Naar de inhoud

Max Elskamp (1862-1931)

Enige gedichten zoet als elixir d'anvers
akke.beakke.be
vertaald en toegelicht door Gilbert Vanhove

Max Elskamp (1862-1931): elixir d'Anvers

De poezie van Max Elskamp is als elixir d'Anvers van een hoog spiritueel gehalte en zoet als honing. In lichtvoetige en muzikale verzen beklaagt de dichter zich over het lot van zijn ziel die gekluisterd zit in een lichaam zonder vleugels. Midden in de behandeling van zwaarwichtige problemen van leven en dood tovert hij met een vleugje engelenhumor een glimlach op het gelaat van de lezer: "Twee witte wolkjes wandelen aan de hemel; zegt de één: zeg, geloof jij nog ? Niets is eeuwig toch: zelfs niet de dood aan het eind van het leven die slechts slaap is voor even."

Deux nuages d’or

Passent dans le ciel,

Dis, crois-tu encor,

Rien n’est éternel,

 

Pas même la mort,

Au bout de la vie,

Qui n’est que sommeil

Parfois qu’on envie.

("Chansons désabusées" Heures, V)

Max Elskamp (1862-1931) schreef al zijn werk in de ouderlijke woning Boulevard Leopold 138, de huidige Belgiëlei, in Antwerpen. De vertaalde gedichten, waarmee U in deze blog kennismaakt, komen uit zijn latere bundels, die vanaf 1921 verschenen, velen ervan postuum. Deze bundels hebben  de vorm van bibliofiele plaquettes, “éditions confidentielles”, die enkel door bevriende kunstenaars konden worden gelezen. Van zijn vroeger werk liet hij één keer een handelseditie verschijnen in 1898 onder de titel "La Louange de la vie".  Om allerlei redenen voelde de dichter dit aan als een mislukking. Exemplaren van de laatste herdruk van "La Louange de la Vie" uit 1933 zijn vandaag nog altijd te koop voor de prijs van ongeveer drie euro. Deze eerste bundels (verschijningsperiode 1892-1895) kenden in de Belgische revues "La Jeune Belgique", "Le Coq Roude" en "Floréal" zowel voorpublicaties als (lovende) recensies.

Max Elskamp was een sociaal en aimabel man, maar vooral na de dood van zijn vader in 1911, was het openbaar leven niet meer aan hem besteed. In brieven hield hij contact met zijn vrienden. In zijn dichtwerk had hij vooral omgang met zichzelf, met zijn overleden ouders en zuster, en met de vele mythische vrouwen die zijn bundels bevolken. Ook de engelen zijn permanent aanwezig, en Boeddha is nooit ver weg. De hier geselecteerde gedichten geven mogelijks antwoord op de vraag wat Elskamp uit de openbaarheid weg hield. 

âme

Est-ce toi ô mon âme,
Que je vois sur la voie
Parée comme une femme
Qui marche et qui s’en va

Et sortie de moi- même,
Sous le soleil qui pâme
Pour la cueillir, suprême,
La paix que tu réclames ?

Pour trouver loin du songe
Les ciels vrais où c’est Dieu,
En lesquels on se plonge
Pour être enfin heureux ?

Est-ce toi ô mon âme
En ma chair incarnée,
Qui veux, comme une femme
Autre robe, et t’orner

D’ailes comme anges
Qu’on voit sur les peintures
Blanches comme des langes
Ou neiges sur des murs,

Et puis monter si haut
Qu’on ne sait où l’on est,
Comme font les oiseaux
Lorsque c’est Mai qui naît ;

Est-ce toi qui voudrais
Te perdre en l’infini,
N’être plus de concret
Mais d’abstrait qui délie,

Comme atome qui n’est
Que poussée de vie,
Sans raison, sans pensée
Sur la route suivie ;

Je te l’ai demandé,
Tu ne m’as répondu,
Mais lors tu es rentrée
Dans ma chair éperdue.


Ziel


Ben jij dat, o mijn ziel,
Die ik zie langs de weg
Gekleed als een vrouw
Die uitgaat en op stap is,

Om, weg uit mijzelf,
In de koestering van de zon
Haar te plukken, de ultieme,
De vrede waar jij naar smacht ?

Om te vinden, ver buiten de droom,
De echte hemelen waar het Goddelijke is,
En waarin men zich onderdompelt
Om eindelijk gelukkig te zijn?

Ben jij dat, o mijn ziel,
In mijn lichaam geïncarneerd,
Die wilt als een vrouw,
Een ander kleed, met vleugelen

Zoals de engelen
Die men ziet op de peinturen
Wit als linnen op bed
Of sneeuw op de muren,

Om dan op te stijgen
Zo hoog dat men niet meer bevat
Waar men is, zoals de vogels
In de prille mei?

Ben jij dat die zou willen
Zich verliezen in het oneindige,
Niet meer concreet zijn
Maar een abstract iets

Zoals een atoom dat niets is
Dan een stofje leven,
Zonder rede, zonder besef
Van de gevolgde weg?

Ik stelde je de vraag,
Jij gaf mij geen antwoord,
Maar dan ben je teruggegaan
In mijn lichaam dat was ontdaan.

Bron: « Œuvres Complètes » édition « Le Cri », 2000. pagina 290 , “Remembrances" (1924), en soi , V , âme.

Dwaallicht in Antwerpen

Dwaallicht in Antwerpen 

"En réalité, c'est Anvers,
mais évocatoirement c'est tout autre chose"
(Emile Verhaeren in zijn bespreking van Elskamps eerste bundel "Dominical"; "Nation", 27/3/1892)

Doutes-tu encor ?
Il n’est de réel
Au chemin qu’on suit
Pour trouver un port,

Que les pas qu’on fait
Que le sable essuie,
Et soleil ou pluie
D’hiver ou d’été,

Au monde où l’on va
Dans l’instant qu’on porte
Et que l’heure emporte
Dans le jour qu’on a.
« Chansons Désabusées », (1922) , Heures, V

Max Elskamp maakte in Vlaanderen vooral naam met “La Rue Saint-Paul”: de beschrijving van het leven in zijn geboortestraat in Oud-Antwerpen rond 1870. Maar het is opmerkelijk dat  nergens in dit gedicht, en trouwens nergens in zijn gehele oeuvre,  de namen “Anvers” of “Escaut”  voorkomen. Naar welke plaatsen op zijn atlas verwijzen  dan “Le fleuve” en “La ville”? En waar lag voor hem “La Rue Saint-Paul” ? Ooit droomde Max Elskamp ervan de stad Antwerpen te verlaten en een kasteeltje te bouwen in Ecaussinnes, het geboortedorp van zijn moeder in Henegouwen.  Albert Mockel raadde het hem af en wees hem op het gevaar dat hij daar  “Ecaussinnes”  niet zou vinden.
(brief van 14/3/1921)

Max Elskamp beschreef vele malen zijn lotsbestemming; zo ook in het postuum verschenen “Les Fleurs Vertes”: “Va vers de bleus oasis ceuillir les lys blancs de ton destin.”.  De geografische termen die Max Elskamp hierbij gebruikt  zijn  te vaag  ( “la mer”, “ l’ile”, “le chemin”, “le port”) om er onze GPS mee te activeren. Die zou overigens van geen nut blijken want de dichter onderneemt een  “reis naar binnen”. We hebben te maken met  een “voyageur immobile” (*1) die, zeker in zijn latere jaren,  zijn hoofdbivakplaats op de “Belgiëlei 138” zelden verlaat, en die, als hij het doet,  zelf  oriëntatieproblemen heeft. Zo blijft  Max Elskamp, voor zichzelf en zijn stadsgenoten,  een  “dwaallicht” in eigen stad:  « Rue où tu t'en vas, Comme un  étranger, En cherchant ta voie, Pourtant de chez toi … ». (het slotgedicht  van “La Chanson de la Rue Saint-Paul”).
(*1) De term 'voyageur immobile" is ontleend aan de studies van Paul Gorceix over Elskamp.

L’  île

Une île est en toi
Aux mers de tes rêves,
Souvent que tu vois
Quand le jour s’achève,

Et mort le soleil
Sur les flots en bleu,
Montant sous les cieux
Comme oiseaux en ailes;

Une  île est en toi
Lointaine en toi-même,
Qui te donne émoi
Comme aux jours qu’on aime,

Dans l’instant qui vient
Auquel on prend foi,
Et puis qui s’éteint
Souvent sous des croix.

Une île est en toi,
Dont le port s’avère,
Par un phare au loin
Qui dit sa lumière,

Et que tes yeux voient
Sans être certains,
Blanche comme foi
Entrée dans ta chair,

Et lors doute allé
Qui te donne joie
Comme d’une paix
Qu’on aurait en soi

Dans la vesprée luie
Et vêtue de moire
Qui attend la nuit,
Elle, en robe noire.

Or ton âme est là
Et dans tes pensées,
Et qui parle en toi
Dans le jour allé,

Et te dit : tu  rêves,
En ce que tu vois,
Ce n’est  que la grève
Qui se dit là-bas,

Et faite de sable
Où  vient la marée,
A l’entour des câbles
Des nefs amarrées,

Et elle est plus loin
L’ île que tu choies,
Et sise hors de toi;
Car dans le divin

Un jour ce sera
Moi, en toi restée
Qui boirons en foi
Vin d’éternité.

Het Eiland

Het is een eiland dat in u ligt
In de zeeën van uw dromen
Die tot u komen vaak 
In het avondlicht

Als de zon gestorven ligt  
Op de golven in blauw,
Strevend onderhemels
Als vogels op vlucht.

Het is een eiland dat in u ligt
Ver weg in uzelf
En het brengt u in verwarring
Als in dagen van minne,

Op dat ene moment
Dat het u bezielt
En daarna gaat het over
Vaak in een lijdensweg.

Het is een eiland dat in u ligt
Met de haven in zicht
Door een vuurtoren in de verte
Die toont zijn licht,

En uw ogen zien het
Zonder zeker te zijn,
Het is wit als het geloof
Dat in u gekomen is,

En dan is alle twijfel weg,
En dat maakt u blij
Als bij een vrede
Die men hebben zou

In de avondschemering 
Als die in moiré gehuld
Wacht op de nacht
En zijn zwarte vacht.

Maar uw ziel is daar
En is in uw gedacht
En spreekt u aan
In de vergane dag
 
En zegt: ge droomt,
Wat ge ziet
Is slechts het strand
Dat daar ligt

En bestaande uit zand
Waar getij op belandt
Tussen de kabels
Van aangemeerde schepen,

En het is veel verder,
Het eiland dat ge koestert,
En het ligt gevat buiten u,
Want in het goddelijke.

Op een dag zal het zo zijn:
Ik, in u gebleven
Ons lavend
Aan wijn van eeuwig leven.

Bron: «Les fleurs Vertes» (1934) ” Œuvres Complètes », « Le Cri », 2000. Bladzijde 422,  
Sur les eaux,  L’  île


La Mer Noire

C’est dans un jour en toi
Qu’il pleut, qu’il gèle et vente,
Et sous un ciel sans foi
En des heures démentes;

C’est ton cœur comme nef
Sur les flots blonds du rêve,
Perdu dans le vent bref
En le jour qui s’achève,

Et soir alors qui vient
Rouge du sang versé
Par le soleil plus loin,
Lui, qui s’en est allé.

Des flots sont comme en toi
Et c’est la mer qui pleure,
Et tes yeux qui se leurrent,
Dans un amer émoi,

Des larmes que tu vois
Comme dites en vert,
Au lointain qui s’avère
Sous les vergues en croix,

Où ne sont des Jésus,
Mais voiles qui balancent,
Pâles, blanches et nues
Et criant leur souffrance,

Blessées par leurs armures,
 Et liées par les ris
Pour le vent qu’on a pris
Et dont elles endurent,

Et en eux, les agrès
 Comme cordes tendues,
Brise, ainsi qu’un archet
Chantant des airs perdus.

Or une île est là-bas
Mais pourtant si lointaine
Que la mort qui viendra
Un jour te dire peine,

Ne pourrait l’approcher
Qu’en se donnant des ailes,
Mais qui d’éternité
Ne lui furent jamais,

Et c’est la terre élue
Que tu avais cherchée,
Jadis en tes jours nus
Et sur les nefs, allé,

Et pour te rédimer
Aux douces quiétudes
Qui se disent de paix
Et dans la solitude,

De tes amours et folles
De jadis, périmées,
Et comme oiseaux s’envolent,
Dans la nuit des passés.


De Zwarte Zee

Het is in één dag in u
Dat het regent, vriest en tempeest,
Onder luchten zonder geest,
In warrige getijden.

Het is uw hart dat als een schip,
Op de blonde golven van de droom,
Uit koers is door de val van de wind
 In de dag die eindigt

En  dan de avond die  komt
Rood van  het bloed verderop,
Vergoten door de zon:
Zij, die is onder gegaan.

De golven zijn als in u,
En het is de zee die schreit,
En uw ogen zien wazig,
Misleid door de ziltigheid.

Gevuld met tranen,  
Is  het al groen wat ze zien 
Opdoemen  in de verte 
Aan het kruishout van de masten 

Waar het niet de Jezussen zijn
Maar zeilen die flapperen,
Bleek, blank en bloot ,
Schreeuwend van pijn,

Gewond in hun halzen,
Ingesnoerd  tegen de wind,
Vastgesjord met rifbanden
Waar ze van afzien.

En in hen is het takelwerk
Met koorden vastgesjord
Als op een strijkstok
En de bries zingt erop verloren zijn lied. 

En daarachter ligt een eiland,
Maar wel zo ver af  
Dat de dood die U op een dag
Zal komen zoeken,

Niet dichterbij zou kunnen komen,
Tenware hij zich vleugels gaf
Maar dat lukt hem
Niet in eeuwigheid.

En het is het beloofde land,
Dat ge hebt opgezocht,
Eertijds in uw argeloze dagen,
Op de schepen van vroeger,

Om daar in zachte zaligheden
Van vrede en eenzaamheid,
U vrij te kopen
Uit uw liefdes,

De dwaze van weleer,
Verjaard, en als vogels
Gevlogen  in de nacht
Op de wiekslag van de tijden.

«Les fleurs Vertes» (1934) , « Œuvres Complètes »,  « Le Cri »,  Bladzijde  417 , Sur les eaux,  II,   La Mer Noire

 

Mythologische vrouwen: Aurora en Atalante.

Nous n’irons plus au ciel,
(Nos ailes sont coupées)
Chanter dans la rosée,
Auprès de Gabriel,

Nous n’irons plus au ciel,
(Nos ailes sont coupées)
Nous avons aimé celles
Qu’il ne faillait aimer.

(In het boek "van aangezicht tot aangezicht, modelinterpretaties moderne lyriek" bespreekt  Paul Pelckmans dit gedicht; uitg. Garant; 1991)

We gaan niet meer naar de hemel
(Onze vleugels zijn niet wel),
Zingen in de nevel
Dichtbij Gabriel,

We gaan niet meer naar de hemel,
(Onze vleugels zijn niet goed),
We hebben bemind die
Die men niet beminnen moest.

« Chansons Désabusées » (1922), Heures, VI (fragment)


Max Elskamp is geen wereldvreemd of dromerig type. "Quant à l'Escaut qui est le plus beau ... je le connais à la rame et à la voile depuis les
pécheurs d'anguilles du haut jusqu'aux francs bougres du bas"( Robert Quiette: Max Elskamp, blz 33). Als jongeman peddelt hij in een kano op de Schelde naar Temse en Dendermonde met zijn vriendin Gabrielle de Meester of met zijn vriend  Henry Van de Velde. Max Elskamp is de zoon van vrijzinnige en gefortuneerde ouders maar hij verfoeit de bourgeoisie om haar koopmansgeest en vereenzelvigt zich liever met de gewone stadsmensen.  Hun handwerkzaamheid fascineert hem  en hij probeert hun eenvoudig leven  op vele manieren na te volgen.  Wanneer een leurder met mannekensbladen bij  hem op de Belgiëlei langskomt, inspireert hem dat tot de bundel :  “Six chansons de pauvre homme pour célébrer la semaine de Flandre” (1895) met als openingsvers:  “Un pauvre homme est entré chez moi, pour des chansons qu’il venait vendre… si humblement que c’ était moi… ». In de trappenhal van zijn woning verzamelde hij 2816 tot onnut geworden voorwerpen uit het Antwerps volksleven. De collectie werd in 1907 de kern van het Antwerps volkskundemuseum en ligt nu in het kijkdepot van het  “Museum aan de Stroom”.

Ooit, in zijn jonge jaren, heeft Max Elskamp op de zeeën rond Europa gevaren aan boord van een cargo. Het leerde hem dat goede navigatie-instrumenten  levensnoodzakelijk zijn.  In zijn woning, “Belgiëlei 138”,  had hij ook een exquise collectie van 568 maritieme en astronomische meetinstrumenten, sommige daterend uit de tijd van Karel V.   Deze miniatuurschat  ligt nu geborgen in het Luikse “Musée de la Vie Wallonne”.  Object nr. 512  uit de collectie is een door Max Elskamp ontworpen zonnewijzer in leisteen, waarop hij in gouden letters de geboorte- en sterfdata gegraveerd heeft van zijn vader en zijn moeder.

Aurore

Elle avait nom Aurore
Elle était blonde et belle,
Et la lumière, et d’or
Chantait sa joie en elle,

Et l’on eut dit d’un ange
Ayant perdu ses ailes,
Qui portait, en ses langes,
Comme enfant le soleil.

Elle était tout d’amour
Pour le monde et les choses,
Et vêtait robe rose
Dès le lever du jour,

Et dans des jardins verts
S’allait enamourée,
Baiser les lys ouverts
Humides de rosée,

Comme aux matins là-bas
Aux Hellades dorées,
Chez sa mère Théia
Quand c’était jour monté.

Or Orion était  
Encor toujours en elle,
Et dans le jour qui naît
A son amour fidèle,

Elle avait oublié
La mort où tout se tait,
Pour rester à celui
Qui dormait dans la nuit,

Et dont l’âme brillait
Etoile dans les cieux,
Lorsque les soirs montaient
Dans l’air leur ombre bleue,

Pour apporter au monde
Après jour de soleil,
La paix douce et profonde
En l’oubli du sommeil.

Or dans le temps qui passe
Et dans les millénaires,
Où tout se perd, se tasse,
Pour mourir ou se taire,

C’est elle qui s’en vient
Ouvrir, de la lumière
Les portes, au matin,
Pour faire la vie claire,

Et je l’ai vue un jour
Et qui me souriait,
Et j’en ai pris amour
Sans oublier jamais. 

Aurora

Zij had de naam Aurora,
Zij was schoon en blond
En het licht van goud 
Zijn vreugde in haar vond.

En men ware in de waan:
Dit is een engel, van vleugels ontdaan,
Die in  lakentjes bindt
De zon als zijn kind.

Zij was één en al minne
Voor het heelal en alle dingen,
En in haar kleed van rozen
Liet zij de ochtend blozen,

En in de groene hoven
Dwaalde ze amoureus rond
En kuste de lelies, nat
Van  dauw, op de open mond,

Zoals in de morgenstond
Daar in het gouden Hellas
Bij haar moeder Theia
Zodra de dag er was.

Maar (het beeld van) Orion was
Nog altijd in haar
En in de ontwakende dag
Bleef zij haar liefde trouw,

En vergat zij de dood 
Die alles zwijgen doet,
Om bij hem te blijven  
Die bij haar sliep in de nacht

Wijl zijn ziel schitterde 
Als een ster aan de hemelen
Van als de avondluchten
In blauwheid schemeren,

Na een dag van zon,
Om zoete en diepe vrede
Te brengen aan de wereld
In de vergetelheid van de slaap .

En in de tijd die (sindsdien) verloopt
In de duizenden jaren
Waarin alles verdwijnt en zich ophoopt
Om (uiteindelijk) te sterven of te zwijgen,

Is zij het die van het licht
De poorten komt openen
Als het ochtend is,
Om het leven op te klaren,

En ik heb haar gezien op een dag 
En de glimlach die ze mij gaf, 
En ik werd zo door haar liefde  gevat,
Dat ik het nooit vergat.

« Chansons Désabusées »  (1922) ” Œuvres Complètes »
uitgeverij « Le Cri » (2000) ,  bladzijde 174   En
Elles,  IV, Aurore.

Atalante

Or lampes ici qui s’allument,                                          
Encens du foin coupé qui fume,
Dans l’air monté,

Nuit comme femme qui se presse
De dénouer longues ses tresses,
 à son coucher,

C’est étoiles qu’on voit chacune
Se préciser et, une à une
Après trembler,

Dragon au zénith qui culmine,
Antarès au sud qui s’incline
Et nuit d’été.

Mais lune alors sur le monde
Qui vient en son temps pleine et ronde
Tout d’or d’embue,

Puis hommes tues, les dieux qui causent,
Influx subi de tant de choses
D’amour émues,

Ombre qui lie et qui délie,
Et, contrainte morte, la vie
Qui se met nue,

C’est vent qui passe au bord de l’eau
Et les incline les roseaux,
Et l’air qui chante,

Et dans le bosquet de lilas,
Avec la couronne qu’elle a
C’est Atalante,

Qui court une pomme à la main,
Toute blanche dans ton jardin
Comme vivante.

Atalante

Lampions hier die ontvlammen,
In geur van dampend hooi
In de avondlucht hoog,

Nacht als een vrouw die zich haast
Haar haartressen te ontbinden,
Aan haar alkoof,

En aan de sterren men ziet hoe elk 
Zich toont en één na één trillen gaat
In het verschiet.

De draak in het zenit culmineert,
Antares in het zuiden inclineert,
Het is zomer en nacht,

Met schijnsel dan over de aarde
Van een maan die op haar tijd is, vol en rond,
In gouden vacht,

Dan mensen gehuld in zwijgen, goden die spreken,
Influx wordt ondergaan in zoveel dingen,
Doordrenkt  van liefde,

Duisternis die hecht en onthecht,
En, onder zachte dwang, het leven
Dat zich bloot geeft.

Er is een briesje aan de waterkant,  
En het doet de rozentwijgen nijgen
En de lucht die zingt,

En uit het bosje seringen
Met de kroon die ze heeft,
Is het Atalante

Die rent met een appel in de hand
Gans wit over je land
Alsof ze leeft.


« Les Délectations Moroses » (1923)
 Œuvres Complètes » uitgeverij « Le Cri », 2000.
Bladzijde 263 , Un soir d’été, VI , Atalante

 

Le pauvre sacristain wordt boeddhist

"Le Pauvre Sacristain" wordt boeddhist.

Mais du bien promis
En sa somme nette
Vœu  inexaucé
Ciel non atterri.

Maar van het beloofde heil
Is  de eindbalans :
Gelofte niet gestand,
In hemel niet geland. 
(« Chansons Désabusées » (1922) > En Soi >  I )

Deux nuages d’or
Passent dans le ciel,
Dis, crois-tu encor,
Rien n’est éternel,

Pas même la mort,
Au bout de la vie,
Qui n’est que sommeil
Parfois qu’on envie.
« Chansons Désabusées », (1922) >  Heures > V

Je n' ai été en rien, le disciple ou l'apotre,
Et dans le songe seul, j'ai trouvé ma clarté.
"Chansons Désabusées" >  De Soir > I

Tu n' es l' apôtre que de toi-même,
Et qui en soi écoute parler

Les choses du monde qui essaiment
Comme des abeilles aux rûchers.
"Le Fleurs Vertes" (1934) > Aveux > VIII Sagesse.


Max Elskamp kreeg veel epitheta  op zijn schamel hoedje gespeld:  “le solitaire anversois”, “le pieux écrivain”,  “de koorknaap” ,   “un Saint laic”, "le piètre avocat" (Jean de Boschère), ”le pauvre sacristain”(Max Elskamp over zichzelf!), “the delicate dreamer, cloistered in Antwerp”, “de aardse anachoreet”, “de Sint-Franciscus van de Franstalige letteren”(Emile Verhaeren), "le Verlaine belge", "un Mallarmé de Flandre" (Norge,1954),"le musicien à l'écho secret" (Mallarmé), "le mandarin d'Anvers", "een vreemde plant, ... een geranium aan 't raampje van een oude kantwerkster" ( E. De Bom), "een gotische miniaturist", "een beste jongen" (August Vermeylen), "de Antwerpenaar die een vreemd bargoensch schrijft" (Karel van de Woestijne), "de zingende zonderling", "de mystieke handwerkman", "un Arthur Rimbaud pour les pauvres gens" (Max Waller, 1905), "le poète intemporel", "poésie aérienne","beminnelijke dilettant", "un bourlingueur flamand de la poèsie","de groote dichter der Schelde" (nieuw tilburgsche courant, 24/2/1932) ... “Quant à ses vers: nul ne les lit! » (Jean de Boschère in een  essai uit 1914). Deze etiketten dragen niet veel bij tot beter begrip van zijn meesterschap. 
 
Max Elskamp was een agnosticus, die naar God verlangde zonder in zijn bestaan te geloven, en die ter zake nog minder geloofde in “ de Openbaring” of in het spirituele of sociale nut van “De 
Kerk”.  Voor de rest leefde Max Elskamp in latrelatie met zijn vriendin Gabrielle en volgde hij, wars van redingote en hoge hoed,  niet de dresscode van de bourgeoisie. Anders gezegd:  hij vertoonde een gedrag dat vandaag, voor een Kunstenaar, niet zo vreemd is.  
 

Désirs

Si tu le trouvais, Dieu, ne le dit à personne
Garde en toi une joie qui serait tout d’amour,

Comme celui qu’on a de celles qui se donnent
En foi de cœur et d’âme, et vraies et pour toujours ;

Si tu le trouvais Dieu, ce serait dans ta vie,
La paix que tu cherchais, et la grâce attendue,

Dans la douce clarté des certitudes luies,
Et de leurs vérités, faisant des jours élus.

Tu l’as connue la foi, mais dite dans les choses,
Et dans les matins clairs ou dans les soirs tombés,

Où c’est les yeux qui voient, au monde qui repose,
Ou l’aube qui se lève, ou soleil se coucher,

Sur des jardins de lys, des parterres de roses,
Dans l’heure ou dans l’instant auquel on a rêvé,

Et cela sans raison, et comme aussi sans cause,
Et parce qu’il en est ainsi d’éternité;

Tu l’as connue encor, quand en des printemps verts,
La mer montait au loin ses vagues et ses flots,

Et puis aussi en celles dont tu sus la chair,
Mais lors tu t’es trompé, et tu n’as eu repos.

Or Dieu tu l’as cherché, mais tu n’étais l’apôtre,
Comme aux livres saints, l’avère le verbe écrit;

Si tu l’eusses trouvé, ta vie eut été autre,
Que celle qui te fut sur le chemin suivi,

Et pour ta faim ton pain eut été fait d’épeautre,
Et ton désir alors, sans doute consenti;

Mais l’ange n’est venu, que pour te dire croix
Quand elles sont dressées, qui font la douleur vraie,

Et tu as su ainsi, comment on porte en soi,
Son calvaire, en les jours, les mois et les années.

 

Hunkeringen

Als je hem vond God, zeg het aan niemand,
Bewaar voor jezelf een vreugde die louter liefde zijn zou 

Zo puur als die men hebben zou van hen die zich geven
Met heel hun hart en ziel, echt en voor altijd; 

Als je hem vond God, dat ware in je leven
De vrede die je zocht, en de verbeide genade,

In de zoete helderheid van blinkende zekerheden,
En hun waarheden, die de dagen bijzonder maken.

Je hebt het geloof gekend, maar expliciet in de dingen:
In de heldere ochtenden of in de schemering van de avonden

Waar het je ogen waren die neerzagen op een wereld in rust
Waarin de ochtend gloort of  waar de zon ondergaat

Over hovingen vol lelies, met perken vol rozen,,
In het uur of het ogenblik dat men het heeft gedroomd,

En dat zonder reden, en dus ook zonder oorzaak
En omdat het zo al is sinds alle tijden:

Je hebt het ook ondervonden als in de lentedagen
De zee kwam vanuit de verte met zijn branding en golfslag,

En dan ook in de vrouwen wier lichaam je hebt gekend
Maar dat was een vergissing, en rust heb je er niet mee gehad.

Dus je hebt God gezocht, maar een apostel  was je niet,
Zoals in de heilige boeken het geschreven woord het bedoelt.

Indien je Hem gevonden had, je leven ware anders geweest,
Dan dat wat nu je deel was op de gevolgde weg,

En voor je honger had je brood van spelt gehad,
En je hunkering was dan zonder twijfel gestild geworden,

Maar de engel is maar gekomen om je bij het kruis te brengen
Dat het echte lijden verbeeldt,

En zo heb je ondervonden, hoe men zijn calvarie
In zich draagt in de dagen, de maanden en de jaren. 
(*1)
 
« Les Fleurs Vertes » (1934, postuum ) En Soi, V , Dèsirs", Œuvres Complètes » uitgeverij « Le Cri », 2000.  bladzijde 388 .
(*1) Dit beeld is ontleend aan de Calvarieberg bij de Sint-Pauluskerk. Ook daar brengen de engelen de bezoekers naar het kruis. Voor Elskamp hangt echter niet Jezus aan het kruis, maar hijzelf, en voor hem biedt het lijden geen uitzicht op verrijzenis. In 1911 werd Elskamp boedhist. Van dan af beoogt hij enkel nog het Nirwana.

Celle Qui Vient

Voici la mort qui vient
En trainant ses béquilles,
N’aie peur, ni ne la crains,
Ton âme est dans une île,

Si lointaine, que rien
Ne pourrait l’approcher,
Pas même le divin
Qui est d’éternité,

Car la paix est en toi
Au quai d’un port touché,
Et plus loin que la foi
Qu’en soi l’on a portée

En l’amour que l’on sut
Comme un soir qui s’éteint
En l’émoi qu’on en eut
Comme pain quotidien.

Voici la mort qui vient
Pour faire de ta chair
Morte, ainsi qu’un pré vert
Où le ver tait sa faim,

Sous la terre où on est
Tout en long étendu
En le printemps qui vient
Ou l’hiver advenu,

Dans le néant de tout,
Même de la lumière,
Et lors qui fait de nous
Jaune de la poussière,

Or ce n’est qu’en la chair
Qui est gaine de l’âme,
Dans des jours noirs ou clair
En les hommes, les femmes,

Car l’âme est immortelle
Et puis se réincarne,
En l’infini toute ailes
En la clarté qui pâme,

Et c’est soleil alors
Qu’on est d’éternité,
Dans des ciels dits tout d’or
Ou des nuits étoilées,

Ame s’aimant en foi
En un amour suprême
Et que l’on sait sans croix
Éternelle en soi-même.

Hij Die Komt (fragment)

Hier is de dood die komt,
Slepend zijn pikkels over de grond,
Ge moet niet schrikken of bang zijn,  
Uw ziel zit op een eiland,

Zo ver weg, dat niets
Haar naderbij zou kunnen komen,
Zelfs niet het goddelijke
Dat in de eindeloosheid is.
« Les Fleurs Vertes » , Pagina  428,  Aveux, III ,Celle Qui Vient ( Alleen de twee eerste strofen werden vertaald)


Bouddha

Dans un salon bourgeois
Est un Bouddha tout d’or,
Sur une table en bois
Près d’un berceau où dort

Un enfant dans ses langes
Blanches et qui rappellent
En leur clarté, des anges
La neige de leurs ailes,

Et Bouddha est debout
Le lotus à ses pieds,
Et qui sourit tout
D’amour et de pitié,

Avec l’ourma au front
La main droite levée
Et vers le blanc plafond
Où lustre dit clarté,

Et la gauche indiquant
Le sol, ou tapis rouge
Sur le plancher s’étend
Dans de l’ombre qui bouge

Projetée par le feu
Qui brûle du bois vert,
Car ici c’est l’hiver
Advenu sous les cieux.

Or une femme est là
Au piano qui chante,
Gauche et fausse voix
Sur des mesures lentes,

Du Schumann qu’elle fane
Comme hiver fait des roses,
Et le clavier profane
Où ses doigts lourds se posent,

Et Bouddha et tout d’or
Est là et qui sourit,
Car s’avérant alors
C’est néant dit ici,

Dans des âmes humaines                               
Affirmé comme en foi,
Par un chant dont l’haleine
Le dit le Nirvana.


Boeddha

In een burgersalon
Staat een Boeddha geheel van goud,
Op een houten tafel
Naast een wiegje waarin een kind

Slaapt in zijn witte
Lakentjes die in hun klaarheid
Doen denken aan de sneeuw
Van engelenvleugels,

En Boeddha zit rechtop
De lotus aan zijn voeten,
En hij glimlacht vol
Liefde en mededogen,

Op het voorhoofd  de ourma,
De rechterhand omhoog wijzend
Naar het witte plafond
Waarop de luster schijnt,

En de linkerhand wijst
Naar de grond, waar een rood tapijt
Op de plankenvloer is gespreid
In de schaduw die beweegt

Geprojecteerd door het haardvuur
Waarin groen hout knettert,
Want de winter is gekomen
Onder de hemelen.

En een vrouw zit daar
Aan de piano en zingt,
Toonloos en met ongeoefende stem
De langzame maten,

Van Schumann die ze verkreukelt
Zoals de winter het doet met de rozen,
En op het vergeeld toetsenbord
Rusten zwaar haar vingers.

En Boeddha, geheel van goud
Is daar en  glimlacht
Want het lijkt dan zo
Alsof het niets hier is

In de menselijke zielen
Hetgeen wordt bewaarheid
Door de zang waarvan de klank
Aan het Nirwana is verwant.

« Les Heurs Jaunes » (1967, postuum) ” Œuvres Complètes » uitgeverij « Le Cri », 2000. Bladzijde 534 .
 Hori-mono, VI, Bouddha



Bij de Magdalenas op de Calvarieberg van de Sint-Pauluskerk.

Met Magdalena op de Calvarieberg.

Max Elskamp, die geboren werd in de Sint-Paulusstraat, woonde tot zijn acht jaar in het Antwerps Schipperskwartier. Tijdens de weekdagen verbleef hij (naar mijn inzichten althans) in de Zwartzustersstraat onder de hoede van "trouwe meiden", waar hij uitzicht had op de Calvarieberg van de Sint-Pauluskerk. Zijn vriend Jean de Boschère benadrukte reeds in 1914 de diepgaande invloed die deze aanblik levenslang op de dichter had: «  le calvaire, bien fait pour déployer ses ailes de démons et d’anges sur le développement entier de la vie d’un être impressionable ».

Alles wat Elskamp daar als kind zag en voelde, beschrijft hij in 1922 gedetailleerd in “Le Calvaire”, in de bundel “La Chanson de la Rue Saint-Paul”, ook het Magdalena-beeld: "En toute larmes Madeleine, en cheveux longs qui dit sa peine". Zij staat in het rechtse perk van de Calvarieberg, de zogenaamde evangelistentuin, oog in oog met de verrezen Jezus bij het open graf.

Maar in het gedicht "Magdalena" uit "Les Joies Blondes" (postuum:1934), dat we hier nu lezen, inspireert het stenen beeld van Maria Magdalena op de Calvarieberg de dichter niet tot beschouwingen over het leven na de dood. Het is de dichter zelf die zijn Magdalena tracht te inspireren. Hij port haar aan om alles achter zich te laten en om als mens in de aardse wereld te herrijzen. Want de aarde is het enige paradijs dat voor de mens met zijn vijf zintuigen toegankelijk is. Dat was ook de basisidee van "En Symbole vers L' Apostolat" (1895) met als beginverzen:  "Voici mon nouveau Testament/ de Vie, en des choses ingénues/..."

Met de inhoud van dit gedicht staat Max Elskamp dichter dan ooit bij de vernieuwde inzichten omtrent de betekenis van de woorden "Noli me tangere". Met deze woorden zou Jezus Magdalena hebben willen zeggen: "Klamp U niet aan mij vast. Laten we elk onze eigen weg gaan..."

Madeleine

Ne pleure plus, ô Madeleine,
Jésus mort, est ressuscité,
Et si tu as en toi la peine
Ne la fais pas d’éternité,

Ils reviennent ceux que parfois
Nos cœurs ont sus et dans la joie
Dite aux amours quotidiennes,
Pour en retrouver les antiennes,

Dans les jours comme dans les nuits
Qui de temps seul, sont périmés,
Mais cependant dont toujours luit,
Parce que d’amour, leur clarté

Ne pleure plus, ô Madeleine,
La vie est là à coupe pleine,
D’un vin si doux qui nous est dit
Que de peine l’on se délie,

Et bois-là, comme choses viennent,
Amères, sapides ou douces,
Et pour en soi qu’on les épouse
Jeune d’émoi ou bien anciennes

De tout ce qu’on connaît en elles
Déjà, parce qu’on en a su,
De joie blonde qui a des ailes,
Et du chagrin, lui, qui est nu.

Or laisse lors aux Golgothas,
Saigner les croix sous des ciels rouges,
Et en le monde reprends foi
Où c’est tout qui vit et qui bouge,

Pour des fins en nous incertaines,
Mais cependant en elles vraies,
Puisqu’ elles s’avèrent humaines
En nous quand elles sont entrées;

Et lors prends foi en les matins
Qui disent eux dans la lumière,
Doux comme miel le jour qui vient,
Aux voies qu’on suit dans la poussière,

Pour avoir joie de ce qui rit
Ou bien qui donne le bonheur,
En l’émoi qu’ en prend l’âme ou cœur,
De tout ce qui chante ou qui luit,

Et alors toi, ô Madeleine,                                           
Et dans le matin qui se lève,
Ne pleure plus, va sur la grève,
Où la mer bleue dit son haleine,

Et là, dans l’ air, le vent monté
Les viendra sur ton front sécher
Les larmes que tu as versées
Jadis, sous les croix, en ta peine.

 

Magdalene

Stop met wenen, O Magdalene
Jezus die dood was, is herrezen,
En als er nog spijt zit in je leden
Gun die toch geen eeuwigheden,  

Ze komen terug degenen die soms
Onze harten hebben gekend in de jubel
Van alledaagse minne, om opnieuw      
Te zingen de antifonen der beminden,  

In de dagen zowel als in de nachten,
Die enkel tijdmatig zijn verstreken,
Maar waaruit de helderheid,
Eigen aan de liefde zelf, niet is geweken.

Stop met wenen, O Magdalene,
Het leven is daar met zijn kelk vol wijn,
Zo mild als is beloofd 
Dat hij alle pijn verdooft,  

En drink ervan, al naar het moet,
Bitter, zuur of zoet,
En om der dingen zelf word je ermee intiem, 
In onbekend genot of als voordien 

In alles waarin men het al kent
Omdat men ervan heeft geproefd: 
De blonde blijdschap die doet zweven
En het verdriet dat niet doet leven.

En laat op Golgotha de kruisen
Bloeden in het avondrood 
En geloof weer in de wereld
Waar alles leeft en beweegt,

In finaliteiten die in ons onzeker zijn
Maar toch in zich realiteiten zijn,
Omdat zij menselijk blijken,
Eens zij in ons gekomen zijn;

En geloof dan in de ochtenden
Die zich aandienen in het licht,
En die zoet als honing zijn met de dag in zich,
Zodat op de weg die zich in stoffigheid hult 

Je blij kunt zijn om wat er lacht
Of om het goede dat gelukkig maakt,
In de ontroering die de ziel in ’t diepste raakt
Om al wat zingt en licht uitstraalt,

En dan jij, O Magdalene
In de ochtend die gaat gloren,
Stop met wenen, loop op het strand
Waar je de blauwe zee kunt horen,

En daar in de lucht, zal de dolle wind 
Ze op je voorhoofd komen drogen:
De tranen die jij hebt geschreid
Eertijds, onder de kruisen in je spijt.

« Les Joies Blondes » (1934) , Les Aimées,  III,   Madeleine


Een variant hierop vinden we terug in de bundel "Chansons désabusées" die verscheen in 1922 ( hetzelfde jaar als  "Le Calvaire uit "La Chanson de la rue Saint-Paul".) In dit tweede gedicht spreekt de dichter Magdalena aan terwijl ze nog bij het kruis staat. Op de Calvarieberg van de Sint-Pauluskerk staat deze Magdalena overigens vier keer afgebeeld, (plus nog een drietal andere Magdalena-geaarde types als Maria van Egypte, Eustochium en Pelagia): voor Max Elskamp beelden-inspiratie genoeg dus om er een hele magdalena-cyclus rond op te bouwen. 

En Elles
VIII

Est-ce vous Madeleine                              
Encore qui pleurez ?
Voici la lune pleine
Et sang aux croix séché,

Et dans la clarté douce
En la nuit étoilée,
La douleur qui épouse
Le silence et se tait,

Et Lui le bien aimé
Et qui vous était cher,
Dans le ciel remonté
A côté de son Père.

Mais vous, ô Madeleine,
Qui avait tant aimé,
Et de 1’ amour savez
Les joies comme les peines,

Vous qui dans vos passés
Avez su vin qu’on boit,
A des tables dressées
Dans les nuits qui flamboient,

Où lampes allumées,
C’est l’émoi qu’on attend
En la myrrhe et l’encens
Dans leurs parfums montés,

Est-ce vous qui pleurez
Encore ici vos fautes,
Ou les amours allées
Dont votre coeur fut l’hôte?

Or remettez ici
Madeleine, à vos doigts,
Vos bagues d’autrefois
Et dont l’or s’est terni,

Prenez le Khol et noir,
Pour allonger vos yeux,
Et les peignes d’ivoire
Pour orner vos cheveux,

Dites vous en beauté,
Comme au jour des désirs
Telle lumière à luire,
Car voici vérité:

Il n’est de ceux qui meurent,                                            
Madeleine, et qu’on aime,
Il n’est de ceux qu’on pleure,
Qu’un autre amour qui naît,

Et qu ‘on sait en soi-même
Si sûr, et vrai sans leurre,
Qu’on dirait en son coeur,
Ainsi que Dieu entré.

"Chansons Désabusées"  (1922)
En Elles, VIII,
 

Zijt gij dat, Magdalene

Die nog schreit ?

Het is hier volle maan

En het bloed aan het kruis is droog,

 

En in de zachte schijn

Van de sterrennacht

Sterft alle smart 

In stilte weg en zwijgt,

 

En Hij de welbeminde

En die u zo lief was,

Is ten hemel gegaan

Waar zijn Vader wacht.

 

Maar gij, O Magdalene

Die zo hebt bemind

En van de liefde weet,

Het lief en het leed,

 

Gij die vroeger

De wijn proefde die men drinkt,

Aan gedekte tafelen

In nachten die fonkelen,

 

Wijl, bij brandende lampen,

Op de verrukking wordt gewacht

In uit mirre en wierook

Opstijgende dampen,

 

Zijt gij dat die schreit

Hier nog van spijt

Om de verlaten liefde

Die in uw hart te gast was ?

 

Doe hier weer Magdalene

Aan uw vingers

De ringen van weleer

Al heeft het goud zijn glans niet meer,

 

Neem schmink, de zwarte,

Dat maakt uw ogen groot

En kammen van ivoor

Houden uw kapsel hoog,

 

Toon u in uw schoonheid

Zoals in de dagen van begeerte,

In dat danig glanzend licht,

Want deze waarheid komt in zicht:

 

Er zijn er geen die sterven

Magdalene, als men hen bemint,

Er zijn er geen die men beweent,

Als een andere liefde begint,

 

En geen die men in zich aanwezig weet,

Zo waar en echt, zonder bedrog

Dat men zeggen zou, het is

Alsof God mijn hart bezocht.


 

Préface van La Chanson de la Rue Saint-Paul

"La Chanson de la Rue Saint-Paul" is de bundeling van Elskamps herinneringen aan zijn prille kindertijd. Max Elskamp schrijft hierover op 17 april 1922 aan Albert Mockel: "Je t'envoi une chose qui n'est pas littéraire et qui fait partie d'un livre que je publierai hors commerce, et pour quelques amis:  c'est "La Chanson de la rue Saint-Paul"... Ce sont mes anciens jours très lointains, quand je vivais au bord du fleuve, contre un calvaire; et cela n'a nulle valeur littéraire; mais ce furent les jours heureux de ma vie. Mon cher ami, je m'en vais voir, mon père et ma mère qui dorment au "Kiel."

In de "Préface" van de bundel bezingt de dichter de helderheid en de scherpte waarmee de herinneringen aan zijn kindertijd in hem bewaard zijn gebleven.

Maar... ooit zullen ze ook in hem uitdoven.  De dichter incarneerde ze daarom  in "La Chanson de la Rue Saint-Paul",  die één bijzondere eigenschap heeft:   
Il n'en est ici
Qu'ainsi qu'en la vie,
Où c'est du présent
Que meurt le passé.

( "ad finem" van de bundel)

Voor wie geen andere bundels van Elskamp gelezen heeft, is dit het hoogtepunt in zijn werk.


 
Préface

Musiques ici
Faites de ta vie,
A son aube luie
Lointaine aujourd'hui,

Ce sont jours allés,
De soleil ou pluie,
Au cours des années,
Désormais pâlis.

Or en l'ombre en eux
Ici qui prend place,
Ainsi que le veut
Temps qui tout efface,

Mais en toi restée
Leur clarté si blanche,
Qu'il t'en est dimanche
Rien que d'y penser,

C'est de candeur pure,
Sous des soleils luis,
Jours et qui te furent
Jadis que voici.


Préface

Muziek hier
Vat uw leven
In de glans van zijn dageraad,
Ver weg vandaag.

Het zijn dagen verbleekt
In de zon of verregend,
En verder vergaan
In de loop van de jaren.

Dus in duisternis in hen
Ligt wat hier verschijnt,
Zo wil het de tijd
In wie alles verdwijnt.

Maar in u gebleven
Hun klaarheid zo wit,
Alsof het voor u zondag (*1) is,
Alleen door de gedachtenis.

Het is pure onschuld,
Onder zonnen van licht,
Dagen die er écht waren
Eertijds, nu weer hier.


( *1) "Dimanche"  heeft voor Elskamp een eigen betekenis.  De "Zondag" was de enige dag waarop hij bij zijn ouders "te gast was" in zijn geboortehuis in de Sint-Paulusstraat. Na de geboorte van zijn zusje Marie,  werden de kinderen tijdens de weekdagen opgevangen door meiden, niet in de Sint-Paulusstraat nr 30, maar in de stille Zwartzustersstraat nr 13. Daar had Max Elskamp als knaapje uitkijk op de Calvarieberg van de Sint-Pauluskerk. En wat hij daar zag en voelde, schreef hij neer in "Le Calvaire". ( zie elders in deze blog:  "Le Calvaire").

 

 

Moeder Claire Suzanne Adolphine Cousin uit Ecaussinnes

Moeder Claire Suzanne Adolphine Cousin uit Ecaussinnes.

(Op de foto links: de herdenkingsplakette in keramiek, als "hommage" aangebracht in Ecaussinnes op het "château de Belle-Tête")

Claire Cousin (1834-1883) was afkomstig uit Ecaussinnes(Henegouwen), waar haar ouders een steengroeve hadden. Zij had een zwakke gezondheid en gruwde van de mist, de stank en het lawaai in het Antwerps Schipperskwartier. Dit verhaastte in 1870 de verhuis naar de residentiele "Boulevard Leopold" buiten de oude vesten. In 1882 stierf zij daar toen Max Elskamp nog een jongeling was. Bijna een halve eeuw later, in 1921-1922, legde Max Elskamp de herinneringen aan zijn moeder vast in "La Chanson de la Rue Saint-Paul". Het werd één van de mooiste moedergedichten in de Franse taal.


Hierin zitten meteen de vroegste herinneringen verweven aan zijn prille kindertijd in de Sint-Paulusstraat, onder de toren van de Sint-Pauluskerk en zo nabij de Schelde dat men er binnenskamers (nog voor de rechttrekking van de kaaien) de bewegingen op het Scheldewater  kon horen: "Près de l'eau dans l'embrun gris monté des flots du fleuve qui chantait matines à voix de cloches dans la bruine."  Bijzonder is ook hoe Max Elskamp beschrijft wat hij zag en voelde terwijl zijn moeder hem in haar armen wiegde:  "mes reves d'enfant, vagues, mais dont il me souvient encor".  

beluister dit gedicht als lied gezongen door Julos Beaucarne op de link :
http://www.florilege.free.fr/juke-box/montrer.php?item=o-claire-suzanne-dolphine

In memoriam
II
A Ma Mère

O Claire, Suzanne, Adolphine,
Ma Mère, qui m'étiez divine,

Comme les Maries, et qu'enfant,
J'adorais dès le matin blanc

Qui se levait là, près de l'eau,
Dans l'embrun gris monté des flots,

Du fleuve qui chantait matines
A voix de cloches dans la bruine;

O ma Mère, avec vos yeux bleux,
Que je regardais comme cieux,

Penchés sur moi tout de tendresse,
Et vos mains elles, de caresses,

Lorsqu'en vos bras vous me portiez
Et si douce me souriiez,

Pour me donner comme allégresse
Du jour venu qui se levait,

Et puis après qui me baigniez
Nu, mais alors un peu revêche,

Dans un bassin blanc et d'eau fraîche,
Aux aubes d'hiver ou d'été.

O ma Mère qui m'étiez douce
Comme votre robe de soie,

Et qui me semblait telle mousse
Lorsque je la touchais des doigts,

Ma Mère, avec aux mains vos bagues
Que je croyais des cerceaux d'or,

Lors en mes rêves d'enfant, vagues,
Mais dont il me souvient encor;

O ma Mère aussi qui chantiez,
Parfois lorsqu'à tort j'avais peine,

Des complaintes qui les faisaient
De mes chagrins choses sereines,

Et qui d'amour me les donniez
Alors que pour rien, je pleurais.

*

O ma Mère, dans mon enfance,
J'étais en vous, et vous en moi,

Et vous étiez dans ma croyance
Comme les Saintes que l'on voit,

Peintes dans les livres de foi
Que je feuilletais sans science,

M'arrêtant aux anges en ailes
A l'Agneau du Verbe couché,

Et à des paradis vermeils
Où les âmes montaient dorées,

Et vous m'étiez la Sainte-Claire,
Et dont on m'avait lu le nom,

Qui portait de lumière
Un nimbe peint autour du front.

*

Mais temps qui va et jours qui passent,
Alors, ma Mère, j'ai grandi,

Et vous m'avez été l'amie
Aux heures où j'avais l'âme lasse,

Ainsi que parfois dans la vie
Il en est d'avoir trop rêvé

Et sur la voie qu'on a suivie
De s'être souvent trompé,

Et vous m'avez lors consolé
Des mauvais jours dont j'étais l'hôte,

Et vous m'avez aussi pardonné
Parfois encore aussi mes fautes,

Ma Mère, qui lisiez en moi,
Ce que je pensais sans le dire,

Et saviez ma peine ou ma joie
Et me l'avériez d'un sourire.

*

O Claire, Suzanne, Adolphine,
O ma Mère, des Ecaussinnes,

A présent si loin qui dormez,
Vous souvient-il des jours d'été,

Là-bas en Août, quand nous allions,
Pour les visiter nos parents

Dans leur château de Belle-Tête,
Bâti en pierres de chez vous,

Et qui alors nous faisaient fête
A vous, leur fille, ainsi qu'à nous,

En cette douce Wallonie
D'étés clairs là-bas, en Hainaut,

Où nous entendions d'harmonie,
Comme une voix venue d'en haut,

Le bruit des ciseaux sur les pierres
Et qui chantaient sous les marteaux,

Comme cloches sonnant dans l'air
Ou mer au loin montant ses eaux,

Tandis que comme des éclairs
Passaient les trains sous les ormeaux.

O ma Mère des Ecaussines,
C'est votre sang qui parle en moi,

Et mon âme qui se confine
En Vous, et d'amour, et de foi,

Car vous m'étiez comme Marie,
Bien que je ne sois pas Jésus,

Et lorsque vous êtes partie,
J'ai su que j'avais tout perdu.


In memoriam 
II 

Aan mijn Moeder

O Claire, Suzanne, Adolphine,
Mijn Maman, hemelse Serafiene, 

Mijn Maria, die ik als kind aanschouwen kon
Van als de blanke dageraad begon

Op te komen daar aan het water
In de grijze nevel op de golven

Van de stroom die zijn matinen
Zong in regen en klokkengelui;

O  Mama in wier blauwe ogen,
Ik keek als in hemelen

Die over mij zweefden vol tederheid,
En jouw handen die mij streelden,

En jouw armen die mij wiegden
En hoe zoet je glimlach was,

Die mij alle jubel gaf
Van de dag die was geboren,

En dan daarna waste je mij
Bloot en met wat gespartel,

In een witte bassin fris water,
‘s ochtends in zomer en winter,

O  Mama die voor mij even zacht 
Was als je zijden kleed

Dat aanvoelde als mos
Als ik er aan friemelde,

Mijn Mama die aan jouw vingers ringen droeg
Die mij gouden hoepels leken    

Toen, in mijn kinderdromen, wazig,
Maar ik herinner ze mij nog;

O  Mama die ook zong,
Als ik soms zomaar bedroefd was,

Troostdeuntjes die mijn gedrein
Veranderden in zoet gezaag,

En die zo mij strelend suste
Als ik om niets weende.

*
O  Mama, in mijn kindertijd
Was ik in jou en jij in mij,

En in mijn verbeelding was jij
Als de Heiligen die men geschilderd

Ziet in de devotieboeken
Die ik achteloos doorliep

Halt houdend bij de gevleugelde engelen,
En het neergevleide Lam Gods,  

En bij de vermiljoene paradijzen,
Met vergulde zielen in hemelvaart, 

En Jij, die mijn Heilige Clara waart,
En wier naam ik spellen kon,

Droeg als van licht
Een nimbus om het gezicht.

 *
Maar de tijd die vliegt en de dagen gaan heen,
Dan, Mama, werd ik groot

En jij bent mijn hartsvriendin geweest 
In de uren dat ik zwaarmoedig was,

Zoals soms in het leven
Als men teveel gedroomd heeft

En als op de weg die men is gevolgd
Men zich weer eens heeft vergist,

En dan heb je mij getroost
In de kwade dagen die ik had,

En heb je mij ook vergeven
Van tijd tot tijd ook nog mijn fouten,

Mama die in mij las
Wat ik dacht zonder dat ik sprak,

En die mijn pijn of mijn pret kende
En mij met je glimlach verwende.

*

O Claire, Suzanne, Adolphine,
O mijn Maman, uit Ecaussinnes,

Vandaag zo ver in je slaap,
Weet Je nog in de zomerse dagen,

Ginds in augustus, als we
Op bezoek waren bij onze ouders,

Op hun kasteel “Belle-Tête”,
Gebouwd met stenen uit jullie streek,

Hoe ze er daar een feest van maakten,
Voor jou, hun dochter, maar ook voor ons,

In dat zoete Walenland, in Henegouwen,
Met zijn heldere zomers,

Waar we in harmonie hoorden, 
In één stem van omhoog komen:  

Het gedreun van de beitels op de rotsen
Zingend onder de delfhamers,

Als klokken galmend in de lucht,
Of als een zee in haar verre branding
 
Terwijl de treinen als bliksems
Onder de olmen raasden.

O mijn Mama uit Ecaussinnes,
Het is jouw hartebloed dat spreekt in mij,

En het is mijn ziel die zich versmelt
In Jou, en in geloof, en in liefde,

Want jij was voor mij als Maria,
Hoewel ik niet Jezus was,

En als Jij bent heengegaan,
Wist ik dat alles was gedaan.

***

 

Zijn zus Marie: zelfmoord op een zondag in de lente van het jaar 1903

Zijn zus Marie:  
zelfmoord op een zondag in de lente.
 

Op de mooie zondagnamiddag van 5 april 1903 pleegt zijn  zuster Marie zelfmoord: "La jeune femme s'est jetée d'un deuxième étage et s'est écrasée sur le sol dallé") "La vie tourmentée de Max Elskamp", Marcel Schiltz, uitg: Ca ira, 1937, oplage 112 ex.). Marie is veertig jaar oud en woont bij haar vader en broer op de Boulevard Leopold. (de moeder was gestorven in 1883). In 1922 wijdt de dichter ook aan haar een "in memoriam" in "La Chanson de la Rue Saint-Paul". En in het jaar dat deze bundel verschijnt, negentien jaren na de zelfdoding,
schrijft Max Elskamp hierover in een brief aan Albert Mockel: 

"Anvers, le 27 octobre 1922.  Mon bien cher ami,
Je loge, comme je te l'ai dit, dans l' ancienne chambre de ma pauvre sœur Marie, et elle vient, dans ce que j' appellerais le demi-sommeil, souvent me visiter. Je lui ai demandé si elle était avec mon père et ma mère, elle m'a dit non et qu'elle ne pouvait pas me répondre à cette demande, m'expliquer pourquoi. Et puis que si elle le faisait, je ne la comprendrais pas. 
Je lui ai demandé: "Es-tu heureuse?"  Elle a souri mais n'a
pas répondu. Elle s'est promenée dans sa chambre qui est restée telle qu’elle était, sauf un grand portrait d'elle, que j'y ai placé, puis a souri encore, et soudainement a
disparu.
Je ne crois pas que j'ai rêvé, mon cher Albert, je suis
même sur que c'était vrai, ce que j'ai vu. C'est la quatrième fois qu'elle vient me visiter, avec la même robe, ses longs
cheveux et ses yeux bleus qui disent notre vie."

Deze nachtelijke bezoeken komen ook in het gedicht zelf  ter sprake:
Ma Soeur souvent qui revenez
Dans les nuits qui nous font croyance

Des rêves en soi que l’on fait, 
Ma Sœur alors qui revenez

De laatste verzen van het in memoriam verwijzen naar zijn ultieme wens: de eeuwige slaap te mogen genieten. Zijn slapeloosheid kon zijn verlangen naar die "eeuwige slaap" alleen maar versterken. (Zijn zuster en zijn moeder leden overigens aan dezelfde kwaal. De vader was de enige die 's nachts écht sliep; de drie andere bewoners dwaalden dus bij nacht door de woning). Elskamp wilde van de eeuwige slaap genieten dicht bij zijn dode geliefden: zijn moeder, zijn zuster en ook zijn vader.

Het verlangen naar die eeuwige slaap is ook het orgelpunt van het grote "Calvariegedicht":  "Mon Dieu mien... donnez-moi le sommeil doux qu'après la vie, j' ai de tous les temps espéré". En de vervulling van deze ultieme wens is ook het onderwerp van het gedicht "Vigie", op de pagina : "Weerzien met zijn zuster Marie op het Kielkerkhof".

In memoriam
III
A MA SOEUR MARIE

Ma Sœur Marie, Ma Sœur Marie,
Et qui m’avez aussi quitté,

Comme souriait à la vie
Un dimanche d’après-dîné,

Alors qu’avril, lumière-luie,
Telle d’un adventice été,

Et lilas branches refleuries
Chantaient dans l’air printemps qui naît,

Ma Sœur Marie, Ma Sœur Marie,
Et qui m’avez alors quitté.

Ma Sœur Marie, Ma Sœur Marie,
Qui souriiez triste à la vie,

Ma Sœur qui aviez trop rêvé
Aux grands ciels bleus du paradis

Et de ne l’avoir approché,
Gardiez en vous un cœur contrit,

Ma sœur parfois et qui riiez,
Mais plus souvent avez pleuré,

Ma sœur qui n’avez pas trouvé
Le bonheur que vous attendiez.

*
Ma sœur alors un peu déçue,
Qui avez su les jours de pluie,

Mais n’avez eu la part élue
Qui donne au cœur foi dans la vie,

Ma Sœur dont les yeux étaient gris,
C’était en eux votre âme luie,

Et comme un miroir sans secret,
Vous disant douce, sûre et vraie,

Dans une tendresse alanguie,
Où parlait tout bas le regret.

*
Ma Sœur souvent qui revenez
Dans les nuits qui nous font croyance

Des rêves en soi que l’on fait,
Ma Sœur alors qui revenez,

Vous souvient-il de notre enfance
Là-bas dans la maison aimée,

Quand c’était vous en robe blanche
Et comme une vierge parée,

Qui  les écoutiez, les dimanches,
A Saint-Paul, les heures sonner?
(Max Elskamp benadrukt hier dat hij en zijn zusje dat torenuurwerk hoorden slaan op de zondag, en dus niet op de weekdagen want dan verbleven de kinderen in een andere woning onder toezicht van "trouwe meiden").

*
Ma sœur, vous souvient-il encore
Des roses que tant vous aimiez,

Quand au printemps, le soleil d’or
Dans notre jardin descendait,

Faisant clarté sur toutes choses
Après les grands hivers moroses

De brume, de vent et de froid,
Dont le fleuve disait l’émoi,

Ma Sœur vous souvient-il encor
Des roses lors que vous cueilliez?
(Claire Cousin, hun moeder, vond het een vergrijp om rozen in de tuin af te knippen.)

*
Ma Sœur Marie, Ma Sœur Marie,
Après, ce fut vous dans la vie,

Où les jours viennent, les jours passent,
Faisant cœur lourd ou l’âme lasse,

Quand le bonheur qu’on a rêvé
N’a pas été, las! approché,

Et vous n’avez pu l’oublier,
Ma Sœur Marie, Ma Soeur Marie,

Et d’avril une après-diné,
Ma Sœur, vous nous avez quitté.

*
Ma Sœur à présent qui dormez,
Là-bas, à côté de mon père,

Au long des jours qu’ont les années
Dites de printemps ou d’hiver,

Ma Soeur là-bas qui m’attendez,
Dans la nuit noire de la terre,

Pour être un jour à vos côtés
Lorsque mon heure aura sonné,

Ma Sœur Marie, Ma Sœur aimée,
Vous aussi qui avez souffert,

Ce sera nous lors comme avant
Réunis, mais dans le sommeil,

Et dans la paix que l’on attend
Après sa vie sous le soleil.


In Memoriam
III
Aan mijn Zus Marie


Mijn Zus Marie, Mijn Zus Marie,
Jij die mij ook verliet,

Met de glimlach van het leven
Op een zondagmiddag in april

Wijl het licht blonk 
Als een vroege zomergril

En de lilabloesem zong
Dat de lente net begon,

Mijn Zus Marie, mijn Zus Marie,
En die mij dan verliet.
 
Mijn Zus Marie, mijn Zus Marie,
Die naar het leven lachte als iets triest, 

Mijn Zus die teveel droomde 
Over het weidse paradijs met blauwe hemelen 

En die ze niet dichterbij kon brengen,
En daarom jouw hart gesloten hield,

Mijn Zus die zich soms verblijdde
Maar veel vaker schreide,

Mijn Zus die niet gevonden heeft
Het geluk waar men voor leeft.

*

Mijn Zus die dan enigszins bedrogen
In dagen  met veel regen

Het deel niet hebt gekregen
Dat levensmoed moet geven,

Mijn Zus met de grijze ogen,
Waarin jouw ziel glansde,

En als in een smetteloze spiegel
Liet zien hoe lief je was, trouw en oprecht

Wegkwijnend in tederheid
Als je gedempt sprak van je spijt.

*

Mijn Zus die vaak bij mij terugkomt
In de nachten die ons doen geloven

In de dromen die men koestert,
Mijn Zus die dan terugkomt,

Weet je nog in onze kindertijd,
Daar in het dierbare huis,

Dat jij daar stond in ‘t wit gekleed,
En als een madonna gepaleerd,

En dat je ’s zondags daar kon horen
De  uren slaan op de Sint-Paulustoren?

*

Mijn Zus, weet je nog,
Dat jij zo van de rozen hield

Wanneer de gouden lentezon
In onze tuin  naar binnen viel,

Licht gevend op alle dingen
Na de lange sombere winters,

Met mist, kou en wind,
Die de Stroom met zich brengt,

Mijn Zus, weet je nog
Dat je de rozen dan afknipte?

*

Mijn Zus Marie, mijn Zus Marie,
Later was jij het die in het leven

Waarin de dagen komen, de dagen gaan,
Zwaarmoedig werd in je bestaan,

Omdat je het geluk uit je dromen
Helaas! niet dichter kon doen komen,

En dat vergeten kon je niet,
Mijn Zus Marie, mijn Zus Marie,

En op een namiddag in april,
Mijn Zus, was het dat je ons verliet.

*

Mijn Zus die nu slaapt,
Daar aan de zijde van mijn Vader,

Alle dagen die de jaren tellen,
Zo in de lente als de winter,

Mijn Zus die daar op mij wacht,
Onder de aarde in zijn zwarte nacht, 

Tot ik op een dag aan jullie zijde lig,
Als mijn uur geslagen is, 

Mijn Zus Marie, Mijn Zusje lief,
Voor jou evenzeer, na het lijden dat je leed,

Zal het dan zijn zoals weleer,
Wij weer samen maar in slaap bijeen,

En in de vrede die is ‘s  mensen bede
Na een leven onder de zon.

***

 

Het Epicentrum van Elskamp: de Calvarieberg van de Sint-Pauluskerk

Als knaapje op de Calvarieberg

Het gedicht "Le Calvaire" raakt het meest verborgene van Max Elskamps prille kindertijd. In "Le Calvaire" (een onderdeel van "La Chanson de la Rue Saint-Paul") beschrijft de dichter de Calvarieberg van de Antwerpse Sint-Pauluskerk zoals hij die als kind van zijn vier tot zijn acht jaar beleefd heeft vanuit zijn achterkamer op de eerste verdieping van de Zwartzustersstraat nr 13. In deze woning bracht hij zijn kinderjaren door van 1865 tot 1870 samen met zijn zusje Marie "onder de hoede van trouwe meiden" (Volksgazet 5 mei 1962). Ondertussen resideerden zijn ouders, in latrelatie met hun kinderen, in de Sint-Paulusstraat nr 30.

Notitie gesschreven op 12/12/2013 : (Ik ben de eerste geweest die ( nu al weer een tiental  jaren geleden) de bewering geuit heb dat Max samen met zijn zuster Marie enkele jaren in de Zwartzustersstraat geleefd heeft "onder de hoede van trouwe meiden" en met uitzicht op de Calvarieberg; in latrelatie met zijn ouders. In een ander deel van deze blog omkleed ik dit met argumenten, maar ik voegde eraan toe dat het formele administratieve bewijs voor deze bewering nog moet geleverd worden. Ik stel vast dat in de voorbije jaren de één dit van de andere heeft overgenomen en, zoals vaak het geval is, blijft er van de laatste versie alleen nog onzin over. Deze laatste versie ontdekte ik zojuist in De Gazet van Antwerpen van 25/10/2011 waarin een zekere Geraldine D. het volgende schrijft: "Aan deze plek ( bedoeld wordt de calvarieberg aan de Sint-Pauluskerk) hangen heel wat spookverhalen vast. Zo is er een verhaal van de bekende Frans-Belgische schrijver Max Elskamp, die hier woonde met uitzicht op de calvarieberg. Hij woonde samen met zijn zussen en broers en de meid in een huis, zijn ouders woonden een beetje verder. Nadat zijn oudere zus zelfmoord had gepleegd, zag hij haar geest meermaals verschijnen aan de calvarieberg."  Einde citaat. De zuster van Max pleegde inderdaad zelfmoord, maar op de Belgielei 138. En Max Elskamp had vele slapeloze nachten. Hij sliep in de slaapkamer van zijn zus en in zijn nachtmerries had hij met haar inderdaad enkele "gesprekken", zoals hij beschrijft in enkele van zijn brieven.

In de Calvarietuin staan 63 beelden, maar van die beelden vermeldt Elskamp in "Le Calvaire" alleen die beelden die in zijn gezichtsveld vielen van zijn raam: ze staan in het gedicht opgesomd als op een foto die hij genomen heeft vanuit één gezichtspunt. Centraal op die foto is het beeld van de dode Jezus, liggend achter het ijzeren  hekken in het graf van Jeruzalem. Het is dat beeld dat in "Le Calvaire" 21 keer aanroepen wordt met de woorden "mijn god".

Dat beeld is voor hem het beeld van alles wat hem in 1921 aan zijn kinderjaren herinnert en in hem aan het sterven is, "un peu autrement que les autres": die anderen zijn zijn vader, moeder en zuster die hij op de Belgielei reeds heeft zien sterven. Het gedicht "Le Calvaire" kent zijn hoogtepunt in de vreemde aanroeping "mijn god", komende uit de mond van een klein kind dat bij nacht niet kan slapen maar weet dat zijn moeder onbereikbaar is voor hem want ze ligt te slapen in de Sint-Paulusstraat nr 30.

Op het einde van de 19e eeuw was de Calvarieberg van de Sint-Pauluskerk een drukbezochte bidplaats, gelegen in een dichtbevolkte havenwijk; zeilschepen en stoomboten maneuvreerden in de Schelde vlakbij, voor de rechttrekking van de scheldekaaien (1883-1890). De jonge Elskamp zag er zeelieden uit alle hoeken van de wereld, hij zag de schippers, publieke vrouwen en buurtbewoners knielen op de arduinen banken die er in twee rijen in het middenpad stonden opgesteld en hij zag ze kaarsen branden op het hekken voor het heilig graf.

Als kind ging Max Elskamp niet naar school en hij speelde ook niet op straat. De Calvarieberg vormde, samen met de prentenboeken van zijn ouders, het voornaamste deel van zijn zichtbare wereld. Hij zag er de beelden en de bezoekers bij dag, en voelde er de stilte en de verlatenheid bij nacht. En hij hoorde het geprevel en het geweeklaag van de biddenden: litanieen en paternosters in het Latijn en het Vlaams, twee talen die het Franstalig opgevoede kind niet verstond. Maar  het ritme en de klanken van deze teksten vinden wij vandaag in "Le Calvaire" terug. 

Wanneer Elskamp in dit gedicht spreekt over "mijn straat... mijn stille straat.." bedoelt hij de Zwartzustersstraat waar op de hoek van de Veemarkt en de Doornikstraat een portaal toegang geeft tot de Calvarieberg. Jean de Bosschère schrijft over deze plek in zijn essay over Elskamp (1914, blz 15) : "Ici la solitude est plus accentuée...Souvent pendant de longues minutes, les rues sont désertes...Jusqu' à midi, un des lourds vantaux est ouvert. Une obscurité de crypte et une atmosphère glacée régnent au delà."
De Calvarieberg van de Sint-Pauluskerk is , volgens Patrick Zeyen,  het epicentrum van de wereld van Max Elskamp. ("Acédie et Rédemption à Anvers", blz 140).   

Denis Laoureux signaleert in het tijdschrift "Textyles 22" (blz.53) het bestaan van een essai van Elskamp met als titel : "Notes sur le Calvaire Saint-Paul". Het document bevindt zich in de Koninklijke Bibliotheek Albert I, "Archives et Musée de la littérature" onder het nummer FS XII 91/6.

La Chanson de la Rue Saint-Paul 
LE CALVAIRE

1

Mon Dieu qui mourez à Saint-Paul,
Un peu autrement que les autres,

Dans ma rue froide comme un pôle
Entouré d'anges et d'apôtres;

Mon Dieu qui mourez à Saint-Paul,
Tout blanc des pieds, tout blanc des mains,

Pour ceux du quai, pour ceux du môle,
Sous des bougies dans un jardin,

Mon Dieu des pêcheurs, des marins,
Et mien jadis en mes croyances,

C'est vous là-bas dans les lointains
Des matins bleus de mon enfance

Mon Dieu qui les avez connus
Tous ceux d'ici qui ont passé

Dans ma rue et nus ou vêtus
Et puis plus loin s'en sont allés.


2

Mon Dieu ici dans les rochers
Qui savez le vent et la pluie,

De tous les cieux las de la vie
Comme ceux qui ont navigué;

Et qu'on vient voir, et que l'on prie
A deux genoux, le front baissé,

Mon Dieu doux à ceux des navires,
Qui ont subi, qui ont peiné,

Dans le bien, le mal ou le pire,
Depuis le jour où ils sont nés,

Mon Dieu qui savez les étoiles
Qui fixent à chacun son lot,

Mon Dieu qui savez où les voiles
Conduisent ceux qui vont sur l'eau,

Et qui leur avez pardonné
Les ports mauvais qu'ils ont touchés,

Mon Dieu, ici des matelots,
C'est eux qui vous ont aimé.


3

Mon Dieu des nuits et des matins,
Ici dans le temps comme il vient,

Et que l'on voit d'hiver, d'été,
Blanc et dans l'ombre en long couché,

Derrière une grille dressée,
Les yeux fermés, au flanc la plaie,

Avec des anges à vos pieds
Leurs ailes sur le dos croisées,

Et que les femmes des marins
Implorent pour ceux dont la vie

Est d'aller sur la mer au loin
Voiles tendues, aux pêcheries

Et dans la pluie et dans le vent,
Chercher le pain cher qu'on leur vend;

Puis Madeleines repenties
Et le jour du vendredi-saint

Qui viennent toucher de leur sein
La grille chargée de bougies,

Devant laquelle vous dormez
Saignant du front, des mains, des pieds,

Pour trouver pardon de leur vie,
Dans le remords qui les étreint;

Mon Dieu des soirs et des matins
Ici dans le temps comme il vient,

C'est femmes en peine et qui prient
Sombrées comme nefs corps et biens.

4
Mon Dieu au monde qui dit vie,
Port là-bas, et lors étrangers,

Anglais dans leur orgueil dressés
Américains de frais rasés,

Indous marchands de plumes teintes
Malais qui sourient les dents noires,

Chinois avec leur lèvres peintes
Et jaunes ainsi que l'ivoire,

C'est eux, alors qu'août dit l'été,
Et qui viennent vous visiter

Et pour s'attarder jusqu'au soir
Et les garder en leur mémoire,

Longin qu'on voit avec sa lance,
Dit en blanc en pierre sculptée,

Michel-Archange et qui s'élance
Sur le dragon aux mains l'épée,

Et toute larmes Madeleine
En cheveux longs qui dit sa peine,

Et sa sœur Marthe agenouillée,
Et Lazare leur frère aimé,

Tandis qu'en le souffre et les flammes,
Purgatoire où brûlent les âmes,

On les voit les yeux alanguis
De l'espoir doux du bien promis.


5

Mon Dieu aux jours de mon enfance
Où si près de vous j'ai dormi,

En ma maison, dans le silence
Où je vous évoquais la nuit,

Mon Dieu, là-bas, dans mon jardin,
Triste ainsi qu'ils sont dans les villes,

Et qu'au temps où vivaient les miens
Seul un mur et couvert de tuiles,

Me séparait, dit en ses pierres,
De votre présence réelle

Toute proche là au calvaire
Où vos anges croisaient leurs ailes;

Mon Dieu aux nuits d'hiver
Lorsque le vent du Nord montait,

Criant comme à la mort dans l'air,
Et que tous les carreaux tremblaient

Et qu'au fleuve à la marée pleine,
Pour au bord des quais trouver place,

Vrombissait la voix des sirènes
Des vapeurs qui cherchaient la passe,

Mon Dieu, mon cœur d'enfant inquiet,
Alors de vous savoir tout proche,

Couché en long là, dans les roches,
S'allait vers vous et trouvait paix.


6

Mon Dieu aujourd'hui loin de moi
Qui dormez encore à Saint-Paul,

En la rue douce où fut mon toit,
En ma rue blanche comme un pôle,

Mon Dieu qui les avez connus
Les primes matins de ma vie,

A son aube quand j'étais nu
De chair comme de cœur aussi,

Mon Dieu encore ici c'est moi
Mais las! Et de tout revenu,

Des jours en long que j'avais vécus
Plus en la peine qu'en la foi.

7

Mon Dieu j'avais trop espéré
Des matins qui m'avaient souri,

Et je me suis ainsi trompé
Sur la voie loin que j'avais suivie,

Et tout est mort ou s'en est allé
De ce que jadis j'ai aimé;

Et maintenant voici le soir
Et mon heure qui va sonner,

Et mon âme qui va entrer
Là-bas où la nuit se fait noire,

Mon Dieu mien, de la rue Saint-Paul,
Donnez-moi vous en long couché,

Là-bas au calvaire du môle
Comme aux marins que vous aimez,

Le sommeil doux qu'après la vie
J'ai de tous les temps espéré.

*

De Calvarie

1
Mijn God die bij Sint-Paulus te sterven ligt,
Een beetje anders dan de anderen (*1),

In mijn straat, zo koud is geen andere plek,
Met engelen en apostelen bijeen voor een hek;

Mijn God die bij Sint-Paulus te sterven ligt,
Sneeuwwitte voeten, sneeuwwitte handen,

Voor die van de kaaien en die van de Werf,
In een hof onder kaarsen die branden.

Mijn God van vissers en matrozen,
en van mij destijds in mijn gelovigheid,

Gij die in de blauwe verten zijt,
Ochtenden van de kindertijd.

Mijn God die ze hebt gekend,
Al die van hier, die in mijn straat ooit waren,

Berooid of welgevaren,
En die dan elders zijn gegaan.
(*1) Zijn moeder, zuster en vader stierven alledrie in de ouderlijke woning, Belgielei 138; en steeds in de maand april (1883,1903,1911). 

2

Mijn God hier tussen de gesteenten,
Die weet hoe wind en regen

Uit alle sterrenluchten strandt,
Zoals de zeelui door het leven overmand;

En die men komt bezien en tot wie men bidt,
Op twee knieën met gebogen hoofd,

Mijn God, mild voor de zeeman die in U gelooft.
Hij heeft afgezien en ondergaan,

Wel en wee, en alle nood
Sinds het begin van zijn bestaan.

Mijn God die weet dat in de sterren staat
Hoe iedereen door het leven gaat,

Mijn God die weet waarheen de zeilen
Diegenen drijven die op het water gaan,

En die hen hebt vergeven
De kwade havens die ze hebben aangedaan;

Mijn God hier van de matrozen,
Uw minnaars zijn het, altijd geweest.


3
Mijn God, van in de nacht tot in het ochtendgloren,
Hier in de tijd zoals hij wordt geboren,

En die men ziet, in de winter als een witte vlek,
En in de zomer in de schaduw uitgestrekt,

Achter een hoog traliehek,
De ogen dicht, in de flank een wonde,

Met engelen die waken aan Uw sponde,
Hun vleugels op de rug gevouwen.

En bij wie de zeemansvrouwen
Om genade smeken voor hen

Wiens lot het is ver op zee te varen,
Met volle zeilen, om rog en bot,

In weer en in wind,
Omwille van de bete broods die men daar vindt.

Dan Magdalena’s dol van spijt
En als het Goede Vrijdag is,

Staan zij te drummen in de nis, 
Bij de kaarsen die branden

En waarachter Gij nederligt,
Bloedend aan voeten, handen en aangezicht,

Opdat hen worde vergeven
Het leven vol wroeging dat hen beklemt.

Mijn God in de avond en in het ochtendgloren,
Hier in de tijd zoals hij wordt geboren,

Het zijn vrouwen vol smart, verzinkend in gebed,
Belast en beladen, als schepen die vergaan.


4
Mijn God, wereldberoemde levensbaken,
De haven is dáár en van daar de vreemden.

Engelsen, blaaskaken in een frak van laken,
Amerikanen, fris geschoren,

Indiërs, met geverfde pluimen in de handen,
Maleiërs, lachend met zwarte tanden,

Chinezen, de lippen geverfd,
En geel als ivoor.

Zij zijn er, als àlles in augustus zegt dat het zomer is,
En zij houden bij U een begankenis

En treuzelen tot in de avondzon
En prenten hier in hun memorie :

Longinus, die men ziet met zijn lans,
Wit, zo gezegd, uit steen gekapt,

Michaël, de aartsengel die vliegt op de draak
Met het zwaard in de hand,

En Magdalena met haar lange haren,
Zij zegt haar spijt met haar gebaren,

En haar zuster Martha neergeknield,
En Lazarus, hun broer die van hen hield,

Terwijl in zwaveldamp en vlammen
In het vagevuur de zielen branden.

Men ziet in hun ogen gloeien,
Het lichtje hoop in het beloofde uur.


5
Mijn God in mijn kinderjaren,
Toen ik zo dicht bij U sliep

Op mijn kamer in de stilte
Waar ik bij nacht Uw beeld opriep,

Mijn God, beneden in mijn hof,
Zoals elke stadstuin veel te grof ;

En toen, mijn beminden waren nog in leven,
En alleen een muur, met schalies bedekt,

Scheidde mij, in steen zoals gezegd,
Van Uw aanwezigheid, zo echt

En voelbaar, bij de calvarie
Waar Uw engelen hun vleugels spreidden;

Mijn God, in de winternachten(*2) dan
Wanneer de noordenwind opstak

Huilend als vermoord tegen het dak
En aan de vensters die trilden

En op de stroom, in hoog getij,
Om langs de rede plaats te vinden,

De stoomfluiten gilden
Dat de boten in de vaargeul wilden,

Mijn God, mijn angstig kinderhart
U dan wetend zo dichtbij

Languit liggend daar beneden
Ging bonzend uit naar U, en vond de vrede.
(*2) "Je me souviens...du vent qui faisait en hiver s'ouvrir toutes seules les fenetres, des cloches tout contre chez nous qui bourdonnaient alors sans sonner..." brief geciteerd door Robert Guiette "Max Elskamp", 1955, blz 25


6

Mijn God, vandaag ver van mij
En die nog slaapt bij de Sint-Pauluskerk,

In de stille straat waar mijn bed stond,
In mijn witte straat, als op de pool.

Mijn God die hebt geweten
Hoe in de vroege morgens van mijn leven,

Bij het dagen ervan, ik
Geen kleed droeg om mijn lijf of leden.

Mijn God hier nog ben ik
Maar moe en zonder zin iets te herbeginnen

Uit de dagen die ik heb uitgeleefd,
Meer in zorgen dan geborgen.


7

Mijn God teveel hoop had ik gesteld
In de ochtenden, lieflijk aangemeld,

En zo heb ik mij vergist
Op de lange weg die het leven is.

En alles is dood of is heengegaan
Waardoor ik toen was aangedaan.

En nu de avond die voor mij staat
En de klok die luiden gaat

En mijn ziel die binnentreedt
Ginds waar de zwarte nacht zich kleedt.

Mijn God van mij uit de Sint-Paulusstraat
Gij die languit liggend mij voor ogen staat

Ginds bij de calvarie in de havenwijk,
Geef mij zoals aan de zeelieden als liefdesblijk

Voor na dit leven de slaap zo zacht
Waarop ik als kind steeds heb gewacht.

***

In bijlage een foto uit 1993 genomen door Dhr. Leo van Lieshout (1929-2001). U ziet de vertaler Gilbert Vanhove bij het voorlezen van een van de eerste versies van deze vertaling. De voorlezing vond een tiental keren plaats en werd daarna hernomen in 2003, ter gelegenheid van het 200-jarig bestaan van de Sint-Paulusparochie.  

De Sint-Paulusstraat

C'est dans un matin, aujourd'hui très loin,
Et dans les passés qui sont des navires

Sombrés à jamais, et c'est là le pire,

C'est dans un matin, désormais très loin, 

Là-bas près du fleuve, que tu es né,
Au bord du quai, dans une maison blanche
Qui souffrait du vent, et c'était dimanche,
Et cloches sonnaient elles, dans l'air gai.
("Les Fleurs Vertes" (1934) Aveux, I, Ortus.)

"De Sint-Paulusstraat" is het titelgedicht van de bundel "Het Lied van de Sint-Paulusstraat". Het is het hoogtepunt van het oeuvre van
Max Elskamp. In twaalf hoofdstukken beschrijft hij alle facetten van het leven in zijn geboortestraat rond 1870 en hij doet dat zonder "dichterlijke vrijheden".

Alles wat er
geweest is, staat in het gedicht zoals het was, en als het er niet staat, is het er ook niet geweest. Daarom worden  bijvoorbeeld "de natiewagens", toch zo kenmerkend voor het havenleven, niet vermeld. Zij denderden immers niet over de kasseien van de Sint-Paulusstraat maar manoeuvreerden verderweg op de Dries en het Falconplein.

La Rue Saint-Paul
I
C'est ta rue Saint-Paul
Celle où tu es né,
Un matin de Mai
A la marée haute,

C'est ta rue Saint-Paul,
Blanche comme un pôle,
Dont le vent est l'hôte
Au long de l'année.

Maritime et tienne
De tout un passé,
Chrétienne et païenne
D'hiver et d'été,

Le fleuve est au bout
Du ciel qu'on y voit,
Faire sur les toits
Noires ses fumées,

De grands vaisseaux roux
De rouille et d'empois,
Y tendent leurs bras
De vergues croisées,

Maritime en tout
L'air que l'on y boit,
Sent avec la mer
Le poisson sauré,

C'est ta rue Saint-Paul
Ta rue bien aimée,
Où le fleuve amer
Monte ses eaux hautes,

C'est ta rue Saint-Paul
Blanche comme un pôle,
Et dont tu fus l'hôte
pendant des années.

II
Paroisse du vent
Et rue de la mer,
Dans le matin clair
D'embruns délavée,

Dévote, marchande,
Trafiquante et gaie
Blanche de servantes
Dès le jour monté,

On y vend l'anchois,
La sole et la raie,
Et la plie au choix
Ou vive, ou fumée;

Puis cloches sonnant
Les messes premières,
A rires dans l'air
Ainsi qu'envolés,

Roses les Jésus,
Blanches les Maries,
Dans leurs niches nues
Ou de fleurs ornées,

C'est vie prenant cours,
Négoce et prières,
Et dit tout d'amour
Le jour commencé.

III
Mais musique alors
De mots qui s'avère,
Parlers étrangers
Du sud et du nord,

Offices, bureaux
Et comptoirs ouverts
Où s'en vont pressés
Commis et clercs d'eau,

Rue qui dit sa vie
Toute de gens pleine,
Dans le vent qui rit,
Qui le suit son lot,

Musiques dans l'air
Des heures qui viennent,
Dites à voix pleine
Par des cloches claires,

C'est au long des mois,
Dans l'an qui s'enchaîne,
A chacun sa joie,
A chacun sa peine,

Et saison qui vient
Dans le temps qui va,
Rue fêtant le Saint
Ou le jour qu'elle a.

IV
Le consul anglais
Y met son drapeau,
Le consul anglais
Le jour de la Reine,

De gais matelots
Leur couteau au dos,
Y passent farauds
Toute la semaine,

Jean le Hollandais
Quand c'est mai qui vient,
Ses paniers aux mains,
La vendre la fraise,

Jean le Hollandais
Parti de Breda
Avec ses pieds
Les sabots qu'il a;

Puis tout soleil, Août,
Dans le ciel qui pèse,
Odorant la graisse,
La bière et le moût,

Sortis les Géants,
Gens bus et kermesse,
Sur leurs chars roulant
Les dieux qui se dressent:

On voit Antigon,
On voit la Baleine
Et nu Cupidon
Sur son dos assis,

Et gais les Dauphins,
Et la Nave pleine,
De joyeux marins
Qui poussent des cris;

Puis soir advenu
Violons éteints,
Accordéons tus,
Tout sentant le vin,

Lors voix haut montées
Dans la nuit qui pâme,
Musiques ailées
Et dehors les femmes,

Sortis les couteaux
Qu'appelle la chair,
C'est de face ou dos
A la mort qui vient,

Amour matelot,
Amour de marins,
Même en le sang clair
Qui trouve son bien,

Et dans la nuit chaude
Lune qui s'incarne,
Mort ou vie qui rôde
Sans cris et sans larmes.

V
Or qu'il soit de vivre
Comme il plaît à Dieu,
Mais toi qui te livres
Au tabac et veux

Fumer Saint-Omer
Ou Porto-Rico,
Va chez Dame Claire
Qui en a pleins pots.

Puis Roisin aussi
Et mis en paniers
Tabac de Paris
Qu'on fume aux Gambiers

Et Saint-Vincent noir
Qui gratte au gosier,
Cher aux mariniers
Parce qu'il fait boire;

Mais toi qui préfères
Rouler le papier,
Pour ton Maryland
Va chez Dame Claire,

Et choisis le clair,
Et prends le bon temps,
A l'élire blond
Et coupé en long.

VI
Mais lors dans le vent
Rue qui fait commerce,
Tonneaux mis en perce,
Et coffres, s'ouvrant,

Laines d'Astrakan
Ou tapis de Perse,
Choses que l'on vendredi
C'est le cuir qu'il sent.

Or fûts de Bordeaux,
Aimes de Coblence,
Corne sèche et peaux
Crues de La Plata,

Qu'on place aux plateaux
Chaînés des balances
De face ou de dos,
En vrac et en tas,

Monsieur Picalon
Lui dans sa boutique,
Monsieur Picalon
Lui qui vend des clous,

Des scies, des rabots,
La sert sa pratique,
De gais matelots
Qui veulent de tout.

VII
Puis rue qui s'en va
Chercher les bassins,
Bouges, galetas,
Où vont les marins,

Maisons à rideaux
Baissés mais qui bougent,
Filtrant un jour clos
De lumière rouge,

C'est filles anglaises
Occupées à boire,
Vêtant pour aimer
Des maillots de moire,

Dans le jour qui pèse
Dehors et si lourd,
Dans le soir d'été
Qui vendent l'amour.

Mais liqueurs au choix
Lors comme la chair,
Aquavit danois,
Anis grec amer,

Whiskey irlandais,
Rhum américain,
Saké japonais,
Opium indien,

Et glaces mirant
En jaune et en noir,
Les cuivres luisants
Au dos du comptoir,

Femmes et qui causent
Les épaules nues,
Ou bien se reposent
En long étendues,

Bagues à leurs mains,
Rêvant mal ou pire,
Ou trouvant leur bien
Enfin à dormir.

Lors temps qui s'espace
Dit en heures lentes,
Et jour qui se passe
Ici dans l'attente,

Yeux comme une rampe
Les suivant les murs,
Et sur des estampes
Qui s'arrêtent durs:

On voit le Vésuve
En feu qui se pâme,
Ainsi qu'une cuve
D'enfer et de flammes,

Et rouge et carmin
Puis loin appendu,
Le pont de Brooklyn
Dans l'air suspendu.

VIII
Or Août qui apporte
Ici l'étranger,
Orgueil qui fait portes
Blanches, murs chaulés,

Orangers qu'on sort
Verts, sur les terrasses,
Pavillon dehors
De toutes les races,

Gens lors qui s'en vont
Anneaux aux chevilles,
Venus de Luçon
De l'Inde et des îles,

C'est choses qu'on vend,
Indous plumes teintes,
Et soieries éteintes
Juifs et d'Orient.

Mais matelots gais,
En chantant qui passent,
Sur leur main posé
Un perroquet blanc,

Ou bien dans leurs bras
Une guenon lasse,
Et désabusée
Qui grince des dents,

Puis Singhalais noirs
Offrant des cauris,
Enfilées, des fruits,
Et des dents d'ivoire,

Rue dans l'air
Qui sent les tropiques,
Et gens qui trafiquent
Sous le soleil clair,

C'est le ciel plus loin
Là-bas qui se mire,
Dans l'eau des bassins
Où sont les navires.

IX
Mais lors en son temps
Brise qui se lève,
Dès le matin blanc
Dans le ciel monté,

Puis dans l'air qui bouge
Sa voix qui s'élève
Quand vient le soir rouge
Où le jour se tait,

Ici sur les toits
C'est le vent qui règne,
Comme sang qui baigne
Cœur ou la vie bat.

Mais lors au clocher
Où temps ne fait grève,
Heures sonnant brèves
Ainsi qu'envolées,

Instant du départ
De nuit advenu
Et vin sur le tard
Alors qu'on a bu,

C'est marins, allés,
Un peu qui chavirent,
Là-bas sur les quais
Chercher leurs navires,

Et dans le silence
Rue alors entrée,
Et pour la partance
Toute pavoisée.

X
Mais odeur ici
D'encens qui revient,
Eglise qui prie
De Dominicains,

Et comme un enfant
Dont les yeux se mouillent,
Le cœur repentant
Et qui s'agenouille,

Rue qui fait le mal,
Rue qui fait le bien,
Et d'une âme égale
Comme les humains,

Puis soudain confuse,
Choses accomplies,
Après s'en excuse
Douce et repentie,

Rue qui se reprend
Blanche comme un lait,
Lavée dans le vent
De tous ses péchés,

Et comme un enfant
Encor qui soupire,
Tantôt repentant,
Qui se met à rire,

Clartés des midis
Alors et qui viennent
Soleil resplendi,
Rue italienne,

A cloches dans l'air
Qui parlent sans fin,
Si net et si clair
Qu'on dirait latin,

Rue qui dit l'été
Et la canicule,
Si chaud le pavé
Qu'on dirait qu'il brûle,

Lors parfum ici
D'encens qui revient,
Eglise qui prie,
De Dominicains,

C'est le porche ouvert
Sur le prieuré,
Dans les lierres verts
Qui dit sa fraîcheur,

Silence, clarté,
Paix douce à la chair,
Eté qui se tait
Comme allé ailleurs.

XI
Or bleu disant l'août
Au commun des jours,
Corneilles qui rouent
En haut sur la tour,

Puis l'heure sonnant
Partent sur leurs ailes,
Quittant les auvents
Crier dans le ciel,

Comme de gros mots
Plus aigres qu'airelles
Dits tout en voyelles
Suivant leur argot,

Corneilles peu sages,
Et même un peu folles,
Vivant en veuvage
Et qui s'en consolent,

Dans le ciel en blond
Sur le prieuré,
A tourner en rond
Autour du clocher,

C'est de choses vues
De les raconter,
Dans le soir venu
Leur rancune allée.

Mais nuit qui se fait
Sur le monde rouge,
Où plus rien ne bouge
Dans le jour allé,

Qu'or dans le ciel nu
En l'air qui voyage,
Lors de commérages
Mégères repues,

C'est corneilles tues,
Au clocher rentrées,
Que le hibou hue
Dans l'ombre montée.

XII
Et maintenant nuit
Qui vient étoilée,
Et lune qui luit
Dans le ciel montée,

C'est dans le sommeil
La vie qui se tait,
Lumières qui veillent
Aux maisons fermées,

Rideaux descendus
Et volets baissés,
Et pavés à nu
Lors tus et muets.

Or silence en l'ombre,
Finie la journée,
C'est le jour allé
Comme nef qui sombre,

Et le fleuve au loin
Là-bas et qui chante
En les heures lentes,
Puis dans l'air marin

Le vent lors aussi
Suivant sa coutume,
Sur les toits qui fument
Qui passe transi.

Or comme il en est
Lors des choses dites,
En l'oubli qui naît
Des heures allées,

Dans le temps donné
Que la vie nous quitte,
En la rue tacite,
C'est la nuit qui paît,

Dans ta rue Saint-Paul,
Celle où tu es né,
Un matin de Mai
A la marée haute,

Dans la rue Saint-Paul,
Blanche comme un pôle,
Et dont tu fus l'hôte,
Pendant des années.


De Sint-Paulusstraat

I
Zo is jouw Sint-Paulusstraat,
Die waar jij geboren werd,
Op een ochtend in mei
Bij hoge tij.
(1)

Zo is jouw Sint-Paulusstraat,
Wit als bij sneeuw,
Waar bij alle tij de wind
Te gast is uit zee.

Van de zee en van jou,
Met heel een verleden,
Christen en heidens
Mee met het weder.

De stroom ligt aan het straat-end
En de lucht die men er ziet,
Zendt zwart over de daken
De rook langs de vliet.

Zeereuzen rossig
Van roest en van vetten
Strekken er hun armen
Verstrengeld in netten, (2)

Maritiem in alles,
De lucht die je doordringt
Is er zout als de zee
En de vis die er stinkt. 

Zo is jouw Sint-Paulusstraat,
Die jij zo bemint
En die de ziltige stroom
In zijn hoogtij bespringt. (3)

Zo is jouw Sint-Paulusstraat,
Wit (3bis) als bij sneeuw,
En waar jij te gast was
In een vorige eeuw.

(1) In 2012: 150 jaar geleden: Max Elskamp werd geboren in de Sint-Paulusstraat nr 30, op 5 mei 1862. Volgens Marie Gevers, in haar "hommage" op 5 mei 1962, was het toen hoogtij om 8.06 uur.   
(2) In het verlengde van de Sint-Paulusstraat lag de nog niet gedempte Sint-Pietersvliet, de Middeleeuwse binnenhaven. (zie foto: de foto is genomen met de rug naar de Schelde. We zien de vliet met in de linkerbovenhoek de Sint-Paulusstraat die verder de stad inloopt.)
(3) Omdat de Schelde nog niet in het keurslijf van de kaaimuren geprangd lag, waren de getijden nog hoorbaar, 
(3bis) De witgeschilderde gevels van de 19e eeuwse nieuwbouw (arch. De Proost) maakten van de Sint-Paulusstraat een "witte straat". 

II
Wijk van de wind
En straat van de zee
Bleek in de morgen
Na het wijken der nevels,

Devoot, vol handel
En gepingel welgezind,
Wit van de dienstmeiden
Zodra de dag begint,

Men verkoopt er tong,
Rog en schol,
En sprot ook
zoals hij is of gerookt;

Dan het luiden der klokken
Voor de eerste mis,
Gelach in de lucht,
Dat zo weggegalmd is,

Bleke Maria’s liefkozen
Kindekes Jezus die blozen
In hun nissen alleen
of met bloemen er omheen,

Zo komt er leven
In negotie, devotie
En ieder krijgt zin
In de dag zijn begin.

 


III
Maar klanken dan
Die zwellen tot woorden,
Vreemd spreken
Uit allerlei streken,

Loketten, bureaus,
En comptoirs zwaaien open
Voor waterklerken
En jongens die lopen.

Straat die zich uitleeft
Met mensen gevuld,
In de wind die lachend
Hun wensen vervult.

Klanken in de lucht,
Bij elk uur dat komt,
Met luide stem gemeld
Door de heldere klok.

Zo krijgt het hele jaar
Door maand na maand,
Ieder zijn lach,
Ieder zijn traan,

En seizoen dat komt,
In de tijd die gaat,
De straat viert de heilige
Waar de dag voor staat.

 

IV
De Engelse consul
Hijst er zijn vlag,
De Engelse consul,
Op koninginnedag.

Lustige matrozen,
Het mes op de rug,
Passeren vol branie
En keren terug.

Jan van uit Holland,
Als de meimaand er is,
De mand in de hand,
Vol aardbeien fris,

Jan van uit Holland,
Vertrok in Breda,
Met aan zijn voeten
De klompen die hij had;

Dan in augustus, volle zon
Onder loodzware lucht,
Geur van braadvet,
Mout en bier uit de ton,

De reuzen gaan uit,
Op kermisdag en braspartij,
Rollen de goden  
Op karren voorbij: (4)

Daar is Antigoon
En ook de walvis,
Met op zijn rug cupido,
Zo naakt als een vis.

En dartele dolfijnen
Trekken de sloep, vol
Brallend scheepsvolk, 
Onder gelach en geroep.

Dan in de avond,
Violen verstommen,
Accordeons dempen
In walmen van wijn.

Stemmen klinken op
In de uitzinnige nacht,
En na de muziek
Gaan de vrouwen publiek,

De messen  ontbloot,
Mannen op drift,
Frontaal of dorsaal
Komt de dood in zicht,

Matrozenliefde,
Zeemansliefde,
Zelfs bebloed
Doet seks nog goed,

En in de nacht zo heet
Bij wassende maan,
Paren dood en dolend leven
Zonder kreet, zonder traan.
 
(4)  De karren van de "Ommegang" stonden gestald in de stadsmagazijnen in de Keistraat vlakbij. Dat was dan tevens het vertrekpunt. 


V
Het best zou zijn te leven
Zoals het God behaagt,
Maar jij die verslaafd bent
Aan tabak en het waagt

Te roken Saint-Omer
Of Porto-Rico,
Ga bij Madame Claire
Die verkoopt ze zo,


Zij heeft Roisin ook,
Die ligt er in manden,
En Parijse tabak die men
Rookt in bepaalde panden.

En zwarte Sint-Vincent,
Die prikkelt de borst,
En geeft pruimende zeelui
Eeuwige dorst.

Maar als je liever
Rolt met de hand,
Koop bij Madame Claire
Je portie Maryland.

En kies de lichte,
Neem je tijd,
En zoek er de blonde uit 
Die men in de lengte snijdt.


VI
Maar als dan in de wind
De straatmarkt begint
Met vaten steken
En kisten openbreken,

Liggen spullen in alle weer
Die ruiken naar leer,
Astrakanwol, Perzisch
Tapijt opengespreid,

Tonnen uit Bordeaux,
Fusten uit Koblenz,
Gedroogde hoorn,
Ruwe huiden uit La Plata

Op bascules gelegd,
Kop aan kop,
Ruggelings getast
Los en verpakt,

En Meneer Picalon
Hij staat in zijn winkel
Meneer Picalon
Verkoopt nagels,   

Zagen en schaven,
Dat is zijn waar,
De lustige matrozen
Vragen er naar.


VII
Dan de straat uit,
In de richting der dokken, (5)
Daar hokken de grieten,
Die doen zeelui genieten

In huizen beloken
Achter gordijnen gesloten
Maar die toch bewegen,
Rood licht houdt de dag dicht.

Hier zitten
Engelse meisjes te drinken
Gekleed voor het vrijen
In maillootjes die blinken,

In de dag daar buiten
Die weegt zo zwaar,
In de zomeravond
Is liefde hun handelswaar,

En bij elke likeur
Serveren zij lichaamsgeur:
Deense aquavit,
Bittere Griekse anijs,

Ierse Whisky,
Amerikaanse Rum,
Sake uit Japan,
Indische Opium,

En spiegels weerkaatsen
In geel en zwart glas,
Het blinkend koperwerk,
Achter de kas,

Er zijn vrouwen die praten
Gekleed in négligé
Er zijn vrouwen die rusten
Languit op de canapé,

Met ringen aan elke hand
In dagdromen of gekwel
Tot de slaap hen overmant
Ten laatste hun beste gezel.

Zo verglijdt de tijd
In steeds trager getij
En passeert de dag
Terwijl men op hem wacht,

De ogen tastend als phares
Langs de muren
Halt houdend
Bij de gravuren:

Men ziet de Vesuvius
Brakend zijn hel,
In een beek van vuur
Een vlammend spel,

En in rood en karmijn
Is hoger opgehangen,
De brug van Brooklyn
In de lucht gespannen. (6)

(5) Deze beschrijving slaat op de Schipperskapelstraat, een zijstraat rechts op de Sint-Pietersvliet en bevat geen enkel fictief element. De beschrijving komt woordelijk overeen met prozabeschrijvingen van franstalige stadsgenoten. Het betreft hier dus niet de luidruchtige Spuistraat met zijn danszalen en gore bordelen. 
(6) De prenten met "de brug van Brooklyn" en "De vesuvius" moeten er echt gehangen hebben. Mogelijks kwamen ze in bezit van Max Elskamp en liggen ze tussen de 470.000 objecten in het Mas. (het Antwerps Museum aan de Stroom").


VIII
In Augustus komen 
De vreemden van boord,
Trots worden muren gekalkt,
En gewit elke poort

Groene oranjeboompjes
Op de terrassen  
Met aan een koord
Vlaggetjes van alle rassen,

Dan stappen types voorbij
Met enkelbanden
Afkomstig uit Luçon
En verdere landen,

Indische zijde gebleekt
Is handelswaar die spreekt,
En helle pluimen sieren
Joden en Arabieren.

Matrozen in de wind 
Maken zingend een draai
Met op hun vinger
Een witte papegaai,

Of in hun armen
Een tamme marteko
Die het zeulen beu
De tanden toont.

Zwarte Singalezen
Prijzen luid,
Schelpen aan koordjes
Fruit en gele ivoortjes,

De lucht in de straat
Ruikt naar de tropen
En er wordt gesjacherd
Om te verkopen,

En verderop in het gewemel
Spiegelt zich de hemel,  
In het water van de vliet
Waar men de schepen ziet.


IX
Maar als te zijner tijd
De bries opsteekt,
Van in de bleke morgen
In de rijzende dag,

Dan in de bewogen hemel,
Verheft hij zijn stem
En in het avondrood
Als de dag is monddood.

Is het de wind die regeert
Op de daken die beven
Zoals bloed dat injecteert
Het hart dat klopt van leven.

Als dan op de toren
De klok de kleine uren
Laat horen die zó
Weg gegalmd zijn

En er een afvaart
Gepland is bij nacht,  
Met op de valreep
Gedronken wijn,

Dan ziet men zeelui,
Halvelings zwalpend
Over de kade ginds,
Op zoek naar hun schip,

En daarna ligt de straat 
Weer verstild,
En voor het vertrek
Helemaal bevlagd.

X
Maar wierook hier
Die ons tegenwaait
Langs de biddende ramen
Bij de dominicanen (7)

En zoals een kind
Met betraand gezicht
En berouw in het hart
Op de knieën valt,

Straat die ondeugend
En deugdzaam is,
Zoals de ziel zelf
Van de mensen is,

In plots geharrewar,
Voldongen het feit,
Met pardon achteraf
Gepreveld in spijt,

Straat die oplicht
In melkwitte schijn,
Wind die bleekt,
Wolk die verdwijnt

En zoals een kind
Nog wat nasnikt,
En van in tranen
Schiet in een lach,

Zo komen tegen de middag 
Opklaringen doorgaans,
De verblindende zon
Maakt de straat Italiaans,

Met de klokken erbij
Babbelend zonder eind,
Zo hel en zo fijn
Als was het Latijn,

In de zonnige straat
In het heetste uur,
Lijken de kasseien
Klinkers van vuur,

Dan wierook hier
In een geur die sliert,
Langs de biddende ramen
Bij de dominicanen,

Door de poort opzij
Open op de priorij,
Onder groene klimop
hangt koelte volop,

Stilte, sereniteit,
Vrede des harten,
Niet één zomers geluid,
Als was hij uit.

(7) We bevinden ons nu in de kloostertuin, aan de noordkant van het hoogkoor. De wierookgeur verliet de Sint-Pauluskerk langs "le porche ouvert sur le prieuré": dat is de door Walter Pompe (1703-1777) gebeeldhouwde poort die naast het hoogaltaar toegang naar buiten verschafte.  Sinds 1912 is die poort geen buitendeur meer: er werden toen hulpgebouwen aangebouwd tegen de noorderflank van het hoogkoor. Omdat Max Elskamp niet katholiek was, nam hij de wierookgeur enkel waar buiten de kerk. Een katholiek dichter zou aan "een wierookgeurtje" op straat geen aandacht schenken. 


XI
In het blauw van augustus
Vliegen de kraaien
De ganse dag in de hoogte 
Rondjes rond de toren, (8)

Als het uur slaat (9)
Vliegen zij op,
Weg van de daken,
En krijsen als zot,

Gemene woorden,
Scherper dan bramen,
Enkel maar klanken,
In dieventaal,

Kraaien zijn stom,
En niet wel wijs,
Als oude wijven die
Zich beklagen doen ze niets,
 
Dan in de hemel
Boven het klooster
Rondtoeren
In de goudgele lucht,

En alles gezien,
En uitgekraamd,
Tegen de avond
Is alle opwinding weg.

En als de nacht zich
Over de bloedrode wereld legt,
En er niets meer beweegt
In de dag die verdween,

Alleen wat goud aan de
Hemel en wolkjes die drijven,
Dan zijn de kraaien
Als uitgeroddelde klappeien,

Zwijgend in de toren
Weergekeerd,
En het is de uil die krast
In het opgekomen duister.

(8) De hier beschreven kraaien zijn de thans uitgestorven soort "corvus corone corone".  Ze leefden in familieverband, niet in grote zwermen.  Hoewel ze meestal in bomen nestelden, huisden ze ook wel in kerktorens zoals hier in de Sint-Paulustoren en daar hadden zij hun redenen voor: De kraaien stonden hoog in aanzien voor het opruimen van slachtafval, iets wat in deze buurt niet ontbrak. Ze aten verder alles wat lekker is: spinnen, insekten, ratten maar ook mosselen en vis. De met riet begroeide nog glooiende Scheldeoevers voorzagen  hen dus van de heerlijkste maaltijden. De nabijgelegen "Kraaiwijk" zou niet naar hen genoemd  zijn maar teruggaan op een verloren gegane aardrijkskundige term: "een halvsvormige inham aan de Koolvliet".
(9) De resten van dit torenuurwerk, zonder wijzerplaat, zijn nog in de Toren aanwezig.

XII
En nu wordt de nacht
Met sterren bezaaid,
En gaat de maan blinkend
Aan de hemel staan.

Al wat leeft zwijgt
En slaapt,
Alleen het lichtje waakt
Bij de gesloten poort,

Gordijnen neer,
En luiken dicht,
Leeg is de straat
Waar geen voet meer gaat. (10)

Stilte in duisternis,
De dag is gedaan,
De dag is als een schip
In het donker vergaan.

En de stroom ginder
Ver zingt zijn lied  
In steeds trager getijden,
En de lucht uit zee

Draagt de wind met zich mee,
Zoals vaker gehoord
Stommelt hij in de rook
Over de daken voort.

En zoals het nu is
Nu alles gezegd is,
En het beeld verflauwt
Van wat weg is,

In de toegemeten tijd
Die het leven ons laat,
In de nietszeggende straat,
Is het de nacht die herkauwt,

In jouw Sint-Paulusstraat,
Waar jij geboren werd
Op een ochtend in mei
Bij hoog getij,

In de Sint-Paulusstraat,
Wit als bij sneeuw,
En waar jij te gast was  (11)
In een vorige eeuw.

(10) Eens de maritieme kantoren gesloten waren, werd de Sint-Paulusstraat een stille straat. Het nachtgewoel liet De Sint-Paulusstraat links liggen en concentreerde zich op de bordelen en danszalen in de Spuistraat of in de herbergen voor schippers in de Oudemansstraat. 
(11) Max Elskamp bedoelt dat hij als kind op de zondagen te gast was wij zijn ouders in zijn geboortehuis in de Sint-Paulusstraat. Dat maakte de "zondagen" voor hem zo bijzonder.

Slotgedicht van La Rue Saint-Paul

Ad Finem

A présent ici,
Noue-la ton écharpe,
C'est le vent, la pluie,
Tu n'as plus vingt ans,

Tes cheveux sont blancs
Et grise ta barbe,
Et voici la vie
Dont tu te déprends,

Plus rien ne t'attend
Dans les jours qui viennent,
Et chose anciennes
Qui ont fait leur temps,

Tu portes ton coeur
Et sans te leurrer,
Du jour ou de l'heure
Qui meurt ou qui naît.

Ame en toi qui sait,
Est-ce la sagesse?
Est-ce la tristesse?
Ou bien le regret?

Ame en toi qui sait
Ce que vie apporte
Dans des heures mortes
Ni tristes, ni gaies,

C'est lumière aux cieux
Autrement qui luit,
Que dans les jours bleus
Jadis de ta vie,

Et monde changé,
Rues où tu t'en vas
Comme un étranger
En cherchant ta voie.

Pourtant de chez toi,
Maisons, toits, fumées,
Dans l'air que l'on voit
Sous le ciel monter,

Navires là-bas,
Leurs vergues croisées,
Qui dressent leurs mâts
Guidons arborés,

Choses dans tes yeux
Qui ont navigué,
Dans les jours heureux,
Des mois, des années,

Et que tu as sues,
Que tu as aimées,
Est-ce en ton oubli
Qu'elles sont entrées?

Non, tu as vieilli,
Et las! Tu le sais,
Non tu as subi,
Mais rien n'a changé,

Dans l'amour en elles,
Jadis éprouvé,
Où tu trouvais ailes
Et dans tout les temps,

Il n'en est ici
Qu'ainsi qu'en la vie,
Où c'est du présent
Que meurt le passé.


Ad Finem

Knoop je sjerp dicht,
De wind, de regen,
Hier nu in je gezicht,
Je kunt er niet meer tegen,

Je haren zijn wit
En grijs is je baard,
En het leven hier,
Wat is het nog waard,

Niets wacht je nog op
In de dagen die komen
En wat voorbij is
Zal niet meer komen,

Je koestert in je hart
Geen illusies meer,
Om dag of uur,
Hun einde of begin,

Diep in je besef je,
Is het wijsheid?
Is het weemoed?
Of gewoon spijt?

Diep in je besef je,
Dat wat het leven brengt
In de doffe uren,
Vreugdeloos noch blij,

Het is licht aan de hemelen
Van een ander soort schijnsel
Dan in de blauwe dagen
Van je leven voorheen,

En in veranderde omgeving,
Dwaal je door straten,
Als een vreemdeling
Die op zoek is naar zijn weg.

Het zijn nochtans jouw
Huizen, daken, schouwen,
Die je in de lucht ziet
Tot aan de hemel reiken,

Schepen ginds,
Hun ra’s kruiselings,
Op de rechte masten,
De standaard gehesen, 

Dingen die je écht
Hebt zien varen,
In de gelukkige dagen,
Maanden, jaren,

En die je hebt gekend,
Die je hebben begeesterd. 
Is het in je vergetelheid
Dat ze zijn geraakt?

Neen, je bent oud
En helaas! je weet het,
Neen, je hebt het gehad,
Maar niets is veranderd,

In de liefde die
Je eertijds voelde,
Waaruit je kracht putte,
En voor alle tijd,

Het is hier niet
Als in het leven,
Waar  in het heden
Sterft het verleden.

(Slotgedicht van de bundel "La Chanson de la Rue Saint-Paul"; niet opgenomen in de verzamelde werken van 1967 en 2000)

 

Het liefje met de ongerepte naam: Sahèle

Het liefje met de ongerepte naam: Sahèle

l' abandon

C'est vous et qui m'avez quitté,
Et pour me laisser dans la vie
En l'amertune qu'on y boit.
("Sahèle" in "Les Joies Blondes" (1934))

De tijd heelt alle wonden, maar niet die van Max Elskamp. De pijn van zijn mislukte jeugdliefde (Maria de Mathis) draagt de dichter levenslang met zich mee. Waarom de idylle eindigde, daarop zoeken we het antwoord niet.  We  houden het bij de uitspraak van Oscar Wilde :  "Een liefdesgeschiedenis bestaat niet, er is enkel de herinnering aan de liefde en het verlangen naar de liefde. Dat is alles. Onze ogenblikken van opperste vervoering zijn slechts een schaduwbeeld van wat we reeds elders beleefden of van wat we ooit hopen te beleven.’"

Veertig jaar na de breuk,  62 jaar oud geworden,  maakt de dichter er een thema van in zijn werk in de vorm van  een mini-bundeltje van acht gedichten maar in geen enkel vers wordt de naam van de geliefde genoemd. De titel van het liefdesboeketje  luidt:  "Maya" (1923, 150 exemplaren). (In 1934 wordt dit bundeltje herdrukt in de postume editie van "Les Joies Blondes", maar de titel "maya" is dan gewijzigd in "Sahèle"). 

Eén jaar na "Maya"  verschijnen zijn (bij leven) twee laatste bundels "remembrances" (1924, 250 ex)  en "Aegri Somnia"  (1924, 250 exemplaren). En in deze bundels duikt voor het eerst de raadselachtige "Sahèle" op . Ze wordt in de verzen expliciet aangewezen als het liefje dat hem verraadde en dat in zijn leven de rol heeft gespeeld van de "femme fatale" Salomé:

Sahèle,
C'est vous que j'ai aimé
Et vous m’avez trahi
A bouche qui sourit
Un jour et sans regret,

Et c’est vous à présent
Qui passez dans ma vie 
Ainsi qu’aux anciens temps
d’Antipas, Salomé,

Et c’est mon cœur, en moi,
Par vous qui a saigné,
Ainsi qu’en autrefois
De Jean, tête tranchée.

De naam Sahèle is, in het domein van de naamgevingen, zogoed als onbekend, maar is toch geen exclusieve creatie van de dichter Max Elskamp. De naam Sahèle komt bijna nergens elders voor in de letterkunde, de mythologie, de godsdienst- of de cultuurgeschiedenis. Toevallig  ontdekte ik dat in 1886 een zekere Armand Hayem een toneelstuk had geschreven "Don Juan d' Armana' waarin een jong Spaans meisje meespeelt dat Sahèle heet. De naam was dus geen eigen creatie van Elskamp. 
(Tot op vandaag komt "Sahèle" als meisjesnaam bij ons niet voor. In franstalige Arabische families, afkomstig uit het Midden-Oosten, is dat wel het gevall zoals blijkt op Twitter waar enkele meisjes met Arabische achtergrond de naam Sahèle dragen. )

In 1925, een jaar na de eerste publicatie van de naam "Sahèle" (in "Aegri Somnisa" en "Remenbrances" ,1924),  speelt het volgende tafereel zich af ten huize van Max Elskamp op de Belgielei 138:  (Het wordt ons verteld door Henry Van de Velde die er op bezoek is) : "Un jour, en 1925, au moment où le cerveau de mon ami avait déjà chaviré dans la démence et que je me trouvais seul devant lui, à la même place à cette table de la salle à manger où rien n'avait changé depuis que je m'y étais assis des centaines et des centaines de fois c'est-à-dire depuis plus de 50 ans, il évoqua toute l'histoire .... avec une précision frappante de détails et de noms. ..... Sans aucun geste, sans qu'aucun trait de son visage ne bougea dans sa face jaune et bouffie de cette époque, il évoqua ces heures douloureuses de sa vie en courtes phrases plaquées ......."   ( "Hommage de Henry Van de Velde": zie tekst van zijn voordracht op 15/6/1933 op http://artsetlettres ...)  


L’ aimée

Ne pleure plus Sahèle
O toi, ma douce amie,
Il  n’est ciel en la vie
Et nous n’avons des ailes,

Et le monde est Judée,
Et il faut vivre en soi,
Ne partager sa foi
Qu’avec la seule aimée,

Pour connaître la joie,
La rencontrer sa paix,
Et le bonheur parfois
Alors ainsi trouver.

Ne pleure plus, Sahèle,
En tout ce que tu vois
Et qui est hors de toi
Sache que c’est le fiel,

Rien n’est vrai en nous-mêmes,
Que celle que l’on aime,
Et qui vous donne émoi
Elle aussi tout en foi,

Dans des heures alors
Qui deviennent sereines,
Et dont noire la peine
Hors de nous loin s’endort.

Je te sais toi Sahèle,
Je te sais toi en moi,
Et tu me sais en toi,
Moi aussi, et c’est ciel,

0 mon aimée, si chère,
Sois-moi lors le soleil,
Qui me donne lumière
En sa clarté vermeille,

Ne pleure plus, Sahèle,
Puisqu’ amour est en nous,
Et qu’il se peut lors doux
Comme aux ruchers le miel.

 

Het Liefje

Ween toch niet, Sahèle,
O jij, mijn zoete lief,
Een hemel op aarde is er niet,
En erheen vliegen kun je niet,

En de wereld is een jodenland,
Waar je leven moet in eigen pand,
En je geloof slechts delen moet
Met je enig hartebloed,

Om de vreugde te kennen,
De vrede te bezitten
En soms het geluk
Alzo te vinden.

Ween toch niet, Sahèle,
Al wat je ziet
En dat buiten u ligt
Weet dat het gal is.

Niets is echt in onszelf
Dan wat men bemint
En dat ons raakt
En alles ook verbindt,

In de uren waarin
Men dan rust vindt, 
En de doffe ellende
Ver buiten ons inslaapt.

Ik ken u Sahèle,
Ik weet u in mij,
En jij weet mij in u
Evenzo, en dat is hemels,

O mijn liefje, zo dierbaar,
Wees dan voor mij de zon
Die mij licht geeft
In  haar gouden helderheid,

Ween toch niet, Sahèle,
Vermits liefde in ons is,
En die kan dan smaken
Zoet als honing in de raten.

 «Les Limbes», (1967) ("Het voorgeborchte"),  Œuvres Complètes », « Le Cri »; bladzijde 677.
Dans l’ombre, III, L'aimée.

 


 

Maya, de Illusie

MAYA, de illusie.

Tout ce qui vit
Tout ce qui bouge
Est rêve a dit
Le maître rouge

Et lui qui sait
Bouddha répond :
Maya ? Tout est
Illusion. 
("Les Fleurs Vertes" (1934), "Chansons Grises", V, Surate) 


O Maya, c’est toi et que j’aime.
Et malgré ce qu’a dit Bouddha,
C’est toi l’illusion suprême,
Qu’en ma vie j’ai connue en toi,

Vraie dans mes rêves, dans mes songes,
Et non fausse comme il t’a dite,
Et en t’accusant de mensonge
Alors ainsi, par lui maudite. 
("Les Limbes" ("Het voorgeborchte", 1967),
In pace, II )

"Maya" was de titel die Max Elskamp in 1923 aan een liefdesbundeltje gaf. Maar in 1934, in een postume editie, bleek die naam veranderd in "Sahèle".

Bij Elskamp verwijst "Maya" vooral naar de boedhistische godin die troost en zekerheid brengt in de bedrieglijkheid en de misleiding van de zintuiglijke wereld.

Maya

Maya, ainsi qu’ailée
De vos longs cheveux blonds,
Maya l’illusion,
Vous ai-je assez aimée ?

L’Eve des anciens jours
Toute parlait en vous,
En le mensonge doux
Qu’en vous était l’amour,

Et du bien qu’il en est
Sans pourtant qu’on le touche,
Le rêve disait vrai
Baiser de votre bouche.

Maya dont les yeux clairs
Chantaient les Idumées,
Quand en nous nuit amère
Dormait en long couchée,

Maya qui souriiez
Nous apportant clarté,
Et qu’alors d’y penser
Nous retrouvions la paix ,

Maya et qui saviez
Pourquoi l’on pleure ou prie,
Dans le songe qu’on fait
Et de tout qui délie,

Et sur nous vous penchiez
Mains sur nos fronts posées,
Et nos yeux les fermiez
Pour qu’on puisse oublier,

Quoi qu’en ait dit Bouddha,
Maya, vous étiez sûre,
Dans la vie qu’on a
Autant que la douleur.

Or Maya en nos cœurs
Qu’importe d’imposture,
Lorsque le rêve élit
En nous le paradis,

Rien n’est vrai sous le ciel
Que ce qu’en soi l’on porte,
Et myrrhe en nous, ou miel
C’est songe qui l’apporte,

Et lors c’est vous Maya
Comme Eve aux anciens jours,
Qui nous tendez la joie,
Le désir et l’amour ;

Au fruit de l’arbre vert
Que vous avez cueilli,
Maya, aux grands yeux clairs,
Et qui savez la vie,

Maya, ainsi qu’ailée
De vos longs cheveux blonds
Maya l’illusion
Si douce en nous entrée.

Maya

Maya, die gevleugeld lijkt
Met Uw lange blonde haren,
Maya de illusie,
Heb ik U genoeg bemind?

Zoals de Eva uit de eerste dagen
Sprak alles in U  
In de zoete leugen
Dat de liefde in U was,

En dat men er de zaligheid vond,
Zonder dat men die aanraken kon;
Maar de droom was echt,
Het was de kus van Uw mond.

Maya, in wier heldere ogen
De antieke psalmen zongen,
Terwijl in ons de bittere nacht 
Uitgestrekt te slapen lag.

Maya, die met uw glimlach
Ons klaarheid bracht
En alleen maar eraan denken
Deed ons de vrede hervinden.

Maya, die wist
Waarom men weent of bidt
In de droom die men heeft
En die ons van alles verlost.

Over ons heen gebogen,
Streelde je ons voorhoofd,
En sloot je onze ogen
Zodat we vergeten konden,

Wat Boeddha ook mocht beweren,
Maya, jij was altijd echt
In het leven zoals het is,
Even echt als het lijden,

Maya die in onze harten leeft,
Wat deert ons de misleiding
Als de droom in ons
Het paradijs vond?

Niets is echt onder het firmament
Dan wat men in zich draagt,
En mirre in ons of honing,
De droom is onze koning.

En dan ben jij het, Maya,
Als Eva uit de eerste dagen,
Die ons de vreugde brengt,
De hunkering en de liefde,

Met de vrucht die jij groen
Uit de boom hebt geplukt,
Maya, met de grote klare ogen,
En die het leven kent,

Maya, die gevleugeld lijkt
Met Uw lange blonde haren,
Maya de illusie
Zo zoet in ons gevaren.

« Chansons Désabusées » (1922), ( "Liederen van een Ontgoochelde"),  "Œuvres Complètes » , « Le Cri »,  Bladzijde 176, En Elles , VI,   Maya

 

Gabrielle: latrelatie met een Engel.

Gabrielle: latrelatie met een engel.

Na de ongelukkige liefde, die hem levenslang als mens bleef pijnigen en als dichter bleef inspireren, kreeg Max Elskamp nog een liefdesrelatie met Gabrielle de Meester. ( in 1888: hij was toen 26, zij 17). Al vlug maakte hij met haar paradijselijke wandelingen in het nabijgelegen park "De Harmonie".

In brieven verwijst Max Elskamp naar haar als  'l’accoutumée'.  "Hier soir, ... je m'en suis allé avec l'Accoutumée au promenoir, regarder le jeu de la lune et des nuages..." (brief aan Henry van de Velde)  Wie meer wil weten over deze relatie leze van Marcel Schiltz: “La Vie Tourmentée de Max Elskamp”.  Een andere ooggetuige van deze vriendschap was Robert Guiette (1895-1976) : "Que de fois je l’ai vu, vieillard, aller vers les quartiers de son enfance, comme enveloppé de solitude ! Une femme discrète et qui avait dû être très belle, l’accompagnait. Ils ne se parlaient pas. Ils allaient côte à côte, d’un pas sans hâte. Etait-ce « sa » rue Saint-Paul qui l’attirait ? Pensait-il à son poème, à l’église et au calvaire, à ses morts et à son passé ? Voyait-il revivre ses chers fantômes ? Ou bien poursuivait-il sa longue recherche de la Voie ?". (http://artsrtlettres.ning.com   op de blog van Robert Paul: "Hommage de Robert Guiette à Max Elskamp" (1962))

L'Ange

C’est l’ange Gabriel,
Qui se dénomme tel,
Que celle et que j’aime,
Et d’une amour suprême,

Et dans sa blanche robe
Qui dit les paradis,
Et dont elle s’enrobe
Mon aimée, elle aussi.

C’est l’ange Gabriel,
Qui avertit Marie,
D’un bonheur et promis,
Qui lui viendrait du ciel,

Et elle, mon amie,
Mais elle et sans paroles,
Me l’a donné et lui
Et dans des heures folles,

Mais si douces en moi
Que lors en ses étreintes
Je l’ai aimée en foi,
Et ainsi qu’une Sainte,

En sa chair et donnée
Blanche comme une hostie,
Et qui me disait vie
Comme communiée.

C’est l’ange Gabriel,
Et qui porte des ailes
Et elle, mon amie,
Des manches de dentelles,

Qui la font comme oiseau,
Et dans des printemps luis,
Alors qui chante haut
Joie du ciel resplendi,

Et dans l’émoi et dit
Lors en la chair en elle,
J’ai trouvé paradis
Car j’étais dieu en elle.

De Engel

Hij, de engel Gabriel
Die zichzelf zo heet
Als zij die ik bemin
In allerhoogste zin

En die in het wit zich kleedt,
Als in de tuin van Eden,  
En zo is ook de snit van haar,
Mijn lief en van haar kleden.

Hij, de engel Gabriel
Die Maria heeft bericht
Van een geluk, een woord,
Dat haar hooguit komen zou,

En zij, mijn liefje,
Maar zij, en zonder een woord,
Gaf het mij en zij
In uren van uitzinnigheid,

Maar zo zalig in mij
Als dan in haar omhelzingen
Ik haar heb bemind in kuis gemoed
Zoals het bij een heilige moet,

In haar lichaam, mij gegeven
Wit als een hostie,
En dat was voor mij leven
Als in de communie.

Hij, de engel Gabriel
Heeft de vleugelen gevouwen,
En zij, mijn hartsvriendin,
Kantwerk aan haar mouwen,

Die haar doen op een vogel lijken,
Zo één die in de schone lentetijd
Hoog te zingen hangt
En de blijdschap uit de hemel vangt,

En in die emotie onomwonden,
In dat lichaam van haar,
Heb ik het paradijs gevonden
Want ik was god in haar.

« Les Heures Jaunes» (1934), En soi ,VII,   L’Ange  
" Œuvres Complètes », « Le Cri » ( blz. 546).

Salomé: femme fatale

Salomé: “femme fatale”

C’est temps allé qui se dérobe,
Et la tête de Jean coupée
Qu’emporte saignante en sa robe
Une fois de plus Salomé…
(“Huit chansons reverdies, dont quatre pleurent et quatre rient” (1942),VII, Vie.)

De symbolistische kunst van eind 19e eeuw transformeerde de bijbelse Salomé in "femme fatale", een erotiserend schepsel. In die vrouwengestalte intrigeerde en inspireerde zij dichters, componisten en schilders zoals Oscar Wilde, Richard Strauss, Baudelaire, Mallarmé, Walter Vaes en … ook Max Elskamp. 

Deze "Salomé" komt bij Elskamp vele keren langs: meestal in de schemering van de zomeravonden als de geuren van azalea’s, lelies en rozen door zijn zwak zenuwgestel vermangeld zijn in geuren van wierook, mirre, kaneel en het zweet van wiegende vrouwenheupen. Hoe dat precies verloopt, beschrijft hij in “L’ heure close” .

Het tweede Salomé-gedicht speelt zich uitzonderlijk af niet ten huize van Max Elskamp, maar ergens in een zaaltje waar de dichter een balletvoorstelling bijwoont. Al vlug verzeilt hij… in Galilea, in het paleis van Herodes Antipas.
 
L’Heure Close

Mais dans ton jardin voici la servante
Qui s'en est allée chercher la fraîcheur,

Et la nuit qui vient dans l' odeur des plantes
Puis dite dans l' air comme une blancheur,

Lune pleine d'août dans le ciel qui monte,
Et blonde et dorée qui luit sur le monde,

Et journée faite, dans l'air immobile,
 L'heure qu'on entend sonner sur la ville.

Mais lors paix qui vient issue du silence
Dans l'odeur des lys et des Azalées,

Montée dans l' air pur et qui se fiance
Aux candeurs bleues du ciel enamouré,

Tout ce que l' on voit, tout ce que l' on touche,
Dit de certitude et de vérité,

C' est pour l' âme, comme est pain pour la bouche,
Et la vie ainsi et mieux acceptée.

Or cœur lors en toi qui trouve le calme,
Et comme au bercail ses désirs rentrés,

Peut-être un peu grave en sa douceur calme,
C' est ainsi parfois que te vient la paix,

De soir ou matin ainsi qu'ils s'avèrent
Et selon le jour ou bien suivant 1'heure,

Et dans ton âme comme dans ta chair,
Dite en toi sans plus, mais alors sans leurre.

Mais repos ainsi, que l' on sent touché
En soi, dans un peu moins de lassitude,

Cœur, et dans son for, lui qui s'y complaît
 De l' avoir enfin trouvée quiétude,

C' est en l' ambiance des jours passés,
Bleus ou rouges rêves, et qui reviennent,

Des lointains en nous, comme illuminés
Des soleils dorés des amours anciennes,

Anges lors en ailes au vent tendues,
Passant en robes mauves, bleues ou vertes,

Et femmes aussi, mais la chair à nu,
Ou de leurs cheveux dénoués couvertes,

Puis senteurs dans l'air de myrrhe et d'encens,
Cœur comme il la su qui le bat son sang,

C'est alors Egypte ou bien Galilée,
Et elle qui danse elle, Salomé.


Het Beloken Uur

Maar in je tuin is dan de dienstmeid gegaan
Dat heeft ze voor de koelte gedaan,

En de nacht neemt bezit van de plantengeur
En dat brengt in de lucht een witheid van kleur;

Volle maan die in augustus steeds hoger stijgt
En zo de aarde een goudblonde schijn verkrijgt,

En in de lucht immobiel, als de dag is gedaan,
Hoort men in de stad het uur op de toren slaan;

En uit de stilte komt dan de vrede
Met de geur van lelies en azalea’s mede

In de ijle lucht die zich vermengt als liefde zelf
Met de ongerepte blauwheid van het hemelgewelf;

Al wat we zien, al wat we aanraken,
Getuigt van zekerheid en ware zaken,

Het is voor de ziel als brood voor de mond  
En zo is er met het leven een hechter verbond,

Het is dan dat het hart in u zijn kalmte herwint,
Alsof het met zijn verlangens de schaapstal hervindt,

Misschien wat plechtig in zijn zalige kalmte,   
Maar zo is het soms dat de vrede u vindt

Bij avond of ochtend zoals het komt,
En naargelang de dag of volgens de stond,

In je ziel evenzeer als in je lijf,  
In uzelf gewoon maar wel zonder vertoon.

En de rust die men dan in zich heeft,
Is voelbaar omdat het enigszins minder moeheid geeft, 

Uw hart in zijn binnenste verheugt zich erom
Dat het eindelijk die gerustheid vinden kon.

En het is in de nawerking van de voorbije dagen,
Dat blauwe of rode dromen terugkomen,

Uit de verten in ons, als door gouden zonnen verlicht,
Afkomstig van liefdes die eertijds begonnen,

Engelen zweven voorbij, de vleugels strak in de wind,
In gewaden, purper, groen of blauw van tint,

En vrouwen ook, maar gans bloot
Of met hun haarlokken los tot de schoot,

Daarna geurt het in de lucht naar mirre en wierook,
En het bonzen van het hart wordt als eertijds gehoord,

En dan is er Egypte of ook Galilee,
En zij die danst, zij Salomé.

(Bron: "Les Fleurs Vertes" (1934) , D' un soir d'été ,
VII , L’Heure Close. « Œuvres Complètes » ,”Le Cri” ,blz 264)

Salomé

C’est dans les soirs                              
Parfois marâtres,
Où au théâtre
On va s’asseoir,

Et que l’on penche
Pour mieux les voir
Roses ou blanches
Blondes ou noires,

Dans la lumière
Et leurs flagrances
De fleurs de chair
Celles qui dansent,

Sur des musiques
Vites ou lentes,
A pas rythmiques,
Et souriantes,

Mimes, danseuses,
Et ballerines,
Douces, railleuse,
Ou bien félines.

Mais lors ballet,
Ou long, ou court,
Gracieux, gai,
Et parfois lourd,

Choses soudain
Et qui s’évoquent
De temps lointains
Sans équivoques,

C’est là-bas loin
En Galilée,
En l’air serein
Au soir tombé,

Un palais d’or
Dans le couchant,
Où sonnent cors,
Où montent chants,

Et puis des lances,
Soldats et gardes,
Banquet et danse
Et que regarde

Sombre, Antipas
Les yeux baissés,
Mais dansant là
C’est Salomé

Lèvres tendues,
Les bras dressés,
Et les seins nus
Et d’or sombrés,

Tandis que sur
Un plat d’argent,
Le long du mur
Blanc du  redans,

Un soldat vient
Et les doigts raides,
Portant aux mains,
De Jean, la tête.


Salomé

Het is in de avonden
Met een onzalig gevoel,
Dat in het theater
Men soms zitten gaat 

En schuift op zijn stoel
Om hen beter te zien,
Wit of rood,
Blond of zwart,

In het schijnsel
De glimpen
Van het fleurig bloot,
Van hen die dansen,

Op muziek
Rap of traag,
Pasjes op maat,
Lachjes op het gelaat,

Gebaren, dans,
Stepjes, 
Zoet, speels,
Of eerder kattig.

Maar dan bij ballet,
Dat lang is of kort,
Gracieus, luchtig,
En soms plomp,

Dingen plots daar
Die opdagen
Uit verre dagen
Onloochenbaar,

Het is ginder ver
In Galilea
In de heldere lucht
Bij valavond

Een paleis van goud
In de late zon,
Hoornen schallen,
Gezangen zwellen,

En lansen dan,
Van soldaten en wachters,
Bij banket en dans,
En dat ziet

Somber, Antipas,
De ogen neer,
En daar in dans
Is Salomé

Lippen opeen,
De armen hoog,
De borsten bloot
In goud getooid, 

Terwijl dan 
Langsheen de muur,
Wit in zijn trans,
Een soldaat stapt,

De vingers verkrampt,
Met op een zilveren schaal,
Op het vlak van de hand,
De kop van Jan.

« Aegri Somnia » (1924): Fleurs Vertes, VII, (blz. 360,  “Le Cri”)

 

 


 

Nog meer vrouwen.

Les Nefs

Il y a femmes qui sont nefs,                                          
Car elles vont en tous les temps,
Dans les ans ou dans l’instant bref
Chercher l’émoi qui les attend,

Et pour ce faire, se font belles,
Comme elles le peuvent souvent,
En se donnant comme des ailes
Qui sont leurs robes dans le vent,

Et dites de couleurs toutes
De jaune avérant l’or ardent,
De mauve confirmant le doute,
Et le blanc affirmant néant.

Il en est comme les Maries,
Et que l’on voit sur les autels,
Et qui se vêtent de dentelles
Et que l’on enrobe sans plis,

Et puis d’autres comme Carmen,
Ou en les Judées Salomé,
Qui mettent des jupes de laine
Courtes, dont les jambes sont montrées,

Et puis il est celles qui chantent,
Ou bien encor aussi qui dansent,
Dont la présence, ceux-là hantent,
De l’émoi qui n’ont connaissance.

Il y a femmes qui se voilent,
Comme bricks ou trois-mâts-carrés,
En de longues robes de toile
Où chair ne peut que se rêver,

Et puis d’autres, et en maillots
Qui les épousent en leur soie,
Suivant leurs désirs ou leurs croix
Et lors le cœur un peu falot,

Mais en toutes, le port cherché,
N’est que rarement approché,
Car c’est seule chair en beauté
Dans l’émoi par elles donné.


De Schepen

Er zijn vrouwen die als schepen zijn,
Die varen uit bij alle weer,
Voor lange tijd of voor een korte wijl
Op zoek naar de emotie iedere keer,

En hiervoor dirken ze zich op
Zoals ze het vaak kunnen,
Door zich als met vleugels te omhullen
Dat zijn hun japonnen in de wind,

En gekleurd in alle kleuren:
Geel dat oogt als goud dat blinkt,
Mauve brengt twijfel bij dat al,
En het wit zegt niemendal.

Er zijn vrouwen die lijken op Maria’s
Zoals men het ziet op de altaren,
En die zich  kleden in kantwerk
Dat men insnoert met wat garen,

En dan anderen als Carmen
Of als in Judea, Salomé voordien,
Die lakense rokken dragen,
Kort, die de benen laten zien,

En dan zijn er die zingen,
Of ook die staan te springen
Wier aanblik diegenen prikkelt
Die in zichzelf verwikkeld zijn;

Er zijn vrouwen die zich kleden
Als bricks of driemasters;
Met stijve hoepelrokken
Waar men het bloot bij denken moet,

En dan anderen in maillootjes,
Die accorderen in fluweel
Met hun passies en hun grillen
En die van opwinding gaan gillen,

Maar bij allen komt de gezochte haven
Slechts zelden in ‘t verschiet
Want meer dan een schoon lichaam
Met veel omhaal vind je bij hen niet.

«Les Limbes» (1967), Les Songes
II, Les Nefs, “Le Cri”, ( blz. 664)

 

Het weerzien met zijn zuster Marie op het Kielkerkhof.

Het Weerzien met zijn zuster Marie op het Kielkerkhof.

Ma Soeur là-bas qui m’attendez,
Dans la nuit noire de la terre,

Pour être un jour à vos côtés
Lorsque mon heure aura sonné,

Ma Sœur Marie, Ma Sœur aimée,
Vous aussi qui avez souffert,

Ce sera nous lors comme avant
Réunis, mais dans le sommeil,

Et dans la paix que l’on attend
Après sa vie sous le soleil.
(citaat uit "in memoriam à ma soeur Marie" in de bundel "La Chanson de la Rue Saint-Paul")
foto: familiegraf Elskamp-Cousin; de vergunning werd toegekend in 1903: het sterfjaar van Marie. Hier liggen begraven: de vader Louis Elskamp met zijn twee kinderen Marie en Max. Oorspronkelijk bevond dit graf zich op "Het Kielkerkhof". In 1931, het sterfjaar van de dichter,  was dit kerkhof al gedeeltelijk gesloten. Van 1921 tot 1936 mochten er op "Het Kiel" enkel  bijzettingen plaatsvinden.  Burgemeester Lode Craeybeckx gaf in 1949 opdracht om het graf van Elskamp op stadskosten maar zonder plechtigheid over te brengen naar het Schoonselhof  (perk Z1, rij 1, lijn Zuid, nr 4374) . Het graf heeft er van stadswege het statuut gekregen van "eregraf". De begraving op "Het Ereperk" zelf was gestuit op het verzet van de Franstalige Brusselse erfgenamen, bij monde van ere-advokaat Damiens. (bron: Anne-Mie Havermans; thesis 1999)


Max Elskamps zuster Marie stierf op 5 april 1903. De dichter verwoordde meermaals zijn verlangen om naast haar in het graf de eeuwige slaap te kunnen genieten. In het volgend gedicht "Vigie" spreekt de dichter vanuit de wereld der levenden zijn zuster in het graf toe. Hij vraagt haar of zij hem nog niet ziet aankomen want hij is naar haar onderweg. De voor hen beiden langverwachte dag daagt:  De dichter verlaat in het avondrood de wereld, waarin de rozen verwelken en waarin de mensen in de weer zijn met sterven. Zijn zus ziet hetzelfde rood als het ochtendrood van de nieuwe dag in het dodenrijk. 
 
In het tweede gedicht "Celle qui vient" behandelt de dichter de toestand na zijn dood: zijn lichaam is in het graf ten prooi aan de wormen;  zijn ziel, bevrijd van het aardse kruis, zoekt verder haar weg in de eeuwigheid. (Over deze "exodus" van de ziel handelt ook een gedicht in de bundel "les joies blondes, Clartés XI,  L'Exode, zie de tekst van dit gedicht hierna) 

Het uitkijken naar de hereniging met zijn zuster, vader en moeder, in de eeuwige rust van de dodenslaap was bij Elskamp geen dichterlijke pose. De dodenslaap moest hem "het zekerste geluk" brengen, waarop hij gans zijn leven gewacht had. Toen Elskamp als oorlogsvluchteling in 1914-1916 penibele uren beleefde in Bergen-Op-Zoom,  was het zijn grote angst daar te sterven en niet in Antwerpen in het bed van zijn zuster :" ... te weten dat je zelfs niet zal sterven in het bed waarin de jouwen bezweken zijn. (…) Ik ben helemaal wit, mijn benen zijn opgezwollen van het water, dat langzaam klimt. Als het aan het hart zal komen, ... zal het ogenblik daar zijn ... om eindelijk bevrijd te worden door de grote slaap die ik me toewens als het zekerste geluk waar ik op wacht.” (Elskamp in een brief die bij Henry Van de Velde in Weimar aankomt in februari 1915; vertaald en geciteerd door Henri Floris Jespers in het tijdschrift "Gierik 76", herfstnr 2002:  op  www.gierik.nvt.be/NR76
). 


Vigie

Je vous salue ma Sœur
De veille et de vigie,
Du côté de la vie
Que voyez-vous venir ?

Il fait matin, ma Sœur,
Et c’est le jour qui monte,
Mais du côté du monde
Voyez-vous rien venir ?

Je vous salue, ma Sœur
Ils sont finis nos rêves,
Aujourd’hui qui s’achèvent
Dans le mal et le pire,

Et la foi s’est éteinte
En les sages, les folles,
Leurs lèvres se sont jointes,
En n’ont plus de paroles.

Je vous salue, ma Soeur,
A présent dans l’air rose,
Qui regardez des roses
Dans le soir se flétrir,

Je vous salue, ma Sœur
Car revoici les hommes,
Et dans leurs villes comme
Occupés à mourir,

Je vous salue, ma Sœur,
Car voici Azrael,
Et la paix du sommeil
En notre heure advenir.


Uitkijkpost

Ik zeg u dag, lieve Zus
Van waken en wachten, 
Wat ziet gij komen
Van de kant van het leven ?

Het is de ochtend die komt, lieve Zus,
En de dag die daagt,
Maar van de kant van de wereld
Ziet gij niets komen ? 

Ik zeg u dag, lieve Zus,
Ze zijn gedaan onze dromen,
Vandaag zijn ze gedaan,
In ontij en ellende.

En het geloof is weg
In de dwaasheid der wijzen,
Hun lippen zijn aaneen gekleefd
En hebben geen woorden meer,

Ik zeg u dag, lieve Zus,
Die thans in de bleekrode lucht
Kunt zien hoe de rozen  
In de avond verwelken,

Ik zeg u dag,  lieve Zus,
Want hier zijn de mensen weer
En in hun steden lijken ze
Met sterven in de weer.

Ik zeg u dag, lieve Zus,
Want hier is Azrael (*1)
En de vrede van de slaap,
Ons (*2) uur komt eraan.
 
« Les Fleurs Vertes » (1934) , « Chansons Grises »
” Œuvres Complètes » , « Le Cri », blz. 403 , VII , Vigie


(*1) Azrael is "de Engel des Doods". Zijn taak bestaat erin de ziel uit de stervende los te maken en de weg te wijzen naar de andere wereld.
(*2)  "Ons uur" benadrukt het feit dat dit hun beider uur is: broer en zus zullen met elkaar verenigd worden in de  eeuwigheid van de slaap. 

Celle Qui Vient

Voici la mort qui vient
En trainant ses béquilles,
N’aie peur, ni ne la crains,
Ton âme est dans une île,

Si lointaine, que rien
Ne pourrait l’approcher,
Pas même le divin
Qui est d’éternité,

Car la paix est en toi
Au quai d’un port touché,
Et plus loin que la foi
Qu’en soi l’on a portée

En l’amour que l’on sut
Comme un soir qui s’éteint
En l’émoi qu’on en eut
Comme pain quotidien.

Voici la mort qui vient
Pour faire de ta chair
Morte, ainsi qu’un pré vert
Où le ver tait sa faim,

Sous la terre où on est
Tout en long étendu
En le printemps qui vient
Ou l’hiver advenu,

Dans le néant de tout,
Même de la lumière,
Et lors qui fait de nous
Jaune de la poussière,

Or ce n’est qu’en la chair
Qui est gaine de l’âme,
Dans des jours noirs ou clair
En les hommes, les femmes,

Car l’âme est immortelle
Et puis se réincarne,
En l’infini toute ailes
En la clarté qui pâme,

Et c’est soleil alors
Qu’on est d’éternité,
Dans des ciels dits tout d’or
Ou des nuits étoilées,

Ame s’aimant en foi
En un amour suprême
Et que l’on sait sans croix
Éternelle en soi-même.

Hij die komt.

Hier is de dood die komt
Slepend zijn pikkels over de grond,
Heb angst noch vrees voor hem,
Uw ziel zit op een eiland,

Zo ver weg, dat niets
Haar naderbij zou kunnen komen,
Zelfs niet het goddelijke
Dat in de eeuwige ban is.

Want de vrede is in u
Op de kade van een gevonden haven
En verder weg dan het geloof
Dat men in zich heeft gedragen,

In de liefde die men beleefde
Zoals een avond die valt
In de ontroering die dat bracht
Als van dagelijks brood.

Hier is de dood die komt
Om te vermaken uw dood vlees
Tot een groen plantsoen
Waaraan de wormen vreten,

Onder de grond waar men
Gans en lang gestrekt ligt
In de lente die komt
Of de winter die ging,

In het niet van alles,
Zelfs van het licht
En dat maakt dan
Van ons geel stof.

Maar alleen in het vlees
Dat het kleed is van de ziel,
In dagen, zwart of hel,
in mannen, vrouwen,

Want de ziel is onsterfelijk
En leeft daarna verder
In het eindeloos al, bevlogen
In de helderheid die bezwijmt,

En het is zon dan
En men is eeuwigheid,
In hemelen van zuiver goud
Of in nachten vol sterren,

Ziel die zich zalig voelt
In een suprême liefde
En die men ervaart zonder kruis
Eeuwig in zich zelf

("Les fleurs vertes", aveux, III, Celle qui vient.)

De twee eerste strofen van dit gedicht liggen, sinds november 2014, wit in zwarte steen gebeiteld op de strooiweide van het Schoonselhof, in een vertaling van Bernard Dewulf.


"Les Joies Blondes"
Clartés
XI
L’ Exode

Tu partiras un jour
Comme font les navires,
Pour t’en aller dormir
Lorsque viendra ton tour,

Comme au sein de la terre
Où cherchent les racines
Des plantes, notre chair,
Et qui leur est farine,

Comme aux hommes épautre
Et dont on fait le pain
Pour les uns et les autres
D’aujourd’hui et demain

Tu dormiras un jour
Dans la nuit éternelle
Et alors sans amour
Car la mort est cruelle,

Et nous veut comme cendres
D’un feu qui s’est éteint,
Et que le vent peu tendre
Balaie sans lendemain.

Or yeux alors fermés,
Dans la nuit qui regardent,
Bouches qui ont parlé
Qui se taisent hagardes,

C’est l’ âme ayant perdu
Sa gaine, elle de chair,
Qui dans les éthers, nue,
Est ainsi qu’au désert,

Et cherche dans la nuit
Pour se réincarner,
Amour qui plus ne luit
Là dans l’éternité.


In bijlage: bericht over de begrafenis van Max Elskamp op het Kielkerkhof ("Het Vaderland', Den Haag, 14/12/1931)

 

In memoriam vader Louis Jean Francois Elskamp

De dood van vader Louis Jean Francois

Uittreksel uit "overlijdens, Antwerpen" : "17 april 1911: L. Elskamp, z.b., oud gemeenteraadslid, 82 jaar, wed. van C Cousin, Leopoldslei 138" (bron: Gazet Van Antwerpen, digitaal archief 21/4/1911 p 5).

Max Elskamp raakte bij leven niet daar waar zijn ziel naar smachtte :  “Peut-être est-ce ma destinée d’ être celui qui attend sur le quai, en vain, peut-être n’ y a-t-il même pas de barques en route, vers moi, pour m’ apporter cette denrée rare dont j’ ai besoin comme de pain ». 

De zeilschepen die Max Elskamp in de Antwerpse dokken zag aanmonsteren en afvaren, riepen bij hem dus andere verwachtingen op dan bij zijn mercantiele (vooral Joodse en Duitse) medeburgers:  “Ces chers concitoyens qui ne me sont pas chers…"(brief aan Jean de Boschère). " Les grandes eaux, le ciel et les navires ; c’ est la seule chose …qu’ ici à Anvers on puisse vraiment aimer. »   ( brief aan Maurits Mockel 26/3/1921). "Le souffle du large n' y apportait que des marchandises" (Guy de Schoutheete de Tervarent  in  "notice sur Edmond de Bruyn" )

In “Le Carillon » ( d’Ostende )  van 27/10/1900 schreef een tijdgenoot:(1*)  « C’est tout à fait par hasard que Max Elskamp est né parmi nous.  Il devait être le contemporain des mystiques du  XIV siècle: Ruysbroeck et Heinrich Suso l’auraient compris. En notre temps il est dépaysé. »

Meer dan een eeuw later lijkt het nog moeilijker om Max Elskamp een geschikte plek op aarde toe te wijzen. Tenzij misschien het Antwerpse Schoonselhof, perk Z1, bij zijn dode zuster en bij zijn vader, die in zijn armen was gestorven  eveneens in de ouderlijke woning, zoals de twee anderen: zijn moeder en zuster en eveneens in de "lentemaand" april ( 17 april, de sterfdag van zijn vader was de tweede Paasdag van het jaar 1911).
 
Over deze sterfmaand "april" wijdt hij uit in een brief aan Albert Mockel. De brief is gedateerd 5 april 1922 : 5 april is de sterfdag van zijn zuster; 1922 is het publicatiejaar van "La Chanson de la Rue Saint-Paul":  "Mon tres cher et tres aimé ami ....A l'heure où je t'écris et à cette date du 5 avril (mois où tous les miens sont morts) ma soeur est morte , il ya dix ans (sic)... J'y ai pensé cette nuit, car je dors dans son ancienne chambre. Le 14 avril c'est ma mère qui m'a quitté, et mon père le 17. C'est curieux que ce mois nous ait porté malheur ainsi; j' ai cherché astrologiquement la cause, mais je ne l'ai trouvée." (L'amitié de Max Elskamp et d'Albert Mockel'; Henri Davignon, blz 61)

In de bundel waarin het in memoriam aan zijn vader voorkomt vinden we in "Le Calvaire" ook het volgende vers: " Mon Dieu qui savez les étoiles, qui fixent à chacun son lot".

Elskamp heeft levenslang de sterrenhemel onderzocht. De telescoop stond altijd klaar, de hemelkaarten lagen open op de tafel. Met externe hulp van een astroloog zocht hij het verband tussen de geboorte- en sterfdata van zichzelf en zijn huisgenoten en de weg die de sterren aflegden. Hij was ervan overtuigd dat, volgens de sterren, hijzelf in 1925 zou overlijden. En tot op zekere hoogte werd dit bewaarheid want 1925 was het jaar dat Elskamp, in dementie weggezakt, volledig en definitief uit het maatschappelijk leven verdween. Hij was zieldood. Alleen het kleedsel van zijn ziel bleef in 1925 nog zeven jaar lang over. Voor het feit dat zijn vader, moeder en zuster allen in de maand april overleden kon de astroloog echter geen antwoord vinden. Over de betekenis van de sterren, in verband met de sterfdata van zijn zuster en zijn vader, noteerde de dichter Francis Jammes het volgende uit de mond van Elskamp, toen hij hem bezocht in 1900 op de Leopoldslei 138 bezocht: « De même, Jammes, me disait-il, que vous affectionnez les fleurs que vous voyez revenir à des époques fixes, j’aime les étoiles dont j’attends le retour durant que le cycle de ma vie n’est point encore refermé. Celle que vous pouvez observer là, sur ce plan sidéral, ma sœur et moi la croiserons sans doute encore, ma pauvre sœur malade, mais il est écrit que mon père ne l’apercevra plus, même s’il devenait centenaire. Elle s’effacera, ce soir, à notre horizon, telle qu’une renoncule qui cesse de briller. ».

In Elskamps collectie precisie-instrumenten voor plaatsbepaling op zee bevindt zich, als object nr 512, een achthoekige door Elskamp ontworpen zonnewijzer waarop hij in gouden letters de geboorte- en sterfdate van zijn vader en moeder heeft gegrift. (thans in "musée de la vie Wallonne", Luik).
(1*) De tijdgenoot was André Beaunier (1869-1925). De recensie in "Le Carillon d'Ostende' van december 1900
 was een voorpublicatie voor zijn latere boek  "La Poèsie Nouvelle" (1902, Mercure de France, blz 381-382).

A MON PERE

Mon Père Louis, Jean, François,
Avec vos prénoms de navires,
Mon Père mien, mon Père à moi,
Et dont les yeux couleur de myrrhe,

Disaient une âme vraie et sûre,
En sa douceur et sa bonté,
Où s'avérait noble droiture,
En qui luisait comme un été,

Mon Père avec qui j'ai vécu
Et dans une ferveur amie,
Depuis l'enfance où j'étais nu,
Jusqu'en la vieillesse où je suis.

*
 
Mon Père, amour m'était en vous,
Que j'ai gardé toute ma vie,
Ainsi qu'une lumière luie
En moi, et qui vous disait tout;

Mon père qui étiez ma foi
Toute de clarté souriante,
Dont la parole m'était loi
Consentie par mon âme aimante,

Mon Père doux à mes erreurs,
Et qui me pardonniez mes fautes,
Aux jours où trop souvent mon coeur
De sagesse n'était plus l'hôte,

Mon Père ainsi je vous ai su
Dans les heures comme elles viennent
Du ciel ou d'enfer descendues,
Apportant la joie ou la peine.
 
*

Or paix et qui était en vous
En l'amour du monde et des choses,
Alors que mon coeur un peu fou
Les voyait eux, parfois moins roses,

C'était vous lors qui m'apportiez
Foi en eux qui n'était en moi,
Lorsque si doux vous souriiez
A mes craintes ou de mon émoi,

Et vous étiez alors mon Dieu,
Et qui me donniez en silence,
Et rien que par votre présence
Espoir en le bonheur qu'on veut,

Pour mieux accepter en l'attente
L'instant qui est, le jour qui vient,
Et sans doute les démente
Croire aux joies dans les lendemains.

*
 
O mon Père, vous qui m'aimiez
Autant que je vous ai aimé,
Mon Père vous et qui saviez
Ce que je pensais ou rêvais,

Un jour où j'avais cru trouver
Celle qui eut orné ma vie,
A qui je m'étais tout donné,
Mais qui las! Ne m'a pas suivi,

Alors et comme je pleurais,
C'est vous si doux qui m'avez dit:
Rien n'est perdu et tout renaît
Il est plus haut des paradis,

Et c'est l'épreuve pour ta chair
Sans plus mais d'âme un autre jour,
Tu trouveras le vrai amour
Eternel comme est la lumière,

Et pars et va sur les navires
Pour oublier ici ta peine,
Puisque c'est ce que tu désires,
Et bien que ce soit chose vaine,

Va, mon fils, je suis avec toi,
Tu ne seras seul sous les voiles,
Va, pars et surtout garde foi,
Dans la vie et dans ton étoile.
 
*

Or des jours alors ont passé
De nuit, de brume ou d'or vêtus,
Et puis des mois et des années
Qu'ensemble nous avons vécus

Mon Père et moi d'heures sincères,
Où nous était de tous les jours
La vie ou douce, ou bien amère,
Ainsi qu'elle est tour à tour,
 
Et puis en un matin d'avril
Les anges noirs eux, sont venus,
Et comme il tombait du grésil
Sur les arbres encore nus,

C'est vous mon Père bien aimé,
Qui m'avez dit adieu tout bas,
Vos yeux dans les miens comme entrés
Qui êtes mort entre mes bras.

Max Elskamp verwoordde de gevoelens voor zijn vader ook vaak in brieven. En in dat spontaan neergeschreven briefproza vinden we dezelfde verwoordingen terug als in "het poetische werk", waarvan vaak gedacht wordt dat het "een meer verheven en bevoorrechte inhoud" bevat.  Hierna een zin uit een brief aan zijn Waalse vriendin Emma Lambotte: "...j'ai vécu avec mon père, comme avec un ami; et à qui je disais tout ce que je faisais, meme le pire! et qui toujours souriait." ( brief geciteerd door Henri FLoris Jespers in "De Andere Stem van de Stad"; in het tijdschrift "Deus ex machina", 1992, nr 4, blz 96). En op de sterfdag van zijn vader, 17 april, schreef hij nog eens in dezelfde bewoordingen  aan Albert Mockel :  "Anvers, le 17 avril 1922. Mon tout cher ami,  
Je suis ému de ta lettre fraternelle; elle m'arrive à l'heure où mon père est mort, et par une coïncidence bizarre, c'était comme aujourd'hui le second jour de  Paques. .... J' ai vécu avec mon père comme avec un ami. Il n'ignorait rien de moi, et... Il avait les mêmes idées que moi sur la mort; et pourtant il aimait la vie; il souriait à tout..."("L'amitiè de Max Elskamp et d'Albert Mockel; Henri DAvignon, blz 61)

Vader Louis Elskamp als folklorist: Max Elskamp had het warme hart en de interesse voor  de folklore meegekregen van zijn vader.  Dat blijkt uit het tijdschrift "Volkskunde", waar Victor de Meyere  in jaargang 1933 drie oude Antwerpse vertelsels over Lange Wapper afdrukt die hem in 1909 door  vader Elskamp bezorgd waren. (XV Lange Wapper en 't gouden Joodje. XIV Lange Wapper en de Schrokkige vrouw. XIII Lange Wapper in de Danszaal). En in jaargang 1938 lezen we :"Louis Elskamp, reder en bankier te Antwerpen, vader van Max Elskamp, vertelde mij eens dat de Antwerpenaars in de Vlaanderen vroeger jaren "de panebroeken" geheten werden. " ( blz 70 Volkskunde (42e jaargang).  

Vader Louis Elskamp als nijveraar: Louis Elskamp was bankbestuurder van de "union crédit anversoise" en aandeelhouder in meerdere handelsmaatschappijen. In 1905 werd Louis Elskamp o.a. commissaris van de Nv "La Habanera", aktief in de tabakshankel met Rusland. Dat kan de sigarenvoorraad verklaren die na de dood van Max Elskamp op de Leopoldlei 138 werd aangetroffen.

Vader Louis Elskamp als politicus: Onder het burgemeesterschap van L. De Wael werd Louis Elskamp in 1872 gemeenteraadslid  van "de geuzen", een fractie waarvan ook Kreglinger, Vandertaelen en Cuylits deel uitmaakten. Louis Elskamp deed zich in de zitting van 19/10/1874 opmerken met een tussenkomst in de bespreking van het lastencohier van de "nationale tramrijtuigen" : "Ik vraag of de rijtuigen niet in twee klassen verdeeld worden ? In alle geval zou men de personen die niet deftig gekleed zijn, kunnen weigeren. Het is zeer onaangenaam nevens eenen schouwvager, onder andere, te moeten zitten. " Waarop raadslid M. Gits " En nevens eenen kapucien! Een persoon die zijn bloote voeten laat zien is niet deftig gekleed". (bron: Gazet Van Antwerpen, digitaal archief 9/12/1891)

*
**

Aan mijn Vader
 
Mijn Vader Louis, Jean, Francois,  
Met uw namen als van een driemaster (*1),
Lieve Vader, Vader van mij,
In wiens ogen, met de kleur van mirre,

Een ziel sprak, oprecht en trouw,
In haar zachtheid en mildheid,
Edel en recht door zee,
Een ziel die straalde als zomerzon,

Vader met wie ik leefde
Als met een goede kameraad,
Sinds ik een blode knaap was,
Tot de man met de leeftijd die ik nu heb. (*2)


(*1) "M. Louis Jean François Elskamp était le propriétaire d’un brick nommé l’Ortélius et d’un trois-mâts carré baptisé « Le Louis » Aldus Marie Gevers in  "Hommage de Marie Gevers à Max Elskamp" op http://artsrtlettres.ning.com  blog van Robert Paul   
(*2) Max Elskamp moet ongeveer 59 jaar geweest zijn toen hij dit schreef.

*
Mijn Vader, liefde voor mij vervulde je
En dat koesterde ik levenslang
In mij als een lichtend licht
En ik besprak met jou alles;

Mijn Vader die mijn baken was
Vol vriendelijke klaarheid,
En wiens woord mijn regel was,
Die ik volgde met blij gemoed,

Mijn Vader, mild in mijn dwalen,
En vol vergeving in mijn falen,
In de dagen dat al te vaak in mij
De redelijkheid zoek was.

Zo heb ik je gekend, Mijn Vader,
In de uren zoals ze komen
Zo goed en kwaad als ze zijn,
Met hun lief en leed.

*
 
Onverstoorbaar was je
In je omgang met de wereld en met alles,
En als mijn hart, wat uitzinnig, 
Het soms minder rooskleurig zag,

Dan was jij het die mij
Het vertrouwen gaf dat ik miste,
Door mij jouw glimlach te gunnen
In mijn angsten of wrevel,

En jij was dan mijn God,
En zonder één woord,
En enkel maar door er te zijn
Gaf je mij uitzicht op gelukkig zijn,

Om afwachtend te aanvaarden
Het moment dat is, de dag die komt,
En zonder dat twijfel knaagt,
Te geloven in de zaligheden van morgen.

*

O Vader, jij die van mij hield,
Zoveel als ik van jou,
Mijn Vader, jij en die wist
Wat ik dacht en droomde,

Toen ik meende haar te vinden
Die mijn leven had kunnen tooien (*3),
Aan wie ik alles zou gegeven hebben,
Maar die helaas! mij niet is gevolgd,

Dan en omdat ik huilde,
Was jij het die mij zo zacht zegde:
Niets is verloren en alles herleeft
Schoner dan in de dromen.

En het is erg dat je dit
Beleeft maar je hart
Zal ooit de echte liefde
Vinden die eeuwig als licht is,

En vertrek, ga varen,
Vergeet hoezeer je werd bezeerd,
Want dat is het wat je begeert, 
En zelfs al is dat vergeefs,

Ga, mijn zoon, ik ben bij je,
Je zult niet alleen zijn bij het zeilen, 
Ga, nu en blijf vooral geloven,
In het leven en in jouw gesternte.
(*3) Zie "Sahèle". Na de breuk met zijn jeugdliefde scheept hij in op de cargo "Princesse Stéphanie" voor een reis van 6 weken (mei-juni 1887) langsheen de kusten van de Middellandse Zee.

*
En de dagen zijn dan verstreken,
In nacht, mist of gulden licht gehuld,
En daarna de maanden jaren,
Die we samen hebben beleefd

Mijn Vader, jij en ik, doorleefde uren,
Waarin we het leven van alle dag
Proefden, zoet of eerder bitter,
Zoals het is, en dat steeds weer,

En dan op een ochtend in april
Zijn de zwarte engelen gekomen,
En terwijl stofhagel viel,
Op de nog naakte bomen,

Ben jij het, mijn lieve Vader,
Die mij adieu zegt, heel gedempt, 
En jouw ogen in de mijne als in getogen,
Lig je dood in mijn schoot.

*
**

"In memoriam, I, A mon père ("La Chanson de la Rue Saint-Paul" 1922.

vertaling uit de bundel dominical

Zondag !

7 maart 1892 : Max Elskamp is dertig jaar oud als hij naar buiten komt met “Dominical”,  onder het motto: « Et c’était comme si le monde secouant l’ancien cilice, se vêtait de la blanche robe des églises. »  (een citaat uit het werk van Raoul Glaber (Raoul de kale, 985-1045), een monnik van Cluny).

In de vroege middeleeuwen doen de monniken in bruin boetekleed hun arbeid in stilzwijgen. Maar in de abdijen van Cluny kleden zij zich in het wit en zingen zij dag en nacht psalmen om de hemelse engelenkoren te evenaren. Het is er alle dagen zondag.

Hierna volgt het inleidend gedicht van de bundel “dominical”. Het heeft geen titel. Voor de vertaling gebruikte ik de uitgave van 7 maart 1892 vanop de link:
http://www.aml-cfwb.be/musee/enligne/auteurs-domaine-public/par-auteurs

Expiant son illusion,
mon âme des bons jours enfuis,
dans ses chapelles d’onction,
de dimanches s’est éjouie,

au for d’une petite ville,
sous les chaires de vérité,
seule aux accores de son île
maladroite de bois sculpté ;

loin par le peu de ses paroles,
- c’est le bonheur à mes couleurs -
et novice du rire au pleur,
à des jardins hauts d’herbes folles,

mon âme, d’un voyage enfant
au moi que l’hier endimanche,
s’en revient pour aller en blanc
avec les enfants des dimanches.

Tot uitboeting van haar illusies
heeft mijn ziel uit de schone vergane dagen,
in de kapellen haar gewijd,
zich in de zondagen verblijd,

binnen het rechtsgebied van een kleine stad,
waar zij op de trappen van de preekstoelen zat,
zielsalleen op haar eilands steile rif,
onhandig uit hout gebeiteld met de hand;

ver, door de schaarste van haar woorden,
- het is een zegen voor mijn palet –
en novice van lach en traan in tuinen
waar hoog de wilde grassen staan,

komt mijn ziel na reis in kindertijd
terug naar mij, (het gisteren verzondagst mij),
om in wit habijt voortaan
met de zondagskinderen te gaan.

nog twee vertalingen uit de bundel dominical

"Dominical"

Zondag!

"de joie"
twee vertalingen

In het eerste hoofdstukje "de joie" van de bundel "dominical" beschrijft de dichter zeven genoegelijke ervaringen die hij gehad heeft op Antwerpse zondagen.

In fragment VI komt de dichter (een geoefend roeier) met zijn bootje roeiend op de Schelde naar de stad toe gegleden. 

In fragment VI brengt de dichter verder de windstille middag door in de oude stad.

De Joie
VI

Et je m’en reviens de mer
pauvre pécheur,
maintenant et à l’heure
de ce dimanche,
ainsi soit-il.

Et je m’en reviens de l’eau,
les rames haut,
sonnant comme des heures,
au beau dimanche,
ainsi soit-il.

La voile a coulé dans l’eau
mon beau bateau,
maintenant sonne l’heure
d’un beau dimanche,
ainsi soit-il.

Or la voile, l’aient les tailleurs,
aussi la mer,
alors que sonne l’heure
d’un beau dimanche,
ainsi soit-il.

Un dimanche est dans mon cœur,
pauvre pécheur,
maintenant et à l’heure
de ce dimanche
ainsi soit-il.


VII

Et voile à nul souffle bercée,
s' enguidonne d'un beau ciel d'or
le dimanche très en décor
pour les femmes de mes pensées :

et les femmes ont dépensé
leur cœur tout devant les fenêtres
et creusent, d'amour enlisées,
jusqu'au pleur ce ciel des fenêtres.

Vierges d'attente et de martyre,
au gril vert des persiennes lasses,
dans les jardins des croisées basses,
les femmes, jusqu'à se mourir,

cristallisent rouge aux fenêtres
- Appeaux naïvement enfants -
leur cœur sous les tabliers blancs
et tels des rideaux aux fenêtres.

Or, en vain, les femmes, amantes
d'aimer, se sentent infinies,
leurs besognes sont définies,
et, pauvre leur cœur de servantes

froidit, pour que se fassent blanches
leurs mains, en très naïves grèves,
dans la comédie bleue du rêve.
Or, passent ainsi les dimanches.


VI
En ik keer weer van zee
arme zondaar,
nu en in het uur
van deze zondag,
amen.

En ik keer weer van het water,
de roeispanen hoog,
wijl de uren slaan,
op de schone zondag
amen.

Het zeil heeft in het water
mijn schone boot gelaten,
nu slaat het uur
van een schone zondag,
amen.

En het zeil, met de naaisters mee,
en ook met de zee,
dan slaat het uur
van een schone zondag,
amen.

Het is zondag in mijn hart
arme zondaar,
nu en in het uur
van deze zondag
amen.

VII

En zeil door geen zuchtje bewogen
met als wimpel de goudblauwe lucht,
laveert de zondag zich zeer in decor
naar de vrouwen mij voor ogen.

En de vrouwen hebben hun hart breed   
uitgestald in het glas van de ruiten
en onder liefde versmacht, zuchten zij  
die lucht stuk aan de ruiten.

Maagden van wachten en ondergaan,
bij het groene luik van oude zonneblinden
bezijden de lage kruisvensters,
vrouwen, wegkwijnend in het bestaan 

in het kristallicht achter de ramen,
- lokmiddelen van argeloze kinderen -
kleuren hun hart rood onder de schorten die wit zijn
als de gordijnen aan de ramen.

En, dwazen, in hun lust naar liefde 
voelen de vrouwen zich eindeloos,    
maar hun besognes zijn gekend
en armzalig krimpt hun slorenhart    

als hun handen zich wit laten maken
bij de zeer kinderlijke zandspelen
in het blauwe blijspel van de waan.
En zo gaan de zondagen voorbij.

 

vertaling van drie strofen uit j'ai triste d'une ville en bois

Dominical
“d’anciennement transposé”

foto: jongemannen met bolhoed laten zich op  houten paardjes rondzwieren op de Antwerpse kermis, anno 1900.


Het tweede hoofdstuk van “dominical”, getiteld “d
‘ anciennement transposé”,   is van toon negatief en vijandig.
De dichter voelt zich onbehaaglijk. Hij voelt zich niet langer op
zijn gemak in zijn (oude) stad. De ziel van zijn stad ontglipt hem.

Hierna volgen de vijf strofen van het openingsgedicht  van  “d’ anciennement
transposé”.

Het is tevens één van de liederen van de Waalse zanger Julos Beaucarne.  Luister naar dit lied op de link: 

http://www.florilege.free.fr/juke-box/montrer.php?item=j-ai-triste-d-une-ville-en-bois

Drie van de vijf strofen dragen in hun ondergrond taferelen mee uit het dagelijks leven in oud-Antwerpen eind 19e eeuw: 
strofe 1: de kermismolens op het Walburgisplein, een plein dat omzoomd was met houten huizen die afgebroken werden bij de rechttrekking van de Scheldekaaien;
strofe 3: de schaatspret op de Schelde vanop linkeroever (Sint-Anneke) waar de dichter op een vaste plek zijn bootje had liggen;
strofe 5: de taptoes die op zondagavond de dronken soldatennaar de kazernes (o.a. die op het Falconplein) riepen.

Strofes 2 en 4 zijn (voor mij althans) te cryptisch om er een leesbare vertaling te kunnen van maken.

Dominical
D’anciennement transposé

I
J’ai triste d’une ville en bois,
- tourne, foire de ma rancœur,
mes chevaux de bois de malheur -
j’ai triste d’une ville en bois,
j’ai mal à mes sabots de bois.

J’ai triste d’être le perdu
d’une ombre et nue et mal en place,
- mais dont mon cœur trop sait la place -
j’ai triste d’ être le perdu
des places, et froid, et tout nu.

J’ ai triste de jours de patins
- Sœur Anne ne voyez-vous-rien ? -
et de n’aimer en nulle femme ;
j’ai triste de jours de patins,
et de n’aimer en nulle femme.

J’ai triste de mon cœur en bois,
et j’ai très-triste de mes pierres,
et des maisons où, dans du froid,
au dimanche des cœurs de bois,
les lampes mangent la lumière.

Et j’ ai triste d’une eau-de-vie
qui fait rentrer tard les soldats,
au dimanche ivre d’eau-de-vie,
dans mes rues pleines de soldats,
j’ai triste de trop d’eau-de-vie.


Zondag!
Uit vanouds overgezet

I

Ik heb hartzeer van een houten stad,
- zwier, kermismolen van mijn wrevel,
mijn paarden van ongelukshout –
ik heb hartzeer van een houten stad,
En pijn aan mijn klompen.

……………………………

Ik heb hartzeer van dagen schaatsrijden,
- Zuster Anna ziet gij iets ?  –
en van het beminnen van geen vrouw;
ik heb hartzeer van dagen schaatsrijden,
en van het beminnen van geen vrouw.

…………………………………

En ik heb hartzeer van brandewijn, één
die de soldaten laat terug laat zijn,
op zondagen zat van brandewijn,
in mijn straten die vol soldaten zijn,
ik heb hartzeer van zoveel brandewijn.

Meer van Max Elskamp (1862-1931)

↑ Terug naar de berichten