Over de kop

Het was enkele dagen na kerstmis dat de kapelaan bij zijn ouders op bezoek ging. Na een gezellige en ontspannen dag reed hij laat in de avond weer naar de pastorie. Op de weg aangekomen, het was een tweebaansweg, zag hij een "Lelijke Eend" voor hem rijden. In de auto zat een jong stelletje, dat geen haast had om thuis te komen. Buiten was het guur en koud maar het het was een heldere nacht met een mooie ronde maan.
De kapelaan reed achter het stelletje en niet veel harder dan 40 km per uur. Dus tijd om eens in te halen. Gas geven en er langs gaan, tegenliggers waren er niet want het was erg stil op de weg.
Hij was net de "Eend" gepasseerd, of het gebeurde. De auto raakte in een gemene slip, gleed langs twee grote bomen en kwam onderste- boven in een greppel tot stilstand. Omgekeerd lag de auto in een laag verharde sneeuw.
Tijd om na te denken tijdens de slip had de kapelaan niet, hij probeerde te remmen en het stuur onder controle te krijgen maar zonder succes. Tewijl de auto over de kop vloog, vloog de kapelaan uit zijn bestuurdersstoel en kwam op de achterbank terecht. Hij had al gauw in de gaten dat hij niets mankeerde en dus niet in de hemel was.
Zijn tijd was nog niet aangebroken.
Gelukkig ging het portier open en kroop hij naar buiten. De lichten van de auto brandde nog en ook de radio gaf geen krimp. Speelde luid en duidelijk een lied van de Beatels.
Inmiddels was de "Lelijke Eend" gestopt en stapte het stelletje uit.
"Alles goed?", vroeg het meisje. De jongen vertelde dat zij juist heel zacht reden vanwege de ijzel en maar niet begreep waarom de kapelaan er de spurt in wilde zetten.
Die zei, dat in de stad zelf daar niets van de merken was en hij derhalve geen kennis had van wat er op de weg gaande was .
Nu begreep hij de voorzichtigheid van de bestuurder.
Zij vroegen hem in te stappen, dan zouden ze hem wel naar de pastorie rijden want dat was niet al te ver van waar zij woonden.
De volgende morgen ging de kapelaan naar de garage en vroeg om hulp. Zijn auto moest tenslotte uit de greppel getrokken worden.
De hulp werd snel geboden.In een sleepauto met een soort hijskraantje ging de kapelaan samen met een monteur op weg naar zijn gestrande auto. Daar stond een politie-auto met twee agenten te wachten, die de schade al hadden genoteerd.
Ze vroegen of er geen personelijke ongelukken waren gebeurd.
De kapelaan zei dat hij zich prima voelde en niet in de gaten had gehad dat het glad op de weg was.
De auto werd uit de greppel gehesen en het bleek dat er uit het dak wel soep gegeten kon worden, zo ingedeukt was het.
De politie agenten hielden het verkeer even tegen en de auto werd op sleep genomen. De kapelaan bedankte de agenten, stapte in bij de monteur en ging weer op weg naar de garage. Daar kreeg hij een auto te leen, die hij enkele dagen later zou kopen als vervanging van de vernielde auto.
Toen hij een week later weer bij zijn ouders op bezoek ging, vroeg zijn moeder of hij een andere auto had. Zij had in de krant gelezen wat hem was overkomen maar ook begrepen dat hij niets mankeerde.
"Je bewaarengel heeft je beschermd", zei ze tegen hem.
Wat de kapelaan er wel aan over hield was dat hij gedurende de winter, de eerste weken na zijn ongeluk de weg regelmatig controleerde op gladheid. Je moest tenslotte je bewaarengel niet tarten...........



















