Naar de inhoud

'een heel jaar maart?'

schrijfvloer 02 ~ afgerond, klaar
akke.beakke.be

Archief

153. in de wachtzaal

co-grootmoederschap

Een tijd geleden zat ik in de wachtzaal bij de huisarts en daar waren ook een peuter met zijn oma.
De peuter had het moeilijk met iets en was lastig. De oma leek me moe en ontredderd.

Er is een leeftijd voor alles. Zieke peuters zijn voor de mama's.
De (jonge) oma's houden zich met hún moeders bezig, met de bomma's.
Er is zo al werk genoeg in de wereld, met een zieke kleinzoon kan men niet gaan helpen bij de bomma
en dat moet óók gedaan worden, elke dag gaat oma naar de bomma.

Ze raakte in gesprek met iemand naast mij en ik liet mijn tijdschrift zakken.
Ze vertelde over het co-ouderschap en wat dat in de praktijk betekende.
Waar het op neerkwam : de peuter was vaker bij een van de oma's dan bij de papa of bij de mama.

- Co-ouderschap? Het is vooral co-grootmoederschap …
  Gelukkig komen zij en ik wél overeen, liet ze er stil op volgen. 

In één zucht worden in de wachtzaal van een huisarts soms heelder levens beschreven.

m - HiH-12/2015, bijgewerkt

Geschreven door maart om 00:00 Reageer op dit bericht

152. pap & poëzie

over liefde voor de poëzie en over een kabouter 
de kabouter, de student, de kruidenier

Er was eens een echte student, hij woonde op zolder en hij bezat niets.
Er was ook een echte kruidenier, hij woonde op de bel-etage en hij bezat het hele huis,
en bij hem woonde de kabouter, want hij kreeg op kerstavond altijd
een schaal pap met een hele klont boter erin!  
Dat kon de kruidenier best missen; en de kabouter bleef in de winkel en dat was heel leerzaam.

                                                             

 Op een avond kwam de student door de achterdeur binnen om kaarsen en kaas te kopen.
Hij had niemand om dat voor hem te doen en dus ging hij zelf.
Hij kreeg wat hij nodig had, hij betaalde ervoor en de kruidenier en zijn vrouw knikten hem toe: "Goedenavond."
En die vrouw kon meer dan knikken, die kon haar mondje roeren –
en de student knikte terug en bleef toen staan,
midden onder het lezen van het papier dat om de kaas zat.
Het was een bladzijde die uit een oud boek was gescheurd,
een boek dat niet verscheurd hoorde te worden, een boek met gedichten.
"Er liggen er nog meer!" zei de kruidenier.
"Ik heb er een oud vrouwtje wat koffiebonen voor gegeven. Voor acht stuivers krijgt u de rest."

"Graag," zei de student. "Ik neem het wel in plaats van de kaas, ik kan wel droog brood eten.
Het zou zonde zijn als dat boek helemaal in stukken werd gescheurd.
U bent een fantastische man, een praktische man, maar van poëzie hebt u evenveel verstand als die ton daar."
Dat was onaardig gezegd, vooral tegenover de ton, maar de kruidenier lachte en de student lachte.
Het was ook meer als grapje bedoeld.

Maar de kabouter irriteerde het dat je zoiets kon zeggen tegen
een kruidenier die huiseigenaar was en de beste boter verkocht.

Toen het nacht was, de winkel was gesloten en iedereen in bed lag, op de student na,
ging de kabouter de tong van de vrouw halen. Die had ze niet nodig als ze sliep.
En ieder ding in de kamer waar hij hem op zette,
kon zijn mondje roeren en kon zijn gedachten en gevoelens net zo goed uitdrukken als mevrouw.
Maar dat ging maar met eentje tegelijk en dat was een geluk,
want anders hadden ze allemaal door elkaar gepraat.

De kabouter zette de tong op de ton waar de oude kranten in lagen:
"Is het echt waar," vroeg hij, "dat u niet weet wat poëzie is?" 
"Dat weet ik best," zei de ton.
"Dat is wat onderaan in de krant staat en wat je uit kunt knippen.
Ik dacht eigenlijk dat ik daar meer van in me heb dan de student
en ik ben maar een eenvoudige ton, bij de kruidenier vergeleken."
De kabouter zette de tong op de koffiemolen, en die ging toch tekeer!
En hij zette hem op de boterton en op de geldla.
Allemaal waren ze het met de ton eens en de algemene opinie moet je respecteren.
"Nou zal ik die student toch eens!" 

De kabouter sloop stilletjes de keukentrap op, naar de zolder, waar de student woonde.
Er brandde licht en de kabouter keek door het sleutelgat
en zag dat de student in het voddige boek uit de winkel zat te lezen.

                                            

Maar het was zo licht op zolder. Er scheen een heldere straal uit dat boek
en die veranderde in een stam, in een reusachtige boom,
die heel hoog oprees en zijn takken boven de student uitspreidde.
Ieder blaadje was mooi groen en iedere bloem werd een lief meisjesgezicht,
sommige met donkere, stralende ogen, andere met fantastisch felblauwe.
Iedere vrucht aan de boom was een schitterende ster en alles zong en klonk wonderbaarlijk mooi.

Zo'n heerlijkheid had de kabouter zich nooit kunnen indenken,
laat staan dat hij ooit zoiets had gezien of had kunnen vermoeden dat het bestond.
Hij bleef op zijn tenen staan kijken en kijken totdat het licht uitging.
De student blies zeker zijn lamp uit omdat hij naar bed ging.
Maar het kaboutertje bleef staan, want er klonk nog steeds heel zacht, prachtig gezang,
een lieflijk wiegelied voor de student die zich ter ruste begaf.

"Wat ongelooflijk!" zei de kabouter. "Dat had ik niet verwacht. Ik geloof dat ik maar bij de student blijf wonen."
En hij dacht en hij dacht nog eens na, en toen zuchtte hij: "De student heeft geen pap!"
En toen ging hij weg - tja, toen ging hij weer naar de kruidenier –
en het was maar goed ook dat hij kwam,
want de ton had de tong van mevrouw bijna versleten door alles wat hij in zich had
van één kant te vertellen en nu stond hij juist op het punt om zich om te draaien
om hetzelfde weer van een andere kant te zeggen,
toen de kabouter kwam en de tong naar mevrouw terugbracht.
Maar de hele winkel, van de geldla tot de aanmaakhoutjes, deelde van die dag af de mening van de ton
en ze hadden zo'n respect voor hem dat ze voortaan,
als de kruidenier de "kunst- en toneelrecensies" uit het Dagblad voorlas, dachten dat het van de ton kwam.

Maar het kaboutertje kon niet meer zo rustig naar al die wijsheid en al die verstandige praat in de winkel zitten luisteren,
want zodra er licht van zolder kwam, leek het wel of de stralen sterke ankerkettingen waren die hem omhoogtrokken.
En dan moest hij erheen om door het sleutelgat te gaan kijken en daar werd hij overspoeld door een groots gevoel,
zoals wij dat hebben bij de aanrollende golven, als God een storm over de zee laat gaan.
En hij barstte in tranen uit, hij wist zelf niet waarom hij huilde, maar het was eigenlijk heel prettig om zo te huilen.
Wat moest het toch ongelooflijk heerlijk zijn om met de student onder die boom te zitten
- maar dat ging niet, hij was al blij met het sleutelgat. 

Hij stond nog op die koude gang toen de najaarswind door het luik blies en het heel koud werd, echt koud.
Maar dat voelde de kleine kabouter pas als het licht op de zolderkamer uitging en de klanken wegstierven in de wind.
Brrr, dan had hij het koud en dan kroop hij weer in zijn warme hoekje.
Daar was het lekker warm!
En toen de kerstpap kwam met een grote klont boter - toen was de kruidenier weer de baas.

Maar midden in de nacht werd de kabouter wakker door een vreselijk gebeuk op de luiken.
De mensen bonkten er buiten op. De nachtwaker blies op zijn fluit.
Er was een grote brand uitgebroken. De hele straat stond in lichterlaaie.
Was het bij hen of bij de buren? Waar? Wat een schrik!
De vrouw van de kruidenier was zó van haar stuk dat ze haar gouden oorbellen uit haar oren haalde
en ze in haar zak stak, want dan had ze tenminste iets gered.
De kruidenier rende weg om zijn effecten te halen
en het dienstmeisje om haar zijden kapmanteltje te halen, want zoiets duurs had ze.
Iedereen wilde het beste redden wat hij bezat en dat wilde het kaboutertje ook. 

In een paar sprongen was hij de trap op en stond hij in de kamer van de student,
die heel rustig aan zijn open raam naar het vuur in het huis van de buren stond te kijken.
Het kaboutertje greep het schitterende boek van de tafel,
stopte het in zijn rode muts en hield het met beide handen vast.
De grootste schat van het huis was gered en hij vloog weg, het dak op, de schoorsteen op,
en daar zat hij in het schijnsel van het brandende huis aan de overkant
en hij hield met beide handen zijn rode muts vast waar de schat in zat.
Nu wist hij waar zijn hart lag, bij wie hij eigenlijk hoorde.
Maar toen de brand weer geblust was en hij weer tot rust was gekomen
- tja, toen zei hij: "Ik zal me tussen die twee verdelen!
Ik kan de kruidenier niet helemaal laten vallen, vanwege de pap!"

En dat is heel menselijk! Wij gaan toch ook naar de kruidenier - voor de pap.

Bron: "Hans Christian Andersen - Sprookjes en verhalen" opnieuw uit het Deens vertaald door Dr. Annelies van Hees.
Uitgeverij Lemniscaat, Rotterdam, 1992. ISBN: 90-6069-840-1, http://www.beleven.org/verhaal/de_kabouter_bij_de_kruidenier  
m - HiH-12/2015

Geschreven door maart om 04:45 Reageer op dit bericht

151. over vergiffenis

We willen onszelf en anderen wel vergeven maar laten er soms teveel tijd over gaan
en plots … is er geen Tijd meer. van P²

Vergevingsgezind ben ik niet. Ik voel me ook niet meer geroepen om dat te kunnen. 
Vergeven is een voorrecht van opperwezens.
Eén almachtige heeft daar zelfs een trits grondpersoneel voor nodig.

Vergeten

Vergeten probeer ik wel, maar daar werkt mijn memorie dan tegen:
soms springt er een schuifke open en dan denk ik
'verdorie, dat is hier het zelfde spelleke als zes jaar geleden'
Of zestien jaar geleden, of zesentwintig.
En dat duurt maar een fractie van een seconde hé, dat gebeurt in een flits.
Ineens zie ik analogieën en verbanden. Ineens ben ik bij de pinken.
 

Memorie is een rare beest.
Memorie heeft me al behoedt om me geen derde keer aan dezelfde steen te stoten.

Volgens mij is het onthouden van kwaadwilligheden een vorm van zelfbehoud.
Een oeroude vorm. Vijandigheden betekenen gevaar en die onthoudt men maar best.
'k Klasseer wel rap iets als een abuus of als een misverstand, wanneer ik weet of vermoed
dat er geen opzet of geen kortzichtigheid mee gemoeid is.

Vergeven


Over sommige situaties zwijgen kan ik wel, tot zover dat ik me zelfs van de domme houd
over sommige konkelfoezerijen en gesjoemel uit het verleden. 
Zo dacht eens iemand dat 'het' toch al lang vergeven was omdat ik er niet meer over sprak.
Mis dus. Indien de situatie er naar is, doe ik ineens mijn mond open.
En dan weet ik me zeer plots vervelende dingen te herinneren, soms ergerlijk gedetailleerd.
Dan is het betreffend schuifke ineens open geflitst.

Vergeten, vergeven, ...
Ik zal over iets zwijgen, dat wel, en lang ook, misschien wel tot het einde van haar, zijn of mijn dagen,
maar meer ligt niet in mijn vermogen.

m - EZW-07/2014, HiH-12/2015 - herwerkt

Geschreven door maart om 04:44 Reageer op dit bericht

150. parkeerperikelen

"Die parkeerplaatsen voor gehandicapten vind ik niet eerlijk.
Als je een parkeerkaart voor mindervaliden hebt en alle parkeerplaatsenzijn bezet,
wel dan mag je als gehandicapte parkeren op de niet gebruikte plaatsen voor valide personen.
Maar het is evenwel niet zo dat wanneer je als valide persoon geen parkeerplaats vindt,
je alsnog mag parkeren op onbezette plaatsen voor gehandicapten.
Dit geachte lezer vind ik niet eerlijk. Oneerlijk, zeg ik.

Ik pleit dus voor een tweede kaart voor de mindervaliden waarop staat:
Ik ben een mindervalide persoon en dankzij deze kaart heb ik het recht te parkeren op een plaats voor validen
omdat alle parkeerplaatsen voor mindervaliden personen volzet waren (+handtekening).

Evenzo vind ik dus, dat als alle parkeerplaatsen voor validen bezet zijn,
dan mag een valide persoon ook parkeren op een niet bezette plaats voor gehandicapten.
Ik pleit dus eveneens voor een parkeerkaart voor de valide personen!
Op deze kaart staat dan :
Ik ben een valide persoon en dankzij deze kaart heb ik het recht te parkeren op een vrije plaats voor mindervaliden
omdat alle plaatsen voor valide personen volzet waren (+handtekening).

Mocht deze nieuwe regel uitgevoerd worden dan bevinden wij ons
als valide persoon of als mindervalide evenwel alsnog in een ongemakkelijke positie.
Van zodra een plaats voor valide personen vrijkomt, dien ik onmiddellijk mijn auto alsnog te verplaatsen
wanneer ik mijn auto geparkeerd heb op een plaats voor mindervaliden omdat de parkeerplaatsen voor validen volzet waren.
Ik raad je dus om je als valide persoon te laten vergezellen door een tweede persoon die tijdens jouw afwezigheid
jouw auto kan verplaatsen indien een plaats voor validen vrijkomt.
Deze persoon kan vervolgens voor het resterende gedeelte van de dag vrijaf nemen of
het boodschappenkarretje voor je uit duwen indien je je in een supermarktachtige ruimte bevindt.
Hij kan zich evenwel uit pure verveling ook bezatten tot je terugkomt.

Aangezien er op dat ogenblik een plaats voor mindervaliden vrijkomt(zie een van bovenstaande zinnen)
dient een gehandicapte eveneens vergezeld te zijn van een tweede persoon,
die zijn auto die geparkeerd staat op een plaats voor valide personen,
te verplaatsen naar de vrijgekomen plaats voor mindervaliden.
Ook deze persoon kan nu hetzelfde doen als bovenstaande persoon.
U denkt toch niet dat ik bovenstaande zin aangaande de bezigheden van de tweede persoon
hier alsnog eens uitvoerig ga beschrijven.

Mocht zich tijdens deze tijdrovende bezigheid ondertussen al een pas aangekomen persoon
zijn auto geparkeerd hebben of zijnde bezig te parkeren zowel op een plaats voor validen of mindervaliden,
zou ik je aanraden om naar huis te rijden. Geef het op. Parkeer 's nachts! 
Ik heb gezegd. MAJUMAU

P.S. Ik voel mij niet verantwoordelijk voor eventueel gemaakte fouten in deze redenering. Althans nu niet."

Dit soort volgehouden onzin vind ik gran-di-oos. Zoudt gij niet eens gaan solliciteren als adviseur bij DIW ?
En ik zie geen fouten in de redenering. Althans vandaag niet.

m - EZW-12/2013, bijgewerkt - bovenstaande tekst werd geplaatst met de toestemming van MajuMau

 

Geschreven door maart om 00:00 Reageer op dit bericht

149. sféér !

gezelligheid volgens de Boekskes ~ in naam van de sfeer maar weer

Alles was georganiseerd en geregeld, de mama en de oma waren
fier en opgetogen over wat het zou worden en
zij waren alvast zeer ingenomen met zichzelf.
De fototoestellen lagen klaar voor Lachende Gezichtjes en Twinkelende Lichtjes. 

Met één ding hadden ze geen rekening gehouden, de kinderen waren er nog te jong voor.
Wat de dames voor de lens kregen was Onbehagen en Angst.

                   pictrues+with+santa6.jpg

Op dat moment kon Opa zijn hartebloedjes niet troosten,
hij zat gevangen in het kostuum, in dat personage waarvoor ze juist zo bang waren.
Dat hij zijn baard afnam maakte de zaak nog erger.
Geschrokken namen de vrouwen de kinderen over.

Hij ging de kamer uit en trok de vodden van zijn lijf.
Zijn schoonzoon schonk hem een borrel.
Het angstgeschrei ging over in snikken en ook dat geluid nam af.
Opa gooide het kerstkostuum in een hoek en goot zijn borrel binnen.

"Ik heb het hen nog gezegd, de kinderen zijn te jong. Ze zijn nog te jong!
Maar nee! Van dat stom vrouwmens moest het volgens de boekskes.
'Ze zijn toch zo rap groot' deed hij zijn vrouw na. Geleuter! Geleuter van een sentimenteel onnozel mens.
En zij is al niet veel beter, zuchtte hij, doelend op zijn dochter. Ook zo'n boekskes-trien.
Dat ze eens zelf leren nadenken : de kinderen zijn nog te jong, zeg ik hen.
Hebt ge ze horen krijsen? Hebt ge dat geschreeuw gehoord?
Van de schrik. Pure schrik was dat. Ik. Ik heb mijn kleinkinderen schrik aangejaagd.
Door die vrouwen met hun stomme boekskes."

En hij nam nog een borrel. De schoonzoon knikte en zweeg.
Hij had ook bedenkingen gehad en hij had zijn bedenkingen wel geopperd,
slechts halfluid, omwille van de lieve vrede.

In de woonkamer was nu alles stil. De vrouwen hadden de kinderen naar bed gebracht.
De kinderen waren rustig nu. En moe. Na zo’n uitbarsting van emoties. Pompaf. Ze sliepen.
Ik ga naar huis, zei de opa, en hij haalde zijn jas.
De Oma trok grote ogen, haar jas had hij niet meegebracht ?
Ik ben er mee weg, zei de opa. En hij stapte de deur uit. Zonder haar.
Zonder die met haar stomme boekskes. 

m– blog-12/2018 -

Geschreven door maart om 00:00 Reageer op dit bericht

148. maandenlang

'k Weet niet wat ik het ergste zou vinden,
maandenlang donkerte of maandenlang daglicht.

In 1986, in de pre-LM periode was ik gemonsterd op een schip dat ijzererts ging laden in Narvik, Noorwegen.
De exacte datum kan ik niet achterhalen, maar het was er koud. En donker.
Na ongeveer drie dagen was het schip geladen en konden we daar weg.
Dat was hoog tijd, want ik werd ongeveer kierewiet van die somberte.
Rond 10h kwam er wat schemerlicht aan de horizon en om 15h was het al weer donker.
Hoe de Noren dat uithielden/uithouden weet ik niet. Met sloten drank, heb ik me laten vertellen.

In 2003, waren LM en ik gemonsterd op een schip dat ammonia ging lossen in havens van de Baltische Zee.
En ook een keer in de Botnische Golf, tussen Zweden en Finland.
Wij gingen lossen aan Finse zijde. Kokkola, heet de haven.
Heet de terminal, want het leek een terminal met een woonwijk er aan vast. 
Verder het land in lag het stadje. 

Het moet late lente of vroege zomer geweest zijn, want het was er ijsvrij. En het was er licht. 

Een lege lucht vol licht. Geen wolk te zien in de rondte.
Geen vogel te zien. Nog te vroeg op het jaar waarschijnlijk.
Heel sterk daglicht zonder rechtstreeks zonlicht.
Een zeer vreemde gewaarwording. Een lege lucht, zo helder blauw dat het pijn aan de ogen deed. 

Gelukkig was de cabine er op voorzien om te verduisteren zodat we konden slapen. 
's Nachts rond 03h werd ik wakker en ik was zo dom om efkes mijn hoofd onder het gordijntje te steken
en naar buiten te kijken.
Wat een licht! Mooi! Feeëriek! En domweg bleef ik maar kijken.  

Toen ik weer ging liggen had ik een shot van dat speciaal licht gehad dat ik niet meer kon slapen.
Compleet van slag. Zelfs met mijn ogen toe in een totaal verduisterde cabine
scheen het daglicht nog tot achter tegen mijn schedelpan. 

Enkele jaren later zag ik een fragment uit de film Insomnia.
Die film speelt wel in Alaska, maar de situatie met het daglicht herkende ik. 

'k Weet écht niet wat ik het moeilijkste zou vinden, maandenlang licht of maanden lang donker. 

m – HiH-02/2016, herwerkt – film https://nl.wikipedia.org/wiki/Insomnia_(2002) 

Geschreven door maart om 01:15 Reageer op dit bericht

147. Midas Dekkers

te gast bij Wim Helsen, Midas Dekkers
met een tekst uit het Bijbelse boek Prediker

2  IJdelheid der ijdelheden, zegt de prediker; ijdelheid der ijdelheden, het is al ijdelheid.
3  Wat voordeel heeft de mens van al zijn arbeid, dien hij arbeidt onder de zon? 

5  Ook rijst de zon op, en de zon gaat onder, en zij hijgt naar haar plaats, waar zij oprees. 

7  Al de beken gaan in de zee, nochtans wordt de zee niet vol; naar de
    plaats, waar de beken heengaan, derwaarts gaande keren zij weder.

9  Hetgeen er geweest is, hetzelve zal er zijn, en hetgeen er gedaan is,
    hetzelve zal er gedaan worden; zodat er niets nieuws is onder de zon.

                  
   763?appId=93a17a8fd81db0de025c8abd1cca1279&quality=0.8  

De knop voor de ondertiteling staat rechts onderaan, de =-knop.
Dekkers in gesprek met Helsen,
https://www.vrt.be/vrtnu/a-z/winteruur/4/winteruur-s4a25/ 
12min43

Over Midas Dekkers : https://nl.wikipedia.org/wiki/Midas_Dekkers 
Over Het Boek Prediker : https://nl.wikipedia.org/wiki/Prediker_(boek) 

Geschreven door maart om 01:14 1 reactie Reageer op dit bericht

146. Java & Brasil

1940  ~ hoe komt dat vlees op ons bordje?

“Het moet in die paar weken geweest zijn dat we al wel verhuisd waren naar ons derde huis,
maar dat ik nog niet ziek was geweest, want daarna mocht ik niemand meerzien...

Omdat ze de dochter was van nieuwe buren moest ik kennismaken met een jongedochter van mijn prille leeftijd.
Ik vond er niet zo veel aan, maar ze had wel een in mijn ogen beeldschone zuster.
Ongetwijfeld vond die zuster mij minder interessant, maar dat had ik als vijfjarige niet zo in de smiezen. 
Op zekere namiddag was er een reden die me ontschoten is, waarom de twee jongedames met mijn moeder en mijzelf
in zo'n dokar kwamen te zitten. Mijn aanbedene hield daar een fervent betoog tegen het eten van vlees,
waarvoor immers dieren geslacht werden.
Moederlief betoogde dat de beesten daar niets van voelden... een klein sneetje in de hals immers,
en ze vielen zonder iets te merken binnen een minuutje bewusteloos om.
De zomerblonde fee protesteerde dat die arme beesten toch vreselijk moesten lijden als ze ter dood werden gebracht.

De met de nare rode vloeistof geheel vertrouwde verpleegster antwoordde dat ze er niks van zou voelen en
dat ze mijn bewonderde dat best even wilde laten proberen. Ze stond zo klaar om even dat sneetje aan te brengen!
Ik zat geheel ontsteld te zwijgen... ik had mijn moeder nooit verdacht van moordlustige neigingen,
en dat ze daarmee nou net mijn toekomstperspectieven moest ruïneren...
Natuurlijk is het er nooit van gekomen, mijn moeder was wel wijzer, maar ik niet...

Ik herinner er even aan dat het rituele slachten voor het offerfeest op de zojuist beschreven manier plaats heeft,
mogelijk zelfs waren we op weg naar een daarmee verband houdend ritueel?
We zouden wel eens naar zo'n enorme pasar onderweg kunnen zijn geweest, waar in de daarvoor gereserveerde gang

vele zeer bloederige stukken van klein en groter vee open en bloot te koop hangen.

- HiH - 12/2015, tekst geplaatst met toestemming van de auteur - dokar = open paardenrijtuigje // pasar = (overdekte) markt

In 2013, decennia later en aan de andere kant van de wereld,
in een land waar Portugees gesproken wordt, komt een jongetje van drie tot de conclusie
dat de vis en het vlees op ons bord, afkomstig is van dieren.

Het begint met een octopus. De poten van een octopus eten. Is het hoofd dan nog in de zee? Nee? Waarom dan niet? 
Van daar zien we een redenering groeien en we zien zachtjes een conclusie geboren worden.
Er was heel veel activiteit in dat hoofdje, geen agitatie, maar wel heldere redenatie. (let op de opsomming)
Boeiend, zoiets te mogen meemaken, een kind zien denken. 
Met een bedachtzame kinderstem en natuurlijk met de woorden van een kind, de geboorte van een besef.

klank aanzetten ~ Engelse ondertitels,
https://www.youtube.com/watch?v=SrU03da2arE 
02min30 

Het filmpje werd natuurlijk geclaimd door activisten allerlei, voor doelen allerlei,
maar mij is het om de zelfstandige redenering in dat jong kinderhoofdje te doen. Magnifiek.

m – HiH-12/2015, herwerkt - https://javapost.nl/2011/04/28/de-kunst-van-het-becakrijden/ 

Geschreven door maart om 01:44 Reageer op dit bericht

145. Soe Nsuki

te gast bij Wim Helsen, Soe Nsuki met een fragment uit
'Captain Estar Goes to Heaven' van Winston Rowntree

          So I always used to wonder:
       if you can get used to anything then how can there be a hell?
       No matter how awful hell was, eventually you'd just get used to it
       and then you'd simply be going through the motions.
       It wouldn't be Eternal Torment or whatever, it would be just really boring.

       Ik vroeg me al dikwijls af:
       als men went aan alles, hoe kan er dan een hel zijn?
       Gelijk hoe afschuwelijk de hel zou zijn, uiteindelijk zou men er aan wennen
       en vanaf dan volgt men gewoon de loop van de gebeurtenissen.
       Het zou geen Eeuwigdurende Kwelling zijn of zo, het zou gewoon uitzichtloos vervelend/saai zijn.

  98164666a9300f76fef853640c0eeaa4-Soe_Nsuki_KBL8_klein.jpg

De knop voor de ondertiteling staat rechts onderaan, de =-knop.
Nsuki in gesprek met Helsen,
https://www.vrt.be/vrtnu/a-z/winteruur/4/winteruur-s4a24/ 
12min25 

Over Soe Nsuki : https://nl.wikipedia.org/wiki/Soe_Nsuki ,
Over Winston Rowntree : https://en.wikipedia.org/wiki/Subnormality , http://www.viruscomix.com/subnormality.html

Geschreven door maart om 00:00 Reageer op dit bericht

144. een winterscène

Het is een vreemde combinatie, maar niet onaangenaam:
staan rillen van de kou en tegelijk genieten van een sigaret.
Genieten van een sigaret omdat ik toen nog rookte en rillen van de kou omdat ik buiten stond.
Op verscheidene plaatsen werd al niet meer binnen gerookt.
De jas efkes over de schouders en dan de kou in, nicotine gaan staan slurpen.
Junkie-gedrag? Natuurlijk, maar 't is wel legaal.

Het was een ritueel.
Het geritsel van het zilverpapiertje, sigaret uit het pakje duwen, de klik van de aansteker,
de eerste teug, uitademen, het aroma van de blonde tabak.
Soms mis ik het wel eens. Vooral de geur van verse rook.

Soms leek het of een sigaret buiten lekkerder was dan binnen. Dat kan kloppen.
Er zijn wel meer dingen die buiten beter smaken dan binnen.

's Winters stonden DiDi en ik, de laatste twee rokers van het zaterdags gezelschap,
op het zij-terras van het tehuis waar hun Moeder ondergebracht was.
Op dat terras was het rustig, barmhartig rustig en stil.
Geen gekwek van verpleging & verzorging, geen gerammel met dienstkarren, geen harde TL-verlichting.

Bij de deur was de sneeuw weggesmolten maar op de rand van het terras bleef hij liggen.
In donzige diktes die geluiden dempen.
Op de reling lag ook een gulle bies sneeuw. Een versierinkje van de natuur op een mensenbouwsel.
Niet het mooiste mensenbouwsel. Het kon wat meer zorgzaamheid gebruiken. Vooral binnen dan.

We zagen de kerktoren met de hoge torenspits met daaronder de verlichte wijzerplaten,
rode spookogen onder een boze hoed.
Een wezen dat het dorp controleerde en overal binnen keek behalve in het tehuis,
want dat was van dezelfde club.

Dat stonden we te overschouwen en te overdenken terwijl we rookten.
Meestal stonden DiDi en ik daar te zwijgen.
Als ik er op terug kijk vraag ik me af of we daar enkel stonden om te roken.
Misschien stonden we daar ook voor de buitenlucht en de stilte, om efkes weg te zijn van daarbinnen.

"Hier hebben we nu al vijf winters gestaan" zei ze. Ik knikte.
Hun Moeder was voltijds bewoner geworden op 5 december 1998,
gelukkig voor haar kwam er geen zesde jaar.

m – HiH-12/2016 - peuk mee binnenbrengen natuurlijk, men laat geen rommel achter

Geschreven door maart om 03:57 Reageer op dit bericht

Meer van 'een heel jaar maart?'

↑ Terug naar de berichten