E1p9-14
Stelling 9 Hoe meer werkelijkheid of bestaan elk ding heeft, hoe meer attributen eraan toekomen.
Bewijs: dat blijkt uit definitie 4.
Stelling 10 Elk attribuut van de ene substantie moet men op zich begrijpen.
Bewijs: volgens definitie 4 is een attribuut immers dat wat het intellect waarneemt van een substantie als iets dat haar essentie uitmaakt; en dus moet men, volgens definitie 3, het op zich begrijpen.
Scholium: hieruit blijkt dat hoewel twee attributen als werkelijk verschillend begrepen worden, i.e. het ene zonder de hulp van het andere, wij daaruit nochtans niet kunnen besluiten dat die zelf twee zijnden, of twee verschillende substanties uitmaken. Het is namelijk eigen aan de natuur van de substantie dat elk van haar attributen op zich beschouwd wordt, aangezien immers al de attributen die ze heeft altijd tezamen in haar waren, en het ene attribuut niet door een ander kan voortgebracht worden, maar elk attribuut de werkelijkheid, of het zijn, van de substantie uitdrukt. Het is dus bijlange niet absurd om aan één substantie verscheidene attributen toe te kennen. Niets is immers duidelijker in de natuur dan dat elk zijnde onder een of ander attribuut moet begrepen worden en dat naarmate het meer werkelijkheid of zijn heeft, het meer attributen heeft, die zowel de noodzakelijkheid of de eeuwigheid als de onbeperktheid uitdrukken. En dus is eveneens niets duidelijker dan dat een absoluut onbeperkt zijnde noodzakelijkerwijs moet gedefinieerd worden (zoals we in definitie 6 vermeld hebben) als een zijnde dat bestaat uit oneindig veel attributen waarvan elk een zekere eeuwige en onbeperkte essentie uitdrukt. Wanneer men dus vraagt waaraan wij dus de verscheidenheid van substanties kunnen onderkennen, moet men de hiernavolgende stellingen lezen, die aantonen dat er slechts een enkele substantie mogelijks kan bestaan en dat die absoluut onbeperkt is en om die reden zal men vruchteloos naar zoiets zoeken.
Stelling 11 God, of de substantie die bestaat uit oneindig veel attributen, waarvan elk attribuut de eeuwige en onbeperkte essentie uitdrukt, bestaat noodzakelijkerwijs.
Bewijs: als je dat ontkent, denk dan eens, als dat kan, dat God niet bestaat. Dan (volgens axioma 7) houdt zijn essentie zijn bestaan niet in. Maar dat is (volgens stelling 7) absurd. Dus bestaat God noodzakelijkerwijs, q.e.d.
Alternatief: van elk ding moet men de oorzaak aanwijzen of de reden, zowel waarom het bestaat of waarom het niet bestaat. Bijvoorbeeld: als een rechthoek bestaat, moet er een reden of een oorzaak zijn waarom hij bestaat; als hij evenwel niet bestaat, moet er ook een reden of een oorzaak zijn die verhindert dat hij bestaat, of die zijn bestaan opheft. Die reden of oorzaak moet dan wel ofwel gelegen zijn binnen de natuur van het ding, ofwel daarbuiten. Bijvoorbeeld: de reden waarom een vierkante cirkel niet bestaat, blijkt uit zijn natuur zelf, omdat dat namelijk een contradictie inhoudt. Waarom de substantie daarentegen wel bestaat, volgt eveneens uitsluitend uit haar natuur, namelijk omdat die het bestaan inhoudt (zie stelling 7). De reden echter waarom een cirkel of een driehoek bestaat of niet bestaat, volgt niet uit hun natuur, maar uit de ordening van de universele lichamelijke natuur. Daaruit moet immers volgen dat een driehoek nu noodzakelijkerwijs bestaat, ofwel dat het onmogelijk is dat hij nu bestaat. Dat is allemaal uit zichzelf manifest zo. Uit dat alles volgt dat iets noodzakelijkerwijs bestaat als er geen enkele reden of oorzaak is die verhindert dat het bestaat. Als er dus geen enkele reden of oorzaak is die verhindert dat God bestaat, of die zijn bestaan opheft, moet men ten enenmale besluiten dat hij noodzakelijkerwijs bestaat. Maar als er een dergelijke reden of oorzaak bestaat, moet die ofwel in de natuur zelf van God bestaan, of daarbuiten, i.e. in een andere substantie met een andere natuur. Want als die van dezelfde natuur zou zijn, zou men daardoor het bestaan van God moeten aannemen. Maar een substantie die van een andere natuur zou zijn, zou niets gemeen kunnen hebben met God (volgens stelling 2) en zou bijgevolg zijn bestaan niet kunnen instellen of opheffen. Aangezien dus de reden of de oorzaak die de goddelijke existentie zou opheffen niet buiten de goddelijke natuur kan bestaan, zal ze, althans indien God niet bestaat, noodzakelijkerwijs moeten bestaan in zijn natuur zelf, en dan houdt die een contradictie in. Maar zoiets beweren over een absoluut, onbeperkt en in de hoogste mate volmaakt wezen is absurd. Dus is er noch in God noch buiten God enige oorzaak of reden die zijn bestaan opheft, vandaar dat God noodzakelijkerwijs bestaat, q.e.d.
Alternatief: niet kunnen bestaan is een onvermogen en in tegenstelling daarmee is bestaan een vermogen (wat op zich duidelijk is). Indien derhalve datgene wat nu noodzakelijkerwijs bestaat niets anders is dan begrensde dingen, dan zijn de begrensde dingen meer vermogend dan een absoluut onbegrensd wezen, maar dat is (dat is op zich duidelijk) absurd. Dus bestaat er ofwel niets, ofwel bestaat er noodzakelijkerwijs ook een wezen dat absoluut onbeperkt is. Maar wij bestaan, ofwel in onszelf, ofwel in iets anders dat noodzakelijkerwijs bestaat (zie axioma 1 en stelling 7). Dus bestaat er een absoluut onbeperkt wezen, i.e. (volgens definitie 6) God bestaat noodzakelijkerwijs, q.e.d.
Scholium: in deze laatste bewijsvoering heb ik het bestaan van God a posteriori willen aantonen, zodat men het bewijs gemakkelijker zou verstaan, maar niet omdat daaruit op dezelfde grond het bestaan van God niet a priori zou volgen. Want aangezien kunnen bestaan een vermogen is, volgt daaruit dat over hoe meer werkelijkheid iets beschikt, hoe meer krachten het uit zichzelf heeft om te bestaan en dat bijgevolg een absoluut onbeperkt wezen, oftewel God, uit zichzelf een absoluut onbeperkt vermogen heeft om te bestaan en daarom absoluut bestaat. Maar misschien zullen veel mensen dit bewijs niet evident kunnen vinden omdat ze gewoonlijk enkel die dingen onder ogen nemen die voortkomen uit externe oorzaken. En van die dingen stellen ze vast dat wat snel gemaakt is, i.e. wat gemakkelijk tot stand komt, ook gemakkelijk vergaat; anderzijds menen ze dat die dingen moeilijker te maken vallen, i.e. niet gemakkelijk tot stand komen, waarvan ze denken dat er meer voor nodig is. Maar om hen te bevrijden van dat vooroordeel voel ik me niet geroepen hier aan te tonen op welke manier er een waarheid steekt in het gezegde ‘snel gemaakt, snel gekraakt’, en evenmin of in verband met de hele natuur alles even gemakkelijk is of juist niet. Het volstaat echter hier enkel te noteren dat ik het hier niet heb over de dingen die uit externe oorzaken ontstaan, maar enkel over substanties, die (volgens stelling 6) door geen enkele externe oorzaak kunnen voortgebracht worden. Dingen die door externe oorzaken ontstaan, of ze nu bestaan uit vele onderdelen of weinig, danken al wat ze aan volmaaktheid of werkelijkheid hebben aan de kracht van een externe oorzaak; en dus ontstaat hun bestaan alleenlijk uit de volmaaktheid van een externe oorzaak, en niet uit hun eigen. Maar wat integendeel een substantie heeft aan volmaaktheid, dankt zij aan geen enkele externe oorzaak; daarom moet ook haar bestaan alleenlijk uit haar natuur volgen, die omwille daarvan niets anders is dan haar essentie. Volmaaktheid heft dus het bestaan van iets niet op, maar stelt het integendeel in; maar onvolmaaktheid heft het daarentegen op; vandaar dat we van het bestaan van geen enkel ding zekerder kunnen zijn dan van het bestaan van een wezen dat absoluut onbeperkt oftewel volmaakt is, i.e. God. Want aangezien immers zijn essentie elke onvolmaaktheid uitsluit en de absolute volmaaktheid inhoudt, neemt die net daardoor elke reden tot twijfel over zijn bestaan weg en geeft daarover de hoogste zekerheid. Ik meen dat dit glashelder zal zijn voor iedereen die er zelfs maar matig over nadenkt.
Stelling 12 Het is waarlijk onmogelijk een attribuut te bedenken van de substantie waaruit zou volgen dat een substantie deelbaar zou zijn.
Bewijs: de delen waarin een aldus gedachte substantie zou onderverdeeld worden, zullen immers ofwel de natuur van de substantie behouden, ofwel niet. In het eerste geval zal elk deel (volgens stelling 8) onbegrensd moeten zijn en, volgens stelling 6 oorzaak van zichzelf en (volgens stelling 5) ook moeten bestaan uit een ander attribuut en bijgevolg zouden er uit één substantie veel andere kunnen tot stand gebracht worden, wat volgens stelling 6 absurd is. Voeg daaraan toe dat die delen (volgens stelling 2) niets gemeen hebben met hun geheel, en dat geheel (volgens definitie 4 en stelling 10) zonder zijn delen zowel kan bestaan als denkbaar is, maar niemand zal kunnen betwijfelen dat dat absurd is. Stel echter dat het tweede het geval is, namelijk dat de delen de natuur van de substantie niet zouden behouden; wanneer dan bijgevolg de hele substantie in identieke delen verdeeld is, verliest ze haar natuur van substantie en houdt op te bestaan, wat (volgens stelling 7) absurd is.
Stelling 13 Een absoluut onbeperkte substantie is ondeelbaar.
Bewijs: als ze deelbaar zou zijn, zouden de delen waarin ze verdeeld wordt ofwel de natuur van een absoluut onbeperkte substantie behouden, ofwel niet. In het eerste geval zouden er dan verscheidene substanties zijn met dezelfde natuur, wat (volgens stelling 5) absurd is. In het tweede geval kan bijgevolg (zoals hierboven) de absoluut onbeperkte substantie ophouden te bestaan, wat (volgens stelling 11) eveneens absurd is.
Corollarium: hieruit volgt dat geen enkele substantie, en bijgevolg geen enkele lichamelijke substantie, in de mate dat het een substantie is, deelbaar is.
Scholium: dat een substantie ondeelbaar is, zal men gemakkelijker hieruit begrijpen, dat men de natuur van een substantie niet kan begrijpen tenzij als onbeperkt, en dat men onder een deel van een substantie niets anders kan begrijpen dan een begrensde substantie, wat (volgens stelling 8) een manifeste contradictie inhoudt.
Stelling 14 Behalve God kan er geen enkele substantie zijn of denkbaar zijn.
Bewijs: aangezien God een absoluut onbeperkt wezen is, waarvan geen enkel attribuut dat de essentie van een substantie uitdrukt, ontkend kan worden (volgens definitie 6), en dat wezen noodzakelijkerwijs bestaat (volgens stelling 11), dan zou, indien er behalve God nog een andere substantie bestaat, die verklaard moeten worden door een attribuut van God en dan zouden er zo van hetzelfde attribuut twee substanties bestaan, wat (volgens stelling 5) absurd is. Dus kan er geen andere substantie bestaan behalve God en bijgevolg kan die al evenmin gedacht worden. Want als men die zou kunnen bedenken, zou die noodzakelijkerwijs moeten gedacht worden als bestaand. Maar dat is absurd (volgens het eerste deel van dit bewijs). Dus kan er behalve God geen enkele substantie zijn noch denkbaar zijn, q.e.d.
Corollarium 1: hieruit volgt overduidelijk 1° dat God uniek is, i.e. (volgens definitie 6) dat er slechts één substantie mogelijks kan bestaan en dat die absoluut onbegrensd is, zoals wij al aangaven in het scholium bij stelling 10.
Corollarium 2: 2° dat het uitgebreide en het denkende ofwel attributen zijn van God, ofwel (volgens axioma 1) toestanden van attributen van God.


