Woensdag 29 juli 2009 · Blijft bovenaan
JAN DERICKX uit zijn boek 'Juruá de wenende rivier' - Het relaas van een missionaris in het Amazonegebied


Jan Derickx werd geboren in 1935 te Diemen en werd in 1965 priester gewijd, na een studie filosofie en theologie.
In de meer als 40 jaar dat hij werkzaam is in het Amazonegebied is hij van het volk gaan houden, van de mensen langs de oevers van de Juruá rivier, als van de mensen in de sloppenwijken van Belém.
Uit zijn boek 'Juruá, o rio que chora' (Jurá, de rivier die huilt) 1993 wil graag citeren uit het hoofdstuk Indianen en Rubbertappers: De echo van een volk in nood
Meer specifiek wil ik het gedeelte belichten over de Deni-indianen.
Tuberculose doodt de Deni-indianen
7 mei 1979.
Indianendorp Palermo aan de zijrivier Cujubim. Een jonge indiaanse moeder, Vinutini van 20 jaar is zojuist voorgoed ingeslapen. Haar uitgeteerde lichaam ligt levenloos in dehangmat, wachtend op het moment dat haar broers haar begeleiden naar de laatste rustplaats. De doodsoorzaak? Moord, want ze stierf aan tuberculose, die binnen afzienbare tijd alle Deni's zal doden. Pater Egon Dionísio van het bisdom van Tefé, heeft aangetoond dat haar dood niet los staat van de 85 andere sterfgevallen onder de Deni's in de jaren zeventig. Hij baseerde zich daarbij op het laboratoriumonderzoek van de analist José Maria Parrilha van het ziekenhuis van Curauari. Zij hebben de dood van Vinutini gemeld aan de Funai in Manaus, alsmede de epidemie die al zoveel slachtoffers gemaakt heeft onder de 300 indianen, verdeeld over vier dorpen. Zij hebben de Funai herinnerd aan het 'Statuut van de Indianen', artikel 2: 'Epidemische ziekten onder de indianen dienen met alle beschikbare middelen te worden onderzocht, onder controle gebracht en uitgeroeid.'
In afwachting van de dokter van de Funai werd alvast contact opgenomen met de gemeente van Carauari, waaronder de Deni's van Xeruã ressorteren. De gemeente stelde een vaartuig ter beschikking. Ook Petrobrás, die in de streek petroleum boort, werd ingeschakeld. De parochie nam het bekostigen van proviand en andere reiskosten voor zijn rekening. Begin Juni arriveerde eindelijk het medische team; de arts Dr. Paulo, een verpleger en een laborant. Zes dagen verbleef dit groepje in het hotelletje van Carauari, zich vermakend tussen de maaltijden door met een partijtje voetbal, onder het voorwendsel dat ze niet naar het binnenland konden vanwege de mankementen aan de 'gemeenteboot'.
Op de zesde dag kwamen Egon en Parrilha terug van nog een bezoek aan de Deni's. Dokter Paulo, behalve arts van de Funai ook clubarts van een bekende voetbalvereniging in Manaus, toonde opeens grote haast. Met de gegevens van het recente bezoek van de twee zou hij wel een goed verslag naar Brasilia (hoofdbureau van de Funai) kunnen sturen. Later bleek dat hij de wedstrijd van zijn club de volgende zondag niet wilde missen! Pater Dionísio drong echter aan op een spoedig bezoek aan de indianen en Petrobás bood bereidwillig een helikopter aan. "We hebben er minstens zes dagen werk", zei Egon. De dokter maakte weer bezwaren. Hij werd uiterlijk maandag bij de Funai in Manaus terugverwacht. Het was toen al zaterdag. Ten slotte kwam men overeen in ieder geval tot dinsdag te blijven. Zondagmorgen vertrok men dan eindelijk naar het indianendorp Palermo. "We zijn gekomen om jullie te helpen, om jullie weer gezond te maken", met deze groet van Dr. Paulo begon de vliegende gezondheidsbrigade haar werk. Na die eerste groet haalt Dr. Paulo een zak biscuit te voorschijn en begint uit te delen. Na een kleine pauze de tweede ronde; deze keer met pillen en vitaminen C tabletten. Dan volgt de uitdeling van kleine plastic bekertjes waarin iedereen moet spugen (bacillenonderzoek). Pater Egon staat erop dat de arts een indiaanse vrouw onderzoekt, die met zwaar ontstoken lymfklieren in de hangmat ligt. Hij voelt daar weinig voor en begint een jongentje met een onschuldige beenwond te verzorgen.. "Het is een schande", zo schrijft Egon in zijn verslag, "hij onderzocht de vrouw niet, maar hij beweert tegelijkertijd er zo goed als zeker van te zijn dat zij aan tuberculose lijdt. Andere indianen verkeren in een soortgelijke toestand als die vrouw; hier is vrijwel zeker sprake van een tuberculose-epidemie."
De dag erop vertrok de groep naar het dorp Humanã, waar zich slects 17 indianen bevonden. De anderen waren naar het 'oude' dorp toe om maniokmeel te roosteren en rubber te tappen. Na een voettocht van van zes uur weigerde de reddingsbrigade nu nog naar het andere dorp te gaan. Het bezoek aan Humanã had alles bij elkaar twee uur geduurd, tijd van eten en siësta meegerekend. Alleen de beide reizen per helikopter, samen zes uur vliegen, hadden ruim 2.500 dollar gekost. Het feit dat Petrobrás dit transport had aangeboden, maakte niets uit. "Vertel ze dat ik de dokter ben van de Funai", herhaalde hij voortdurend. Een andere veel gebruikte opmerking van hem was: "Ik heb voldoende gegevens voor mijn rapport."
Zijn voornaamste zorg gold het rapport voor Brasília en niet de epidemie die bezig was de Deni indianen uit te roeien. "Een getrouw en schokkend beeld", zo schrijft Egon, "hoe een officiële instelling functioneerd als kapstok voor goed baantjes, maar gespeend van ieder menslievend ideaal." De CMI-groep van Manaus pleitte naar aanleiding van dit voorval voor een blijvend medisch team: "Komt die er niet dan zal de stam volledig worden uitgeroeid en niemand zal de verantwoording voor die misdaad op zich nemen."
Dit proces van indianenmoord gaat jaren terug; tot aan de tweede helft van de vorige eeuw (19de, noot Wayn) leefden verschillende stammen van dit toen nog grote en talrijke Deni-volk met duizenden in het oerwoud, in gezondheid en vrede, verspreid over een gebied dat zich uitstrekte tussen de rivieren Purus en onze Juruá.
wordt vervolgd....
Geschreven door Storyteller om 00:00
Reageer op dit bericht

