|
Mijn zoon was een weekje op wintersport, zijn auto stond ergens op een parking in Charleroi geparkeerd wat eigenlijk al een soort spirituele oefening is in loslaten. Je zet hem daar neer, je fluistert een schietgebedje, en je hoopt dat hij er nog staat bij terugkeer. Eigenlijk hoef ik Charleroi niet eens te noemen want, zie mijn vorige blogje, een mens is tegenwoordig nergens nog helemaal zeker.
Ik ging dus te voet wat boodschappen doen. Daarvoor moest ik een nationale weg oversteken, Ik wacht keurig op groen bij het zebrapad, terwijl auto’s langs mij heen raasden. Wallonië op drift. Zo’n weg waar het verkeer zich gedraagt alsof het net te horen heeft gekregen dat de wereld binnen vijf minuten vergaat. "Opzij opzij opzij, Maak plaats maak plaats maak plaats, Wij hebben ongelofelijke haast, Opzij opzij opzij, Want wij zijn haast te laat. Wij hebben maar een paar minuten tijd." *Zoiets... Eindelijk springt mijn licht op groen…
Maar je kent het, tegelijkertijd springt het licht voor automobilisten aan de overkant ook op groen voor hen die rechtdoor e/o linksaf draaien, n.v.d.r. "kun je het nog volgen?" En terwijl ik mij rustig begeef over het zebrapad, word ik nog net niet overreden. Ik krijg zelfs kwade blikken toegeworpen. Ikke, met mijn boodschappentas en mijn goede bedoelingen.
Op de terugweg moet ik over hetzelfde zebrapad, het licht staat weer op rood, maar er is ook zo’n oversteekknopje. Zo’n knopje dat je even het gevoel geeft dat je invloed hebt op het universum. Er zijn even geen auto’s te zien. Ik druk erop met een binnenpretje, een eerste “Nah”. Het licht voor voetgangers is nog steeds rood, maar Ik steek over, en als ik aan de overkant ben, zie ik auto’s netjes wachten voor het rode licht. Geen voetgangers te bekennen.
Lekker puh!
Nah!
* liedje van Herman van Veen
|