Het Epicentrum van Elskamp: de Calvarieberg van de Sint-Pauluskerk


Als knaapje op de Calvarieberg
Het gedicht "Le Calvaire" raakt het meest verborgene van Max Elskamps prille kindertijd. In "Le Calvaire" (een onderdeel van "La Chanson de la Rue Saint-Paul") beschrijft de dichter de Calvarieberg van de Antwerpse Sint-Pauluskerk zoals hij die als kind van zijn vier tot zijn acht jaar beleefd heeft vanuit zijn achterkamer op de eerste verdieping van de Zwartzustersstraat nr 13. In deze woning bracht hij zijn kinderjaren door van 1865 tot 1870 samen met zijn zusje Marie "onder de hoede van trouwe meiden" (Volksgazet 5 mei 1962). Ondertussen resideerden zijn ouders, in latrelatie met hun kinderen, in de Sint-Paulusstraat nr 30.
Notitie gesschreven op 12/12/2013 : (Ik ben de eerste geweest die ( nu al weer een tiental jaren geleden) de bewering geuit heb dat Max samen met zijn zuster Marie enkele jaren in de Zwartzustersstraat geleefd heeft "onder de hoede van trouwe meiden" en met uitzicht op de Calvarieberg; in latrelatie met zijn ouders. In een ander deel van deze blog omkleed ik dit met argumenten, maar ik voegde eraan toe dat het formele administratieve bewijs voor deze bewering nog moet geleverd worden. Ik stel vast dat in de voorbije jaren de één dit van de andere heeft overgenomen en, zoals vaak het geval is, blijft er van de laatste versie alleen nog onzin over. Deze laatste versie ontdekte ik zojuist in De Gazet van Antwerpen van 25/10/2011 waarin een zekere Geraldine D. het volgende schrijft: "Aan deze plek ( bedoeld wordt de calvarieberg aan de Sint-Pauluskerk) hangen heel wat spookverhalen vast. Zo is er een verhaal van de bekende Frans-Belgische schrijver Max Elskamp, die hier woonde met uitzicht op de calvarieberg. Hij woonde samen met zijn zussen en broers en de meid in een huis, zijn ouders woonden een beetje verder. Nadat zijn oudere zus zelfmoord had gepleegd, zag hij haar geest meermaals verschijnen aan de calvarieberg." Einde citaat. De zuster van Max pleegde inderdaad zelfmoord, maar op de Belgielei 138. En Max Elskamp had vele slapeloze nachten. Hij sliep in de slaapkamer van zijn zus en in zijn nachtmerries had hij met haar inderdaad enkele "gesprekken", zoals hij beschrijft in enkele van zijn brieven.
In de Calvarietuin staan 63 beelden, maar van die beelden vermeldt Elskamp in "Le Calvaire" alleen die beelden die in zijn gezichtsveld vielen van zijn raam: ze staan in het gedicht opgesomd als op een foto die hij genomen heeft vanuit één gezichtspunt. Centraal op die foto is het beeld van de dode Jezus, liggend achter het ijzeren hekken in het graf van Jeruzalem. Het is dat beeld dat in "Le Calvaire" 21 keer aanroepen wordt met de woorden "mijn god".
Dat beeld is voor hem het beeld van alles wat hem in 1921 aan zijn kinderjaren herinnert en in hem aan het sterven is, "un peu autrement que les autres": die anderen zijn zijn vader, moeder en zuster die hij op de Belgielei reeds heeft zien sterven. Het gedicht "Le Calvaire" kent zijn hoogtepunt in de vreemde aanroeping "mijn god", komende uit de mond van een klein kind dat bij nacht niet kan slapen maar weet dat zijn moeder onbereikbaar is voor hem want ze ligt te slapen in de Sint-Paulusstraat nr 30.
Op het einde van de 19e eeuw was de Calvarieberg van de Sint-Pauluskerk een drukbezochte bidplaats, gelegen in een dichtbevolkte havenwijk; zeilschepen en stoomboten maneuvreerden in de Schelde vlakbij, voor de rechttrekking van de scheldekaaien (1883-1890). De jonge Elskamp zag er zeelieden uit alle hoeken van de wereld, hij zag de schippers, publieke vrouwen en buurtbewoners knielen op de arduinen banken die er in twee rijen in het middenpad stonden opgesteld en hij zag ze kaarsen branden op het hekken voor het heilig graf.
Als kind ging Max Elskamp niet naar school en hij speelde ook niet op straat. De Calvarieberg vormde, samen met de prentenboeken van zijn ouders, het voornaamste deel van zijn zichtbare wereld. Hij zag er de beelden en de bezoekers bij dag, en voelde er de stilte en de verlatenheid bij nacht. En hij hoorde het geprevel en het geweeklaag van de biddenden: litanieen en paternosters in het Latijn en het Vlaams, twee talen die het Franstalig opgevoede kind niet verstond. Maar het ritme en de klanken van deze teksten vinden wij vandaag in "Le Calvaire" terug.
Wanneer Elskamp in dit gedicht spreekt over "mijn straat... mijn stille straat.." bedoelt hij de Zwartzustersstraat waar op de hoek van de Veemarkt en de Doornikstraat een portaal toegang geeft tot de Calvarieberg. Jean de Bosschère schrijft over deze plek in zijn essay over Elskamp (1914, blz 15) : "Ici la solitude est plus accentuée...Souvent pendant de longues minutes, les rues sont désertes...Jusqu' à midi, un des lourds vantaux est ouvert. Une obscurité de crypte et une atmosphère glacée régnent au delà."
De Calvarieberg van de Sint-Pauluskerk is , volgens Patrick Zeyen, het epicentrum van de wereld van Max Elskamp. ("Acédie et Rédemption à Anvers", blz 140).
Denis Laoureux signaleert in het tijdschrift "Textyles 22" (blz.53) het bestaan van een essai van Elskamp met als titel : "Notes sur le Calvaire Saint-Paul". Het document bevindt zich in de Koninklijke Bibliotheek Albert I, "Archives et Musée de la littérature" onder het nummer FS XII 91/6.
La Chanson de la Rue Saint-Paul
LE CALVAIRE
1
Mon Dieu qui mourez à Saint-Paul,
Un peu autrement que les autres,
Dans ma rue froide comme un pôle
Entouré d'anges et d'apôtres;
Mon Dieu qui mourez à Saint-Paul,
Tout blanc des pieds, tout blanc des mains,
Pour ceux du quai, pour ceux du môle,
Sous des bougies dans un jardin,
Mon Dieu des pêcheurs, des marins,
Et mien jadis en mes croyances,
C'est vous là-bas dans les lointains
Des matins bleus de mon enfance
Mon Dieu qui les avez connus
Tous ceux d'ici qui ont passé
Dans ma rue et nus ou vêtus
Et puis plus loin s'en sont allés.
2
Mon Dieu ici dans les rochers
Qui savez le vent et la pluie,
De tous les cieux las de la vie
Comme ceux qui ont navigué;
Et qu'on vient voir, et que l'on prie
A deux genoux, le front baissé,
Mon Dieu doux à ceux des navires,
Qui ont subi, qui ont peiné,
Dans le bien, le mal ou le pire,
Depuis le jour où ils sont nés,
Mon Dieu qui savez les étoiles
Qui fixent à chacun son lot,
Mon Dieu qui savez où les voiles
Conduisent ceux qui vont sur l'eau,
Et qui leur avez pardonné
Les ports mauvais qu'ils ont touchés,
Mon Dieu, ici des matelots,
C'est eux qui vous ont aimé.
3
Mon Dieu des nuits et des matins,
Ici dans le temps comme il vient,
Et que l'on voit d'hiver, d'été,
Blanc et dans l'ombre en long couché,
Derrière une grille dressée,
Les yeux fermés, au flanc la plaie,
Avec des anges à vos pieds
Leurs ailes sur le dos croisées,
Et que les femmes des marins
Implorent pour ceux dont la vie
Est d'aller sur la mer au loin
Voiles tendues, aux pêcheries
Et dans la pluie et dans le vent,
Chercher le pain cher qu'on leur vend;
Puis Madeleines repenties
Et le jour du vendredi-saint
Qui viennent toucher de leur sein
La grille chargée de bougies,
Devant laquelle vous dormez
Saignant du front, des mains, des pieds,
Pour trouver pardon de leur vie,
Dans le remords qui les étreint;
Mon Dieu des soirs et des matins
Ici dans le temps comme il vient,
C'est femmes en peine et qui prient
Sombrées comme nefs corps et biens.
4
Mon Dieu au monde qui dit vie,
Port là-bas, et lors étrangers,
Anglais dans leur orgueil dressés
Américains de frais rasés,
Indous marchands de plumes teintes
Malais qui sourient les dents noires,
Chinois avec leur lèvres peintes
Et jaunes ainsi que l'ivoire,
C'est eux, alors qu'août dit l'été,
Et qui viennent vous visiter
Et pour s'attarder jusqu'au soir
Et les garder en leur mémoire,
Longin qu'on voit avec sa lance,
Dit en blanc en pierre sculptée,
Michel-Archange et qui s'élance
Sur le dragon aux mains l'épée,
Et toute larmes Madeleine
En cheveux longs qui dit sa peine,
Et sa sœur Marthe agenouillée,
Et Lazare leur frère aimé,
Tandis qu'en le souffre et les flammes,
Purgatoire où brûlent les âmes,
On les voit les yeux alanguis
De l'espoir doux du bien promis.
5
Mon Dieu aux jours de mon enfance
Où si près de vous j'ai dormi,
En ma maison, dans le silence
Où je vous évoquais la nuit,
Mon Dieu, là-bas, dans mon jardin,
Triste ainsi qu'ils sont dans les villes,
Et qu'au temps où vivaient les miens
Seul un mur et couvert de tuiles,
Me séparait, dit en ses pierres,
De votre présence réelle
Toute proche là au calvaire
Où vos anges croisaient leurs ailes;
Mon Dieu aux nuits d'hiver
Lorsque le vent du Nord montait,
Criant comme à la mort dans l'air,
Et que tous les carreaux tremblaient
Et qu'au fleuve à la marée pleine,
Pour au bord des quais trouver place,
Vrombissait la voix des sirènes
Des vapeurs qui cherchaient la passe,
Mon Dieu, mon cœur d'enfant inquiet,
Alors de vous savoir tout proche,
Couché en long là, dans les roches,
S'allait vers vous et trouvait paix.
6
Mon Dieu aujourd'hui loin de moi
Qui dormez encore à Saint-Paul,
En la rue douce où fut mon toit,
En ma rue blanche comme un pôle,
Mon Dieu qui les avez connus
Les primes matins de ma vie,
A son aube quand j'étais nu
De chair comme de cœur aussi,
Mon Dieu encore ici c'est moi
Mais las! Et de tout revenu,
Des jours en long que j'avais vécus
Plus en la peine qu'en la foi.
7
Mon Dieu j'avais trop espéré
Des matins qui m'avaient souri,
Et je me suis ainsi trompé
Sur la voie loin que j'avais suivie,
Et tout est mort ou s'en est allé
De ce que jadis j'ai aimé;
Et maintenant voici le soir
Et mon heure qui va sonner,
Et mon âme qui va entrer
Là-bas où la nuit se fait noire,
Mon Dieu mien, de la rue Saint-Paul,
Donnez-moi vous en long couché,
Là-bas au calvaire du môle
Comme aux marins que vous aimez,
Le sommeil doux qu'après la vie
J'ai de tous les temps espéré.
*
De Calvarie
1
Mijn God die bij Sint-Paulus te sterven ligt,
Een beetje anders dan de anderen (*1),
In mijn straat, zo koud is geen andere plek,
Met engelen en apostelen bijeen voor een hek;
Mijn God die bij Sint-Paulus te sterven ligt,
Sneeuwwitte voeten, sneeuwwitte handen,
Voor die van de kaaien en die van de Werf,
In een hof onder kaarsen die branden.
Mijn God van vissers en matrozen,
en van mij destijds in mijn gelovigheid,
Gij die in de blauwe verten zijt,
Ochtenden van de kindertijd.
Mijn God die ze hebt gekend,
Al die van hier, die in mijn straat ooit waren,
Berooid of welgevaren,
En die dan elders zijn gegaan.
(*1) Zijn moeder, zuster en vader stierven alledrie in de ouderlijke woning, Belgielei 138; en steeds in de maand april (1883,1903,1911).
2
Mijn God hier tussen de gesteenten,
Die weet hoe wind en regen
Uit alle sterrenluchten strandt,
Zoals de zeelui door het leven overmand;
En die men komt bezien en tot wie men bidt,
Op twee knieën met gebogen hoofd,
Mijn God, mild voor de zeeman die in U gelooft.
Hij heeft afgezien en ondergaan,
Wel en wee, en alle nood
Sinds het begin van zijn bestaan.
Mijn God die weet dat in de sterren staat
Hoe iedereen door het leven gaat,
Mijn God die weet waarheen de zeilen
Diegenen drijven die op het water gaan,
En die hen hebt vergeven
De kwade havens die ze hebben aangedaan;
Mijn God hier van de matrozen,
Uw minnaars zijn het, altijd geweest.
3
Mijn God, van in de nacht tot in het ochtendgloren,
Hier in de tijd zoals hij wordt geboren,
En die men ziet, in de winter als een witte vlek,
En in de zomer in de schaduw uitgestrekt,
Achter een hoog traliehek,
De ogen dicht, in de flank een wonde,
Met engelen die waken aan Uw sponde,
Hun vleugels op de rug gevouwen.
En bij wie de zeemansvrouwen
Om genade smeken voor hen
Wiens lot het is ver op zee te varen,
Met volle zeilen, om rog en bot,
In weer en in wind,
Omwille van de bete broods die men daar vindt.
Dan Magdalena’s dol van spijt
En als het Goede Vrijdag is,
Staan zij te drummen in de nis,
Bij de kaarsen die branden
En waarachter Gij nederligt,
Bloedend aan voeten, handen en aangezicht,
Opdat hen worde vergeven
Het leven vol wroeging dat hen beklemt.
Mijn God in de avond en in het ochtendgloren,
Hier in de tijd zoals hij wordt geboren,
Het zijn vrouwen vol smart, verzinkend in gebed,
Belast en beladen, als schepen die vergaan.
4
Mijn God, wereldberoemde levensbaken,
De haven is dáár en van daar de vreemden.
Engelsen, blaaskaken in een frak van laken,
Amerikanen, fris geschoren,
Indiërs, met geverfde pluimen in de handen,
Maleiërs, lachend met zwarte tanden,
Chinezen, de lippen geverfd,
En geel als ivoor.
Zij zijn er, als àlles in augustus zegt dat het zomer is,
En zij houden bij U een begankenis
En treuzelen tot in de avondzon
En prenten hier in hun memorie :
Longinus, die men ziet met zijn lans,
Wit, zo gezegd, uit steen gekapt,
Michaël, de aartsengel die vliegt op de draak
Met het zwaard in de hand,
En Magdalena met haar lange haren,
Zij zegt haar spijt met haar gebaren,
En haar zuster Martha neergeknield,
En Lazarus, hun broer die van hen hield,
Terwijl in zwaveldamp en vlammen
In het vagevuur de zielen branden.
Men ziet in hun ogen gloeien,
Het lichtje hoop in het beloofde uur.
5
Mijn God in mijn kinderjaren,
Toen ik zo dicht bij U sliep
Op mijn kamer in de stilte
Waar ik bij nacht Uw beeld opriep,
Mijn God, beneden in mijn hof,
Zoals elke stadstuin veel te grof ;
En toen, mijn beminden waren nog in leven,
En alleen een muur, met schalies bedekt,
Scheidde mij, in steen zoals gezegd,
Van Uw aanwezigheid, zo echt
En voelbaar, bij de calvarie
Waar Uw engelen hun vleugels spreidden;
Mijn God, in de winternachten(*2) dan
Wanneer de noordenwind opstak
Huilend als vermoord tegen het dak
En aan de vensters die trilden
En op de stroom, in hoog getij,
Om langs de rede plaats te vinden,
De stoomfluiten gilden
Dat de boten in de vaargeul wilden,
Mijn God, mijn angstig kinderhart
U dan wetend zo dichtbij
Languit liggend daar beneden
Ging bonzend uit naar U, en vond de vrede.
(*2) "Je me souviens...du vent qui faisait en hiver s'ouvrir toutes seules les fenetres, des cloches tout contre chez nous qui bourdonnaient alors sans sonner..." brief geciteerd door Robert Guiette "Max Elskamp", 1955, blz 25
6
Mijn God, vandaag ver van mij
En die nog slaapt bij de Sint-Pauluskerk,
In de stille straat waar mijn bed stond,
In mijn witte straat, als op de pool.
Mijn God die hebt geweten
Hoe in de vroege morgens van mijn leven,
Bij het dagen ervan, ik
Geen kleed droeg om mijn lijf of leden.
Mijn God hier nog ben ik
Maar moe en zonder zin iets te herbeginnen
Uit de dagen die ik heb uitgeleefd,
Meer in zorgen dan geborgen.
7
Mijn God teveel hoop had ik gesteld
In de ochtenden, lieflijk aangemeld,
En zo heb ik mij vergist
Op de lange weg die het leven is.
En alles is dood of is heengegaan
Waardoor ik toen was aangedaan.
En nu de avond die voor mij staat
En de klok die luiden gaat
En mijn ziel die binnentreedt
Ginds waar de zwarte nacht zich kleedt.
Mijn God van mij uit de Sint-Paulusstraat
Gij die languit liggend mij voor ogen staat
Ginds bij de calvarie in de havenwijk,
Geef mij zoals aan de zeelieden als liefdesblijk
Voor na dit leven de slaap zo zacht
Waarop ik als kind steeds heb gewacht.
***
In bijlage een foto uit 1993 genomen door Dhr. Leo van Lieshout (1929-2001). U ziet de vertaler Gilbert Vanhove bij het voorlezen van een van de eerste versies van deze vertaling. De voorlezing vond een tiental keren plaats en werd daarna hernomen in 2003, ter gelegenheid van het 200-jarig bestaan van de Sint-Paulusparochie.





