Naar de inhoud

ALZHEIMER: leven zonder dat je erbij bent

akke.beakke.be

Archief

Mama is geen diabeet!

Donderdagmorgen bel ik naar mama’s afdeling. Een verzorgende vertelt me dat ze gisteren meteen na het avondeten en deze morgen vóór het ontbijt mama hebben ‘geprikt’. Haar suikergehalte is helemaal normaal, dus er is niets aan de hand, verzekert ze mij. Dat stelt me enigszins gerust. De verzorgende legt uit dat ze op vaste tijden drank krijgen: ” ’s morgens koffie bij het ontbijt, s’ middags soep en drank bij het middageten, s’namiddags krijgen ze koffie of een frisdrank en ’s avonds koffie bij de boterhammen. Voor het slapen gaan nog een glas water voor het nemen van de pillen. Bij warm weer geven wij ze nog een extra drankje.”

Ik zeg haar dat dit voor mama misschien toch niet voldoende is en vraag of het mogelijk is om haar tussendoor nog wat te drinken te geven. Ik vind het zo erg dat ze voortdurend dorst heeft. Ik weet dat ze zelf niet meer in staat is om een drankje te vragen. Mama is volledig afhankelijk geworden van de goodwill van anderen om haar regelmatig te laten drinken. Wat erg toch!

Hoe vind je dit bericht?
Reageer op dit bericht

Is mama diabeet?

De laatste tijd valt het mij op dat mama voortdurend grote dorst heeft. Zo ook weer vandaag. Ze drinkt eerst het groot glas water dat ik haar geef meteen volledig uit, daarna in de cafetaria drinkt ze haar fruitsap in één teug leeg. Ik zit er een beetje raar naar te kijken.

’s Avonds aan tafel vertelt Karoline mij dat mama de vorige dag bijna geen tijd nam om haar boterhammen te eten, maar de ene kop koffie na de andere dronk. Dat is niet meer normaal en ik vraag mij af of mama ouderdomsdiabetes heeft. Ik weet dat mensen met suikerziekte vaak veel dorst hebben.

Ik begin mij zorgen te maken. Ik leg alles uit aan een verplegende en die verzekert mij dat ze mama zullen ‘prikken’ om haar suikergehalte te bepalen.

Hoe vind je dit bericht?
Reageer op dit bericht

Lachen is gezond!

Het gaat met mama weer iets beter vandaag. Ze herkent ons meteen en wat is ze weer blij dat Arsène er bij is. We halen mama uit ‘de stoel’. Ik merk op dat haar broek volledig gevlekt is. Mama heeft het weer voor elkaar gekregen om een stuk van de zondagse taart onder haar poep te deponeren. Zondagsdienst, dus geen mens die tijd heeft om dat te voorkomen. Ik krijg wel meteen hulp om mama een andere broek aan te doen. Mama is zo slecht te been, dat ik dat niet meer alleen aan kan. Ze moet vastgehouden worden of ze valt.

Als ze er weer netjes uitziet, gaan Arsène en ik met haar naar de cafetaria. Als we binnen komen en een tafel uitzoeken, kijkt de dame, die gisteren voor de bediening zorgde, mij bedenkelijk aan. Ze heeft de hele toestand, dat mama niet wou gaan zitten, meegemaakt. “Oei!”  zegt ze. Wijzend op Arsène, lach ik haar toe: “Geen probleem, ik heb vandaag versterking meegebracht!”  Het lukt vrij goed om mama te laten plaats nemen.

We bestellen voor mama een fruitsap, voor ons het biertje van de week, een ‘Tongerlo’. De ‘Tongerlo’ wordt geserveerd met wat kaas bij. “Goed voor ma, heeft ze iets om te knabbelen”  zegt Arsène. Wat wordt ze weer verwend! Mama vertelt van alles tegen hem, maar hij kijkt me een beetje hulpeloos aan. “Ze spreekt zo stilletjes. Ik begrijp er niets van!”  zegt hij. Ja, ik was er al bang voor. Het ziek zijn, heeft toch weer gevolgen. Ze staat niet alleen heel wankel op haar benen, maar ook de kracht in haar stem is ze (voorlopig?) kwijt. En van haar brabbeltaaltje is nu bijna niets meer te verstaan.

Karoline en Marcel komen er bijzitten. Marcel wordt verwend met een wafel met slagroom en een cola. Ondertussen heeft mama het glas bier van Arsène in de gaten gekregen. Het wordt een welles nietes spelletje tussen mij en haar. Telkens zij naar het glas grijpt, neem ik het haar weer af. En daar wordt ze niet blij van. Maar Arsène zou Arsène niet zijn als mama weer haar zin niet kreeg. “Laat haar dan toch eens proeven”  is zijn reactie. Mama neemt meteen een grote slok, schudt hevig met haar hoofd en zegt: “Bah, wat slecht!”  We kunnen niets anders doen dan allemaal eens hartelijk om haar lachen.

De buren van Karoline, ook trouwe bezoekers van Marcel, komen er ook nog bij. Ik merk dat mama bleekjes wordt. Ik verlaat de compagnie en ga met haar naar boven. Ik laat haar plaats nemen in ‘de stoel’ en stel voor dat ze nog wat rust vooraleer het avondeten wordt opgediend. Ze gaat, moe als ze is, direct akkoord.

Als ik een tijdje later op de lift wacht om terug naar beneden te gaan, stappen Arsène, Karoline, Marcel en buurvrouw Jo net uit. Arsène gaat wel heel erg debiel tegen de deurstijl van de lift hangen en vraagt heel onnozel weg: “Wanneer gaan we naar de inrichting?”  Waarop ik antwoord: “Je bent er al, je mag hier blijven!”  Spotten met onze eigen miserie, het moet kunnen. En Marcel begint meteen spontaan te lachen om het dwaze gedoe van Arsène. Ik kijk hem eerst verwonderd aan, want ik wist niet eens dat hij dat nog kon. Karoline is al even verbaasd. “Het is maanden geleden dat hij nog zo gelachen heeft!”  zegt ze verrast. Marcel weet van geen ophouden. Karoline wordt er ook helemaal vrolijk van en iedereen met haar. Binnen de kortste keer staan we met zijn allen uitbundig te lachen. Dat doet eens deugd!

Hoe vind je dit bericht?
2 reacties Reageer op dit bericht

'œIk ben niet meer zoals ik vroeger was!'

Vandaag is mama blij als ze mij ziet. Ze ziet er nog heel bleekjes uit, maar ze is toch al wat beter. Ik ga met haar naar haar kamer.

Vorige week heb ik een pak nieuwe handdoeken, een peignoir en wat slaapkleedjes voor mama afgegeven op de afdeling. Alles moet verplicht ‘gemerkt’ worden met mama’s naam. Het rusthuis zorgt daarvoor en wij betalen de rekening. Als ik de wekelijkse was wil opbergen in de kast, zie ik dat het ganse pakket, is toegekomen. Alles is netjes in mama’s kast opgeborgen. Maar ja, ik wil alles toch wat herschikken naar mijn zin. Ik doe mijn jas uit, leg die op bed en vertel aan mama wat ik ga doen. Helpen kan ze niet meer, dus ze loopt een beetje verloren rond. Ik ga op een stoel staan om op het hoogste legblad in de kast de nieuwe reserve handdoeken te leggen. Ik probeer ondertussen mama in de gaten te houden. Ze staat in de badkamer tegen haar spiegelbeeld te praten. Af en toe begrijp ik een enkel woord van wat ze zegt. Plots hoor ik mama mompelen: “Ik kan ook nog wel iets, hoor!”  Ik draai me meteen om en mama is bezig mijn winterjas in de wc te duwen. Ik spring meteen van mijn stoel en trek mijn jas uit mama’s handen. Ze blijft beteuterd staan, maar mijn jas is nog op het laatste nippertje gered!

Ze heeft dorst en ik geef haar een glas water. Maar drinken doet ze niet. Ze speelt met het glas en als ik het haar voorhoud, weigert ze nog steeds te drinken. Ze verstaat het niet. Misschien fleurt een bezoekje aan de cafetaria haar op, dacht ik bij mijzelf. Maar pantoffels uit en schoenen aan, het lukt aan geen kanten. Mama begrijpt geen enkele opdracht. Dan maar op pantoffels naar beneden! “Ik sterf van de dorst,”  zegt ze. “We gaan iets drinken in de cafetaria,” troost ik haar, “is dat geen goed idee?”  Ze knikt tevreden. Maar eens in de cafetaria kan ik er niet voor zorgen dat ze gaat zitten. Hoe ik ook mijn best doe, mama begrijpt alweer de opdracht: ‘zitten op de stoel’ niet! Een dame aan een tafel wat verderop, kijkt mij meelevend aan. Uiteindelijk zit er niets anders op dan weer weg te gaan. Ik krijg maagpijn. Zou het van al dat gedoe komen? Maar ik geef het niet op. Wij maken een korte wandeling door de gang en keren meteen terug. We kiezen ons een tafeltje uit en mama gaat meteen zitten. De dame heeft alles in de gaten gehouden en steekt meteen haar duim naar me op: “Goed gedaan!”  Ik kijk haar lachend aan en zeg: “De aanhouder wint!” 

Mama drinkt haar fruitsap in twee keer leeg, dus dorst had ze wel. Maar ze zegt weinig. Ze speelt voortdurend met mijn hand, net alsof het een voorwerp is. Ze neemt mijn hand vast, bekijkt het langs alle kanten en legt het een eindje verder op tafel weer neer. Het is alsof voor haar mijn hand niet bij mij hoort. Mijn maag wordt er niet beter van.

Als we terug naar de afdeling gaan, zegt ze eindelijk mijn naam en kunnen we weer samen lachen. Maar mama is moe. Ik laat haar in ‘de stoel’ gaan zitten. Ik neem haar eens goed vast, geef haar een dikke zoen en zeg: “Tot morgen, mama!”  Ze kijkt me aan en antwoordt: “Alleszins, want ik ben niet meer zoals ik vroeger was!”  Helemaal onderste boven van deze woorden ga ik naar huis. Ik doe het hele verhaal aan Arsène. Nu ik alles verteld heb, en weer een stuk rustiger ben, is mijn maagpijn over. Maar mama’s laatste woorden blijven ook bij Arsène hangen. “Morgen ga ik mee naar ons ma!”  zegt hij beslist.

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
1 reactie Reageer op dit bericht

Een grijze triestige week.

Woensdagnamiddag ligt mama in bed. Dat is schrikken. Mama is in een diepe slaap. Ik ga meteen vragen wat er scheelt. Een bejaardenhelpster vertelt me dat mama de vorige dag moest overgeven en diarree had. Omdat ze bovendien koorts kreeg, hadden ze de huisdokter laten komen. De diagnose: “niets ergs, het is een ‘plaagske’”.  Daarom hadden ze mij niet gewaarschuwd dat mama ziek was. Ik laat mama rustig verder slapen en ga naar huis.

Ik ben toch bezorgd om haar. Ik weet dat ziek zijn betekent dat ze in alle opzichten weer een stap achteruit gaat. Donderdagmorgen bel ik om 9 u naar de afdeling , om te vragen hoe het met haar is. Mama is al een stuk beter en ze zit op. ’s Namiddags vooraleer ik naar school vertrek, telefoneer ik nog maar een keer. Er wordt mij verzekerd dat ik mij helemaal geen zorgen hoef te maken. Mama is aangekleed en heeft deze middag al goed gegeten.

Vrijdagmorgen zit mama in de ‘stoel’ op haar kamer. Ze is in bad geweest en dat heeft haar blijkbaar erg vermoeid. Ze slaapt en ik heb de grootste moeite om haar wakker te krijgen. Ze reageert nauwelijks. Ze begrijpt niets van wat ik tegen haar zeg. Ze staart mij maar aan. Ik geloof niet dat ze weet wie ik ben. Terwijl ik haar haar in de krulspelden draai, valt ze terug in slaap. Als ik klaar ben, loop ik met haar nog even de gang op en neer. Maar dat lukt niet zo goed. Tot tweemaal toe struikelt ze. “Ik was bijna gevallen,”  zegt ze met een piepstemmetje. Ik breng haar naar tafel waar de soep klaarstaat. Mama moet geholpen worden om haar beker soep te drinken. Het lukt haar niet alleen. Ik ga de vuile was halen in haar kamer, die ik meeneem naar huis en zeg haar nog gedag. Maar ze begrijpt er niks van.

Ik kan alleen maar hopen dat het morgen weer een beetje beter gaat.

Hoe vind je dit bericht?
1 reactie Reageer op dit bericht

Dement of niet, ze horen er nog steeds bij!

Karoline en ik hebben zondagnamiddag Arsène bij haar thuis alleen achtergelaten. Hij brengt haar computer in orde, terwijl wij samen naar onze twee schatten in het rusthuis gaan.

Door het gure herfstweer kunnen we deze zondagnamiddag niet naar buiten. Dus gaan Karoline, Marcel, mama en ik dan maar naar de cafetaria. Voor mama een wandelingetje van niets, voor Marcel, - na zijn heupoperatie,- een hele inspanning. Maar goed gesteund aan Karoline’s arm lukt het hem. Een drankje is een welkome beloning. Even later komen de zus en schoonbroer van Karoline toe. Glinsterende oogjes bij Marcel en een glimlach rond zijn mond als hij Sonja en Luc ziet, doen vermoeden dat ze voor hem nog altijd iets betekenen. Ergens, heel diep weg, moet hij nog herinneringen hebben aan hen. Sonja en Luc heb ik tijdens hun regelmatige bezoekjes aan Marcel leren kennen als twee sympathieke mensen. Iedereen wordt begroet en ze gaan er bijzitten. Wat mij nu zo opvalt, is dat Marcel en mama er voor hen ook echt bijhoren. Sonja en Luc praten met Marcel, al weten ze dat ze op geen weerwoord hoeven te rekenen. En mama wordt, hoewel ze op de meeste vragen net het verkeerde antwoord geeft, ook in het gesprek betrokken. Het gaat er zo gemoedelijk aan toe en dat doet mij echt deugd. Voor sommige oudjes verlopen de familiebezoekjes vaak helemaal anders. Ik zie het soms gebeuren in de cafetaria. De familie of vrienden maken er met elkaar een gezellig onderonsje van, praten over koetjes en kalfjes, maar het oudje zit er maar wat bij als vijfde wiel aan de wagen. Dat vind ik zo pijnlijk. Bij ons gaat het er gelukkig anders aan toe. Het wordt een gezellig ‘onderonsje met ons zes’.

Later gaan we met zijn allen richting dementen-afdeling. Karoline en zus Sonja ontfermen zich over Marcel. Luc loopt naast mama en mij. “Geef mij ’n keer…”  zegt ze wijzend naar zijn arm. Luc weet niet zo goed wat mama bedoelt en kijkt me vragend aan. “Ze wil aan jouw arm lopen,”  leg ik hem uit. Meteen neemt Luc mama bij de arm. Ik zie haar glunderen, ze is één en al aandacht voor Luc, ik verdwijn in het niets voor haar. Nog steeds arm in arm staan Luc en mama in de lift vóór de grote spiegel die op één van de wanden is bevestigd. “Kijk eens hoe mooi jij bent”,  plaagt Luc mama, wijzend naar haar spiegelbeeld. “En ik moet dat maar geloven zeker!”  antwoordt mama even plagerig. Iedereen schiet meteen in een lach. Het is ondertussen al etenstijd geworden. Mama wordt door Luc tot aan haar tafeltje gebracht, Marcel door Sonja en Karoline. Marcel, gelaten zoals meestal, mama zichtbaar genietend van al die aandacht.

Ik hou een heel warm gevoel over aan deze namiddag. Marcel en mama horen er voor ons echt nog bij, dement of niet!

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
2 reacties Reageer op dit bericht

'œDat is juist ons Ellen, hé?'

Deze namiddag zitten Denise, mama en ik in de cafetaria. Het is de ‘Week van de Derde Leeftijd’ en er is van alles te doen in het rusthuis. Denise vertelt mij dat toen ze maandagnamiddag bij mama kwam, de kinderen van de lagere school op mama’s afdeling samen met de bejaarden aan het knutselen waren. Ik vind dit een prachtig initiatief. Dat jonge volkje brengt heel wat afleiding voor de oudjes. Ook mama genoot er volop van, verneem ik van Denise. “Er zat een klein blond meisje naast je mama. Ik denk een jaar of zes of zeven,”  zegt Denise, “ en je mama wreef heel lief over haar hoofdje. Toen zei je mama tegen mij: dat is juist ons Ellen, hé?”  We zuchten eens beiden heel diep na dit verhaal. We beseffen dat mama die namiddag wel heel erg ver in de tijd was afgedwaald. Maar het is nu eenmaal zo en het overkomt haar steeds vaker. We moeten er ons maar bij neerleggen. Ik ben al blij als ik met mama terugkeer naar de afdeling ze tegen mij zegt: “Kom, Elleken!”

Hoe vind je dit bericht?
1 reactie Reageer op dit bericht

'œJa, ge moet er nog mee lachen ook!'

Omdat ik er toch niet helemaal gerust in ben of mama vandaag geen gevolgen heeft van de inspuiting tegen de Mexicaanse griep ga ik zondagnamiddag maar eens kijken. Ik ben meteen gerustgesteld. Ze ziet er goed uit en ze is opgewekt. Het is geen weer om buiten te wandelen, dus lopen we even de gangen van het rusthuis in. Zo krijgt mama toch wat beweging.

We gaan even ‘buren’ bij Karoline en Marcel, die samen op Marcels kamer zijn. Karoline haalt een doos met snoep uit de kast en houdt ze mama voor: “Snoepje, Marcella? “ Mama kijkt in de snoepdoos en dan naar Karoline. “Hmm… mag ik mij er eentje nemen?”  vraagt mama. “Natuurlijk”  antwoordt Karoline. Ook Marcel krijgt zijn deel. Even later krijgt mama de snoepdoos weer aangeboden, maar ze hoeft niet meer. ”Neen merci, ik heb genoeg”  zegt ze beleefd. Enkele ogenblikken later probeert Karoline het nog eens. Het lijkt voor mama weer helemaal nieuw, alsof zij de doos snoep voor het eerst ziet, en enthousiast kiest ze zich een lekkere chocoladebonbon uit.

Tegen etenstijd gaan we met zijn vieren naar de leefruimte. Als mama aan tafel zit, merk ik dat ze haar schoenen nog aan heeft. Ik ga op haar kamer haar pantoffeltjes halen. Ik duik onder tafel om haar linkerschoen uit te doen, maar mama schreeuwt het uit van de pijn. “Ellen, het is serieus hoor,”  zegt Karoline bezorgd, “ je ma weent.”  Ik weet dat mama heel kleinzerig is geworden. Bij de minste aanraking kan ze het al uitroepen van de pijn. Dus ik neem haar rechtervoet vast en wil de schoen uit doen. Dit doet blijkbaar totaal geen pijn want ik doe de schoen uit, mama doet die vliegensvlug weer aan. Ik doe de schoen uit, mama doet de schoen weer aan. Ze blijft tegenstribbelen. “Die schoen moet uit en jouw pantoffels moeten aan, mama!”  zeg ik een beetje ongeduldig, terwijl onder tafel het gevecht met de schoen maar doorgaat. “Ze doet dat hier altijd maar uit”  beklaagt mama zich fel tegen Karoline, waarop die in een lach schiet. En laat dat nu mama flink tegenvallen. “Ja, ge moet er nog mee lachen ook!”  reageert ze fel. Als de strijd met de schoen in mijn voordeel is beslecht, - mama heeft uiteindelijk haar beide pantoffels aan, - zit ze alweer samen met Karoline en mij te lachen. Marcel is zoals steeds onze stille, zwijgzame toeschouwer.

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
1 reactie Reageer op dit bericht

Het spuitje tegen de Mexicaanse griep.

Ik weet dat mama vrijdagnamiddag haar spuitje kreeg tegen de Mexicaanse griep. Ik heb al met verscheidene mensen gesproken die die inspuiting hebben gekregen. De meesten voelen zich de dagen erna niet al te best, sommigen hebben zelfs barstende koppijn en stevige spierpijnen. Toen ik vrijdagmorgen bij haar was, was mama zó ver weg. Ze herkende me nauwelijks en ik ben nu echt bang voor het effect van de inspuiting. Arsène en ik zijn dan ook vandaag extra bezorgd om haar. Als we zaterdagnamiddag samen naar haar vertrekken, spelen de doemscenario’s door onze hoofden. Hoe zal het met haar zijn? In bed met hoofdpijn, spierpijn, totaal in de war? Arsène, die geplaagd door een zware verkoudheid enkele weken niet naar mama ging, vraagt zich ook af of ze hem nog wel zal herkennen.

Als we op mama’s afdeling toekomen, zien we haar zitten in de leefruimte. Oef, dat stelt ons al wat gerust. Mama zit naast Marcel, ieder in zijn eigen ‘stoel’. Na zijn heupoperatie krijgt Marcel nog steeds pijnstillers en verdoofd door de medicatie ligt hij in een diepe slaap. Mama ziet er goed uit. Arsène begroet haar met: “Dag mams!”  Na een onderzoekende blik in zijn richting weet ze meteen wie hij is. “Ik ben zo blij dat jullie er zijn,” zegt mama. Er wordt heen en weer geknuffeld en gekust.

Maar mama maakt zich plots verschrikkelijk druk tegen Marcel, die luid ligt te snurken. “Niet zo snurken!” snauwt ze en Arsène voorkomt nog net dat Marcel een flinke por krijgt van haar. Tjonge, tjonge, die mama van ons! Vroeger was het pa die onder zijn voeten kreeg toen hij snurkte, nu is het die arme Marcel. Arsène neemt haar mee naar haar kamer en we laten Marcel, die zich van geen kwaad bewust is, maar rustig verder snurken.

Trots loopt ze even later op weg naar buiten aan de arm van haar schoonzoon, druk tegen hem babbelend in haar onverstaanbaar taaltje. We kunnen het bijna niet geloven dat ze die vervelende spuit heeft gekregen. “Vraag het toch maar even na,” zegt Arsène bezorgd. Ik stap naar de verpleegster. Ze verzekert mij dat mama inderdaad is ingespoten tegen de Mexicaanse griep. “Ja, gisterenmiddag,” en lachend zegt ze nog: “Maar ze is goed hé? Hou maar hout vast dat het blijft duren.” 

In de hall lopen we Denise tegemoet, die ook op bezoek komt. We maken samen een zeer korte wandeling in de tuin. Maar er staat te veel wind en mama moppert: “’t Is koud, hoor!”. “We gaan iets gaan drinken, hé ma?” stelt Arsène voor. “Ja hoor,” antwoordt mama. Het blijft natuurlijk niet alleen bij iets drinken, ‘ons ma’ eet ook een lekker stuk taart. Dat gaat er altijd in bij mama!

Als Karoline de cafetaria binnenkomt om ons gedag te zeggen, merkt mama meteen op dat ze een nieuwe jas aanheeft. Zelf vroeger altijd graag mooi gekleed, soms wat naar het extravagante toe, heeft mama nog altijd oog voor kleren. “Mooie mantel, hé”  zegt mama vol bewondering.

Als wat later Denise van mama afscheid neemt met een dikke zoen, neemt mama haar eens goed vast. “’t Is zo een schatje”  zegt mama gemeend. Denise is zichtbaar wat ontroerd.

Mama is er vandaag toch wel echt bij en blij. Ze heeft blijkbaar toch geen nare gevolgen van de inspuiting. We zijn opgelucht. Is ze misschien toch nog sterker dan wij denken?

Hoe vind je dit bericht?
1 reactie Reageer op dit bericht

Meer van ALZHEIMER: leven zonder dat je erbij bent

↑ Terug naar de berichten