Mythologische vrouwen: Aurora en Atalante.
Nous n’irons plus au ciel,
(Nos ailes sont coupées)
Chanter dans la rosée,
Auprès de Gabriel,
Nous n’irons plus au ciel,
(Nos ailes sont coupées)
Nous avons aimé celles
Qu’il ne faillait aimer.
(In het boek "van aangezicht tot aangezicht, modelinterpretaties moderne lyriek" bespreekt Paul Pelckmans dit gedicht; uitg. Garant; 1991)
We gaan niet meer naar de hemel
(Onze vleugels zijn niet wel),
Zingen in de nevel
Dichtbij Gabriel,
We gaan niet meer naar de hemel,
(Onze vleugels zijn niet goed),
We hebben bemind die
Die men niet beminnen moest.
« Chansons Désabusées » (1922), Heures, VI (fragment)
Max Elskamp is geen wereldvreemd of dromerig type. "Quant à l'Escaut qui est le plus beau ... je le connais à la rame et à la voile depuis les pécheurs d'anguilles du haut jusqu'aux francs bougres du bas"( Robert Quiette: Max Elskamp, blz 33). Als jongeman peddelt hij in een kano op de Schelde naar Temse en Dendermonde met zijn vriendin Gabrielle de Meester of met zijn vriend Henry Van de Velde. Max Elskamp is de zoon van vrijzinnige en gefortuneerde ouders maar hij verfoeit de bourgeoisie om haar koopmansgeest en vereenzelvigt zich liever met de gewone stadsmensen. Hun handwerkzaamheid fascineert hem en hij probeert hun eenvoudig leven op vele manieren na te volgen. Wanneer een leurder met mannekensbladen bij hem op de Belgiëlei langskomt, inspireert hem dat tot de bundel : “Six chansons de pauvre homme pour célébrer la semaine de Flandre” (1895) met als openingsvers: “Un pauvre homme est entré chez moi, pour des chansons qu’il venait vendre… si humblement que c’ était moi… ». In de trappenhal van zijn woning verzamelde hij 2816 tot onnut geworden voorwerpen uit het Antwerps volksleven. De collectie werd in 1907 de kern van het Antwerps volkskundemuseum en ligt nu in het kijkdepot van het “Museum aan de Stroom”.
Ooit, in zijn jonge jaren, heeft Max Elskamp op de zeeën rond Europa gevaren aan boord van een cargo. Het leerde hem dat goede navigatie-instrumenten levensnoodzakelijk zijn. In zijn woning, “Belgiëlei 138”, had hij ook een exquise collectie van 568 maritieme en astronomische meetinstrumenten, sommige daterend uit de tijd van Karel V. Deze miniatuurschat ligt nu geborgen in het Luikse “Musée de la Vie Wallonne”. Object nr. 512 uit de collectie is een door Max Elskamp ontworpen zonnewijzer in leisteen, waarop hij in gouden letters de geboorte- en sterfdata gegraveerd heeft van zijn vader en zijn moeder.
Aurore
Elle avait nom Aurore
Elle était blonde et belle,
Et la lumière, et d’or
Chantait sa joie en elle,
Et l’on eut dit d’un ange
Ayant perdu ses ailes,
Qui portait, en ses langes,
Comme enfant le soleil.
Elle était tout d’amour
Pour le monde et les choses,
Et vêtait robe rose
Dès le lever du jour,
Et dans des jardins verts
S’allait enamourée,
Baiser les lys ouverts
Humides de rosée,
Comme aux matins là-bas
Aux Hellades dorées,
Chez sa mère Théia
Quand c’était jour monté.
Or Orion était
Encor toujours en elle,
Et dans le jour qui naît
A son amour fidèle,
Elle avait oublié
La mort où tout se tait,
Pour rester à celui
Qui dormait dans la nuit,
Et dont l’âme brillait
Etoile dans les cieux,
Lorsque les soirs montaient
Dans l’air leur ombre bleue,
Pour apporter au monde
Après jour de soleil,
La paix douce et profonde
En l’oubli du sommeil.
Or dans le temps qui passe
Et dans les millénaires,
Où tout se perd, se tasse,
Pour mourir ou se taire,
C’est elle qui s’en vient
Ouvrir, de la lumière
Les portes, au matin,
Pour faire la vie claire,
Et je l’ai vue un jour
Et qui me souriait,
Et j’en ai pris amour
Sans oublier jamais.
Aurora
Zij had de naam Aurora,
Zij was schoon en blond
En het licht van goud
Zijn vreugde in haar vond.
En men ware in de waan:
Dit is een engel, van vleugels ontdaan,
Die in lakentjes bindt
De zon als zijn kind.
Zij was één en al minne
Voor het heelal en alle dingen,
En in haar kleed van rozen
Liet zij de ochtend blozen,
En in de groene hoven
Dwaalde ze amoureus rond
En kuste de lelies, nat
Van dauw, op de open mond,
Zoals in de morgenstond
Daar in het gouden Hellas
Bij haar moeder Theia
Zodra de dag er was.
Maar (het beeld van) Orion was
Nog altijd in haar
En in de ontwakende dag
Bleef zij haar liefde trouw,
En vergat zij de dood
Die alles zwijgen doet,
Om bij hem te blijven
Die bij haar sliep in de nacht
Wijl zijn ziel schitterde
Als een ster aan de hemelen
Van als de avondluchten
In blauwheid schemeren,
Na een dag van zon,
Om zoete en diepe vrede
Te brengen aan de wereld
In de vergetelheid van de slaap .
En in de tijd die (sindsdien) verloopt
In de duizenden jaren
Waarin alles verdwijnt en zich ophoopt
Om (uiteindelijk) te sterven of te zwijgen,
Is zij het die van het licht
De poorten komt openen
Als het ochtend is,
Om het leven op te klaren,
En ik heb haar gezien op een dag
En de glimlach die ze mij gaf,
En ik werd zo door haar liefde gevat,
Dat ik het nooit vergat.
« Chansons Désabusées » (1922) ” Œuvres Complètes »
uitgeverij « Le Cri » (2000) , bladzijde 174 En
Elles, IV, Aurore.
Atalante
Or lampes ici qui s’allument,
Encens du foin coupé qui fume,
Dans l’air monté,
Nuit comme femme qui se presse
De dénouer longues ses tresses,
à son coucher,
C’est étoiles qu’on voit chacune
Se préciser et, une à une
Après trembler,
Dragon au zénith qui culmine,
Antarès au sud qui s’incline
Et nuit d’été.
Mais lune alors sur le monde
Qui vient en son temps pleine et ronde
Tout d’or d’embue,
Puis hommes tues, les dieux qui causent,
Influx subi de tant de choses
D’amour émues,
Ombre qui lie et qui délie,
Et, contrainte morte, la vie
Qui se met nue,
C’est vent qui passe au bord de l’eau
Et les incline les roseaux,
Et l’air qui chante,
Et dans le bosquet de lilas,
Avec la couronne qu’elle a
C’est Atalante,
Qui court une pomme à la main,
Toute blanche dans ton jardin
Comme vivante.
Atalante
Lampions hier die ontvlammen,
In geur van dampend hooi
In de avondlucht hoog,
Nacht als een vrouw die zich haast
Haar haartressen te ontbinden,
Aan haar alkoof,
En aan de sterren men ziet hoe elk
Zich toont en één na één trillen gaat
In het verschiet.
De draak in het zenit culmineert,
Antares in het zuiden inclineert,
Het is zomer en nacht,
Met schijnsel dan over de aarde
Van een maan die op haar tijd is, vol en rond,
In gouden vacht,
Dan mensen gehuld in zwijgen, goden die spreken,
Influx wordt ondergaan in zoveel dingen,
Doordrenkt van liefde,
Duisternis die hecht en onthecht,
En, onder zachte dwang, het leven
Dat zich bloot geeft.
Er is een briesje aan de waterkant,
En het doet de rozentwijgen nijgen
En de lucht die zingt,
En uit het bosje seringen
Met de kroon die ze heeft,
Is het Atalante
Die rent met een appel in de hand
Gans wit over je land
Alsof ze leeft.
« Les Délectations Moroses » (1923)
Œuvres Complètes » uitgeverij « Le Cri », 2000.
Bladzijde 263 , Un soir d’été, VI , Atalante

