij en zegt en te straffen als ze dat niet doen. Als iemand dan stelt dat de mensen niet uit vrije wil handelen, maar automatisch doen waartoe God hen voorbestemd heeft, dan gaat heel die redenering natuurlijk niet op, en is er geen reden meer om Gods geopenbaarde wetten na te volgen.
Spinoza antwoordt daarop dat de Natuur, of God, niets te maken heeft met moraal, met schuld en boete of eeuwige beloning. Vanzelfsprekend zijn er ethische en andere wetten nodig in een samenleving, maar die moet de mensheid zelf in onderling overleg uitwerken. Zich voor een ethisch oordeel beroepen op een goddelijke openbaring, van welke aard ook, is vermetel en een ontkenning van de eigen menselijke verantwoordelijkheid.
Mirakels zijn geen goed bewijsmateriaal, herhaalt Spinoza: met een onverklaarbaar gebeuren bewijs je niets, een mysterie verklaart niets; iets dat strijdig is met de natuurwetten kan je niet als argument gebruiken, dat is een bewijs uit het ongerijmde: credo quia absurdum. In plaats van een redenering te bewijzen op grond van het feit dat het tegenovergestelde onmogelijk is (reductio ad absurdum), bewijst men met mirakels de waarheid op grond van het feit dat er geen natuurlijke verklaring is. Zie ook E1app. …attulerunt novum modum argumentandi, reducendo scilicet, non ad impossibile, sed ad ignorantiam, waar Spinoza vrijwel dezelfde bewoordingen gebruikt om elke teleologische redenering te ontkrachten.
Het feit dat God zelfs de natuurwetten kan verbreken, moet gelden als een bewijs van zijn almacht. Het feit dat zijn priesters en profeten mirakels kunnen doen, geldt als een bewijs dat ze uitzonderlijke boodschappers zijn van God. De mirakels van Jezus zijn een onweerlegbaar bewijs van zijn goddelijkheid. Al de mirakels samen vormen een bewijs voor de waarheid van de christelijke godsdienst. Dat is een enorm risico: wanneer men kan aantonen dat die gebeurtenissen helemaal niet miraculeus zijn, of dat het absoluut onwaarschijnlijk of zelfs onmogelijk is dat ze hebben plaatsgevonden, ontneemt men het geloof zijn legitimiteit.
En kom alsjeblieft niet met Bijbelcitaten aandraven: Christus is wonderbaarlijk verschenen, doch enkel aan zijn volgelingen, en dat zijn geen objectieve getuigenissen. Hoe kan Christus overigens aan Gods rechterzijde zetelen, wanneer God geen linker- of rechterzijde heeft en niet op één plaats is, maar volgens de catechismus zelfs op alle plaatsen? Bovendien is de materie overal eender en kan ze geen onmogelijke spookachtige vormen aannemen, zoals bij verschijningen, en is er geen denkbeeldige hemel ‘boven’ de aarde, waar God zetelt. En een lichaam behoudt zijn vorm door het materiële evenwicht tussen dat lichaam en zijn omgeving, anders zou het uiteenvallen in zijn samenstellende delen. Als we met dat alles rekening houden, dan zijn de verschijningen van Jezus niet reëel, maar moet men ze bekijken zoals andere verschijningen uit de Bijbel, zoals de ontmoeting van de drie personen met Abraham in Gen 18. Abraham was ervan overtuigd dat hij die personen werkelijk zag, maar het waren slechts waanbeelden van zijn verbeelding.
En ja, de personen aan wie God of Christus verscheen waren ervan overtuigd dat hij werkelijk verscheen, onder welke vorm dan ook, maar dat waren slechts gedachten die in hen opkwamen, binnen hun eigen beperkt bevattingsvermogen.
De verschijningen en ook verrijzenis uit de dood van Jezus of van andere personen zijn mentale voorstellingen die in de apostelen zijn opgekomen omdat ze enkel op die manier de gebeurtenissen konden verklaren. Het gaat niet om ware gebeurtenissen, maar om specifieke goddelijke ingevingen (zoals alle gedachten goddelijke ingevingen zijn) aangepast aan die specifieke mensen, en die zij op die specifieke manier hebben verwoord. Hoe kan men anders begrijpen dat de ‘doden hun doden begraven’? (Mt 8, 22; Lk 9, 60) Doden kunnen helemaal niets meer, laat staan andere doden begraven. Deze tekst kan onmogelijk letterlijk genomen worden; en zo is het ook voor getuigenissen over verschijningen, verrijzenissen en hemelvaarten.
De ware betekenis is niet dat een mens genaamd Jezus gestorven en verrezen is, dat hij vervolgens herhaaldelijk verschenen is aan zijn leerlingen en dan voor hun ogen ten hemel is opgestegen, maar dat hij een voorbeeldig leven heeft geleid, tot de dood toe, en een vorm van eeuwigheid heeft bereikt die ook zijn volgelingen te beurt valt wanneer zij hem nabootsen in zijn leven en dood. Zo moet men Paulus’ relaas in I Kor 15 begrijpen, want als men het letterlijk neemt, klopt er helemaal niets van.
Op die manier kan en moet men trouwens moeiteloos het hele evangelie symbolisch interpreteren, zelfs als men geen rekening houdt met het feit dat de Joden een beeldrijke, materiële taal gebruiken om de dingen te duiden, terwijl de christenen veeleer een symbolische betekenis geven aan hun woorden.
Oldenburg wijst erop dat de kennis van de mens beperkt is. Precies, beaamt Spinoza: de mensen zijn dom en dwaas. Hoe zouden we dan in staat zijn, zoals Oldenburg beweert, om uit te maken tot wat de natuur in staat is, en wat haar mogelijkheden te boven gaat? (zie E3p2s) Het is dus helemaal niet aanmatigend, maar juist bescheiden om mirakels als normale natuurverschijnselen te verklaren, en wat we niet kunnen verklaren als (voorlopig) onverklaarbaar te beschouwen, maar nog altijd als een normaal natuurverschijnsel, en het niet in te roepen als een bovennatuurlijk bewijs van het bestaan van een almachtige en door willekeur geleide God.
Spinoza leest Oldenburg ook nog even de les over zijn interpretatie van de Schrift. Wij westerlingen begrijpen het zeer concrete taalgebruik van het Midden-Oosten niet, en ook Johannes en Paulus waren Joden, ook al zijn hun geschriften in het Grieks overgeleverd. Wanneer de Schrift zegt dat God zijn volk voorging in een wolk, moeten we niet denken dat God echt de gedaante heeft aangenomen van een wolk, of zich in een wolk veranderd heeft. God was aanwezig in Jezus, en Jezus noemde zich daarom de tempel Gods (Mt 12, 6-8; Mt 26, 61). God sprak in Jezus, wat Johannes ertoe bracht om te zeggen dat het Woord vlees is geworden (Joh 1, 14). Dat alles is echter nog geen reden om te stellen dat God werkelijk een mens van vlees en bloed geworden is, of nog dat de mens Jezus werkelijk God was.
Daarmee acht Spinoza zijn betoog als beëindigd. Hij heeft Oldenburgs bezwaren weerlegd met gelijksoortige argumenten, Bijbelwoord voor Bijbelwoord, zoals hij ook in de TTP doet. Maar in feite gaat het over twee totaal tegengestelde godsopvattingen, zoals hij aangekondigd had. In de Ethica zal hij onomwonden zijn eigen De Deo schrijven, zonder zich nog erg druk te maken om het christelijk Godsbeeld, of om de traditionele theologische argumenten en bezwaren. De discussie met mensen als Oldenburg is even zinloos als de discussie van de zogeheten Nieuwe Atheïsten van onze tijd met de zeldzame overblijvende overtuigde gelovigen in onze contreien. Die gelovigen beweren, zoals Schleiermacher dat al deed, dat er een God is die niet in het rationeel filosofisch denken te vatten is, maar enkel in het geloof. De atheïsten beweren, zoals William James dat deed, dat geloven een louter subjectieve emotionele ervaring is zonder enige objectief aanwijsbare waarheidswaarde, en met tal van inherente gevaren, zoals blijkt uit de geschiedenis, tot op de dag van vandaag.
Dat geloof kan enkel overleven als het verbreid wordt door krachtige godsdienstige figuren zoals de profeten, of door een machtige organisatie zoals een wereldkerk, en dan nog enkel onder een bevolking die arm is en slecht opgeleid. De graad van godsdienstigheid van een bevolking is omgekeerd evenredig met haar welvaart en beschaving. Spinoza reikt in zijn Ethica een Godsopvatting aan die ontdaan is van alle bijgeloof en van alle wereldse machtswellust. Dat hebben filosofen, theologen en machtshebbers zeer goed ingezien. Zolang de filosofie ten dienste stond van de theologie en het kerkelijk machtsapparaat, hebben zij Spinoza verketterd. Van zodra zij zich daarvan kon vrijmaken, heeft ze hem leren waarderen. Theologen en bedienaars van de godsdienst zullen zich echter nooit met de pure Godsopvatting van Spinoza kunnen verzoenen: zij maakt hen immers overbodig.
In die zin is de God van Spinoza de God van een toekomstige wereld, waarin alle mensen broeders en zusters zijn, vrij en gelijk, en in staat om hun rijke mogelijkheden ongehinderd, ja onvoorwaardelijk aangemoedigd, ten volle te ontplooien.