Naar de inhoud

Max Elskamp (1862-1931)

Enige gedichten zoet als elixir d'anvers
akke.beakke.be
vertaald en toegelicht door Gilbert Vanhove

Préface van La Chanson de la Rue Saint-Paul

"La Chanson de la Rue Saint-Paul" is de bundeling van Elskamps herinneringen aan zijn prille kindertijd. Max Elskamp schrijft hierover op 17 april 1922 aan Albert Mockel: "Je t'envoi une chose qui n'est pas littéraire et qui fait partie d'un livre que je publierai hors commerce, et pour quelques amis:  c'est "La Chanson de la rue Saint-Paul"... Ce sont mes anciens jours très lointains, quand je vivais au bord du fleuve, contre un calvaire; et cela n'a nulle valeur littéraire; mais ce furent les jours heureux de ma vie. Mon cher ami, je m'en vais voir, mon père et ma mère qui dorment au "Kiel."

In de "Préface" van de bundel bezingt de dichter de helderheid en de scherpte waarmee de herinneringen aan zijn kindertijd in hem bewaard zijn gebleven.

Maar... ooit zullen ze ook in hem uitdoven.  De dichter incarneerde ze daarom  in "La Chanson de la Rue Saint-Paul",  die één bijzondere eigenschap heeft:   
Il n'en est ici
Qu'ainsi qu'en la vie,
Où c'est du présent
Que meurt le passé.

( "ad finem" van de bundel)

Voor wie geen andere bundels van Elskamp gelezen heeft, is dit het hoogtepunt in zijn werk.


 
Préface

Musiques ici
Faites de ta vie,
A son aube luie
Lointaine aujourd'hui,

Ce sont jours allés,
De soleil ou pluie,
Au cours des années,
Désormais pâlis.

Or en l'ombre en eux
Ici qui prend place,
Ainsi que le veut
Temps qui tout efface,

Mais en toi restée
Leur clarté si blanche,
Qu'il t'en est dimanche
Rien que d'y penser,

C'est de candeur pure,
Sous des soleils luis,
Jours et qui te furent
Jadis que voici.


Préface

Muziek hier
Vat uw leven
In de glans van zijn dageraad,
Ver weg vandaag.

Het zijn dagen verbleekt
In de zon of verregend,
En verder vergaan
In de loop van de jaren.

Dus in duisternis in hen
Ligt wat hier verschijnt,
Zo wil het de tijd
In wie alles verdwijnt.

Maar in u gebleven
Hun klaarheid zo wit,
Alsof het voor u zondag (*1) is,
Alleen door de gedachtenis.

Het is pure onschuld,
Onder zonnen van licht,
Dagen die er écht waren
Eertijds, nu weer hier.


( *1) "Dimanche"  heeft voor Elskamp een eigen betekenis.  De "Zondag" was de enige dag waarop hij bij zijn ouders "te gast was" in zijn geboortehuis in de Sint-Paulusstraat. Na de geboorte van zijn zusje Marie,  werden de kinderen tijdens de weekdagen opgevangen door meiden, niet in de Sint-Paulusstraat nr 30, maar in de stille Zwartzustersstraat nr 13. Daar had Max Elskamp als knaapje uitkijk op de Calvarieberg van de Sint-Pauluskerk. En wat hij daar zag en voelde, schreef hij neer in "Le Calvaire". ( zie elders in deze blog:  "Le Calvaire").

 

 

Bij de Magdalenas op de Calvarieberg van de Sint-Pauluskerk.

Met Magdalena op de Calvarieberg.

Max Elskamp, die geboren werd in de Sint-Paulusstraat, woonde tot zijn acht jaar in het Antwerps Schipperskwartier. Tijdens de weekdagen verbleef hij (naar mijn inzichten althans) in de Zwartzustersstraat onder de hoede van "trouwe meiden", waar hij uitzicht had op de Calvarieberg van de Sint-Pauluskerk. Zijn vriend Jean de Boschère benadrukte reeds in 1914 de diepgaande invloed die deze aanblik levenslang op de dichter had: «  le calvaire, bien fait pour déployer ses ailes de démons et d’anges sur le développement entier de la vie d’un être impressionable ».

Alles wat Elskamp daar als kind zag en voelde, beschrijft hij in 1922 gedetailleerd in “Le Calvaire”, in de bundel “La Chanson de la Rue Saint-Paul”, ook het Magdalena-beeld: "En toute larmes Madeleine, en cheveux longs qui dit sa peine". Zij staat in het rechtse perk van de Calvarieberg, de zogenaamde evangelistentuin, oog in oog met de verrezen Jezus bij het open graf.

Maar in het gedicht "Magdalena" uit "Les Joies Blondes" (postuum:1934), dat we hier nu lezen, inspireert het stenen beeld van Maria Magdalena op de Calvarieberg de dichter niet tot beschouwingen over het leven na de dood. Het is de dichter zelf die zijn Magdalena tracht te inspireren. Hij port haar aan om alles achter zich te laten en om als mens in de aardse wereld te herrijzen. Want de aarde is het enige paradijs dat voor de mens met zijn vijf zintuigen toegankelijk is. Dat was ook de basisidee van "En Symbole vers L' Apostolat" (1895) met als beginverzen:  "Voici mon nouveau Testament/ de Vie, en des choses ingénues/..."

Met de inhoud van dit gedicht staat Max Elskamp dichter dan ooit bij de vernieuwde inzichten omtrent de betekenis van de woorden "Noli me tangere". Met deze woorden zou Jezus Magdalena hebben willen zeggen: "Klamp U niet aan mij vast. Laten we elk onze eigen weg gaan..."

Madeleine

Ne pleure plus, ô Madeleine,
Jésus mort, est ressuscité,
Et si tu as en toi la peine
Ne la fais pas d’éternité,

Ils reviennent ceux que parfois
Nos cœurs ont sus et dans la joie
Dite aux amours quotidiennes,
Pour en retrouver les antiennes,

Dans les jours comme dans les nuits
Qui de temps seul, sont périmés,
Mais cependant dont toujours luit,
Parce que d’amour, leur clarté

Ne pleure plus, ô Madeleine,
La vie est là à coupe pleine,
D’un vin si doux qui nous est dit
Que de peine l’on se délie,

Et bois-là, comme choses viennent,
Amères, sapides ou douces,
Et pour en soi qu’on les épouse
Jeune d’émoi ou bien anciennes

De tout ce qu’on connaît en elles
Déjà, parce qu’on en a su,
De joie blonde qui a des ailes,
Et du chagrin, lui, qui est nu.

Or laisse lors aux Golgothas,
Saigner les croix sous des ciels rouges,
Et en le monde reprends foi
Où c’est tout qui vit et qui bouge,

Pour des fins en nous incertaines,
Mais cependant en elles vraies,
Puisqu’ elles s’avèrent humaines
En nous quand elles sont entrées;

Et lors prends foi en les matins
Qui disent eux dans la lumière,
Doux comme miel le jour qui vient,
Aux voies qu’on suit dans la poussière,

Pour avoir joie de ce qui rit
Ou bien qui donne le bonheur,
En l’émoi qu’ en prend l’âme ou cœur,
De tout ce qui chante ou qui luit,

Et alors toi, ô Madeleine,                                           
Et dans le matin qui se lève,
Ne pleure plus, va sur la grève,
Où la mer bleue dit son haleine,

Et là, dans l’ air, le vent monté
Les viendra sur ton front sécher
Les larmes que tu as versées
Jadis, sous les croix, en ta peine.

 

Magdalene

Stop met wenen, O Magdalene
Jezus die dood was, is herrezen,
En als er nog spijt zit in je leden
Gun die toch geen eeuwigheden,  

Ze komen terug degenen die soms
Onze harten hebben gekend in de jubel
Van alledaagse minne, om opnieuw      
Te zingen de antifonen der beminden,  

In de dagen zowel als in de nachten,
Die enkel tijdmatig zijn verstreken,
Maar waaruit de helderheid,
Eigen aan de liefde zelf, niet is geweken.

Stop met wenen, O Magdalene,
Het leven is daar met zijn kelk vol wijn,
Zo mild als is beloofd 
Dat hij alle pijn verdooft,  

En drink ervan, al naar het moet,
Bitter, zuur of zoet,
En om der dingen zelf word je ermee intiem, 
In onbekend genot of als voordien 

In alles waarin men het al kent
Omdat men ervan heeft geproefd: 
De blonde blijdschap die doet zweven
En het verdriet dat niet doet leven.

En laat op Golgotha de kruisen
Bloeden in het avondrood 
En geloof weer in de wereld
Waar alles leeft en beweegt,

In finaliteiten die in ons onzeker zijn
Maar toch in zich realiteiten zijn,
Omdat zij menselijk blijken,
Eens zij in ons gekomen zijn;

En geloof dan in de ochtenden
Die zich aandienen in het licht,
En die zoet als honing zijn met de dag in zich,
Zodat op de weg die zich in stoffigheid hult 

Je blij kunt zijn om wat er lacht
Of om het goede dat gelukkig maakt,
In de ontroering die de ziel in ’t diepste raakt
Om al wat zingt en licht uitstraalt,

En dan jij, O Magdalene
In de ochtend die gaat gloren,
Stop met wenen, loop op het strand
Waar je de blauwe zee kunt horen,

En daar in de lucht, zal de dolle wind 
Ze op je voorhoofd komen drogen:
De tranen die jij hebt geschreid
Eertijds, onder de kruisen in je spijt.

« Les Joies Blondes » (1934) , Les Aimées,  III,   Madeleine


Een variant hierop vinden we terug in de bundel "Chansons désabusées" die verscheen in 1922 ( hetzelfde jaar als  "Le Calvaire uit "La Chanson de la rue Saint-Paul".) In dit tweede gedicht spreekt de dichter Magdalena aan terwijl ze nog bij het kruis staat. Op de Calvarieberg van de Sint-Pauluskerk staat deze Magdalena overigens vier keer afgebeeld, (plus nog een drietal andere Magdalena-geaarde types als Maria van Egypte, Eustochium en Pelagia): voor Max Elskamp beelden-inspiratie genoeg dus om er een hele magdalena-cyclus rond op te bouwen. 

En Elles
VIII

Est-ce vous Madeleine                              
Encore qui pleurez ?
Voici la lune pleine
Et sang aux croix séché,

Et dans la clarté douce
En la nuit étoilée,
La douleur qui épouse
Le silence et se tait,

Et Lui le bien aimé
Et qui vous était cher,
Dans le ciel remonté
A côté de son Père.

Mais vous, ô Madeleine,
Qui avait tant aimé,
Et de 1’ amour savez
Les joies comme les peines,

Vous qui dans vos passés
Avez su vin qu’on boit,
A des tables dressées
Dans les nuits qui flamboient,

Où lampes allumées,
C’est l’émoi qu’on attend
En la myrrhe et l’encens
Dans leurs parfums montés,

Est-ce vous qui pleurez
Encore ici vos fautes,
Ou les amours allées
Dont votre coeur fut l’hôte?

Or remettez ici
Madeleine, à vos doigts,
Vos bagues d’autrefois
Et dont l’or s’est terni,

Prenez le Khol et noir,
Pour allonger vos yeux,
Et les peignes d’ivoire
Pour orner vos cheveux,

Dites vous en beauté,
Comme au jour des désirs
Telle lumière à luire,
Car voici vérité:

Il n’est de ceux qui meurent,                                            
Madeleine, et qu’on aime,
Il n’est de ceux qu’on pleure,
Qu’un autre amour qui naît,

Et qu ‘on sait en soi-même
Si sûr, et vrai sans leurre,
Qu’on dirait en son coeur,
Ainsi que Dieu entré.

"Chansons Désabusées"  (1922)
En Elles, VIII,
 

Zijt gij dat, Magdalene

Die nog schreit ?

Het is hier volle maan

En het bloed aan het kruis is droog,

 

En in de zachte schijn

Van de sterrennacht

Sterft alle smart 

In stilte weg en zwijgt,

 

En Hij de welbeminde

En die u zo lief was,

Is ten hemel gegaan

Waar zijn Vader wacht.

 

Maar gij, O Magdalene

Die zo hebt bemind

En van de liefde weet,

Het lief en het leed,

 

Gij die vroeger

De wijn proefde die men drinkt,

Aan gedekte tafelen

In nachten die fonkelen,

 

Wijl, bij brandende lampen,

Op de verrukking wordt gewacht

In uit mirre en wierook

Opstijgende dampen,

 

Zijt gij dat die schreit

Hier nog van spijt

Om de verlaten liefde

Die in uw hart te gast was ?

 

Doe hier weer Magdalene

Aan uw vingers

De ringen van weleer

Al heeft het goud zijn glans niet meer,

 

Neem schmink, de zwarte,

Dat maakt uw ogen groot

En kammen van ivoor

Houden uw kapsel hoog,

 

Toon u in uw schoonheid

Zoals in de dagen van begeerte,

In dat danig glanzend licht,

Want deze waarheid komt in zicht:

 

Er zijn er geen die sterven

Magdalene, als men hen bemint,

Er zijn er geen die men beweent,

Als een andere liefde begint,

 

En geen die men in zich aanwezig weet,

Zo waar en echt, zonder bedrog

Dat men zeggen zou, het is

Alsof God mijn hart bezocht.


 

Le pauvre sacristain wordt boeddhist

"Le Pauvre Sacristain" wordt boeddhist.

Mais du bien promis
En sa somme nette
Vœu  inexaucé
Ciel non atterri.

Maar van het beloofde heil
Is  de eindbalans :
Gelofte niet gestand,
In hemel niet geland. 
(« Chansons Désabusées » (1922) > En Soi >  I )

Deux nuages d’or
Passent dans le ciel,
Dis, crois-tu encor,
Rien n’est éternel,

Pas même la mort,
Au bout de la vie,
Qui n’est que sommeil
Parfois qu’on envie.
« Chansons Désabusées », (1922) >  Heures > V

Je n' ai été en rien, le disciple ou l'apotre,
Et dans le songe seul, j'ai trouvé ma clarté.
"Chansons Désabusées" >  De Soir > I

Tu n' es l' apôtre que de toi-même,
Et qui en soi écoute parler

Les choses du monde qui essaiment
Comme des abeilles aux rûchers.
"Le Fleurs Vertes" (1934) > Aveux > VIII Sagesse.


Max Elskamp kreeg veel epitheta  op zijn schamel hoedje gespeld:  “le solitaire anversois”, “le pieux écrivain”,  “de koorknaap” ,   “un Saint laic”, "le piètre avocat" (Jean de Boschère), ”le pauvre sacristain”(Max Elskamp over zichzelf!), “the delicate dreamer, cloistered in Antwerp”, “de aardse anachoreet”, “de Sint-Franciscus van de Franstalige letteren”(Emile Verhaeren), "le Verlaine belge", "un Mallarmé de Flandre" (Norge,1954),"le musicien à l'écho secret" (Mallarmé), "le mandarin d'Anvers", "een vreemde plant, ... een geranium aan 't raampje van een oude kantwerkster" ( E. De Bom), "een gotische miniaturist", "een beste jongen" (August Vermeylen), "de Antwerpenaar die een vreemd bargoensch schrijft" (Karel van de Woestijne), "de zingende zonderling", "de mystieke handwerkman", "un Arthur Rimbaud pour les pauvres gens" (Max Waller, 1905), "le poète intemporel", "poésie aérienne","beminnelijke dilettant", "un bourlingueur flamand de la poèsie","de groote dichter der Schelde" (nieuw tilburgsche courant, 24/2/1932) ... “Quant à ses vers: nul ne les lit! » (Jean de Boschère in een  essai uit 1914). Deze etiketten dragen niet veel bij tot beter begrip van zijn meesterschap. 
 
Max Elskamp was een agnosticus, die naar God verlangde zonder in zijn bestaan te geloven, en die ter zake nog minder geloofde in “ de Openbaring” of in het spirituele of sociale nut van “De 
Kerk”.  Voor de rest leefde Max Elskamp in latrelatie met zijn vriendin Gabrielle en volgde hij, wars van redingote en hoge hoed,  niet de dresscode van de bourgeoisie. Anders gezegd:  hij vertoonde een gedrag dat vandaag, voor een Kunstenaar, niet zo vreemd is.  
 

Désirs

Si tu le trouvais, Dieu, ne le dit à personne
Garde en toi une joie qui serait tout d’amour,

Comme celui qu’on a de celles qui se donnent
En foi de cœur et d’âme, et vraies et pour toujours ;

Si tu le trouvais Dieu, ce serait dans ta vie,
La paix que tu cherchais, et la grâce attendue,

Dans la douce clarté des certitudes luies,
Et de leurs vérités, faisant des jours élus.

Tu l’as connue la foi, mais dite dans les choses,
Et dans les matins clairs ou dans les soirs tombés,

Où c’est les yeux qui voient, au monde qui repose,
Ou l’aube qui se lève, ou soleil se coucher,

Sur des jardins de lys, des parterres de roses,
Dans l’heure ou dans l’instant auquel on a rêvé,

Et cela sans raison, et comme aussi sans cause,
Et parce qu’il en est ainsi d’éternité;

Tu l’as connue encor, quand en des printemps verts,
La mer montait au loin ses vagues et ses flots,

Et puis aussi en celles dont tu sus la chair,
Mais lors tu t’es trompé, et tu n’as eu repos.

Or Dieu tu l’as cherché, mais tu n’étais l’apôtre,
Comme aux livres saints, l’avère le verbe écrit;

Si tu l’eusses trouvé, ta vie eut été autre,
Que celle qui te fut sur le chemin suivi,

Et pour ta faim ton pain eut été fait d’épeautre,
Et ton désir alors, sans doute consenti;

Mais l’ange n’est venu, que pour te dire croix
Quand elles sont dressées, qui font la douleur vraie,

Et tu as su ainsi, comment on porte en soi,
Son calvaire, en les jours, les mois et les années.

 

Hunkeringen

Als je hem vond God, zeg het aan niemand,
Bewaar voor jezelf een vreugde die louter liefde zijn zou 

Zo puur als die men hebben zou van hen die zich geven
Met heel hun hart en ziel, echt en voor altijd; 

Als je hem vond God, dat ware in je leven
De vrede die je zocht, en de verbeide genade,

In de zoete helderheid van blinkende zekerheden,
En hun waarheden, die de dagen bijzonder maken.

Je hebt het geloof gekend, maar expliciet in de dingen:
In de heldere ochtenden of in de schemering van de avonden

Waar het je ogen waren die neerzagen op een wereld in rust
Waarin de ochtend gloort of  waar de zon ondergaat

Over hovingen vol lelies, met perken vol rozen,,
In het uur of het ogenblik dat men het heeft gedroomd,

En dat zonder reden, en dus ook zonder oorzaak
En omdat het zo al is sinds alle tijden:

Je hebt het ook ondervonden als in de lentedagen
De zee kwam vanuit de verte met zijn branding en golfslag,

En dan ook in de vrouwen wier lichaam je hebt gekend
Maar dat was een vergissing, en rust heb je er niet mee gehad.

Dus je hebt God gezocht, maar een apostel  was je niet,
Zoals in de heilige boeken het geschreven woord het bedoelt.

Indien je Hem gevonden had, je leven ware anders geweest,
Dan dat wat nu je deel was op de gevolgde weg,

En voor je honger had je brood van spelt gehad,
En je hunkering was dan zonder twijfel gestild geworden,

Maar de engel is maar gekomen om je bij het kruis te brengen
Dat het echte lijden verbeeldt,

En zo heb je ondervonden, hoe men zijn calvarie
In zich draagt in de dagen, de maanden en de jaren. 
(*1)
 
« Les Fleurs Vertes » (1934, postuum ) En Soi, V , Dèsirs", Œuvres Complètes » uitgeverij « Le Cri », 2000.  bladzijde 388 .
(*1) Dit beeld is ontleend aan de Calvarieberg bij de Sint-Pauluskerk. Ook daar brengen de engelen de bezoekers naar het kruis. Voor Elskamp hangt echter niet Jezus aan het kruis, maar hijzelf, en voor hem biedt het lijden geen uitzicht op verrijzenis. In 1911 werd Elskamp boedhist. Van dan af beoogt hij enkel nog het Nirwana.

Celle Qui Vient

Voici la mort qui vient
En trainant ses béquilles,
N’aie peur, ni ne la crains,
Ton âme est dans une île,

Si lointaine, que rien
Ne pourrait l’approcher,
Pas même le divin
Qui est d’éternité,

Car la paix est en toi
Au quai d’un port touché,
Et plus loin que la foi
Qu’en soi l’on a portée

En l’amour que l’on sut
Comme un soir qui s’éteint
En l’émoi qu’on en eut
Comme pain quotidien.

Voici la mort qui vient
Pour faire de ta chair
Morte, ainsi qu’un pré vert
Où le ver tait sa faim,

Sous la terre où on est
Tout en long étendu
En le printemps qui vient
Ou l’hiver advenu,

Dans le néant de tout,
Même de la lumière,
Et lors qui fait de nous
Jaune de la poussière,

Or ce n’est qu’en la chair
Qui est gaine de l’âme,
Dans des jours noirs ou clair
En les hommes, les femmes,

Car l’âme est immortelle
Et puis se réincarne,
En l’infini toute ailes
En la clarté qui pâme,

Et c’est soleil alors
Qu’on est d’éternité,
Dans des ciels dits tout d’or
Ou des nuits étoilées,

Ame s’aimant en foi
En un amour suprême
Et que l’on sait sans croix
Éternelle en soi-même.

Hij Die Komt (fragment)

Hier is de dood die komt,
Slepend zijn pikkels over de grond,
Ge moet niet schrikken of bang zijn,  
Uw ziel zit op een eiland,

Zo ver weg, dat niets
Haar naderbij zou kunnen komen,
Zelfs niet het goddelijke
Dat in de eindeloosheid is.
« Les Fleurs Vertes » , Pagina  428,  Aveux, III ,Celle Qui Vient ( Alleen de twee eerste strofen werden vertaald)


Bouddha

Dans un salon bourgeois
Est un Bouddha tout d’or,
Sur une table en bois
Près d’un berceau où dort

Un enfant dans ses langes
Blanches et qui rappellent
En leur clarté, des anges
La neige de leurs ailes,

Et Bouddha est debout
Le lotus à ses pieds,
Et qui sourit tout
D’amour et de pitié,

Avec l’ourma au front
La main droite levée
Et vers le blanc plafond
Où lustre dit clarté,

Et la gauche indiquant
Le sol, ou tapis rouge
Sur le plancher s’étend
Dans de l’ombre qui bouge

Projetée par le feu
Qui brûle du bois vert,
Car ici c’est l’hiver
Advenu sous les cieux.

Or une femme est là
Au piano qui chante,
Gauche et fausse voix
Sur des mesures lentes,

Du Schumann qu’elle fane
Comme hiver fait des roses,
Et le clavier profane
Où ses doigts lourds se posent,

Et Bouddha et tout d’or
Est là et qui sourit,
Car s’avérant alors
C’est néant dit ici,

Dans des âmes humaines                               
Affirmé comme en foi,
Par un chant dont l’haleine
Le dit le Nirvana.


Boeddha

In een burgersalon
Staat een Boeddha geheel van goud,
Op een houten tafel
Naast een wiegje waarin een kind

Slaapt in zijn witte
Lakentjes die in hun klaarheid
Doen denken aan de sneeuw
Van engelenvleugels,

En Boeddha zit rechtop
De lotus aan zijn voeten,
En hij glimlacht vol
Liefde en mededogen,

Op het voorhoofd  de ourma,
De rechterhand omhoog wijzend
Naar het witte plafond
Waarop de luster schijnt,

En de linkerhand wijst
Naar de grond, waar een rood tapijt
Op de plankenvloer is gespreid
In de schaduw die beweegt

Geprojecteerd door het haardvuur
Waarin groen hout knettert,
Want de winter is gekomen
Onder de hemelen.

En een vrouw zit daar
Aan de piano en zingt,
Toonloos en met ongeoefende stem
De langzame maten,

Van Schumann die ze verkreukelt
Zoals de winter het doet met de rozen,
En op het vergeeld toetsenbord
Rusten zwaar haar vingers.

En Boeddha, geheel van goud
Is daar en  glimlacht
Want het lijkt dan zo
Alsof het niets hier is

In de menselijke zielen
Hetgeen wordt bewaarheid
Door de zang waarvan de klank
Aan het Nirwana is verwant.

« Les Heurs Jaunes » (1967, postuum) ” Œuvres Complètes » uitgeverij « Le Cri », 2000. Bladzijde 534 .
 Hori-mono, VI, Bouddha



Mythologische vrouwen: Aurora en Atalante.

Nous n’irons plus au ciel,
(Nos ailes sont coupées)
Chanter dans la rosée,
Auprès de Gabriel,

Nous n’irons plus au ciel,
(Nos ailes sont coupées)
Nous avons aimé celles
Qu’il ne faillait aimer.

(In het boek "van aangezicht tot aangezicht, modelinterpretaties moderne lyriek" bespreekt  Paul Pelckmans dit gedicht; uitg. Garant; 1991)

We gaan niet meer naar de hemel
(Onze vleugels zijn niet wel),
Zingen in de nevel
Dichtbij Gabriel,

We gaan niet meer naar de hemel,
(Onze vleugels zijn niet goed),
We hebben bemind die
Die men niet beminnen moest.

« Chansons Désabusées » (1922), Heures, VI (fragment)


Max Elskamp is geen wereldvreemd of dromerig type. "Quant à l'Escaut qui est le plus beau ... je le connais à la rame et à la voile depuis les
pécheurs d'anguilles du haut jusqu'aux francs bougres du bas"( Robert Quiette: Max Elskamp, blz 33). Als jongeman peddelt hij in een kano op de Schelde naar Temse en Dendermonde met zijn vriendin Gabrielle de Meester of met zijn vriend  Henry Van de Velde. Max Elskamp is de zoon van vrijzinnige en gefortuneerde ouders maar hij verfoeit de bourgeoisie om haar koopmansgeest en vereenzelvigt zich liever met de gewone stadsmensen.  Hun handwerkzaamheid fascineert hem  en hij probeert hun eenvoudig leven  op vele manieren na te volgen.  Wanneer een leurder met mannekensbladen bij  hem op de Belgiëlei langskomt, inspireert hem dat tot de bundel :  “Six chansons de pauvre homme pour célébrer la semaine de Flandre” (1895) met als openingsvers:  “Un pauvre homme est entré chez moi, pour des chansons qu’il venait vendre… si humblement que c’ était moi… ». In de trappenhal van zijn woning verzamelde hij 2816 tot onnut geworden voorwerpen uit het Antwerps volksleven. De collectie werd in 1907 de kern van het Antwerps volkskundemuseum en ligt nu in het kijkdepot van het  “Museum aan de Stroom”.

Ooit, in zijn jonge jaren, heeft Max Elskamp op de zeeën rond Europa gevaren aan boord van een cargo. Het leerde hem dat goede navigatie-instrumenten  levensnoodzakelijk zijn.  In zijn woning, “Belgiëlei 138”,  had hij ook een exquise collectie van 568 maritieme en astronomische meetinstrumenten, sommige daterend uit de tijd van Karel V.   Deze miniatuurschat  ligt nu geborgen in het Luikse “Musée de la Vie Wallonne”.  Object nr. 512  uit de collectie is een door Max Elskamp ontworpen zonnewijzer in leisteen, waarop hij in gouden letters de geboorte- en sterfdata gegraveerd heeft van zijn vader en zijn moeder.

Aurore

Elle avait nom Aurore
Elle était blonde et belle,
Et la lumière, et d’or
Chantait sa joie en elle,

Et l’on eut dit d’un ange
Ayant perdu ses ailes,
Qui portait, en ses langes,
Comme enfant le soleil.

Elle était tout d’amour
Pour le monde et les choses,
Et vêtait robe rose
Dès le lever du jour,

Et dans des jardins verts
S’allait enamourée,
Baiser les lys ouverts
Humides de rosée,

Comme aux matins là-bas
Aux Hellades dorées,
Chez sa mère Théia
Quand c’était jour monté.

Or Orion était  
Encor toujours en elle,
Et dans le jour qui naît
A son amour fidèle,

Elle avait oublié
La mort où tout se tait,
Pour rester à celui
Qui dormait dans la nuit,

Et dont l’âme brillait
Etoile dans les cieux,
Lorsque les soirs montaient
Dans l’air leur ombre bleue,

Pour apporter au monde
Après jour de soleil,
La paix douce et profonde
En l’oubli du sommeil.

Or dans le temps qui passe
Et dans les millénaires,
Où tout se perd, se tasse,
Pour mourir ou se taire,

C’est elle qui s’en vient
Ouvrir, de la lumière
Les portes, au matin,
Pour faire la vie claire,

Et je l’ai vue un jour
Et qui me souriait,
Et j’en ai pris amour
Sans oublier jamais. 

Aurora

Zij had de naam Aurora,
Zij was schoon en blond
En het licht van goud 
Zijn vreugde in haar vond.

En men ware in de waan:
Dit is een engel, van vleugels ontdaan,
Die in  lakentjes bindt
De zon als zijn kind.

Zij was één en al minne
Voor het heelal en alle dingen,
En in haar kleed van rozen
Liet zij de ochtend blozen,

En in de groene hoven
Dwaalde ze amoureus rond
En kuste de lelies, nat
Van  dauw, op de open mond,

Zoals in de morgenstond
Daar in het gouden Hellas
Bij haar moeder Theia
Zodra de dag er was.

Maar (het beeld van) Orion was
Nog altijd in haar
En in de ontwakende dag
Bleef zij haar liefde trouw,

En vergat zij de dood 
Die alles zwijgen doet,
Om bij hem te blijven  
Die bij haar sliep in de nacht

Wijl zijn ziel schitterde 
Als een ster aan de hemelen
Van als de avondluchten
In blauwheid schemeren,

Na een dag van zon,
Om zoete en diepe vrede
Te brengen aan de wereld
In de vergetelheid van de slaap .

En in de tijd die (sindsdien) verloopt
In de duizenden jaren
Waarin alles verdwijnt en zich ophoopt
Om (uiteindelijk) te sterven of te zwijgen,

Is zij het die van het licht
De poorten komt openen
Als het ochtend is,
Om het leven op te klaren,

En ik heb haar gezien op een dag 
En de glimlach die ze mij gaf, 
En ik werd zo door haar liefde  gevat,
Dat ik het nooit vergat.

« Chansons Désabusées »  (1922) ” Œuvres Complètes »
uitgeverij « Le Cri » (2000) ,  bladzijde 174   En
Elles,  IV, Aurore.

Atalante

Or lampes ici qui s’allument,                                          
Encens du foin coupé qui fume,
Dans l’air monté,

Nuit comme femme qui se presse
De dénouer longues ses tresses,
 à son coucher,

C’est étoiles qu’on voit chacune
Se préciser et, une à une
Après trembler,

Dragon au zénith qui culmine,
Antarès au sud qui s’incline
Et nuit d’été.

Mais lune alors sur le monde
Qui vient en son temps pleine et ronde
Tout d’or d’embue,

Puis hommes tues, les dieux qui causent,
Influx subi de tant de choses
D’amour émues,

Ombre qui lie et qui délie,
Et, contrainte morte, la vie
Qui se met nue,

C’est vent qui passe au bord de l’eau
Et les incline les roseaux,
Et l’air qui chante,

Et dans le bosquet de lilas,
Avec la couronne qu’elle a
C’est Atalante,

Qui court une pomme à la main,
Toute blanche dans ton jardin
Comme vivante.

Atalante

Lampions hier die ontvlammen,
In geur van dampend hooi
In de avondlucht hoog,

Nacht als een vrouw die zich haast
Haar haartressen te ontbinden,
Aan haar alkoof,

En aan de sterren men ziet hoe elk 
Zich toont en één na één trillen gaat
In het verschiet.

De draak in het zenit culmineert,
Antares in het zuiden inclineert,
Het is zomer en nacht,

Met schijnsel dan over de aarde
Van een maan die op haar tijd is, vol en rond,
In gouden vacht,

Dan mensen gehuld in zwijgen, goden die spreken,
Influx wordt ondergaan in zoveel dingen,
Doordrenkt  van liefde,

Duisternis die hecht en onthecht,
En, onder zachte dwang, het leven
Dat zich bloot geeft.

Er is een briesje aan de waterkant,  
En het doet de rozentwijgen nijgen
En de lucht die zingt,

En uit het bosje seringen
Met de kroon die ze heeft,
Is het Atalante

Die rent met een appel in de hand
Gans wit over je land
Alsof ze leeft.


« Les Délectations Moroses » (1923)
 Œuvres Complètes » uitgeverij « Le Cri », 2000.
Bladzijde 263 , Un soir d’été, VI , Atalante

 

Dwaallicht in Antwerpen

Dwaallicht in Antwerpen 

"En réalité, c'est Anvers,
mais évocatoirement c'est tout autre chose"
(Emile Verhaeren in zijn bespreking van Elskamps eerste bundel "Dominical"; "Nation", 27/3/1892)

Doutes-tu encor ?
Il n’est de réel
Au chemin qu’on suit
Pour trouver un port,

Que les pas qu’on fait
Que le sable essuie,
Et soleil ou pluie
D’hiver ou d’été,

Au monde où l’on va
Dans l’instant qu’on porte
Et que l’heure emporte
Dans le jour qu’on a.
« Chansons Désabusées », (1922) , Heures, V

Max Elskamp maakte in Vlaanderen vooral naam met “La Rue Saint-Paul”: de beschrijving van het leven in zijn geboortestraat in Oud-Antwerpen rond 1870. Maar het is opmerkelijk dat  nergens in dit gedicht, en trouwens nergens in zijn gehele oeuvre,  de namen “Anvers” of “Escaut”  voorkomen. Naar welke plaatsen op zijn atlas verwijzen  dan “Le fleuve” en “La ville”? En waar lag voor hem “La Rue Saint-Paul” ? Ooit droomde Max Elskamp ervan de stad Antwerpen te verlaten en een kasteeltje te bouwen in Ecaussinnes, het geboortedorp van zijn moeder in Henegouwen.  Albert Mockel raadde het hem af en wees hem op het gevaar dat hij daar  “Ecaussinnes”  niet zou vinden.
(brief van 14/3/1921)

Max Elskamp beschreef vele malen zijn lotsbestemming; zo ook in het postuum verschenen “Les Fleurs Vertes”: “Va vers de bleus oasis ceuillir les lys blancs de ton destin.”.  De geografische termen die Max Elskamp hierbij gebruikt  zijn  te vaag  ( “la mer”, “ l’ile”, “le chemin”, “le port”) om er onze GPS mee te activeren. Die zou overigens van geen nut blijken want de dichter onderneemt een  “reis naar binnen”. We hebben te maken met  een “voyageur immobile” (*1) die, zeker in zijn latere jaren,  zijn hoofdbivakplaats op de “Belgiëlei 138” zelden verlaat, en die, als hij het doet,  zelf  oriëntatieproblemen heeft. Zo blijft  Max Elskamp, voor zichzelf en zijn stadsgenoten,  een  “dwaallicht” in eigen stad:  « Rue où tu t'en vas, Comme un  étranger, En cherchant ta voie, Pourtant de chez toi … ». (het slotgedicht  van “La Chanson de la Rue Saint-Paul”).
(*1) De term 'voyageur immobile" is ontleend aan de studies van Paul Gorceix over Elskamp.

L’  île

Une île est en toi
Aux mers de tes rêves,
Souvent que tu vois
Quand le jour s’achève,

Et mort le soleil
Sur les flots en bleu,
Montant sous les cieux
Comme oiseaux en ailes;

Une  île est en toi
Lointaine en toi-même,
Qui te donne émoi
Comme aux jours qu’on aime,

Dans l’instant qui vient
Auquel on prend foi,
Et puis qui s’éteint
Souvent sous des croix.

Une île est en toi,
Dont le port s’avère,
Par un phare au loin
Qui dit sa lumière,

Et que tes yeux voient
Sans être certains,
Blanche comme foi
Entrée dans ta chair,

Et lors doute allé
Qui te donne joie
Comme d’une paix
Qu’on aurait en soi

Dans la vesprée luie
Et vêtue de moire
Qui attend la nuit,
Elle, en robe noire.

Or ton âme est là
Et dans tes pensées,
Et qui parle en toi
Dans le jour allé,

Et te dit : tu  rêves,
En ce que tu vois,
Ce n’est  que la grève
Qui se dit là-bas,

Et faite de sable
Où  vient la marée,
A l’entour des câbles
Des nefs amarrées,

Et elle est plus loin
L’ île que tu choies,
Et sise hors de toi;
Car dans le divin

Un jour ce sera
Moi, en toi restée
Qui boirons en foi
Vin d’éternité.

Het Eiland

Het is een eiland dat in u ligt
In de zeeën van uw dromen
Die tot u komen vaak 
In het avondlicht

Als de zon gestorven ligt  
Op de golven in blauw,
Strevend onderhemels
Als vogels op vlucht.

Het is een eiland dat in u ligt
Ver weg in uzelf
En het brengt u in verwarring
Als in dagen van minne,

Op dat ene moment
Dat het u bezielt
En daarna gaat het over
Vaak in een lijdensweg.

Het is een eiland dat in u ligt
Met de haven in zicht
Door een vuurtoren in de verte
Die toont zijn licht,

En uw ogen zien het
Zonder zeker te zijn,
Het is wit als het geloof
Dat in u gekomen is,

En dan is alle twijfel weg,
En dat maakt u blij
Als bij een vrede
Die men hebben zou

In de avondschemering 
Als die in moiré gehuld
Wacht op de nacht
En zijn zwarte vacht.

Maar uw ziel is daar
En is in uw gedacht
En spreekt u aan
In de vergane dag
 
En zegt: ge droomt,
Wat ge ziet
Is slechts het strand
Dat daar ligt

En bestaande uit zand
Waar getij op belandt
Tussen de kabels
Van aangemeerde schepen,

En het is veel verder,
Het eiland dat ge koestert,
En het ligt gevat buiten u,
Want in het goddelijke.

Op een dag zal het zo zijn:
Ik, in u gebleven
Ons lavend
Aan wijn van eeuwig leven.

Bron: «Les fleurs Vertes» (1934) ” Œuvres Complètes », « Le Cri », 2000. Bladzijde 422,  
Sur les eaux,  L’  île


La Mer Noire

C’est dans un jour en toi
Qu’il pleut, qu’il gèle et vente,
Et sous un ciel sans foi
En des heures démentes;

C’est ton cœur comme nef
Sur les flots blonds du rêve,
Perdu dans le vent bref
En le jour qui s’achève,

Et soir alors qui vient
Rouge du sang versé
Par le soleil plus loin,
Lui, qui s’en est allé.

Des flots sont comme en toi
Et c’est la mer qui pleure,
Et tes yeux qui se leurrent,
Dans un amer émoi,

Des larmes que tu vois
Comme dites en vert,
Au lointain qui s’avère
Sous les vergues en croix,

Où ne sont des Jésus,
Mais voiles qui balancent,
Pâles, blanches et nues
Et criant leur souffrance,

Blessées par leurs armures,
 Et liées par les ris
Pour le vent qu’on a pris
Et dont elles endurent,

Et en eux, les agrès
 Comme cordes tendues,
Brise, ainsi qu’un archet
Chantant des airs perdus.

Or une île est là-bas
Mais pourtant si lointaine
Que la mort qui viendra
Un jour te dire peine,

Ne pourrait l’approcher
Qu’en se donnant des ailes,
Mais qui d’éternité
Ne lui furent jamais,

Et c’est la terre élue
Que tu avais cherchée,
Jadis en tes jours nus
Et sur les nefs, allé,

Et pour te rédimer
Aux douces quiétudes
Qui se disent de paix
Et dans la solitude,

De tes amours et folles
De jadis, périmées,
Et comme oiseaux s’envolent,
Dans la nuit des passés.


De Zwarte Zee

Het is in één dag in u
Dat het regent, vriest en tempeest,
Onder luchten zonder geest,
In warrige getijden.

Het is uw hart dat als een schip,
Op de blonde golven van de droom,
Uit koers is door de val van de wind
 In de dag die eindigt

En  dan de avond die  komt
Rood van  het bloed verderop,
Vergoten door de zon:
Zij, die is onder gegaan.

De golven zijn als in u,
En het is de zee die schreit,
En uw ogen zien wazig,
Misleid door de ziltigheid.

Gevuld met tranen,  
Is  het al groen wat ze zien 
Opdoemen  in de verte 
Aan het kruishout van de masten 

Waar het niet de Jezussen zijn
Maar zeilen die flapperen,
Bleek, blank en bloot ,
Schreeuwend van pijn,

Gewond in hun halzen,
Ingesnoerd  tegen de wind,
Vastgesjord met rifbanden
Waar ze van afzien.

En in hen is het takelwerk
Met koorden vastgesjord
Als op een strijkstok
En de bries zingt erop verloren zijn lied. 

En daarachter ligt een eiland,
Maar wel zo ver af  
Dat de dood die U op een dag
Zal komen zoeken,

Niet dichterbij zou kunnen komen,
Tenware hij zich vleugels gaf
Maar dat lukt hem
Niet in eeuwigheid.

En het is het beloofde land,
Dat ge hebt opgezocht,
Eertijds in uw argeloze dagen,
Op de schepen van vroeger,

Om daar in zachte zaligheden
Van vrede en eenzaamheid,
U vrij te kopen
Uit uw liefdes,

De dwaze van weleer,
Verjaard, en als vogels
Gevlogen  in de nacht
Op de wiekslag van de tijden.

«Les fleurs Vertes» (1934) , « Œuvres Complètes »,  « Le Cri »,  Bladzijde  417 , Sur les eaux,  II,   La Mer Noire

 

Max Elskamp (1862-1931): elixir d'Anvers

De poezie van Max Elskamp is als elixir d'Anvers van een hoog spiritueel gehalte en zoet als honing. In lichtvoetige en muzikale verzen beklaagt de dichter zich over het lot van zijn ziel die gekluisterd zit in een lichaam zonder vleugels. Midden in de behandeling van zwaarwichtige problemen van leven en dood tovert hij met een vleugje engelenhumor een glimlach op het gelaat van de lezer: "Twee witte wolkjes wandelen aan de hemel; zegt de één: zeg, geloof jij nog ? Niets is eeuwig toch: zelfs niet de dood aan het eind van het leven die slechts slaap is voor even."

Deux nuages d’or

Passent dans le ciel,

Dis, crois-tu encor,

Rien n’est éternel,

 

Pas même la mort,

Au bout de la vie,

Qui n’est que sommeil

Parfois qu’on envie.

("Chansons désabusées" Heures, V)

Max Elskamp (1862-1931) schreef al zijn werk in de ouderlijke woning Boulevard Leopold 138, de huidige Belgiëlei, in Antwerpen. De vertaalde gedichten, waarmee U in deze blog kennismaakt, komen uit zijn latere bundels, die vanaf 1921 verschenen, velen ervan postuum. Deze bundels hebben  de vorm van bibliofiele plaquettes, “éditions confidentielles”, die enkel door bevriende kunstenaars konden worden gelezen. Van zijn vroeger werk liet hij één keer een handelseditie verschijnen in 1898 onder de titel "La Louange de la vie".  Om allerlei redenen voelde de dichter dit aan als een mislukking. Exemplaren van de laatste herdruk van "La Louange de la Vie" uit 1933 zijn vandaag nog altijd te koop voor de prijs van ongeveer drie euro. Deze eerste bundels (verschijningsperiode 1892-1895) kenden in de Belgische revues "La Jeune Belgique", "Le Coq Roude" en "Floréal" zowel voorpublicaties als (lovende) recensies.

Max Elskamp was een sociaal en aimabel man, maar vooral na de dood van zijn vader in 1911, was het openbaar leven niet meer aan hem besteed. In brieven hield hij contact met zijn vrienden. In zijn dichtwerk had hij vooral omgang met zichzelf, met zijn overleden ouders en zuster, en met de vele mythische vrouwen die zijn bundels bevolken. Ook de engelen zijn permanent aanwezig, en Boeddha is nooit ver weg. De hier geselecteerde gedichten geven mogelijks antwoord op de vraag wat Elskamp uit de openbaarheid weg hield. 

âme

Est-ce toi ô mon âme,
Que je vois sur la voie
Parée comme une femme
Qui marche et qui s’en va

Et sortie de moi- même,
Sous le soleil qui pâme
Pour la cueillir, suprême,
La paix que tu réclames ?

Pour trouver loin du songe
Les ciels vrais où c’est Dieu,
En lesquels on se plonge
Pour être enfin heureux ?

Est-ce toi ô mon âme
En ma chair incarnée,
Qui veux, comme une femme
Autre robe, et t’orner

D’ailes comme anges
Qu’on voit sur les peintures
Blanches comme des langes
Ou neiges sur des murs,

Et puis monter si haut
Qu’on ne sait où l’on est,
Comme font les oiseaux
Lorsque c’est Mai qui naît ;

Est-ce toi qui voudrais
Te perdre en l’infini,
N’être plus de concret
Mais d’abstrait qui délie,

Comme atome qui n’est
Que poussée de vie,
Sans raison, sans pensée
Sur la route suivie ;

Je te l’ai demandé,
Tu ne m’as répondu,
Mais lors tu es rentrée
Dans ma chair éperdue.


Ziel


Ben jij dat, o mijn ziel,
Die ik zie langs de weg
Gekleed als een vrouw
Die uitgaat en op stap is,

Om, weg uit mijzelf,
In de koestering van de zon
Haar te plukken, de ultieme,
De vrede waar jij naar smacht ?

Om te vinden, ver buiten de droom,
De echte hemelen waar het Goddelijke is,
En waarin men zich onderdompelt
Om eindelijk gelukkig te zijn?

Ben jij dat, o mijn ziel,
In mijn lichaam geïncarneerd,
Die wilt als een vrouw,
Een ander kleed, met vleugelen

Zoals de engelen
Die men ziet op de peinturen
Wit als linnen op bed
Of sneeuw op de muren,

Om dan op te stijgen
Zo hoog dat men niet meer bevat
Waar men is, zoals de vogels
In de prille mei?

Ben jij dat die zou willen
Zich verliezen in het oneindige,
Niet meer concreet zijn
Maar een abstract iets

Zoals een atoom dat niets is
Dan een stofje leven,
Zonder rede, zonder besef
Van de gevolgde weg?

Ik stelde je de vraag,
Jij gaf mij geen antwoord,
Maar dan ben je teruggegaan
In mijn lichaam dat was ontdaan.

Bron: « Œuvres Complètes » édition « Le Cri », 2000. pagina 290 , “Remembrances" (1924), en soi , V , âme.

Meer van Max Elskamp (1862-1931)

↑ Terug naar de berichten