17, 11-19
Op weg naar Jeruzalem trok Jezus door het
grensgebied van Samaria en Galilea.
Toen Hij daar een dorp wilde binnengaan, kwamen Hem tien mensen tegemoet die
aan huidvraat leden; ze bleven op een afstand staan. Ze verhieven hun stem en
riepen: Jezus, meester, heb medelijden met ons!
Toen Hij hen zag, zei Hij tegen hen: Ga u aan de priesters laten zien.
Terwijl ze gingen werden ze gereinigd.
Een van hen, die zag dat hij genezen was, keerde terug en loofde God met luide
stem. Hij viel neer aan Jezus voeten om Hem te danken. Het was een Samaritaan.
Toen zei Jezus: Zijn er niet tien gereinigd? Waar zijn de negen anderen? Wilde
niemand anders terugkomen om God eer te bewijzen dan alleen deze vreemdeling?
Hij zei tegen de Samaritaan: Sta op en ga. Uw geloof heeft u gered.
Op grond van de Joodse wet werden
melaatsen niet alleen uit de samenleving, maar zelfs uit de tempel - weg van
Gods ogen - verbannen. Jezus stuurt tien melaatsen die voor hun genezing naar
Hem gekomen waren, terug naar de tempelpriesters om zich aan hen te tonen.
Onderweg worden ze allen genezen, gereinigd. Ondanks de vreugde om het opnieuw
verkrijgen van een menswaardig leven, keert slechts die ene terug om voor Jezus
te knielen en Hem te loven en te danken.
Wij zijn allemaal een beetje melaats,
niet uiterlijk, maar wel innerlijk. Ons hart is soms besmet door zoveel
liefdeloosheid. En dat is de ziekte waardoor wij weldra totaal afgesloten
geraken, van de anderen en van God. Een hartvochtige zelfgenoegzaamheid,
waarbij wij weigeren nog enige liefde te tonen of te ontvangen, kan soms als
een melaatsheid onze innerlijke gezondheid helemaal aantasten. Wie kan ons
daarvan genezen?
Zoals de tien melaatsen roepen wij
misschien Jezus om hulp. Jezus biedt inderdaad innerlijke genezing aan allen,
zonder uitzondering, ook aan diegenen die van op een afstand tot Hem roepen.
Elke mens, van welke ras of kleur, geaardheid of opvatting ook, ieder die zich,
met vertrouwen op een ver woord van Jezus, op weg begeeft, kan worden genezen
van de liefdeloosheid in zijn hart.
Alleen stelt niet iedereen zich de vraag
waar die genezende liefdekracht vandaan komt. Velen, die het nochtans goed
bedoelen, leven vrij onbewust en oppervlakkig. Zij genieten van de weldaden van
de schepping, worden door allerlei diensten en mensen geholpen en met veel zorg
omringd, maar vinden dat alles eigenlijk heel normaal en vanzelfsprekend.
Wanneer worden mensen "gelovig"? Wij worden gelovigen, als wij de
weldaden die wij elke dag ervaren, niet meer beschouwen als dingen die heel
normaal zijn of waarop wij recht zouden hebben, maar als Gods weldaden, die ons
van harte worden geschonken.
Natuurlijk kunnen wij niet elke moment
van de dag onze erkentelijkheid tonen tegenover de Heer van het Leven. Dat
zullen wij op sommige ogenblikken inderdaad wel uitdrukkelijk doen, bv. in een
moment van persoonlijk gebed of van viering op zondag. Maar het gaat hem vooral
over de grondhouding van dankbaarheid gedurende de week, die invloed heeft op
alles wat wij doen. Ook al lukt ons niet alles, ook al krijgen wij tegenslagen
te verwerken, eigenlijk hebben wij altijd duizend keer meer reden om dankbaar
te zijn voor het goede dat toch ook gebeurd is, dan om ons te laten overspoelen
door opstandigheid of verbittering voor hetgeen is mislukt. Gelovigen zijn
mensen die leven met een fundamenteel "dank u" in hun hart.
En dat merkt men aan hen! Er is inderdaad
een verschil tussen iemand die dankbaar is en iemand die zelfgenoegzaam in het
leven staat. Dat merkt men o.a. aan de manier waarop die mens omgaat met kleine
dingen: respectvol of verkwistend; aan de manier waarop hij omgaat met
zwakkeren: zorgend of miskennend. Wie gelooft, wie dus met een dankbaar hart
door het leven gaat, is blij, ook met het kleine, leeft verbonden, ook met de
zwakkeren, voelt zich vooral erkentelijk, ook jegens de onzichtbare God.
Beginnen geloven is dankbaar zijn! Meer geloven is meer dankbaar worden!
Wanneer worden wij dan
"christelijke" gelovigen? Als wij, om te danken regelmatig terugkeren
naar Jezus, zoals die éne melaatse. Die bleef niet meer op een afstand staan,
maar wierp zich in erkentelijkheid voor Jezus' voeten neer. Daarmee erkende hij
niet alleen dat zijn genezing van lichaam en ziel een geschenk was van God,
maar daarmee durfde hij ook tonen dat Jézus de Bemiddelaar was van Gods
weldaden aan hem, en bv. niet de priesters van de Joodse Wet. "Diegene in
Wie gij nú gelooft, Die heeft u gered!"
Dankbaar zijn, kunnen wij alleen
tegenover een God van Wie wij geen schrik moeten hebben, maar Die van ons
houdt. Jezus merkte op dat de enige die Hem kwam danken de Samaritaanse
vreemdeling was, en niet de joden. De streng-religieuze joden konden hun
Jahweh-God eigenlijk niet echt danken. Zij konden Hem alleen vrezen. Want zij
meenden met hun vele uiterlijke wetsregels vooral verdiensten te moeten opstapelen
om die veeleisende en straffende Jahweh te dienen. Maar intussen stootten zij
wel de zwakkeren uit hun gemeenschap uit.
Jezus prees het geloof van de dankbare
Samaritaan die Hem erkentelijkheid toonde voor de weldaden van een God, die van
de mensen geen slaafse onderdanigheid eist, maar die hen allen, dus ook de
zwakkeren onder hen, bemint als een liefdevolle Vader.
|