Een stem


alsof ik horen kon,
dat uit der linden kruin, een en-
kel blad, dat door de zon
verguld, zich van zijn twijg heeft los-
gerukt, wegzweven gaat,
onwetend van het lot, dat hem,
hier op de grond te wachten staat.
Ik hoor een stap, als 'k wakker schiet,
beneden op het grind,
en 'k vraag wie het mag zijn, die net
als ik, geen slaaprust vindt?
Wie zou het zijn, die onverwacht,
van waar is weergekeerd,
en waakt, opdat er mij vannacht
geen kwaad, of schijn van onrust deert?
Als ik nog dover word, hoor ik,
in mij, niets anders meer,
dan wat de stem van heel mijn voor-
geslacht, mij telkens weer
belooft, dat het mij niet verstoot
en ik bij hen mag gaan,
als ik, voor deze wereld dood,
als duts alleen,
op straat zal gaan .
André Demedts


















