Naar de inhoud

sprokkelhout

akke.beakke.be

Archief

Annabel Lee

Ik heb geen mooie Nederlandse vertaling van het gedicht gevonden, maar wel een van de Portugese dichter Pessoa. Voor de liefhebbers laat ik ze hier volgen.

ANNABEL LEE *
(de Edgar Allan Poe)

Foi há muitos e muitos anos já,
Num reino de ao pé do mar.
Como sabeis todos, vivia lá
Aquela que eu soube amar;
E vivia sem outro pensamento
Que amar-me e eu a adorar.

Eu era criança e ela era criança,
Neste reino ao pé do mar;
Mas o nosso amor era mais que amor --
O meu e o dela a amar;
Um amor que os anjos do céu vieram
a ambos nós invejar.

E foi esta a razão por que, há muitos anos,
Neste reino ao pé do mar,
Um vento saiu duma nuvem, gelando
A linda que eu soube amar;
E o seu parente fidalgo veio
De longe a me a tirar,
Para a fechar num sepulcro
Neste reino ao pé do mar.

E os anjos, menos felizes no céu,
Ainda a nos invejar...
Sim, foi essa a razão (como sabem todos,
Neste reino ao pé do mar)
Que o vento saiu da nuvem de noite
Gelando e matando a que eu soube amar.

Mas o nosso amor era mais que o amor
De muitos mais velhos a amar,
De muitos de mais meditar,
E nem os anjos do céu lá em cima,
Nem demônios debaixo do mar
Poderão separar a minha alma da alma
Da linda que eu soube amar.

Porque os luares tristonhos só me trazem sonhos
Da linda que eu soube amar;
E as estrelas nos ares só me lembram olhares
Da linda que eu soube amar;
E assim 'stou deitado toda a noite ao lado
Do meu anjo, meu anjo, meu sonho e meu fado,
No sepulcro ao pé do mar,
Ao pé do murmúrio do mar.

Hoe vind je dit bericht? 3 stemmen
Geschreven door john om 21:21 Reageer op dit bericht

Poe: Annabel Lee

Edgar Allan Poe: Annabel Lee

 

 

 

 

Poe schreef dit gedicht in 1849, het jaar van zijn dood. Men gaat ervan uit dat de Annabel Lee uit het gedicht zijn echtgenote was die twee jaar tevoren aan tbc was gestorven. Hij had haar gehuwd in 1836, toen ze dertien jaar was.

 

Onderwerp van het gedicht is de onsterfelijke liefde tussen de spreker en het meisje (the maiden, de maagd, op haar onschuld en zuiverheid te benadrukken). Hun liefde was zo sterk dat ze de afgunst opwekte van de engelen, die een koude wind naar de aarde zonden die Annabel Lee het leven zou benemen. Maar ook na haar dood blijft de liefde tussen beiden voortbestaan. In de laatste strofe ligt de dichter ’s nachts bij het graf van zijn geliefde.

 

Het gedicht ontleent zijn charme vooral aan het ritme en de vele herhalingen, de binnenrijmen (chilling and killing, ever dissever), enz.

Bij het herhalen van de naam van Annabel Lee valt het volgende op. In de eerste strofe wordt haar naam vermeld zonder lidwoord of bezittelijk voornaamwoord. Het is ook de lezer die wordt aangesporken en die wel al eens zal gehoord hebben van iemand met de naam Annabel Lee. Pas in het laatste woordje van die eerst strofe me doet de dichter zijn intrede. In de strofen 2 tot 5 spreekt hij dan van my Annabel Lee, en in de laatste strofen, als ze dood is, wordt het the beautiful Annabel Lee.

 

De openingszin begint als een sprookje met daarbovenop een koninkrijk en de liefde tussen de twee personen (Romeo and Juliet). Een idyllische setting.

In de tweede strofe wordt de idylle voortgezet. Het gaat om twee kinderen. En de serafijnen, de hoofdengelen, zijn jaloers op de liefde tussen die twee. Het moet dus wel een erg grote liefde zijn, als zelfs de engelen naar een dergelijke liefde hunkeren. Het optreden van de engelen is nog niet echt bedreigend.

In de derde en de vierde strofe heeft het drama zich voltrokken, en de engelen krijgen de schuld van haar dood. In de volgende twee strofen is het de liefde die over de dood heen overwint. Op het eind ligt hij naast zijn geliefde bij het graf. Maar het einde is dubbelzinnig. De laatste twee regels kan men ook lezen als de dichter die bij haar in het graf ligt, dat hij ook verkiest om dood te zijn.

 

De afbeelding is een portret van Poe’s echtgenote.

 

Hoe vind je dit bericht? 5 stemmen
Geschreven door john om 00:00 Reageer op dit bericht

Les soirées de Médan

Les soirées de Médan

 

In 1878 koopt Zola in Médan, in de omgeving van Parijs, een huis om rustig te kunnen schrijven. Het wordt een trefpunt van een aantal jonge schrijvers die de romantiek, de fantasie en de sentimentaliteit afzweren en de naturalistische werken van Zola als voorbeeld nemen. Ze komen overeen om gezamenlijk een bundel verhalen te publiceren met als onderwerp de Frans-Duitse oorlog van 1870. In alle verhalen worden het burgerlijke fatsoen, het conformisme, de valse heroïek, enz. op de korrel genomen. De auteurs die eraan meewerken zijn Zola, de Maupassant, Huysmans, Céard, Hennique en Alexis. Ik ga me hier beperken tot het verhaal van Guy de Maupassant (1850 – 1893), het enige dat speciaal voor deze bundel werd geschreven en het enige ook dat het lezen waard is. De titel is Boule de suif of  Vetbolletje.

Rouen is door de Pruisen bezet en een aantal mensen willen om verschillende redenen weg uit de stad. Het gezelschap bestaat uit drie burgerlijke koppels, twee kloosterzusters, een democraat en een lichtekooi, namelijk Vetbolletje. De rit per diligence verloopt niet voorspoedig en duurt veel langer dan verwacht. Vetbolletje is de enige die zich van eten had voorzien en ze deelt dat gul met haar medereizigers. De groep moet overnachten in een dorpje, maar de volgende dag mag hij van de Duitse officier niet vertrekken, tenzij Vetbolletje met hem het bed wil delen. Zij is echter een echte patriot en weigert. Toch zullen de anderen haar na verloop van tijd kunnen overhalen.

De Maupassant gebruikt dit verhaal vooral om de hypocrisie, het egoïsme en de ondankbaarheid van de burgerij te ontmaskeren. Hij doet dat op een meesterlijke manier. Vetbolletje is de enige persoon die menselijk overkomt.

 

Ik las dit boek in een Nederlandse vertaling, uitgegeven door Het Spectrum in 1982. Het is niet nodig om op zoek te gaan naar dat boek, want alleen het werk van Guy de Maupassant is geslaagd. Het is dus interessanter om een bundel verhalen van deze auteur te lezen. Al zijn verhalen zijn niet zo lang geleden in het Nederlands vertaald.

 

De uitvergrote afbeelding kunt u bekijken op het volgende adres: http://membres.lycos.fr/jccau/ressourc/romnatu/medan/medan.htm

 

Hoe vind je dit bericht? 3 stemmen
Geschreven door john om 08:25 Reageer op dit bericht

Albrecht Dürer: Zelportret met eryngium

Albrecht Dürer: Zelportret met eryngium

 

Dit portret schilderde Dürer in het jaar 1493. Hij was toen 22 jaar. Het portret bevindt zich in het Louvre.U vindt er een afbeelding van op het volgende adres:

 

http://kunst.gymszbad.de/zab2006/ts-1/duerer/duerer-selbst-1493.htm

 

 

Het is het eerste autonome zelfportret dat in het Noorden werd geschilderd. Toen Dürer in 1490 als schildersgezel op reis was naar Colmar, Basel en Straatsburg,  nam zijn vader contact op met Hans Frey, een rijke patriciër uit Nürnberg. De vader van Dürer, een goudsmid, wilde een huwelijk van zijn zoon met Agnes Frey arrangeren. Dit zou voor Albrecht een stap vooruit op de maatschappelijke ladder betekenen. Dankzij de bruidschat van zijn vrouw kon hij zich zelfstandig vestigen. Er is wel eens beweerd dat Dürer dit portret zou hebben geschilderd om zichzelf in een gunstig daglicht te stellen bij zijn toekomstige schoonvader. Over zijn huwelijk met Agnes Frey is niet zo veel geweten. Het zou niet echt een romantisch huwelijk geweest zijn dat bovendien kinderloos bleef. De kleren op het portret zijn die van een jonker en doen nogal fatterig en verwijfd aan. Ze waren bijvoorbeeld in strijd met de toen geldende kledingsnormen in Nürnberg, die o.a. voorschreven dat de kleren vooraan gesloten moesten zijn (claydung vorn an zu gethan) en dat er geen goud in verwerkt mocht zijn, wat op dit schilderij wel het geval is in de boord van het hemd.  De tekst boven het schilderij luidt: „My sach die gat / Als oben schtat“, of:  Mijn leven hier verloopt zoals het boven wordt bepaald. Mijn leven ligt in Gods handen.

De plant in zijn hand is een distelsoort, die de bijnaam Männertreue had. Volgens sommige interpreten verwijst de plant naar het aanstaande huwelijk, de echtelijke trouw of ook de mannelijkheid, volgens andere verwijst ze naar het lijden van Christus. 

 

Dit portret is nog echt het portret van een jongeling. Op de zelfportretten van 1498 (Prado) en 1500 (München), heeft hij zich als een echte man afgebeeld. Is het  haar in het eerste portret nog sluik en natuurlijk, in de twee andere is het gefriseerd. Op het portret van 1493 zien we een lichte baardgroei, op de andere is de baard volgroeid. Opvallend is ook dat de ogen niet gelijk gecentreerd zijn. Op het portret van 1500 heeft hij dat gecorrigeerd.

Opvallend op het schilderij zijn ook de rode toetsen. Het hoofddeksel, de lippen, de boorden van mantel en mouw, en het frivole rode bandje op de rechterschouder. Het ingesnoerde hemd doet eerder aan een vrouwenhemd denken.

Hoe vind je dit bericht? 5 stemmen
Geschreven door john om 00:00 1 reactie Reageer op dit bericht

Hugo von Hofmannsthal: Der Tor und der Tod

Hugo von Hofmannsthal: Der Tor und der Tod

 

Een kort drama in verzen van een Duitse symbolistische auteur die leefde van 1874 tot 1929. Behalve als dichter is hij ook bekend als librettoschrijver van opera’s van Richard Strauss, o.a. Der Rosenkavalier en Die Frau ohne Schatten.

 

Claudio, een edelman van middelbare leeftijd denkt na over zijn leven en komt tot de vaststelling dat het een mislukking is geweest. Hij kijkt uit het raam, ziet het landschap en  denkt aan de landlieden voor wie het leven eenvoudig is, die verbonden zijn met de natuur.

Hij is de denker en piekeraar.

 

Sie können sich mit einfachen Worten,

Was nötig zum Weinen und Lachen, sagen.

Müssen nicht an sieben vernagelte Pforten

Mit blutigen Fingern Schlagen.

 

Hij stond nooit midden in het leven, was een toeschouwer die geen greep kreeg op het leven.

 

Ich hab mich so an Künstliches verloren,

Daß ich die Sonne sah aus toten Augen

Und nicht mehr hörte als durch tote Ohren.

 

Hofmannsthal was een vroegrijpe jongeman. Hij schreef dit werk op achttienjarige leeftijd. Hij was erg belezen en vertoefde in de Weense  kringen van symbolisten. Hun grote voorbeelden waren de Franse dichters Buadelaire, Mallarmé, de Belg Maeterlinck, enz. In die periode waren zij echter niet de enigen op het toneel. Er was ook een groep naturalistische schrijvers met onder andere Gerhart Hauptmann van wie rond die tijd het toneelstuk De Wevers werd opgevoerd. Die sociale bewogenheid ontbreekt bij Hofmannsthal volledig.

 

Maar laten we verder gaan met het verhaal. Plots hoort Claudio iemand op de viool spelen. Die muziek doet opnieuw leven in hem stromen. Hij herinnert zich de gevoelsrijkdom van zijn kinderjaren.

 

Wie waren da lebendig alle Dinge

Dem liebenden Erfassen nahgerückt,

Wie fühlt ich mich beseelt und tief entzückt,

Ein lebend Glied im großen Lebensringe!

 

Aanvankelijk denkt hij dat een bedelmuzikant de muziek speelt:

 

Der diese Wunderwelt unwissend hergesandt,

Er hebt wohl jetzt nach Kupfergeld die Kappe,

Ein abendlicher Bettelmusikant.

 

Maar het is geen bedelmuzikant, het is de Dood die op de viool speelt. Inspiratie hiervoor vond de auteur waarschijnlijk in het zelfportret van Böcklin uit 1872 (zie afbeelding).

De dood zegt dat hij niet dat verschrikkelijke wezen is. Integendeel, hij was het die de ziel van Claudio vroeger steeds in beroering bracht. Hij zorgde voor de mooie momenten. Maar toch, als Claudio vraagt:

 

Doch wozu bist du eigentlich gekommen ?

Antwoordt de dood:

Mein Kommen, Freund, hat stets nur einen Sinn !

 

Claudio wil echter nog niet doodgaan. Hij realiseert zich dat hij nog niet echt heeft geleefd. Hierbij vallen me de regels van Achterberg in uit het eerste gedicht van de bundel Zestien:

Ik heb nog niet geleefd

dan enkel maar om dood te gaan.

 

De dood laat dan enkele overledenen verschijnen: zijn moeder, een jonge vrouw en een vriend. Geen van allen heeft Claudio destijds liefde geschonken. Hij nam maar gaf niets in de plaats. Zo spreekt zijn geliefde over vroeger:

                        Alles das ist hin,

Gestorben, was daran lebendig war!

Und liegt in unsrer Liebe kleinen Grab.

 

In de laatste monoloog blikt Claudio terug op zijn mislukte leven. Hij komt terug op het vioolspel, en hierin horen we een vroege Freud aan het woord (Die Traumdeutung is van 1900).

Warum erklingt uns nicht dein Geigenspel,

Aufwühlend die verborgne Geisterwelt,

Die unser Busen heimlich hält,

Verschüttet, dem Bewußtsein so verschwiegen,

Wie Blumen im Geröll verschüttet liegen ?

 

Nu, op het moment dat hij gaat sterven, ervaart hij voor het eerst de volheid van het leven:

 

Erst, da ich sterbe, spür ich, daß ich bin.

 

In eine Stunde kannst du Leben pressen,

Mehr als das ganze Leben konnte halten,

Das Schattenhafte will ich ganz vergessen

Uns weih mich deinen Wundern und Gewalten.

 

Het laatste woord komt van de dood, die de mensen niet begrijpt:

 

Wie wundervoll sind diese Wesen,

Die, was nicht deutbar, dennoch deuten,

Was nie geschrieben wurde, lesen,

Verworrenes beherrschend binden

Und wege noch im Ewig-Dunkeln finden.

 

 

 

Hoe vind je dit bericht? 4 stemmen
Geschreven door john om 21:23 Reageer op dit bericht

Jim Crace: De man die de wereld wilde verbeteren

Jim Crace: De man die de wereld wilde verbeteren

 

Een roman uit 1994 die in het Engels Signals of Distress heet.

1836 en storm voor de Engelse westkust ter hoogte van het dorpje Wherrytown. Een pakketboot heeft nog kunnen aanmeren in de haven maar een schip met Amerikanen aan boord en een lading koeien strandt voor de kust. Van de koeien, die te water werden gelaten en aan land moesten zien te geraken, verdrinken er een aantal. Bij de bemanning is er maar een drenkeling.

Aan boord van de pakketboot was Aymer Smith. Hij is mede-eigenaar van een zeepfabriek in Londen. De man is een zonderlinge wereldverbeteraar. Hij is naar dit gat afgezakt om de mensen er mee te delen dat zijn firma hun kelp (d.i. zeewier) niet meer zal afnemen, omdat ze nu een chemisch procédé toepast om zeep te maken.

We maken dan kennis met de verschillende mensen uit het dorp en hun belevenissen met de aangespoelde Amerikanen. Een van hen was een neger die als slaaf werkte op het gestrande schip. Die ziet men daar voor het eerst, en nadat Aymer hem heeft helpen vluchten, krijgt hij de schuld van wat er allemaal misloopt in het dorp.

 

Het is een humoristisch werk. Alles draait rond Aymer Smith, een eigenwijze man die helemaal niet in die gemeenschap past. De roman verveelt niet, is goed geschreven, maar heeft verder niet veel om het lijf.

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door john om 20:29 Reageer op dit bericht

Andrej Platonov: De bouwput

Andrej Platonov: De bouwput

 

 

Wosjtev wordt op zijn dertigste ontslagen in de machinefabriek. De Reden: In het desbetreffende stuk deelde men hem mee, dat hij uit de produktie werd verwijderd in verband met toenemende futloosheid en een neiging tot nadenken temidden van het algemene arbeidstempo.

Nadenken doet hij vooral over de zin van het leven. Ik dacht na over het arbeidsplan voor het leven in ’t algemeen. Over mijn eigen leven maak ik me niet druk, ik weet wel zo ongeveer hoe het in mekaar zit. … Als we de zin van alles wisten in ons hart, zou de produktie vanzelf omhoog gaan.

Een thema dat ook voorkomt in de vorige verhalen die ik besprak. Een goede en doeltreffende samenleving bouw je maar op vanuit het hart, niet vanuit de leerstellingen van het marxisme. Maar daar zijn de anderen het niet mee eens: Het geluk zal komen door het materialisme, kameraad Wosjtev, en niet door de zin van alles.

 

Na zijn ontslag trekt hij de wereld in. Hij komt aan een schuur waar veel mensen liggen te slapen. Deze mannen graven een grote bouwput waar een enorm gebouw moet op verrijzen. Wosjtev sluit zich bij die groep aan. Ook hier zet hij zijn zoektocht naar de zin van alles voort. Hij heeft veel vragen bij de heersende ideologie.

Men kan dit werk voor een stuk een filosofische roman noemen, waarin de filosofische grondslagen van het marxisme in vraag worden gesteld.  Daarbij is de concrete situatie van de bouwput de aanleiding. Was het wel waar dat iedere ‘basis’ een ‘bovenbouw’ voortbracht ? leverde iedere aktiviteit van het levende materiaal bij de mens een ziel op als bijprodukt ? Dit zijn dan weer vragen van de ingenieur Proesjevski, een man die beslist heeft om zelfmoord te plegen. We lezen in deze roman hoe het communisme in die tijd al, 1929, totaal niet aangepast was aan het dagelijks leven. Daarmee is niet gezegd dat die twee onverzoenbaar zijn, wel dat het toen verkeerd is gelopen. In het tweede deel van de roman volgt er een satire op de collectivisatie en op de oprichting van kolchozen. Het boek krijgt een absurdistische toon, met een beer als werknemer.

 

In nog een ander werk van Platonov las ik de volgende zin. Hij is ook toepasselijk op dit werk: De proletariër heeft gestreden, de ambtenaar heeft overwonnen.

 

Het boek is uitgegeven door Van Oorschot in 1976, met een herdruk in 1990. De vertaling is van Kees Verheul.

 

Waardering 10/10. Nogmaals, dit is een persoonlijke waardering, want ik kan me heel goed lezers voorstellen die het boek maar niks zullen vinden. Om het verhaal moet men deze roman zeker niet lezen, wel om de ideeën, de prachtige vondsten, en het hele scala van humor, parodie en ironie.  

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door john om 20:58 Reageer op dit bericht

Andrea Camilleri: Het geduld van de spin

Andrea Camilleri: Het geduld van de spin

 

Ik ben niet direct een fan van of specialist in thrillers.  Van deze Siciliaanse auteur had ik al enkele werken gelezen en het was me altijd wel bevallen. Hij moet het vooral hebben van zijn stijl en humor en als schrijver kent hij alle knepen van het vak. Vooral het eerste hoofdstuk, als de sympathieke commissaris Montalbano in het ziekenhuis ligt, half dood voor de dokters, maar goed bij zinnen, is heel amusant. Het thrillergehalte van dit werk was niet groot. Als niet-specialist had ik direct door hoe de plot zou verlopen. Aangename ontspanningslectuur.

 

Waardering: 7/10

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door john om 12:16 Reageer op dit bericht

Andrej Platonov: De verborgen mens/Thuiskomst

Andrej Platonov: De verborgen mens/Thuiskomst

 

De verborgen mens

Dit verhaal dateert van 1928. Het beschrijft een periode waarin de Russische burgeroorlog tussen de Bolsjewieken en de Witten nog aan de gang was. De hoofdpersoon Poechow is een technicus, gespecialiseerd in stoommachines. De eerste zin van het verhaal typeert hem al:

Foma Poechow was niet sentimenteel uitgevallen: op de doodkist van zijn vrouw sneed hij een gekookte worst aan plakjes, uitgehongerd als hij was door het heengaan van de huisvrouw.

Er heerst chaos in Rusland en Poechow probeert te overleven. Eerst werkt hij op een trein die sneeuw moet ruimen, later op een schip dat een landing op de Krim moet uitvoeren om de Witten te verjagen en ten slotte mag hij aardolie uit een boorput overpompen.

Hij is een fantast die leugenachtige verhalen vertelt om aan eten en een warme kamer te geraken en die soms ook noodlottige ideeën heeft. Hij loopt niet hoog op met de nieuwe leiders, de communisten en uit geregeld kritiek op de bureaucratie, het misplaatste idealisme en geloof in de revolutie enz. Maar die Z. was een klungel: voor ieder locomotiefwiel moest hij Karl Marx raadplegen.

Verder klaagt hij het absurde van de oorlog aan, vaak met bittere humor en bijtend sarcasme.

In de bergen en ergens in de verte klonk af en toe een schot, dat aan een onbekend leven een einde maakte.

‘Poechow, De oorlog is bijna afgelopen’ zei de commissaris op een keer. ‘Dat wordt hoog tijd, wij kleden ons alleen nog in ideeën, maar hebben geen broek om aan te trekken’.

 

Op het einde van het verhaal heeft Poechow eindelijk een positieve ervaring. ‘In Poechows door het leven dichtgegroeide ziel openbaarde zich plotseling een medegevoel met de mensen die, ieder voor zich, tegen de substantie van de wereld in bleven voortploeteren. De revolutie – dat was nu net het beste wat de mens kon overkomen, iets zekerder kon je je niet voorstellen. Een moeilijk en pijnlijk gebeuren, dat wel, maar direct erna die enorme opluchting, als na een bevalling.

 

Dit verhaal doet aan het werk van Céline denken, maar er zit meer humor en zelfrelativering in. In het dagelijks leven was Platonov ook een technicus, en de grote aandacht die hij aan de techniek besteedt, doet denken aan de futuristische Russische kunst uit die tijd en aan de Franse kunstenaar Léger. Verder worden we geïmponeerd door de uitgestrektheid van Rusland, de koude, enz.

 

De Thuiskomst

 

Een korter verhaal, geschreven in 1946. Van officiële zijde kwam er harde kritiek op, en na dit werk zou Platonov dan ook geen literair werk meer schrijven.

 

Een mankeert na vier jaar oorlog terug naar huis. Onderweg ontmoet hij een jonge vrouw, door wie hij enkele dagen later thuis arriveert. Zijn zoontje van 12 heeft de rol van de vader in het huishouden overgenomen. Zijn vrouw bekent dat ze in de afgelopen vier jaar andere mannen heeft gekend. Haar man verwijt het haar, pakt zijn plunjezak en neemt de trein naar de jonge vrouw die hij eerder had ontmoet. Als hij al op de trein zit, ziet hij hoe zijn zoon en dochter achter de trein aanhollen. Op dat ogenblik komt hij tot inzicht: ‘Voorheen had hij het leven door de tussenwand van zijn eigenliefde en eigenbelang ervaren, maar nu raakte hij het plotseling met een blootgelegd hart aan…

Hij springt dan ook uit de trein en wacht op zijn kinderen.


Ik heb dit verhaaltje intussen een tweede keer gelezen en het nog beter gevonden dan daarvoor.  Vooral hoe de vrouw de man op de hoogte brengt van haar slippertjes is grandioos geschreven. Eerst het niet toegeven en het daarna voorzichtig toch doen. En verder is er het zoontje van 12, een dergelijke kinderfiguur had ik nog nooit beschreven gezien. Het jongetje heeft dan ook meer de manieren van een volwassene dan van een kind. Zijn levenswijsheid is enorm.

Platonov leefde van 1899 tot 1951. Hij was de oudste van acht kinderen in een arbeidersgezin. Na zijn middelbare studie volgde hij de polytechnische spoorwegschool. In 1921 heerste er hongersnood en droogte in de Sovjet Unie. Hij liet de literatuur dan even staan en hield zich bezig met het aanboren van bronnen, irrigatie en droogleggen van moerassen. Hij was een aanhanger van de revolutie, maar bleef er toch meestal kritisch tegenover staan. Lid van de communistische partij is hij nooit geworden. Hij werd geweigerd omdat hij een intellectueel was.

 

Dit boekje is uitgegeven in de reeks Moderne Classics van Meulenhoff in 1988. De vertaling is van Charles B. Timmer.

 

Waardering: 9/10


 

Hoe vind je dit bericht? 7 stemmen
Geschreven door john om 00:00 Reageer op dit bericht

Herwig Hensen: Lady Godiva

Herwig Hensen: Lady Godiva

 

Hensen is in 1917 in Antwerpen geboren en overleed in 1989. Hij is in de eerste plaats bekend als dichter.

Dit werk is een toneelstuk dat gebaseerd is op de legende van Lady Godiva. Zij leefde in de elfde eeuw in Chester, Engeland.

 

Graaf Leofric, getrouwd met lady Godiva, is een hardvochtig heerser die zijn onderdanen uitzuigt. Daarnaast vermaakt hij zich graag met jonge deernen, hoewel hij impotent is.

De volksraad heeft Percy afgevaardigd om bij de gravin te pleiten voor het afschaffen van de belastingen. De twee worden verliefd op elkaar. Dit komt graaf Leofric ter ore. In een opwelling (Als Percy haar bloot ziet, mag iedereen haar bloot zien) verplicht hij zijn vrouw om naakt op een paard door de stad te rijden. Daarna zal hij de belasting afschaffen en de gevangengenomen Percy vrijlaten. Hij is echter zo jaloers van aard dat niemand haar rit mag zien, de mensen moeten binnen blijven en de luiken gesloten. Godiva stemt toe in de rit met in haar achterhoofd de gedachte om te vluchten met Percy. Deze laatste verandert echter van gedacht. De belasting is afgeschaft en zelf is hij geshockeerd door wat Lady Godiva heeft gedaan. Zo wordt ze door iedereen in de steek gelaten.

 

Dit had een stuk van Shakespeare kunnen zijn. Alle ingrediënten ervoor zijn aanwezig, tot en met een nar. De centrale tragische fuguur is Lady Godiva. Ze is als vrouw onvoldaan en zou het liefst haar man en het slot ontvluchten. Zij heeft zichzelf vernederd en opgeofferd voor het volk (afschaffen van de belasting) uit liefde voor Percy. Maar door beiden zal ze verraden worden. Percy verstoot haar en onder het volk doet al een spotrijm de ronde.

 

…Toen ging het los in een galop,

en zij lag op het paard:

in het begin, dicht aan den kop,

bij ’t eind, ver aan den staart.

 

Refrein

Mijn dochter smaalde : sapperli,

Mijn vrouw schold: sapperloot;

Maar ik, ik zong van tireli,

Want Godiva was bloot.

 

Was ergens nog een scheur misschien,

Was ergens nog een spleet;

Heb ik, hebt gij, heeft hij gezien,

Hoe schoon dat beestje reed ?

 

Helaas, hoe bij zo’n helsen rit

Een mens de kleur verwart:

Had nu het paard een vlekske wit,

Of zij een vlekske zwart ?

 

Afijn, afijn, den naasten keer

Vragen wij minder spoed,

En als het kan, een toerke meer,

En als het mag: te voet.

 

Het stuk dateert uit de veertiger jaren van de vorige eeuw. Mocht men de taal moderniseren, den denk ik dat dit toneelstuk met een knappe regisseur nog opvoerbaar zou zijn. De dialogen zijn gevat en amusant (tussen de nar en de kok (Oliver !)). En er zit voldoende psychologie in de personages.

 

De afbeelding is een schilderij van John Collier (1850 – 1934). Meer uitleg over de werkelijke Lady Godiva vindt u op het volgende adres: http://mysite.wanadoo-members.co.uk/parsonal/godiva.htm

Waardering: 8/10

 

Hoe vind je dit bericht? 3 stemmen
Geschreven door john om 17:49 Reageer op dit bericht

Meer van sprokkelhout

↑ Terug naar de berichten