Naar de inhoud

Max Elskamp (1862-1931)

Enige gedichten zoet als elixir d'anvers
akke.beakke.be
vertaald en toegelicht door Gilbert Vanhove

Mythologische vrouwen: Aurora en Atalante.

Nous n’irons plus au ciel,
(Nos ailes sont coupées)
Chanter dans la rosée,
Auprès de Gabriel,

Nous n’irons plus au ciel,
(Nos ailes sont coupées)
Nous avons aimé celles
Qu’il ne faillait aimer.

(In het boek "van aangezicht tot aangezicht, modelinterpretaties moderne lyriek" bespreekt  Paul Pelckmans dit gedicht; uitg. Garant; 1991)

We gaan niet meer naar de hemel
(Onze vleugels zijn niet wel),
Zingen in de nevel
Dichtbij Gabriel,

We gaan niet meer naar de hemel,
(Onze vleugels zijn niet goed),
We hebben bemind die
Die men niet beminnen moest.

« Chansons Désabusées » (1922), Heures, VI (fragment)


Max Elskamp is geen wereldvreemd of dromerig type. "Quant à l'Escaut qui est le plus beau ... je le connais à la rame et à la voile depuis les
pécheurs d'anguilles du haut jusqu'aux francs bougres du bas"( Robert Quiette: Max Elskamp, blz 33). Als jongeman peddelt hij in een kano op de Schelde naar Temse en Dendermonde met zijn vriendin Gabrielle de Meester of met zijn vriend  Henry Van de Velde. Max Elskamp is de zoon van vrijzinnige en gefortuneerde ouders maar hij verfoeit de bourgeoisie om haar koopmansgeest en vereenzelvigt zich liever met de gewone stadsmensen.  Hun handwerkzaamheid fascineert hem  en hij probeert hun eenvoudig leven  op vele manieren na te volgen.  Wanneer een leurder met mannekensbladen bij  hem op de Belgiëlei langskomt, inspireert hem dat tot de bundel :  “Six chansons de pauvre homme pour célébrer la semaine de Flandre” (1895) met als openingsvers:  “Un pauvre homme est entré chez moi, pour des chansons qu’il venait vendre… si humblement que c’ était moi… ». In de trappenhal van zijn woning verzamelde hij 2816 tot onnut geworden voorwerpen uit het Antwerps volksleven. De collectie werd in 1907 de kern van het Antwerps volkskundemuseum en ligt nu in het kijkdepot van het  “Museum aan de Stroom”.

Ooit, in zijn jonge jaren, heeft Max Elskamp op de zeeën rond Europa gevaren aan boord van een cargo. Het leerde hem dat goede navigatie-instrumenten  levensnoodzakelijk zijn.  In zijn woning, “Belgiëlei 138”,  had hij ook een exquise collectie van 568 maritieme en astronomische meetinstrumenten, sommige daterend uit de tijd van Karel V.   Deze miniatuurschat  ligt nu geborgen in het Luikse “Musée de la Vie Wallonne”.  Object nr. 512  uit de collectie is een door Max Elskamp ontworpen zonnewijzer in leisteen, waarop hij in gouden letters de geboorte- en sterfdata gegraveerd heeft van zijn vader en zijn moeder.

Aurore

Elle avait nom Aurore
Elle était blonde et belle,
Et la lumière, et d’or
Chantait sa joie en elle,

Et l’on eut dit d’un ange
Ayant perdu ses ailes,
Qui portait, en ses langes,
Comme enfant le soleil.

Elle était tout d’amour
Pour le monde et les choses,
Et vêtait robe rose
Dès le lever du jour,

Et dans des jardins verts
S’allait enamourée,
Baiser les lys ouverts
Humides de rosée,

Comme aux matins là-bas
Aux Hellades dorées,
Chez sa mère Théia
Quand c’était jour monté.

Or Orion était  
Encor toujours en elle,
Et dans le jour qui naît
A son amour fidèle,

Elle avait oublié
La mort où tout se tait,
Pour rester à celui
Qui dormait dans la nuit,

Et dont l’âme brillait
Etoile dans les cieux,
Lorsque les soirs montaient
Dans l’air leur ombre bleue,

Pour apporter au monde
Après jour de soleil,
La paix douce et profonde
En l’oubli du sommeil.

Or dans le temps qui passe
Et dans les millénaires,
Où tout se perd, se tasse,
Pour mourir ou se taire,

C’est elle qui s’en vient
Ouvrir, de la lumière
Les portes, au matin,
Pour faire la vie claire,

Et je l’ai vue un jour
Et qui me souriait,
Et j’en ai pris amour
Sans oublier jamais. 

Aurora

Zij had de naam Aurora,
Zij was schoon en blond
En het licht van goud 
Zijn vreugde in haar vond.

En men ware in de waan:
Dit is een engel, van vleugels ontdaan,
Die in  lakentjes bindt
De zon als zijn kind.

Zij was één en al minne
Voor het heelal en alle dingen,
En in haar kleed van rozen
Liet zij de ochtend blozen,

En in de groene hoven
Dwaalde ze amoureus rond
En kuste de lelies, nat
Van  dauw, op de open mond,

Zoals in de morgenstond
Daar in het gouden Hellas
Bij haar moeder Theia
Zodra de dag er was.

Maar (het beeld van) Orion was
Nog altijd in haar
En in de ontwakende dag
Bleef zij haar liefde trouw,

En vergat zij de dood 
Die alles zwijgen doet,
Om bij hem te blijven  
Die bij haar sliep in de nacht

Wijl zijn ziel schitterde 
Als een ster aan de hemelen
Van als de avondluchten
In blauwheid schemeren,

Na een dag van zon,
Om zoete en diepe vrede
Te brengen aan de wereld
In de vergetelheid van de slaap .

En in de tijd die (sindsdien) verloopt
In de duizenden jaren
Waarin alles verdwijnt en zich ophoopt
Om (uiteindelijk) te sterven of te zwijgen,

Is zij het die van het licht
De poorten komt openen
Als het ochtend is,
Om het leven op te klaren,

En ik heb haar gezien op een dag 
En de glimlach die ze mij gaf, 
En ik werd zo door haar liefde  gevat,
Dat ik het nooit vergat.

« Chansons Désabusées »  (1922) ” Œuvres Complètes »
uitgeverij « Le Cri » (2000) ,  bladzijde 174   En
Elles,  IV, Aurore.

Atalante

Or lampes ici qui s’allument,                                          
Encens du foin coupé qui fume,
Dans l’air monté,

Nuit comme femme qui se presse
De dénouer longues ses tresses,
 à son coucher,

C’est étoiles qu’on voit chacune
Se préciser et, une à une
Après trembler,

Dragon au zénith qui culmine,
Antarès au sud qui s’incline
Et nuit d’été.

Mais lune alors sur le monde
Qui vient en son temps pleine et ronde
Tout d’or d’embue,

Puis hommes tues, les dieux qui causent,
Influx subi de tant de choses
D’amour émues,

Ombre qui lie et qui délie,
Et, contrainte morte, la vie
Qui se met nue,

C’est vent qui passe au bord de l’eau
Et les incline les roseaux,
Et l’air qui chante,

Et dans le bosquet de lilas,
Avec la couronne qu’elle a
C’est Atalante,

Qui court une pomme à la main,
Toute blanche dans ton jardin
Comme vivante.

Atalante

Lampions hier die ontvlammen,
In geur van dampend hooi
In de avondlucht hoog,

Nacht als een vrouw die zich haast
Haar haartressen te ontbinden,
Aan haar alkoof,

En aan de sterren men ziet hoe elk 
Zich toont en één na één trillen gaat
In het verschiet.

De draak in het zenit culmineert,
Antares in het zuiden inclineert,
Het is zomer en nacht,

Met schijnsel dan over de aarde
Van een maan die op haar tijd is, vol en rond,
In gouden vacht,

Dan mensen gehuld in zwijgen, goden die spreken,
Influx wordt ondergaan in zoveel dingen,
Doordrenkt  van liefde,

Duisternis die hecht en onthecht,
En, onder zachte dwang, het leven
Dat zich bloot geeft.

Er is een briesje aan de waterkant,  
En het doet de rozentwijgen nijgen
En de lucht die zingt,

En uit het bosje seringen
Met de kroon die ze heeft,
Is het Atalante

Die rent met een appel in de hand
Gans wit over je land
Alsof ze leeft.


« Les Délectations Moroses » (1923)
 Œuvres Complètes » uitgeverij « Le Cri », 2000.
Bladzijde 263 , Un soir d’été, VI , Atalante

 

Dwaallicht in Antwerpen

Dwaallicht in Antwerpen 

"En réalité, c'est Anvers,
mais évocatoirement c'est tout autre chose"
(Emile Verhaeren in zijn bespreking van Elskamps eerste bundel "Dominical"; "Nation", 27/3/1892)

Doutes-tu encor ?
Il n’est de réel
Au chemin qu’on suit
Pour trouver un port,

Que les pas qu’on fait
Que le sable essuie,
Et soleil ou pluie
D’hiver ou d’été,

Au monde où l’on va
Dans l’instant qu’on porte
Et que l’heure emporte
Dans le jour qu’on a.
« Chansons Désabusées », (1922) , Heures, V

Max Elskamp maakte in Vlaanderen vooral naam met “La Rue Saint-Paul”: de beschrijving van het leven in zijn geboortestraat in Oud-Antwerpen rond 1870. Maar het is opmerkelijk dat  nergens in dit gedicht, en trouwens nergens in zijn gehele oeuvre,  de namen “Anvers” of “Escaut”  voorkomen. Naar welke plaatsen op zijn atlas verwijzen  dan “Le fleuve” en “La ville”? En waar lag voor hem “La Rue Saint-Paul” ? Ooit droomde Max Elskamp ervan de stad Antwerpen te verlaten en een kasteeltje te bouwen in Ecaussinnes, het geboortedorp van zijn moeder in Henegouwen.  Albert Mockel raadde het hem af en wees hem op het gevaar dat hij daar  “Ecaussinnes”  niet zou vinden.
(brief van 14/3/1921)

Max Elskamp beschreef vele malen zijn lotsbestemming; zo ook in het postuum verschenen “Les Fleurs Vertes”: “Va vers de bleus oasis ceuillir les lys blancs de ton destin.”.  De geografische termen die Max Elskamp hierbij gebruikt  zijn  te vaag  ( “la mer”, “ l’ile”, “le chemin”, “le port”) om er onze GPS mee te activeren. Die zou overigens van geen nut blijken want de dichter onderneemt een  “reis naar binnen”. We hebben te maken met  een “voyageur immobile” (*1) die, zeker in zijn latere jaren,  zijn hoofdbivakplaats op de “Belgiëlei 138” zelden verlaat, en die, als hij het doet,  zelf  oriëntatieproblemen heeft. Zo blijft  Max Elskamp, voor zichzelf en zijn stadsgenoten,  een  “dwaallicht” in eigen stad:  « Rue où tu t'en vas, Comme un  étranger, En cherchant ta voie, Pourtant de chez toi … ». (het slotgedicht  van “La Chanson de la Rue Saint-Paul”).
(*1) De term 'voyageur immobile" is ontleend aan de studies van Paul Gorceix over Elskamp.

L’  île

Une île est en toi
Aux mers de tes rêves,
Souvent que tu vois
Quand le jour s’achève,

Et mort le soleil
Sur les flots en bleu,
Montant sous les cieux
Comme oiseaux en ailes;

Une  île est en toi
Lointaine en toi-même,
Qui te donne émoi
Comme aux jours qu’on aime,

Dans l’instant qui vient
Auquel on prend foi,
Et puis qui s’éteint
Souvent sous des croix.

Une île est en toi,
Dont le port s’avère,
Par un phare au loin
Qui dit sa lumière,

Et que tes yeux voient
Sans être certains,
Blanche comme foi
Entrée dans ta chair,

Et lors doute allé
Qui te donne joie
Comme d’une paix
Qu’on aurait en soi

Dans la vesprée luie
Et vêtue de moire
Qui attend la nuit,
Elle, en robe noire.

Or ton âme est là
Et dans tes pensées,
Et qui parle en toi
Dans le jour allé,

Et te dit : tu  rêves,
En ce que tu vois,
Ce n’est  que la grève
Qui se dit là-bas,

Et faite de sable
Où  vient la marée,
A l’entour des câbles
Des nefs amarrées,

Et elle est plus loin
L’ île que tu choies,
Et sise hors de toi;
Car dans le divin

Un jour ce sera
Moi, en toi restée
Qui boirons en foi
Vin d’éternité.

Het Eiland

Het is een eiland dat in u ligt
In de zeeën van uw dromen
Die tot u komen vaak 
In het avondlicht

Als de zon gestorven ligt  
Op de golven in blauw,
Strevend onderhemels
Als vogels op vlucht.

Het is een eiland dat in u ligt
Ver weg in uzelf
En het brengt u in verwarring
Als in dagen van minne,

Op dat ene moment
Dat het u bezielt
En daarna gaat het over
Vaak in een lijdensweg.

Het is een eiland dat in u ligt
Met de haven in zicht
Door een vuurtoren in de verte
Die toont zijn licht,

En uw ogen zien het
Zonder zeker te zijn,
Het is wit als het geloof
Dat in u gekomen is,

En dan is alle twijfel weg,
En dat maakt u blij
Als bij een vrede
Die men hebben zou

In de avondschemering 
Als die in moiré gehuld
Wacht op de nacht
En zijn zwarte vacht.

Maar uw ziel is daar
En is in uw gedacht
En spreekt u aan
In de vergane dag
 
En zegt: ge droomt,
Wat ge ziet
Is slechts het strand
Dat daar ligt

En bestaande uit zand
Waar getij op belandt
Tussen de kabels
Van aangemeerde schepen,

En het is veel verder,
Het eiland dat ge koestert,
En het ligt gevat buiten u,
Want in het goddelijke.

Op een dag zal het zo zijn:
Ik, in u gebleven
Ons lavend
Aan wijn van eeuwig leven.

Bron: «Les fleurs Vertes» (1934) ” Œuvres Complètes », « Le Cri », 2000. Bladzijde 422,  
Sur les eaux,  L’  île


La Mer Noire

C’est dans un jour en toi
Qu’il pleut, qu’il gèle et vente,
Et sous un ciel sans foi
En des heures démentes;

C’est ton cœur comme nef
Sur les flots blonds du rêve,
Perdu dans le vent bref
En le jour qui s’achève,

Et soir alors qui vient
Rouge du sang versé
Par le soleil plus loin,
Lui, qui s’en est allé.

Des flots sont comme en toi
Et c’est la mer qui pleure,
Et tes yeux qui se leurrent,
Dans un amer émoi,

Des larmes que tu vois
Comme dites en vert,
Au lointain qui s’avère
Sous les vergues en croix,

Où ne sont des Jésus,
Mais voiles qui balancent,
Pâles, blanches et nues
Et criant leur souffrance,

Blessées par leurs armures,
 Et liées par les ris
Pour le vent qu’on a pris
Et dont elles endurent,

Et en eux, les agrès
 Comme cordes tendues,
Brise, ainsi qu’un archet
Chantant des airs perdus.

Or une île est là-bas
Mais pourtant si lointaine
Que la mort qui viendra
Un jour te dire peine,

Ne pourrait l’approcher
Qu’en se donnant des ailes,
Mais qui d’éternité
Ne lui furent jamais,

Et c’est la terre élue
Que tu avais cherchée,
Jadis en tes jours nus
Et sur les nefs, allé,

Et pour te rédimer
Aux douces quiétudes
Qui se disent de paix
Et dans la solitude,

De tes amours et folles
De jadis, périmées,
Et comme oiseaux s’envolent,
Dans la nuit des passés.


De Zwarte Zee

Het is in één dag in u
Dat het regent, vriest en tempeest,
Onder luchten zonder geest,
In warrige getijden.

Het is uw hart dat als een schip,
Op de blonde golven van de droom,
Uit koers is door de val van de wind
 In de dag die eindigt

En  dan de avond die  komt
Rood van  het bloed verderop,
Vergoten door de zon:
Zij, die is onder gegaan.

De golven zijn als in u,
En het is de zee die schreit,
En uw ogen zien wazig,
Misleid door de ziltigheid.

Gevuld met tranen,  
Is  het al groen wat ze zien 
Opdoemen  in de verte 
Aan het kruishout van de masten 

Waar het niet de Jezussen zijn
Maar zeilen die flapperen,
Bleek, blank en bloot ,
Schreeuwend van pijn,

Gewond in hun halzen,
Ingesnoerd  tegen de wind,
Vastgesjord met rifbanden
Waar ze van afzien.

En in hen is het takelwerk
Met koorden vastgesjord
Als op een strijkstok
En de bries zingt erop verloren zijn lied. 

En daarachter ligt een eiland,
Maar wel zo ver af  
Dat de dood die U op een dag
Zal komen zoeken,

Niet dichterbij zou kunnen komen,
Tenware hij zich vleugels gaf
Maar dat lukt hem
Niet in eeuwigheid.

En het is het beloofde land,
Dat ge hebt opgezocht,
Eertijds in uw argeloze dagen,
Op de schepen van vroeger,

Om daar in zachte zaligheden
Van vrede en eenzaamheid,
U vrij te kopen
Uit uw liefdes,

De dwaze van weleer,
Verjaard, en als vogels
Gevlogen  in de nacht
Op de wiekslag van de tijden.

«Les fleurs Vertes» (1934) , « Œuvres Complètes »,  « Le Cri »,  Bladzijde  417 , Sur les eaux,  II,   La Mer Noire

 

Max Elskamp (1862-1931): elixir d'Anvers

De poezie van Max Elskamp is als elixir d'Anvers van een hoog spiritueel gehalte en zoet als honing. In lichtvoetige en muzikale verzen beklaagt de dichter zich over het lot van zijn ziel die gekluisterd zit in een lichaam zonder vleugels. Midden in de behandeling van zwaarwichtige problemen van leven en dood tovert hij met een vleugje engelenhumor een glimlach op het gelaat van de lezer: "Twee witte wolkjes wandelen aan de hemel; zegt de één: zeg, geloof jij nog ? Niets is eeuwig toch: zelfs niet de dood aan het eind van het leven die slechts slaap is voor even."

Deux nuages d’or

Passent dans le ciel,

Dis, crois-tu encor,

Rien n’est éternel,

 

Pas même la mort,

Au bout de la vie,

Qui n’est que sommeil

Parfois qu’on envie.

("Chansons désabusées" Heures, V)

Max Elskamp (1862-1931) schreef al zijn werk in de ouderlijke woning Boulevard Leopold 138, de huidige Belgiëlei, in Antwerpen. De vertaalde gedichten, waarmee U in deze blog kennismaakt, komen uit zijn latere bundels, die vanaf 1921 verschenen, velen ervan postuum. Deze bundels hebben  de vorm van bibliofiele plaquettes, “éditions confidentielles”, die enkel door bevriende kunstenaars konden worden gelezen. Van zijn vroeger werk liet hij één keer een handelseditie verschijnen in 1898 onder de titel "La Louange de la vie".  Om allerlei redenen voelde de dichter dit aan als een mislukking. Exemplaren van de laatste herdruk van "La Louange de la Vie" uit 1933 zijn vandaag nog altijd te koop voor de prijs van ongeveer drie euro. Deze eerste bundels (verschijningsperiode 1892-1895) kenden in de Belgische revues "La Jeune Belgique", "Le Coq Roude" en "Floréal" zowel voorpublicaties als (lovende) recensies.

Max Elskamp was een sociaal en aimabel man, maar vooral na de dood van zijn vader in 1911, was het openbaar leven niet meer aan hem besteed. In brieven hield hij contact met zijn vrienden. In zijn dichtwerk had hij vooral omgang met zichzelf, met zijn overleden ouders en zuster, en met de vele mythische vrouwen die zijn bundels bevolken. Ook de engelen zijn permanent aanwezig, en Boeddha is nooit ver weg. De hier geselecteerde gedichten geven mogelijks antwoord op de vraag wat Elskamp uit de openbaarheid weg hield. 

âme

Est-ce toi ô mon âme,
Que je vois sur la voie
Parée comme une femme
Qui marche et qui s’en va

Et sortie de moi- même,
Sous le soleil qui pâme
Pour la cueillir, suprême,
La paix que tu réclames ?

Pour trouver loin du songe
Les ciels vrais où c’est Dieu,
En lesquels on se plonge
Pour être enfin heureux ?

Est-ce toi ô mon âme
En ma chair incarnée,
Qui veux, comme une femme
Autre robe, et t’orner

D’ailes comme anges
Qu’on voit sur les peintures
Blanches comme des langes
Ou neiges sur des murs,

Et puis monter si haut
Qu’on ne sait où l’on est,
Comme font les oiseaux
Lorsque c’est Mai qui naît ;

Est-ce toi qui voudrais
Te perdre en l’infini,
N’être plus de concret
Mais d’abstrait qui délie,

Comme atome qui n’est
Que poussée de vie,
Sans raison, sans pensée
Sur la route suivie ;

Je te l’ai demandé,
Tu ne m’as répondu,
Mais lors tu es rentrée
Dans ma chair éperdue.


Ziel


Ben jij dat, o mijn ziel,
Die ik zie langs de weg
Gekleed als een vrouw
Die uitgaat en op stap is,

Om, weg uit mijzelf,
In de koestering van de zon
Haar te plukken, de ultieme,
De vrede waar jij naar smacht ?

Om te vinden, ver buiten de droom,
De echte hemelen waar het Goddelijke is,
En waarin men zich onderdompelt
Om eindelijk gelukkig te zijn?

Ben jij dat, o mijn ziel,
In mijn lichaam geïncarneerd,
Die wilt als een vrouw,
Een ander kleed, met vleugelen

Zoals de engelen
Die men ziet op de peinturen
Wit als linnen op bed
Of sneeuw op de muren,

Om dan op te stijgen
Zo hoog dat men niet meer bevat
Waar men is, zoals de vogels
In de prille mei?

Ben jij dat die zou willen
Zich verliezen in het oneindige,
Niet meer concreet zijn
Maar een abstract iets

Zoals een atoom dat niets is
Dan een stofje leven,
Zonder rede, zonder besef
Van de gevolgde weg?

Ik stelde je de vraag,
Jij gaf mij geen antwoord,
Maar dan ben je teruggegaan
In mijn lichaam dat was ontdaan.

Bron: « Œuvres Complètes » édition « Le Cri », 2000. pagina 290 , “Remembrances" (1924), en soi , V , âme.

Meer van Max Elskamp (1862-1931)

↑ Terug naar de berichten