
"Le Pauvre Sacristain" wordt boeddhist.
Mais du bien promis
En sa somme nette
Vœu inexaucé
Ciel non atterri.
Maar van het beloofde heil
Is de eindbalans :
Gelofte niet gestand,
In hemel niet geland.
(« Chansons Désabusées » (1922) > En Soi > I )
Deux nuages d’or
Passent dans le ciel,
Dis, crois-tu encor,
Rien n’est éternel,
Pas même la mort,
Au bout de la vie,
Qui n’est que sommeil
Parfois qu’on envie.
« Chansons Désabusées », (1922) > Heures > V
Je n' ai été en rien, le disciple ou l'apotre,
Et dans le songe seul, j'ai trouvé ma clarté.
"Chansons Désabusées" > De Soir > I
Tu n' es l' apôtre que de toi-même,
Et qui en soi écoute parler
Les choses du monde qui essaiment
Comme des abeilles aux rûchers.
"Le Fleurs Vertes" (1934) > Aveux > VIII Sagesse.
Max Elskamp kreeg veel epitheta op zijn schamel hoedje gespeld: “le solitaire anversois”, “le pieux écrivain”, “de koorknaap” , “un Saint laic”, "le piètre avocat" (Jean de Boschère), ”le pauvre sacristain”(Max Elskamp over zichzelf!), “the delicate dreamer, cloistered in Antwerp”, “de aardse anachoreet”, “de Sint-Franciscus van de Franstalige letteren”(Emile Verhaeren), "le Verlaine belge", "un Mallarmé de Flandre" (Norge,1954),"le musicien à l'écho secret" (Mallarmé), "le mandarin d'Anvers", "een vreemde plant, ... een geranium aan 't raampje van een oude kantwerkster" ( E. De Bom), "een gotische miniaturist", "een beste jongen" (August Vermeylen), "de Antwerpenaar die een vreemd bargoensch schrijft" (Karel van de Woestijne), "de zingende zonderling", "de mystieke handwerkman", "un Arthur Rimbaud pour les pauvres gens" (Max Waller, 1905), "le poète intemporel", "poésie aérienne","beminnelijke dilettant", "un bourlingueur flamand de la poèsie","de groote dichter der Schelde" (nieuw tilburgsche courant, 24/2/1932) ... “Quant à ses vers: nul ne les lit! » (Jean de Boschère in een essai uit 1914). Deze etiketten dragen niet veel bij tot beter begrip van zijn meesterschap.
Max Elskamp was een agnosticus, die naar God verlangde zonder in zijn bestaan te geloven, en die ter zake nog minder geloofde in “ de Openbaring” of in het spirituele of sociale nut van “De Kerk”. Voor de rest leefde Max Elskamp in latrelatie met zijn vriendin Gabrielle en volgde hij, wars van redingote en hoge hoed, niet de dresscode van de bourgeoisie. Anders gezegd: hij vertoonde een gedrag dat vandaag, voor een Kunstenaar, niet zo vreemd is.
Désirs
Si tu le trouvais, Dieu, ne le dit à personne
Garde en toi une joie qui serait tout d’amour,
Comme celui qu’on a de celles qui se donnent
En foi de cœur et d’âme, et vraies et pour toujours ;
Si tu le trouvais Dieu, ce serait dans ta vie,
La paix que tu cherchais, et la grâce attendue,
Dans la douce clarté des certitudes luies,
Et de leurs vérités, faisant des jours élus.
Tu l’as connue la foi, mais dite dans les choses,
Et dans les matins clairs ou dans les soirs tombés,
Où c’est les yeux qui voient, au monde qui repose,
Ou l’aube qui se lève, ou soleil se coucher,
Sur des jardins de lys, des parterres de roses,
Dans l’heure ou dans l’instant auquel on a rêvé,
Et cela sans raison, et comme aussi sans cause,
Et parce qu’il en est ainsi d’éternité;
Tu l’as connue encor, quand en des printemps verts,
La mer montait au loin ses vagues et ses flots,
Et puis aussi en celles dont tu sus la chair,
Mais lors tu t’es trompé, et tu n’as eu repos.
Or Dieu tu l’as cherché, mais tu n’étais l’apôtre,
Comme aux livres saints, l’avère le verbe écrit;
Si tu l’eusses trouvé, ta vie eut été autre,
Que celle qui te fut sur le chemin suivi,
Et pour ta faim ton pain eut été fait d’épeautre,
Et ton désir alors, sans doute consenti;
Mais l’ange n’est venu, que pour te dire croix
Quand elles sont dressées, qui font la douleur vraie,
Et tu as su ainsi, comment on porte en soi,
Son calvaire, en les jours, les mois et les années.
Hunkeringen
Als je hem vond God, zeg het aan niemand,
Bewaar voor jezelf een vreugde die louter liefde zijn zou
Zo puur als die men hebben zou van hen die zich geven
Met heel hun hart en ziel, echt en voor altijd;
Als je hem vond God, dat ware in je leven
De vrede die je zocht, en de verbeide genade,
In de zoete helderheid van blinkende zekerheden,
En hun waarheden, die de dagen bijzonder maken.
Je hebt het geloof gekend, maar expliciet in de dingen:
In de heldere ochtenden of in de schemering van de avonden
Waar het je ogen waren die neerzagen op een wereld in rust
Waarin de ochtend gloort of waar de zon ondergaat
Over hovingen vol lelies, met perken vol rozen,,
In het uur of het ogenblik dat men het heeft gedroomd,
En dat zonder reden, en dus ook zonder oorzaak
En omdat het zo al is sinds alle tijden:
Je hebt het ook ondervonden als in de lentedagen
De zee kwam vanuit de verte met zijn branding en golfslag,
En dan ook in de vrouwen wier lichaam je hebt gekend
Maar dat was een vergissing, en rust heb je er niet mee gehad.
Dus je hebt God gezocht, maar een apostel was je niet,
Zoals in de heilige boeken het geschreven woord het bedoelt.
Indien je Hem gevonden had, je leven ware anders geweest,
Dan dat wat nu je deel was op de gevolgde weg,
En voor je honger had je brood van spelt gehad,
En je hunkering was dan zonder twijfel gestild geworden,
Maar de engel is maar gekomen om je bij het kruis te brengen
Dat het echte lijden verbeeldt,
En zo heb je ondervonden, hoe men zijn calvarie
In zich draagt in de dagen, de maanden en de jaren. (*1)
« Les Fleurs Vertes » (1934, postuum ) En Soi, V , Dèsirs", Œuvres Complètes » uitgeverij « Le Cri », 2000. bladzijde 388 .
(*1) Dit beeld is ontleend aan de Calvarieberg bij de Sint-Pauluskerk. Ook daar brengen de engelen de bezoekers naar het kruis. Voor Elskamp hangt echter niet Jezus aan het kruis, maar hijzelf, en voor hem biedt het lijden geen uitzicht op verrijzenis. In 1911 werd Elskamp boedhist. Van dan af beoogt hij enkel nog het Nirwana.
Celle Qui Vient
Voici la mort qui vient
En trainant ses béquilles,
N’aie peur, ni ne la crains,
Ton âme est dans une île,
Si lointaine, que rien
Ne pourrait l’approcher,
Pas même le divin
Qui est d’éternité,
Car la paix est en toi
Au quai d’un port touché,
Et plus loin que la foi
Qu’en soi l’on a portée
En l’amour que l’on sut
Comme un soir qui s’éteint
En l’émoi qu’on en eut
Comme pain quotidien.
Voici la mort qui vient
Pour faire de ta chair
Morte, ainsi qu’un pré vert
Où le ver tait sa faim,
Sous la terre où on est
Tout en long étendu
En le printemps qui vient
Ou l’hiver advenu,
Dans le néant de tout,
Même de la lumière,
Et lors qui fait de nous
Jaune de la poussière,
Or ce n’est qu’en la chair
Qui est gaine de l’âme,
Dans des jours noirs ou clair
En les hommes, les femmes,
Car l’âme est immortelle
Et puis se réincarne,
En l’infini toute ailes
En la clarté qui pâme,
Et c’est soleil alors
Qu’on est d’éternité,
Dans des ciels dits tout d’or
Ou des nuits étoilées,
Ame s’aimant en foi
En un amour suprême
Et que l’on sait sans croix
Éternelle en soi-même.
Hij Die Komt (fragment)
Hier is de dood die komt,
Slepend zijn pikkels over de grond,
Ge moet niet schrikken of bang zijn,
Uw ziel zit op een eiland,
Zo ver weg, dat niets
Haar naderbij zou kunnen komen,
Zelfs niet het goddelijke
Dat in de eindeloosheid is.
« Les Fleurs Vertes » , Pagina 428, Aveux, III ,Celle Qui Vient ( Alleen de twee eerste strofen werden vertaald)
Bouddha
Dans un salon bourgeois
Est un Bouddha tout d’or,
Sur une table en bois
Près d’un berceau où dort
Un enfant dans ses langes
Blanches et qui rappellent
En leur clarté, des anges
La neige de leurs ailes,
Et Bouddha est debout
Le lotus à ses pieds,
Et qui sourit tout
D’amour et de pitié,
Avec l’ourma au front
La main droite levée
Et vers le blanc plafond
Où lustre dit clarté,
Et la gauche indiquant
Le sol, ou tapis rouge
Sur le plancher s’étend
Dans de l’ombre qui bouge
Projetée par le feu
Qui brûle du bois vert,
Car ici c’est l’hiver
Advenu sous les cieux.
Or une femme est là
Au piano qui chante,
Gauche et fausse voix
Sur des mesures lentes,
Du Schumann qu’elle fane
Comme hiver fait des roses,
Et le clavier profane
Où ses doigts lourds se posent,
Et Bouddha et tout d’or
Est là et qui sourit,
Car s’avérant alors
C’est néant dit ici,
Dans des âmes humaines
Affirmé comme en foi,
Par un chant dont l’haleine
Le dit le Nirvana.
Boeddha
In een burgersalon
Staat een Boeddha geheel van goud,
Op een houten tafel
Naast een wiegje waarin een kind
Slaapt in zijn witte
Lakentjes die in hun klaarheid
Doen denken aan de sneeuw
Van engelenvleugels,
En Boeddha zit rechtop
De lotus aan zijn voeten,
En hij glimlacht vol
Liefde en mededogen,
Op het voorhoofd de ourma,
De rechterhand omhoog wijzend
Naar het witte plafond
Waarop de luster schijnt,
En de linkerhand wijst
Naar de grond, waar een rood tapijt
Op de plankenvloer is gespreid
In de schaduw die beweegt
Geprojecteerd door het haardvuur
Waarin groen hout knettert,
Want de winter is gekomen
Onder de hemelen.
En een vrouw zit daar
Aan de piano en zingt,
Toonloos en met ongeoefende stem
De langzame maten,
Van Schumann die ze verkreukelt
Zoals de winter het doet met de rozen,
En op het vergeeld toetsenbord
Rusten zwaar haar vingers.
En Boeddha, geheel van goud
Is daar en glimlacht
Want het lijkt dan zo
Alsof het niets hier is
In de menselijke zielen
Hetgeen wordt bewaarheid
Door de zang waarvan de klank
Aan het Nirwana is verwant.
« Les Heurs Jaunes » (1967, postuum) ” Œuvres Complètes » uitgeverij « Le Cri », 2000. Bladzijde 534 .
Hori-mono, VI, Bouddha