Donderdag 7 augustus 2008 · Blijft bovenaan
DE WOESTENIJ VAN SÂO PAULO DEEL1

Vier uur in de middag. Als ik aan het einde van de Avenida Liberdade kom, zie ik Nelson, een kleine jongen van elf jaar huilend tegen een muur zitten. Beroofd van zijn geld, vijftien reais (4.50 Euro). Nelson is schoenpoetser, die om zijn familie te steunen, door het centrum zeult met een kistje , waar hij op zitten kan en zijn materiaal in heeft: enkele doosjes schoensmeer, poetslappen en borstels. Hij vraagt één real, een schamel tarief. Nu draagt hij de last van de betonnen stad, het verdriet. Ik vraag hem naar de dief: 'Twee jongens op mountainbikes,' zegt hij droevig en verward.
Het geld dat ik hem geef troost hem enigzins, meer een verlichting van het financiële, zijn ziel heeft namelijk en ander gevoel. Dit is het verval van de grote stad, de betonwoestijn waar het iedere dag voor velen een vuurzee is. Hij veegt zijn laatste traan weg en kijkt mij schuw aan, en mensen die langskomen kijken óns aan, want ik voel hun ogen prikken in mijn rug, zoals het rapier van een zeerover.
Nelson is één van de vele actieve ondernemers, vele anderen zijn autoruitenwassers of snoepverkopers, die bij stoplichten automobilisten proberen over te halen iets te kopen en op deze manier geld bij elkaar te krijgen. Ook is er een acrobaat op een stuntfiets, die jonglerend met ballen als een soort paljas optreedt en zorgt, dat hij geld int vóór het licht op groen springt.
Hij lacht met zijn geschminkt gezicht en had artistiek gezien beter verdiend. Uit menselijk oogpunt is de man, die in een oud invalide wagentje tussen de auto's door manouvreert net zozeer een artiest, anderzijds een muskiet in een bedriegelijk web, het labyrint der stikkende auto's.
Niet ver van Nelson's tranen, op het Praça (plein) Joâo Mendes, zie ik de jongedames tegen muren hangen, buurthoertjes, blank, halfbloeden en negrinnetjes, sommigen knauwend op kaugum. Hun prijs is tussen de vijftig en vijfenzeventig reais, zijn beeldig als dagvlinders en slank als en sierlijk als zeepaardjes, met provoceerende borsten, korte rokjes en een gulzige verleidelijke lach, en ik zet het op mijn notenbalk.
Om de hoek ligt de 'pastelaria', die wordt uitgebaat door Koreanen, waar ik een 'pastel palmito' (in olie gebakken deegbroodje met palmhart) bestel en een fles koud bier om mijn dorst te lessen. Een blonde vrouw van in rond de vijftig, die naast mij zit, eet háár broodje, drink met genot haar bier en trekt aan een sigaret als bevindt ze zich in en nachtclub op een andere planeet. Mannen spelen op gokkasten of staren voor zich uit, vrouwen lopen in en uit voor sigaretten en suikerrietstengels persen zich door het elektrische molentje, waarna het vocht uit de trechter vloeit, het sap van de zoete stengel door engelen gegeven.
Ik betaal en slenter naar onder de straat uit en kom op het Praça de Sé. Het plein is uitgegroeid tot een waar pandemonium, een schouwspel van kwelende eufemistische geloofspredikers, straatverkopers, zingende mannen uit het noordoosten van het land die de muziek van Luiz Gonzaga (overleden forró zanger) aanbidden,waterijsverkopers, een kapper die ook baarden scheert als stond hij in een gedistingeerde zaak in Parijs, zich niets aantrekkend van het tumult om hem heen, schoenpoetsers en mensen met houten borden op hun lijf gebonden, die vermelden waar goud te kopen en verkopen valt. In het midden van het plein bevindt zich een politiepost, van waaruit men stieken alles gaande slaat. Het zijn gluiperige mannen in blauwgrijze pakken en zware zwarte laarzen, en revolvers in de holster, niet ziende wat ze moeten zien en hard optredend tegen de straatkinderen, die uit noodzaak pikken van de passant. Hard optreden betekent: slaag, verbrandingen en transporten naar jeugdinrichtingen. Velen huilen, anderen zijn sterk en ontsnappen uit de handen van de regeringsbeulen.
En God? Ziet toe.
wordt vervolgd...
Geschreven door Storyteller om 00:00
Reageer op dit bericht



