Moeder Claire Suzanne Adolphine Cousin uit Ecaussinnes


Moeder Claire Suzanne Adolphine Cousin uit Ecaussinnes.
(Op de foto links: de herdenkingsplakette in keramiek, als "hommage" aangebracht in Ecaussinnes op het "château de Belle-Tête")
Claire Cousin (1834-1883) was afkomstig uit Ecaussinnes(Henegouwen), waar haar ouders een steengroeve hadden. Zij had een zwakke gezondheid en gruwde van de mist, de stank en het lawaai in het Antwerps Schipperskwartier. Dit verhaastte in 1870 de verhuis naar de residentiele "Boulevard Leopold" buiten de oude vesten. In 1882 stierf zij daar toen Max Elskamp nog een jongeling was. Bijna een halve eeuw later, in 1921-1922, legde Max Elskamp de herinneringen aan zijn moeder vast in "La Chanson de la Rue Saint-Paul". Het werd één van de mooiste moedergedichten in de Franse taal.
Hierin zitten meteen de vroegste herinneringen verweven aan zijn prille kindertijd in de Sint-Paulusstraat, onder de toren van de Sint-Pauluskerk en zo nabij de Schelde dat men er binnenskamers (nog voor de rechttrekking van de kaaien) de bewegingen op het Scheldewater kon horen: "Près de l'eau dans l'embrun gris monté des flots du fleuve qui chantait matines à voix de cloches dans la bruine." Bijzonder is ook hoe Max Elskamp beschrijft wat hij zag en voelde terwijl zijn moeder hem in haar armen wiegde: "mes reves d'enfant, vagues, mais dont il me souvient encor".
beluister dit gedicht als lied gezongen door Julos Beaucarne op de link :
http://www.florilege.free.fr/juke-box/montrer.php?item=o-claire-suzanne-dolphine
In memoriam
II
A Ma Mère
O Claire, Suzanne, Adolphine,
Ma Mère, qui m'étiez divine,
Comme les Maries, et qu'enfant,
J'adorais dès le matin blanc
Qui se levait là, près de l'eau,
Dans l'embrun gris monté des flots,
Du fleuve qui chantait matines
A voix de cloches dans la bruine;
O ma Mère, avec vos yeux bleux,
Que je regardais comme cieux,
Penchés sur moi tout de tendresse,
Et vos mains elles, de caresses,
Lorsqu'en vos bras vous me portiez
Et si douce me souriiez,
Pour me donner comme allégresse
Du jour venu qui se levait,
Et puis après qui me baigniez
Nu, mais alors un peu revêche,
Dans un bassin blanc et d'eau fraîche,
Aux aubes d'hiver ou d'été.
O ma Mère qui m'étiez douce
Comme votre robe de soie,
Et qui me semblait telle mousse
Lorsque je la touchais des doigts,
Ma Mère, avec aux mains vos bagues
Que je croyais des cerceaux d'or,
Lors en mes rêves d'enfant, vagues,
Mais dont il me souvient encor;
O ma Mère aussi qui chantiez,
Parfois lorsqu'à tort j'avais peine,
Des complaintes qui les faisaient
De mes chagrins choses sereines,
Et qui d'amour me les donniez
Alors que pour rien, je pleurais.
*
O ma Mère, dans mon enfance,
J'étais en vous, et vous en moi,
Et vous étiez dans ma croyance
Comme les Saintes que l'on voit,
Peintes dans les livres de foi
Que je feuilletais sans science,
M'arrêtant aux anges en ailes
A l'Agneau du Verbe couché,
Et à des paradis vermeils
Où les âmes montaient dorées,
Et vous m'étiez la Sainte-Claire,
Et dont on m'avait lu le nom,
Qui portait de lumière
Un nimbe peint autour du front.
*
Mais temps qui va et jours qui passent,
Alors, ma Mère, j'ai grandi,
Et vous m'avez été l'amie
Aux heures où j'avais l'âme lasse,
Ainsi que parfois dans la vie
Il en est d'avoir trop rêvé
Et sur la voie qu'on a suivie
De s'être souvent trompé,
Et vous m'avez lors consolé
Des mauvais jours dont j'étais l'hôte,
Et vous m'avez aussi pardonné
Parfois encore aussi mes fautes,
Ma Mère, qui lisiez en moi,
Ce que je pensais sans le dire,
Et saviez ma peine ou ma joie
Et me l'avériez d'un sourire.
*
O Claire, Suzanne, Adolphine,
O ma Mère, des Ecaussinnes,
A présent si loin qui dormez,
Vous souvient-il des jours d'été,
Là-bas en Août, quand nous allions,
Pour les visiter nos parents
Dans leur château de Belle-Tête,
Bâti en pierres de chez vous,
Et qui alors nous faisaient fête
A vous, leur fille, ainsi qu'à nous,
En cette douce Wallonie
D'étés clairs là-bas, en Hainaut,
Où nous entendions d'harmonie,
Comme une voix venue d'en haut,
Le bruit des ciseaux sur les pierres
Et qui chantaient sous les marteaux,
Comme cloches sonnant dans l'air
Ou mer au loin montant ses eaux,
Tandis que comme des éclairs
Passaient les trains sous les ormeaux.
O ma Mère des Ecaussines,
C'est votre sang qui parle en moi,
Et mon âme qui se confine
En Vous, et d'amour, et de foi,
Car vous m'étiez comme Marie,
Bien que je ne sois pas Jésus,
Et lorsque vous êtes partie,
J'ai su que j'avais tout perdu.
In memoriam
II
Aan mijn Moeder
O Claire, Suzanne, Adolphine,
Mijn Maman, hemelse Serafiene,
Mijn Maria, die ik als kind aanschouwen kon
Van als de blanke dageraad begon
Op te komen daar aan het water
In de grijze nevel op de golven
Van de stroom die zijn matinen
Zong in regen en klokkengelui;
O Mama in wier blauwe ogen,
Ik keek als in hemelen
Die over mij zweefden vol tederheid,
En jouw handen die mij streelden,
En jouw armen die mij wiegden
En hoe zoet je glimlach was,
Die mij alle jubel gaf
Van de dag die was geboren,
En dan daarna waste je mij
Bloot en met wat gespartel,
In een witte bassin fris water,
‘s ochtends in zomer en winter,
O Mama die voor mij even zacht
Was als je zijden kleed
Dat aanvoelde als mos
Als ik er aan friemelde,
Mijn Mama die aan jouw vingers ringen droeg
Die mij gouden hoepels leken
Toen, in mijn kinderdromen, wazig,
Maar ik herinner ze mij nog;
O Mama die ook zong,
Als ik soms zomaar bedroefd was,
Troostdeuntjes die mijn gedrein
Veranderden in zoet gezaag,
En die zo mij strelend suste
Als ik om niets weende.
*
O Mama, in mijn kindertijd
Was ik in jou en jij in mij,
En in mijn verbeelding was jij
Als de Heiligen die men geschilderd
Ziet in de devotieboeken
Die ik achteloos doorliep
Halt houdend bij de gevleugelde engelen,
En het neergevleide Lam Gods,
En bij de vermiljoene paradijzen,
Met vergulde zielen in hemelvaart,
En Jij, die mijn Heilige Clara waart,
En wier naam ik spellen kon,
Droeg als van licht
Een nimbus om het gezicht.
*
Maar de tijd die vliegt en de dagen gaan heen,
Dan, Mama, werd ik groot
En jij bent mijn hartsvriendin geweest
In de uren dat ik zwaarmoedig was,
Zoals soms in het leven
Als men teveel gedroomd heeft
En als op de weg die men is gevolgd
Men zich weer eens heeft vergist,
En dan heb je mij getroost
In de kwade dagen die ik had,
En heb je mij ook vergeven
Van tijd tot tijd ook nog mijn fouten,
Mama die in mij las
Wat ik dacht zonder dat ik sprak,
En die mijn pijn of mijn pret kende
En mij met je glimlach verwende.
*
O Claire, Suzanne, Adolphine,
O mijn Maman, uit Ecaussinnes,
Vandaag zo ver in je slaap,
Weet Je nog in de zomerse dagen,
Ginds in augustus, als we
Op bezoek waren bij onze ouders,
Op hun kasteel “Belle-Tête”,
Gebouwd met stenen uit jullie streek,
Hoe ze er daar een feest van maakten,
Voor jou, hun dochter, maar ook voor ons,
In dat zoete Walenland, in Henegouwen,
Met zijn heldere zomers,
Waar we in harmonie hoorden,
In één stem van omhoog komen:
Het gedreun van de beitels op de rotsen
Zingend onder de delfhamers,
Als klokken galmend in de lucht,
Of als een zee in haar verre branding
Terwijl de treinen als bliksems
Onder de olmen raasden.
O mijn Mama uit Ecaussinnes,
Het is jouw hartebloed dat spreekt in mij,
En het is mijn ziel die zich versmelt
In Jou, en in geloof, en in liefde,
Want jij was voor mij als Maria,
Hoewel ik niet Jezus was,
En als Jij bent heengegaan,
Wist ik dat alles was gedaan.
***



