De hond

De hond is vermaard Om zijn gezellige aard
En 't kwistelen van zijn staart
Zijn neus doorgaans rond
Staat gewoonlijk in 't front
En zo lang die maar nat en fris is
Is 't een bewijs dat mijnheer zo gezond is als een vis
Een hond is iemand die van zijn baas bijzonder veel houdt
Die hij om te spreken als zijn 3de vader beschoudt
En die hem dikwijls een hele boerewoning tevertrouwt
Waar hij door zijn blaffen bedelaars en dieven vandaan weet te jagen
En de post van de portier waarneemt zonder er geld voor te vragen
Als een haas niet op zijn tellen past
Wordt hij dikwijls door de hond verrast
Doch een hond loopt er ook wel tegen aan
Als men hem in de hondsdagen uit laat gaan
Menig een blinde hond
Is verdronken omdat hij geen zwemmen verstond
Doch zodra zij dat verstaan
Kanmen ze gerust uit baaien" laten gaan
Honden zijn dol op kalfslever en benen
Doch volgens Esopus loopt er zo dikwijls een derde mee henen
Ook nuttigt een hond met plezier water en droog brood
Doch een pak slaag daar heeft hij een broer van dood
Het opzetten is ook iets daar hij niets om heeft
Als het maar niet begonnen wordt terwijl hij nog leeft
Ook blaffen honden niet langer als ze eenmaal dood zijn
Anders zou het leven op een hondenkerkhof te groot zijn





















