Naar de inhoud

ALZHEIMER: leven zonder dat je erbij bent

akke.beakke.be

Archief

"Kind, zie je nu wel hoe dwaas ik ben!"

Mama is donderdag naar de kapper geweest, ik hoef dus deze morgen haar haar niet te doen. We hebben tijd om een grote wandeling te maken. Ik weet wat haar kan boeien en we gaan naar het ‘Beukenpark’. Het ligt aan het Schipdonkkanaal, niet zo ver af van het rusthuis, en het is een heel bijzonder mooi plekje. Het najaarszonnetje maakt het plaatje compleet.

142505-74a9f8b5a14d08dbdd173ef9760f0828.JPG


Mama is in haar nopjes. Ze bewondert de eeuwenoude beuken: “Kijk toch hoe mooi… en die kleuren… Ellen, er liggen al blaadjes op de grond… Dat vind ik zonde!”  Ik vertel haar dat het herfst is. Ze kan ze er wel inkomen dat de bomen dan hun bladeren verliezen, maar ze blijft het zonde vinden. Plots draait ze zich om, zoekend naar iemand. In paniek vraagt ze: “Waar is ons Ellen?”  Ik knijp eens zachtjes in haar hand: “Kijk eens goed, mama. Ik loop naast je.”  Ze kijkt me aan: “Oh, ja… natuurlijk”.  Mama neemt mij nog wat dichter, steviger bij de arm, maar toch lachend en opgewekt zegt ze:“ Kind, zie je nu wel hoe dwaas ik ben!”  Ik antwoord, ook lachend:“Ja, het valt mij nu óók wel op!”  We kijken elkaar aan, doen samen een beetje gek, zoals alleen wij dat met zijn tweetjes kunnen, en zetten onze tocht verder.

142505-a29a0c78a81fd634f8313295d66c57b6.JPG

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Reageer op dit bericht

'œDat mag niet!'

Enkele weken geleden vertelde een bejaardenhelpster mij dat mama het systeem gevonden had om het tafeltje los te maken van ‘de stoel’. Uren studie denk ik bij mezelf. Mama kreeg er dagen de tijd voor om dit uit te zoeken. Ik laat niets merken, maar uiteindelijk ben ik wel een beetje trots op haar. “We zullen er iets anders moeten op vinden, want nu kan ze er uit als ze wilt”,  gaat de verplegende verder. Ik knik van ja, haar hiermee gelijk gevende. Maar in mijn binnenste schreeuw ik het uit: je gaat haar toch niet vastbinden! Ik jaag me ten onrechte verschillende dagen flink op, want ik merk dat ze dat inderdaad niet doen. Mama blijft gewoon weer braafjes zitten. Het ‘uitbreekgedoe’ lijkt over.

Vandaag rij ik haar met stoel en al, vanuit de leefruimte naar haar kamer. Ik buk mij om het tafeltje los te maken, als ze verschrikt uitroept: “Dat mag niet!”  Meteen rollen de tranen over haar kaken, ze tikt met haar vinger zenuwachtig op het tafeltje. Nogmaals herhaalt ze luid en geïrriteerd: “Dat mag niet!”  Ik denk dat het haar flink is duidelijk gemaakt dat het tafeltje er niet af mag. “Ik ben bij jou, dus dat gaat er af!”  zeg ik gedecideerd. Maar ze kijkt zo verschrikt en bang rond, dat ik echt met haar te doen heb. “Mama, waarom zou ik dat niet mogen losmaken?”  vraag ik. “Kunnen nu geen bloempotten op!”  is haar reactie.

Hoe vind je dit bericht?
Reageer op dit bericht

Weg die stijfheid!

Van de belofte dat mama enkel in de voormiddag zou worden geblokkeerd, komt niet veel in huis. Arsène en ik treffen haar dus ook deze namiddag weer triest aan in ‘dé stoel’. Er wordt wat heen en weer geknuffeld en we verlossen haar meteen. Het valt me op dat ze steeds meer moeite krijgt om er uit te geraken. Haar benen willen echt niet mee. Ze klaagt er ook over dat ze zo ‘stijf’ wordt. Ze strompelt aan Arsène zijn arm naar haar kamer. We stellen voor om even de benen te strekken. Daar gaat mama direct mee akkoord: “Ja, dat is goed, eens naar buiten gaan…”

We gaan met ons drietjes op stap, mama tussen ons in. Eens zij weer in beweging komt, is de stijfheid van het uren stilzitten weg. En mama stapt zonder problemen. “Zullen we onze turbo eens opzetten mama?”  stel ik voor. Meteen steekt mama een tandje bij en stapt met grote passen voort. ”Ja, maar ma, niet te vlug hé”  pruttelt Arsène een beetje tegen. Ze lacht, ze babbelt. Alle stramheid is verdwenen. ‘Gezond moe’ van de wandeling, leunt ze achteraf lekker tegen Arsène aan en neemt hem stevig bij de arm: “’t Is zo een goeie” zegt ze." Wat mama, de arm of jouw schoonzoon?” vraag ik lachend. Ze kijkt me glunderend aan: “Alle twee!”  De ‘stijve benen’ zijn weer even vergeten.

Hoe vind je dit bericht?
Reageer op dit bericht

'œHet doet me zo zeer!'

Mama zit in haar kamer. Plots doet ze haar hand voor de ogen, ze zit stilletjes te wenen. “Wat scheelt er mama?”  vraag ik. Ze kijkt me met betraande ogen aan: “Het doet me zo zeer… het doet me zo zeer… Ik kan niets meer alleen doen. Met alles hulp nodig… Lastig, hoor!”  Ik neem haar eens goed vast. “En mijn pa dan… je kent hem, hé?” zegt ze snikkend. Haar hele lichaamshouding en haar trieste gezichtje spreken boekdelen. Ze is in de vaste overtuiging dat ze flink onder haar voeten heeft gekregen van mijn grootvader voor het feit dat ze nog zó weinig kan. Ik heb van mama nooit anders gehoord of mijn grootvader was streng, heel rechtvaardig en enorm lief voor haar. Ik, als zijn enig kleinkind, werd door hem rot verwend. Ik vond hem en nu nog, jaren na zijn dood, de liefste ‘pepe’ ter wereld. Hoe ze het nu in haar hoofd krijgt dat hij bij haar is langs geweest, en denkt dat ze van hem op haar donder kreeg, begrijp ik niet. “Het zal allemaal wel zo erg niet zijn, mama”  troost ik haar. “Neen?”  vraagt ze onzeker. “Ik kan daar toch niets aan doen, hé?”  smeekt ze bijna. “Natuurlijk niet, mama.”  Een dikke knuffel doet haar tranen verdwijnen.

Hoe vind je dit bericht?
1 reactie Reageer op dit bericht

'œZe zouden ze ons kunnen geven!'

Mama en ik besluiten om eens naar de bloemenwinkel in het dorp te wandelen. Ze heeft geen aandacht voor het appartementsgebouw, dat net naast de bloemenzaak ligt en waar ze bijna negen jaar woonde. Maar de chrysanten die reeds buiten staan, wil ze graag bekijken. Vooral de mooi opgemaakte bloemstukjes in de etalage krijgen haar aandacht. Ze wijst er ééntje aan: “Dat vind ik het mooiste.”  “Het zijn zijden bloemen, mama, geen echte,” zeg ik. Mama met haar grote voorliefde voor de natuur en alles wat leeft, vindt het maar niks dat die bloemen niet echt zijn. Ze neemt me bij de arm: “Kom we zijn weg, ze zouden ze ons kunnen geven."  We proesten het samen uit en stappen vlug weg.

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Reageer op dit bericht

'œEn niet meer over water rijden!'

Ik vertel mama dat ik maandagavond, na het geven van de typeles, onze auto heb vast gereden op de speelweide van de school. Door de felle regen van zondag was de weide flink drassig geworden. Het was er niet aan te zien, maar het was wel zo. Het heeft een tijdje geduurd vooraleer ik weer, met veel hulp van lieve mensen, op het droge stond.  “Toch voorzichtig zijn, hé kind?”  zegt ze zorgelijk.

Als we terugkeren van ons wandeling en bezoekje aan de cafetaria staat het avondeten al klaar. Ik doe nog maar eens mijn verhaal aan Karoline, die al bij Marcel aan tafel zit. Ik vertel over de natte weide, de modder, het omhoog krieken van de auto om planken onder de wielen te steken… en hoe een man heel traag netjes onze auto weer op de begane weg kreeg. Plots gaat mama’s vinger de hoogte in: “Ellen, en niet meer over water rijden hé!”  Karoline draait zich met een ruk in mijn richting, haar ogen wijdt open van verbazing: “Ze is mee, Ellen.. ze is mee!”  Ik verzeker mama dat ik voorzichtig zal zijn. Ik geef haar een dikke zoen, maar haar aandacht is al weer bij haar boterhammetjes.

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Reageer op dit bericht

'œZij kan er voor doorgaan!'

Mama ’s haar moet geknipt worden. Ik stel haar voor om samen naar het kapperssalon te gaan dat zich op de benedenverdieping van het rusthuis bevindt. Mama vindt het een goed idee: “Wij samen?... Oh, kind wat zie ik jou toch graag!”… Kom hier, je krijgt een dikke kus”… We gaan arm en arm naar beneden. Maar we kunnen geen afspraak maken, de kapster is net vandaag een dag met verlof. Mama vindt het helemaal niet erg: “Doen we dan wel een andere keer, kind”. 

Er komt een dame bij ons een praatje maken, wiens vader onlangs is opgenomen op de afdeling van mama. “En dat is jouw dochter, hé? Ik zie dat meteen!”  zegt ze tegen mama. Mama fronst de wenkbrauwen en schudt bedenkelijk van neen. Ze kijkt naar mij, zo liefdevol, en wrijft met de buitenkant van haar hand zachtjes over mijn kaak. Ze wendt zich terug naar de dame. “Neen, maar ze kan er wel voor doorgaan!”


MISSCHIEN KENT U HAAR?

en plotseling vraagt ze aan me
"ken ik u misschien?"
"Ja, mama, ik ben je dochter"
maar ze blijkt het niet te zien

en beleefd vraagt ze nog:
"waar komt u vandaan ?"
"Maastricht, mama, dat weet je toch"
verbaasd kijkt ze me aan

"Och", zegt ze "dat is toevallig
mijn dochter, zij woont ook daar
we gaan weleens naar haar toe
misschien kent u haar?"

Overgenomen uit "Spoorloos"
gevoelens van een dochter bij het proces van dementie van haar moeder
Annette F.C.Willems-Hendrikx
Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Reageer op dit bericht

'œVan Lydia? Mooi hoor!'

Mama is verzot op mijn T-shirt. Er staan grote citrusvruchten op afgebeeld en telkens opnieuw probeert ze die te grijpen. “Mag ik er ééntje nemen?”  vraagt ze. “Die kan je er niet afnemen, mama. Ze zijn niet echt. Ze zijn gewoon op de stof gedrukt,”  leg ik haar uit. Ze kijkt een beetje verbaasd: “Oh ja?... maar toch is het zeer mooi!”  Ik vertel haar dat ik deze T-shirt kreeg van Lydia. “Echt waar? Van Lydia?... ’t Is een zeer mooie!”

Mama twijfelt er helemaal niet aan wie Lydia is, ze weet maar al te goed wie zij is. Tal van herinneringen heeft ze: hoe we toen we klein waren samen speelden, dat ik als kind zo graag bij Lydia een keertje bleef slapen, dat ze met ons na het overlijden van papa, meeging naar de camping aan zee. En dat we, eens volwassen, vriendinnen bleven. Dat weet ze nog allemaal. Maar hoe verklaar ik dat nu: als Lydia bij mama op bezoek komt, herkent zij haar niet langer meer!

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Reageer op dit bericht

'œWaar zijn mijn ruiten?'

We zitten buiten op het terras. Mama kijkt me aan, ze maakt met beide wijsvingers cirkelvormige bewegingen rond haar ogen en vraagt me: “Waar zijn mijn ruiten?”.  Ik weet meteen wat ze bedoelt, want al sinds weken is haar bril zoek. Haar ganse kamer heb ik al afgezocht, maar nergens is haar bril te bespeuren. Misschien is hij op een andere kamer verzeild geraakt. “Je bent jouw bril kwijt, mama. We zullen nog eens aan de verpleegster vragen of ze hem nergens hebben gevonden.”  Mijn antwoord stelt haar tevreden: “Goed hoor!”

Hoe vind je dit bericht?
Reageer op dit bericht

Op een zonnige herfstvoormiddag.

Deze namiddag gaan we Denise en haar vriendin afhalen in Rijsel. Ze gingen een weekje naar Avignon en komen vandaag met de TGV terug. Dus deze morgen naar mama, want met dat prachtige weer zal het haar deugd doen om even buiten te zijn. Marcel staat net aan de deur van mama’s kamer. Hij krijgt van mij, gewoonte getrouw, zijn ‘begroetingszoen’. Hij stapt dan ook maar meteen de kamer van mama mee binnen. Mama neemt hem met haar beide handen vast: “’t Is zo een brave!” Marcel glimlacht eens, drentelt wat rond in de kamer, maar echt reageren of praten doet hij niet meer. Dat werd hem door zijn Alzheimerziekte al ontnomen. Terwijl ik mama in haar jas help, - zij is al opgetogen en blij met het vooruitzicht om met dit zonnig weertje te gaan stappen,- zeg ik: “We gaan wandelen, Marcel. Ga je mee? Misschien zal het nog wel frisjes zijn buiten.”  Voor het eerst in maanden hoor ik Marcel praten, heel traag, alsof hij over elk woord heel diep moet nadenken: “ Hm… dat zal nog wel gaan hoor…”  Ik vraag aan de bejaardenhelpster hem ook een warme jas aan te doen en zo gaan we met zijn drietjes het park in. Aan de ene kant mama aan mijn arm, aan de andere kant Marcel aan mijn hand. Mama babbelt weer honderd uit, Marcel stapt, weer stilzwijgend, braafjes mee. “Kijk, zijn dat koeien?”  vraagt mama uitbundig. “Neen, mama dat zijn schapen,”  antwoord ik. Van Marcel geen reactie, maar hij glimlacht zoals meestal. “Oh, kijk al die bollen!”  zegt ze plotseling. Inderdaad, wat verderop staan heel wat buxusboompjes, netjes rond geschoren. We gaan wat dichterbij en mama blijft staan. Eén en al bewondering, vraagt ze: “Wie heeft dat zo mooi rondgeschoren?”  “De tuinman, mama” zeg ik. Vol goedkeuring blijft ze nog even kijken. “Jullie mogen allemaal eens op bezoek komen!”  zegt ze uitnodigend tegen de boompjes. Ze bewonderen nog met hun tweetjes de goudvis, die rondzwemt bij de fontein, die aan de ingang van het rusthuis staat. Mama druk doende hoe zonde dat is voor die kleine goudvis om in dat koude water te moeten zwemmen, Marcel weer stilletjes glimlachend. We keren terug naar de afdeling. De soep staat al op hen te wachten.

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
2 reacties Reageer op dit bericht

Meer van ALZHEIMER: leven zonder dat je erbij bent

↑ Terug naar de berichten