Naar de inhoud

BRASIL / impressies / reisverhalen

Op zoek naar de Ware Ziel van Brazilië - Het alternatief
akke.beakke.be

Archief

MOSSORO

'....De stad ligt dus op zo'n 275 kilometer verwijderd van Natal. De busrit is ongeveer 5 uur, een unieke door een gebied dat ik kenschetst als verdrietig en eenzaamheid. Ja, eenzaamheid, waar alleen de duivel danst met een gevallen engel. Een ruw gebied met wel vier meter hoge cactussen, die als heersers in het droge rijk staan. Hier is het gebied vlakker dan de zuidelijke sertâo, die vol is met caatinga, de deerniswekkende vegetatie met zo nu en dan een heuvel of rotsformatie. Het gebied van de kleine hagedissen, de armoede waar geen mens eigenlijk behoefte heeft te leven. Doch ook hier leven de mensen in hun schamele hutjes, verweg van het andere Braziel, dit van de grote steden en luxe stranden, daar waar men hoofdschuddend de wildernis-blues van zich afschud.                                        De bus rijdt over een redelijk geasfalteerde weg richting stadjes als Lajes en Angincos, over de rio Açui Mossoró, waar de rivier met dezelfde naam doorheen stroomt De bus, nou moet ik zeggen de eerste die ik kon krijgen in Natal, is behoorlijk comfortabel, met zelfs airconditioner en televisie, alwaar ik zelfs een show van Frank Sinatra op zag, een ongeoorloofd toezien, een contrast te meer met de buitenwereld. Normaal neem ik zo'n bus niet, maar ik moest weg uit Natal, je betaald er gewoon iets meer voor, maar het geeft een contrast met de woestenij rondom. Op de zij-flanken staat de naam van de bus Aguia Branca, de Witte Adelaar, het kan bijna niet abstracter, en de woestijn geesten beloeren me van alle kanten, als de bus door de droge vegetatie vloeit en cactussen lijken als groene stekelige pionnen van het duivelse schaakspel.
   

Aan de andere zijde van de bus gang, naast mij, zit een bevallige, nou ja,laat ik haar omschrijven als een atractieve vrouw, gekleed als een dame, die zeker niet met een ganganceiro-bende zou rijden. Ze is in gezelschap van een jongen welk zijn leeftijd moeilijk te schatten valt, hij kan zowel 15 zijn of 45. De jongen is iets pueriel, en gekleed in een deftig beige kostuum. De vrouw koestert hem als een moederdier, en hij strekt zich uit op de bank en legt zijn hoofd in haar schoot.
   Later komt hij weer in mijn voorstelling als ik een foto zie van Jararaca, de kleine outlaw en vriend van de bandiet Lampiâo. Overeenkomsten zijn soms hersenschimmen, maar hier, in deze sertâo weet je nooit. Is hij een nazaat van Jararaca? Een incarnatie? Gelooft u in incarneren? Als u ziel eerst naar het grote zielennest vliegt (dit is wat men veronderstelt in de cultus van de Candomblé), en daar wacht op de juiste carnatie, in een lichaam dat U geest draagt? En het goede keert terug in het goede, en het slechte zal wederkeren in het slechte. Ineens gaat de zon onder en de duisternis valt over het landschap alsof iemand een grote doek werpt over de rode ploert.
                         We naderen Mossoró, een naam die de stad ontleent aan de Monxorós-Indianen. Deze werden merendeels uitgemoord, en hebben zich verder vermengd onder de nordestinos. Het rodoviaria (busstation) ligt aan de rand van de stad, doch de bus rijdt eerst door het centro. Midden in het hartje stap ik uit en het jonge blanke meisje naast mij zegt me vaarwel. Ik zou haar nooit meer terug zien, en zo gaat dit met de meeste mensen die ik ontmoet op mijn reizen. Ze vervagen als in een opkomende nevel. Ik bevind me aan de avenida Augusto Severo, het blijkt de hoofdstraat, en ga op zoek naar een slaapplek slenterrend door donkere straten en over verlichte pleinen. Ten slotte kom ik terecht in een kleine pousada in dezelfde straat, waar een oude vrouw op het stoepje zit voor de ingang, op mijn vraag of er een kamertje vrij is, knikt ze positief haar doorgroefd gelaat. Ze is vriendelijk en glimlacht als een oude vervallen engel van de sertâo. Haar naam is Delmira.
                                We lopen door een lange witte gang, een trap op en naar een kamertje dat vuilwit gekalt is. Er is een douche, dat wil zeggen een loden pijp die uit de muur steekt. Ik ben weer tevereden, de prijs is 7 reais (nu 2,5 euro) Het goedkoopste tot nu toe. Er blijkt verder maar een gast te zijn. Ik draai voorzichtig aan de knop voor de propeller die aan het plafond bengelt en hoopt dat het ding niet naar beneden dondert. Delmira kijkt goedkeurend toe. Er hang ook een waslijn dwars door de kamer, boven het schone bed. Ik vraag de vrouw of er een goedkoop eethuis in de buurt is en zegt me: '... moet u vragen aan de andere gast, die zo dadelijk ontwaakt. Hij gaat altijd in de avond weg, hij zal u wel  de weg wijzen...'
      Ik neem een douche en lauw water kolkt uit de lodenpijp, rust wat uit op het oude bed en verlaat de kamer rond 9 uur voor een avondmaal. Ik ontmoet de andere gast, een mager man van in de vijftig, geagiteerd en sigaretten rokend. Hij blijkt actief te zijn in de nacht en houdt een soort aktetas onder zijn arm, dit denkelijk met zijn beroep van doen heeft. Hij brengt me naar een eethuis: 'Hier eet ik ook vaak, goed voedsel en goedkoop!' en hij is vertrokken. Ik bestel een bord rijst met bonen, farofa en salade en een pan eieren. Inderdaad goed eten voor 3 reais. Niet veel later komt een man naar binnen geschommeld, die iets teveel witte rum naar binnengewerkt moet hebben. Hij strompelt op mijn tafeltje af en vraagt water. Als ik hem het water aanbied komt de uitbater ertussen en maakt hem duidelijk dat hij water aan de toog kan krijgen is. De man wordt des duivels en zegt gediscrimineerd te worden, daar hij geen water van mijn tafel mag nemen. Ik zeg weer dat het geen probleem is, maar de barman wil er niets van weten. Denkelijk wil hij dat zijn gasten niet lastig gevallen worden. Nou ja, verdomme! Ik bemoei me er verder niet  mee en de man loopt vloekend naar buiten waar hij op straat de mensen overtuigd dat hij géén water kreeg in die klote tent. 
              Daar ik honger had laat ik niks over. Het is stil in de stad, 10 uur zaterdagavond? Er wonen toch zo'n 190.000 mensen in Mossoró, met zijn meer als 10 wijken. Ik loop terug naar het hotel, maakt wat notities en kijkt op bed liggend naar het kronkelend zoemend geval aan het plafond, als een ballarina die dronken een pirouette probeert te maken. Het is warm en langzaam val ik in een diepe slaap.
De dag erop, zondag, ben ik vroeg uit de veren en ga de straat op. Niemand, ninguem! De stad slaapt nog, doch een markt doet al zaken. Er worden groenten verkocht, gedroogd vlees, vis en medicinale kruiden. Een evangelische geloofsverkondiger staat luid schreeuwend de boodschap te verkondigen, het licht, paradijs! Ja, dat schreeuwt hij als een losgelaten carnavalsvierder en ik... vraag me af of dit alles hier wel te vinden is. Hier in de woestenij van het Braziliaanse noordoosten, waar langdurige droogte het land en mensen uitdaagt en tergt, hier waar menige familie de honger tegemoet zal treden, met of zonder God.

wordt vervolgd....



bij de plaats Açu en dan verder naar
brug over de Mossoró rivier
275787-dc257608b0847eaca4e69281a5ba61a8.jpg

bijlage SERTÂO-nordestino bewerking Wayn
verdere foto's overgenomen van Ramon Jackson (c) 2000-2008

Hoe vind je dit bericht? 4 stemmen
Geschreven door Storyteller om 00:00 1 reactie Reageer op dit bericht

OP WEG NAAR MOSSORO, RIO GRANDE DO NORTE

Traditioneel sertâo huisje met stal in Rio Grande do Norte






Er werd me verteld dat er om 12.00 uur vanuit Natal een bus zou vertrekken naar Mossoró. Doch daar de bus van Canguaretama naar Natal, hier om 11.00 uur om zijn vroegst zou langskomen, was dit niet haalbaar. Er werd een kennis van Osias ingeschakeld, een automonteur, die onderhandelde met de taxichauffeur. De man zou mij, als vriendendienst, voor nog geen 6 gulden naar Natal brengen. De man vindt het maar niks, want het bedrag was niet al te opwindend (ik betaal hen natuurlijk later billijk), maar hij kon er niets tegen inbrengen. De rit naar Natal is dik 60 kilometer. Onderweg worden andere passagiers opgepikt en zo heeft hij toch een rendabele rit. De wagen is een fonkelnieuwe fiat, dus, dacht ik, het gaat de man niet al te slecht. Hij zegt me nog de gordel om te doen daar de politie hier niet mis is. Nou ja. De rit gaat via Goianinha over de Trairi rivier en langs Sâo José de Mipibu. Voortdurend kijkt de chauffeur op zijn horloge want het loop al tegen de middag. Ja, hij had een verantwoording: een 'amigo gringo' van Osias af te zetten, en een compromis is een afspraak, alhoewel dit in Braziel wel eens anders kon zijn.
     Ik maak de man duidelijk dat het geen probleem zou zijn als ik de bus naar Mossoró zou missen, ik zou wel een volgende zou nemen. En dan gebeurd het. Voor we Natal binnenrijden komt ons de bus naar Mossoró tegemoet op weg naar bestemming. Bij de eerste afslag draait de man als en gek aan het stuur en begint een soort achtervolging. Het lukt hem dan ook snel de bus tot stoppen te dwingen. Hij is trots op zijn kunstwerk, en voordat ik hem kan bedanken is hij al vertrokken. Bij het instappen in de bus heb ik het probleem dat ik geen ticket heb, en de vreemd kijkende chauffeur weigert mij vervoer. Buiten dat is de bus volgeladen en de rit naar Mossoró is zo'n 275 kilometer.

Ik zeg hem dat ik de eerst volgende bus neem en moet een dik half uur lopen naar het busstation van Natal, waar het een genoegelijke drukte is. Doorelkaar lopend mesen, die druk coverseren. Ik zie een jongeman met sproeten mensen aanklampen voor geld, sigaretten of een praatje. Natuurlijk heeft hij mij bemerkt, slentert doelbewust op me af en vraagt een cigaret. Weer krijg ik dezelfde vraag, of ik van hier kom, of van waar? Ik zeg, iets verzwaard: 'Russia. Ja, verdomd soms voel ik die opdwingende neiging om mijn nationaliteit te verleggen. En voor Rus kan ik zeker doorgaan. De jongen kijkt me iets verward aan: "É... é Russia... e muito longe...!" Ja, inderdaad Rusland is ver weg van het hete Braziliaanse noordoosten, en soms voel ik me die gringo die ik eigenlijk niet wil zijn. Ik zou een pilgrim willen zijn, zonder naam, op pad naar bestemmingen zonder opzet.
         Ik vraag de jongen of hij uit Natal komt, en geeft bevestigend zijn positief antwoord. Ik zie dat hij  zijn interesse in mij verliest , want ik had hem niet direct geld geld gegeven, en buiten dat heb ik geen cigaretten, dus wat moet hij met een zodanig iemand? Een verdwaalde zonderling, een Rus nota bene? Merda! Shit! Ja, dat moet de jongen denken, en gelijk heeft hij. Want ben ik niet een soort verdwaalde filosofische antropoloog , die de mens probeert   te doorgronden.
            Omtrent de impulsieve jongen had ik een beeld, en op dit moment niet veel belangstelling aan een gesprek.  Ik was blijkbaar een 'iedereen' in zijn keten van mensen die hij dagelijks aanklampte. Even later zie ik, met genoegen, dat hij wederom een juister iemand heeft gevonden voor zijn geestelijke koppeling, zijn sigaret en drank. Velen van deze mensen kom ik tegen om mijn reizen, zij die een woord nodig hebben, maar meestal geld. Zij die terecht ronddwalen in het armoede paradijs van Brazilië, want een reiziger, of minstens die kan reizen heeft wel wat losse centavos over.
  

In de namiddag verlaat ik de stad die ik vaker met een bezoek eerde. Ook toen ik de limburgse pater Sjer Hensgens uit Kerkrade bezocht (1993), die sind lange tijd in Natal werkzaam was onder de arme bevolking. Men noemde hem padre Pio, en woonde in een bevallig huis met langszijde een mystieke kapel en een aangrenzende kokospalmentuin. Sjer werkte in 3 parochies tegelijk, een enorme opgave, waardoor hij vaak leken de taken liet overnemen. Hij stelde dan ook, dat het missionaris-import aan het uitsterven was, en er meer Braziliaanse paters moeten komen. Een van zijn frappante uitspraken was, dat de enigste oplossing van het onrechtvaardige probleem in Brazilië een revolutie was, naar Frans model. Voor mij een man die recht-door-zee ging! Ik wenste hem sterkte.
   

De stad Natal is gelegen aan de Potengi-rivier. Dit is het vroegere strijdgebied van de Potiguar Indianen, de invloedrijkste van de Tupi-natie waarvan sommigen zeiden: "Onmiskenbaar de oorlogszuchtigste heidenen in Brazilë!" Doch en zekere Anthony Knivet, een Engelse zeeman, had meer genadigde woorden voor de indianen; hij vond hen gedistingeerder dan andere stammen, en dat zal wel een persoonlijk opvatting zijn geweest.
   Halleluja! Ik ben op weg naar Mossoró. Niet zo maar; ik ben op zoek naar de geschiedenis van de beruchtste bandiet van Braziel, de roemruchtige canganceiro (outlaw) Virgilino Ferreiro, ook wel genoemd 'Lampiâo'.


wordt vervolgd...

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door Storyteller om 16:09 Reageer op dit bericht

OP WEG NAAR NATAL

Het is warm wanneer ik met Osias en Galmon, de Godspredikers, door Vila Flor loopt. De palmbomen worden beroert door een lichte oceaanbries. We bezoeken een oude open hut waar men vroeger giftig maniok bewerkte; het werd uitgeperst met een ingenieus primitief houten apparaat, daarna gemalen en later verwerkt tot farinha of koeken. Het was het al oude werk van de Indianen, dat werd overgenomen door hun halfnazaten. We lopen door de zon op weg naar het huisje van Galmon en zijn familie: 'Een geschenk van van de kerkgemeenschap en de Heer!' zegt hij, en ik heb mijn gedachten; de gemeenschap is aanvaardbaar, maar of de Heer hier in het spel is, blijft een vraag. Je moet erin geloven. Gezegend zijn sommige mensenkinderen. Sommigen! Ja, sommigen, maar gezegend is zeker het frisse water dat ik krijg aangeboden, zaliger dan de duurste Franse wijn.
    Het huisje is eenvoudig, zijn vrouw gelukkig en zijn kinderen zien er gezond uit. Nada Problema, zou ik zeggen. In de middag bezoek ik Cais do Porto samen met Osias. Het is een vissersbuurt, een plek waar de arme bevolking leeft van de visvangst. Aan de 'havenstraat', een overdreven naam voor een lemen weg, spreken we met dona Rosa. Ze legt uit waarom er armoede is, en een kind komt aangschouwd met een emmer vol met mosseltjes. De vrouw zegt dat deze zuiver gemaakt 3 reais opbrengt. (2.50 gulden ong.) Ze verteld verder dat de mannen vanmorgen al vroeg in de morgen vertrokken zijn met hun bootjes om te vissen in beter water. Soms gaan ze de zee op en blijven dan 3 dagen weg. Bij terugkeer blijkt de buit soms weinig of niets. Hierdoor lijden de mensen vaak honger, het voedsel is eenzijdig: rijst, maniok en wat vis, kreeft of mosselen. Het riviertje dat hier voorbij stroomt is zwaar vervuild, ook door het afvalwater dat erin uitkomt, maar de krabben en vissen zijn er nog te vangen in het dikke bruine water, terwijl de kinderen als waterratten de hele dag spartelen in het lauwe water. De kleine van vier duikt als een otter onder en komt glimlachend weer boven. De kinderen blijken geen school te volgen; hun toekomst zal visser zijn of vissersvrouw, maar toch... lijkt het mij geen vrijgevigheid als ze lessen zouden volgen. De gemeenschap is aangewezen op zelfbehoud, het is overleven. Ze wonen in schamel hutjes langs het water, opgetrokken uit hout, anderen met leem tussen een houten raamwerk.
    

                                        Osias heeft hier een taak om de mensen te betrekken in de gemeenschap. Als er geld is wordt er voor hen een maaltijd georganiseerd, maar er moet meer gebeuren, vooral op het gebied van educatie. Ook het planten van blad,- stengelgroentes of knolgewassen, zodat ze meer variatie in hun voeding krijgen. Ook moet er een beter systeem komen om de visvangst te stimuleren, betere bootjes, en betere organisatie voor de verkoop.
     Zwijgzaam volg ik Osias die met zijn video alles vastlegt. Kinderen lopen naast mij want een gringo komt hier niet dagelijks. Een klein meisje heeft een stuk verband op haar rug, een ontsteking, maar er is geen geld voor de dokter, er is geen dokter. Een andere vrouw zegt me dat er geregeld problemen zijn met huidziektes, hetgeen ook te maken heeft met het vervuilde water. Hygiëne is hier ver te zoeken en het is een strijd voor de mensen om gezond te blijven, te overleven. Niet ver van hier waar de grote stranden liggen, waar de toeristische horde in opmars is, waar geldwolven niet veel oog hebben voor wat zich afspeelt niet ver van het luxe, in deze armebuurten.
     Een grote opgave voor mensen als Osias om in dit gedeelte van Canguaretama waar armoede domineert redding te brengen. De wind waait door de geweldige hoge kokosbomen en jonge mannen werpen visnetten in het water, hopend op wat wat krabben en visjes nier ver van huis. Als we teruglopen naar de oude ford van Osias zie ik de kinderen nog steeds duiken in het water als verdwaalde kleine gebronste dolfijnen. Hoe ver staat de geciliviseerde, tussen haakjes, mens af van de werkelijkheid. Zie ik de kinderen niet lachen en zich onbewust zijnde van de armoede? Ze zijn opgegroeid hier langs de rivier en hun leven is deze kleine omgeving vooralsnog, waar de bezoeker, die deze beelden niet kent, niet kan opnemen dat geluk bij minderbedeelden soms groter is als men denkt.
    Het loopt tegn de middag als de bonen staan te pruttellen en de farofa wordt bereidt in het huisje van Osias. Er wordt gebeden voor het eten, iets wat mij verweg bijstaat, meegenomen uit mijn eigen jeugdopgroei toen de katholieke macht het nog voor het zeggen had. Hier sluit ik uit respect voor mijn evangelische tafelgenoten mijn ogen half en zie door spleten de goed gevulde tafel die de Heer voor zijn prediker en familie heeft verwezelijkt. En ik denk weer aan het vissersdorp, waar ik toch weet dat Osias zijn best doet om op speciale dagen de mensen iets extras te geven.

Amen.
De volgende dag vertrek ik naar Natal.


wordt vervolgd

Straat in Canguaretama
270596-5d1e19cd33bc356901b69aa10148a3d0.jpg

Storyteller in de maniokhut te Vila Flor
270596-1b42c84699a68092c271f75acab8282c.jpg


Op visite bij een evangelisten-familie, rechts Osias de Halleluja-man
270596-6ced1eecaca92058ed16454e8f846b28.jpg

Vissersdorp 'Cais do Porto'
270596-7e0277a20c9e8a62f292977a70074bfe.jpg


Zwemmen in het vervuilde riviertje bij 'Cais do Porto' het vissersdorp
270596-a9b7530e3864e84437406fa42d297ae4.jpg fotos archief Storyteller
Hoe vind je dit bericht? 3 stemmen
Geschreven door Storyteller om 00:00 Reageer op dit bericht

CANGUARETAMA, RIO GRANDE DO NORTE deel 2

'......Ja, die Maurits moet een schrander iemand zijn geweest, iemand die totaal opgetogen was over het mooie land waar hij de scepter zwaaide. Hij was de man die Recife en Olinda beeldig maakte, ook haalde hij schilders naar Brazilië zoals Frans Post, Albert Eckhout en Zacharias Wagener. Ze schilderden de eerste solide schilderijen van Brazilië, en potreteerde de Indianen op een natuurlijke manier, vooral Wagener bleek een ware portrettist te zijn. Zacharias werd geboren in Dresden in Duitsland. ging naar Amsterdam, waar hij als schrijver werkzaam was en zich het tekenen meester maakte. Op 26 jarige leeftijd monstert hij aan op het oorlogsschip 'Amsterdam' in opdracht van de WIC en vertrekt naar Maurits stad (Recife), Maurits achterna, die het kunstenaarschap in Braziel bevorderde. 

        Maurits was een onorthodoxe bestuurder en dat verwoorde hij in de verhoudingen tot minderheidsgroepen, zoals Joden en Indianen.

     Tevens stelde hij zich gematigd op tegenover de katholieke gelovigen, hoewel hij ettelijke katholieke ordes uitbanden. Van de andere kant kreeg hij te maken met zwaar verzet der kolonisten. Zo klaagden de afgevaardigden van Paraíba dat er een gebrek was aan negerslaven en vroegen daarom toestemming om Indianen als slaaf te kunnen gebruiken om het suikerriet te oogsten.

    Ook was de kolonisten-eis: dat opperhoofd Pieter Poti zou worden afgezet (al in 1625 werden belangrijke Indianen vanuit het noordoosten naar Nederland gebracht om te indroctrineren, vooruitlopend op de verovering van Pernambuco. Pieter Poti was een van hen. Hij was een opperhoofd van het Potiguar-dorp Marsurepe in Paraíba. Poti sprak goed Nederlands en streed aan de zijde van de Hollanders. Ook probeerde hij andere stammen  over te halen zich aan de zijde van de hollanders te scharen.)

             Maar volgens de kolonisten was Poti slecht, verwerpelijk en gevaarlijk en kon een dergelijk iemand geen gezag toevertrouwd worden. Maurits had goede betrekkingen met de Indianen en liet hen in hun dorpen wonen onder eigen gezag, maar onder controle van een Hollander, die erop moest toezien dat alles op hun plantage goed verliep. Deze persoon moest tevens toestemming geven aan de suikerbazen, om Indianen te gebruiken als slaven op de suikerrietfabrieken... en een zeker toezicht houden dat ze niet werden misbruikt. Doch corruptie, die ook in die tijd tierde, deed die opzichter zijn ogen sluiten.

   Maurits had veel bewondering voor de cultuur van de Indianen en hij zou de inboorlingen behandeld hebben als zijn naasten? Hij liet zelfs een levengroot portret maken, waarop hij omringd werd door Indianen, doch dat leek meer op snobisme of hovardij, dan ware affectie voor de inheemsen. Alhoewel hij kwam er als integer persoon van af. Zo berechte hij ooit enkele bevelhebbers die de indianen niet naar zijn zin behandelde, maar in het Brazilië van toen werd een zodanige straf nooit uitgevoerd. Johan Maurits (ook wel de Braziliaan genoemd) werd in 1646 teruggeroepen (meer op bevel) naar Holland, daar de Heeren van de West Indische Compagnie geen geld meer wilden besteden aan het hopeloze Braziel, dat door oorlogen veel guldens gekost had,  terwijl  Maurits meer geld vroeg, alleen voor zijn persoonlijk cultuur inzicht. Basta!                                                            

                                           Zeiden de Hoge Pieten op zijn oer-Hollands, en de Hollandse Braziliaan moest terugkeren. De geschiedenis verteld dat hij naar de kust werd gebracht door treurende kolonisten, maar aangekomen bij het strand werden deze op zij gezet door Indianen, die Maurits op hun schouders door de branding naar de sloep brachten. Naar vijf jaren van overvallen, het platbranden van plantages en bloedbaden, konden de Brazilianen de Hollanders terugdrijven in een enclave bij Recife. De Hollanders kregen nog versterking vanuit zee, maar het einde was nabij. Het doek viel en werd beslist in twee uitvoerige zeeslagen in 1648 en '49 bij Guararape, even buiten Recife.

   Hier werd de legermacht van de Hollanders gebroken, maar hoe dan ook ze bleven tot 1654 bij Recife. Het einde van een droom? Nou ja, gezien uit het perspectief van de toenmalige heersers, want we weten nu wat koloniën teweeg kunnen brengen; heerschappij, onderdrukking en armoede.


wordt vervolgd...


Werk van Frans Post 1612-1680; 'Paisagem de Paraíba' olie op hout  45/33 cm archief Nationaal museum van Rio de Janeiro
268569-1e08fa955afddc88d94ab8af177f32a1.jpg


Frans Post    'paisagem de Pernambuco'  olie/hout, 34/47 cm  archief museum der schone kunsten, Rio
268569-aff499645401d43005eb59b3f73a5478.jpg


Albert Eckhout  1610-1655  'Negerhoofd met Tulband'  oile op doek, 58*45 cm, collectie Beatriz e Mario Pimenta, Carmargo, SP
268569-f32aa98434aefa66a52bdd4363335167.jpg


Gedetailieerd boek over de geschiedenis van de Hollanders in Brazil 1624-1654 (oorspronkelijke titel 'The Dutch in Brazil' Ned. vert. H.G Nijk)  - uitgegeven bij Atlas isbn  90 254 01953 (aanbevolen door storyteller) :idea:
268569-937f0993b5799194f30d79d3e0cfd5f6.jpg 
omslag schilderij: Albert Eckhout "Afrikaanse vrouw met kind" oile op doek, Braziel  1641


bijlagen:
brasil 002  Tabakspotten van Delfsblauw
003  Hollandse 'florins' Gulden in Braziel
004  Gevelsteen uit Recife: Niet sonder Got
Dans van de Tarariús schild. Zacharias Wagenaar

Hoe vind je dit bericht? 7 stemmen
Geschreven door Storyteller om 10:27 Reageer op dit bericht

CANGUARETAMA, RIO GRANDE DO NORTE

Schilderij van Frans Post 1654 Noordoost Brazil





DE ZWARTE ARMOEDE IN 'CAIS DO PORTO'    :cry:
feb. 1998
'....Canguaretama is niet veel veranderd sinds mijn laatste bezoek 2 jaar geleden. De familie van Osias was alleen enkele huizen verder gaan wonen. Osias, de halleluja-man! Ik prijs me gelukkig als ik over de weg loopt die me naar het stadje brengt. Vlinders dwarrelen rond en kleurige vogels vliegen over mijn hoofd, kinderen lopen achter me aan en mannen schreeuwen me toe om eem een bier of cachaça te drinken aan hun tafeltje. Ze vragen zich af wat de vreemdeling wel hier te zoeken heeft; langs een goed hotel langs de zee, o.k., maar hier in dit slapende stadje? Osias gaat het goed. Strijder voor zijn kleine kerk, een orgaan van het 'Assembleia de Deus', maar Osias is een goeie, meer als 100 kilo en gezond zwart hoofd. Hij woont nu in een groter huisje met een tuin die gezegend is met palm, en cocosbomen. Ook is hij in het bezit van een oude ford uit '83 en een Japanse videocamera, geschenken van kennissen, zegt hij. Nou ja, hij is een goed pratende man, die veel op heeft met de problemen in de stad en omstreken. Canguaretama heeft zo'n 20.000 inwoners en natuurlijk geschiedenis: in 1643 werd een dorp gesticht door een Jezuiët Andre de Sacramento. Veel later  in 1658 werd het Canguaretama. Het overleverings criterium was Brazilhout, suikerriet, en vis. En zoals vele steden heeft de historie van de stad ook een trieste geschiedenis: het was een afgevaardigde van Maurits van Nassau, een zekere Jacob Rabi, die in 1648 arriveerde in gezelschap van Janduís Indianen. Hij gaf hun de opdracht om tijdens een mis de kapel binnen te vallen. Allen werden afgeslacht, pater en devoten, het was een bloedbad,  alleen drie mannen wisten te ontkomen, om later hun verhaal te doen. De Hollanders waren toen al zeer actief in deze regio. Ik pak het verhaal weer op, wanneer ik later met de ouwe bak van Osias arriveer in het naburige dorp Vila Flor, waar 4.000 leven hebben, meestal armen, maar ook enkele rijke buitenlanders, die langs de zee hotels bouwen met een toeristisch oogmerk. Ik maak kennis met Galbon, een andere pastor, en rap pratende jongen. Met hem kom ik al snel op de Hollandse invloed in deze streken. Het valt me op dat de mensen hier een toch nogal positieve houding hebben omtrent de Hollanders, anderzijds probeer ik hun een meer duidelijk beeld te geven van de bleekogenende zeevaarders en landveroveraars van die tijd. Een beschrijving mijnerzijds, dit de Hollanders afschlilderd als soms onrechtschapen en hard, zonder scrupules. Ze waren ruw zoals de zeestorm zelf, die de Indianen slecht behandelde en hoofden afhakten van zwarte slaven die niet gewillig waren, waarna ze die op houten spietsen staken. Doch wie gelooft mij? Overdrijft ik? Neen, het is een helaas bizar gegeven.
                               Hoe de Hollanders in Vila Flor terecht zijn gekomen is dan ook terug te voeren naar de gebeurtenissen die volgen na de verloren zeeslag bij Salvador. In 1625 heroveren de Portugezen met hulp van Spanjaarden Bahia, doch de 'bleekgezichten' waren taaie kornuiten en keerde 5 jaar later terug, nu om Olinda en Recife te nemen. Ze kwamen toen niet verder dan de kuststreken en hun pogingen om Rio Grande do Norte en Paraíba te veroveren werden verijdeld. Maar in 1633 hadden ze meer succes en veroverden het fort Van Rio Grande en de stad Natal kreeg de naam Nieuw Amsterdam. Ook namen ze het eiland Itamaracá en 1n 1634 sneuvelde ook Paraíba. Het werd een strijdt tussen twee Europese heerschappijen, de slag om de macht over het suikerriet, ook met veel cynisme suikeroorlog genoemd, in een gebied waar sporadisch nog een Indiaan te zien was.

Toen de Hollanders het noordoosten zo goed als verovert hadden, en een opsomming maakten, concludeerde men dat de toestand van de inboorlingen beroerd te noemen was. Maar het erbarmen van de Indianen sloeg al snel om in een soort ontsteltenis. De Hollanders bleken verontwaardigd dat de inboorlingen werkschuw waren en hun drankzucht hoogtij vierde, maar toen het fort van Ceará in 1637 verovert werd bleken de Tupi Indianen, onder aanvoering van opperhoofd Diogo Algodâo goede helpers. Doch toen het fort eenmaal verovert was wilden de Tupi alle vijanden zonder omstoot doodden en de Hollanders hadden grote overedingkracht nodig hun dat te beletten. Een van de Hollandse leiders vertaalde zijn zienswijze omtrent de TUPI als volgt: 'De mannen hebben twee of drie vrouwen en doen niets dan drinken en eten. Het hele jaar door gebruiken ze ieder soort drank dat hen dronken maakt. Ik kan zonder zonder betaling niet het geringste werk of hulp van de Indiaan gedaan krijgen. Ze zeggen dat ze voor de Portugezen niets deden en het is nog minder waarschijnlijk dat ze iets voor ons zullen doen, ook al hoort het land hun toe.'
                  Men zei dat het voor de Indianen een baat was (hoe moet ik dat eigenlijk plaatsen?) dat de Hollanders in 1630 Johan-Maurits naar Brazilië stuurden, die de Hollandse machts kolonie gedurende zeven jaar bestuurde met een eigenzinnige en vooringenomen, bedrevenheid. Er werd een nieuwe hoofdstad gebouwd in Pernambuco met de naam Mauritzstadt, het huidige Recife. Doch Maurits zette zijn verovering voort, in het zuiden de windstreek van de Rio Sâo Francisco, in 1637 Alagöâs en later Ceará in het noorden. Toen in 1640 Portugal onafhankelijk werd van Spanje sloten de Hollanders een tienjarig bestand met de Portugezen. Doch Maurits schond dit verdrag door in 1641, toen het verdrag ondertekend werd,  een legermacht te sturen naar Sergipe en te bezetten; daarnaast een vloot om Sâo Luis de Maranhâo te veroveren. Viva o Holandés!

wordt vervolgd....

bijlage: klein meer bij Vila Flor

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door Storyteller om 10:54 Reageer op dit bericht

JOÂO PESSOA EN CAMPINA GRANDE PART 2

'...De volgende morgen besluit ik een bezoek te brengen aan de zee, voor een zoutbad en frisse lucht. Hier blijken twee stranden namelijk Cabo Branco en Tambaú. Bij dit eerste bevindt zich een soort gedenkteken, want dit is het meest oostelijk punt van Brazilië, en van hieruit lina directa 2200 kilometer tot Senegal en 3500 naar de staat Rio Grande do Sul in het zuiden. Hier in deze buurt leeft de de zogenaamde betere klassen in hun overdadige luxe villa's met hoge muren. Ik neem dan ook maar de bus naar het iets levendigere Tambaú, duik in het zilte water en slenter langs het strand. Ik kom daar een dikke jonge Amerikaan tegen, die me vraagt of ik ver van huis ben. "Yep... i'm a long way from home, buddy!..." De jongen blijkt uit Texas te komen en een fan van country muziek en de Dallas Cowboys. Ik kom erachter dat het enige wat hij van Brazilië weet deze buurt is waar hij welgestelde familie heeft wonen die hij met regelmaat bezoekt. "I love this area... great!' laat de nep cowboy nog weten en ik ben al weer weg, koester de zon en kijk naar de bekoorlijkheid van de palmbomen, de fonkeling van de vrouwen, de paranoïde blikken van de politie, cocos-verkopers, en neem de bus terug naar het centro.
   Daar op het praça 1817 ontwaar ik vioolkanken, en de oude man speelt zijn liedjes, begeleidt door een surdo (dikke trom) en een triangel. Hij heeft zijn viool versterkt via een kleine versterker, die gevoed wordt door stroom uit een naburige winkel. Tussen de liedjes door heeft hij een conversatie met omstanders en de dikke surdo wordt regelmatig afgewisseld door andere mannen. De muziek intrigeert me, het is een  soort stoïcijnse muziek, wat me doet denken aan Schotse of Ierse volksmuziek. Die invloeden hebben te maken met de manier waarop hij de fiddle (viool) bespeelt.                       
              Nu klinkt een fiddle al snel 'typisch' en daar de viool hier weinig op deze manier wordt gebruikt, klinkt het uitzonderlijk. Doch er is een zekere invloed van Europese timbres, maar hier is  Forro, Frevo en Maracatú het woord, die de klanken van vreugde en verdriet intensiveren,  de muziek van de nordestino,
de slump folks, de gewone mensen van dit geweldige droge land en van de noordoostelijke Braziliaanse cowboy, de vaquero. Ik denk hoe werelds muziek is en kan zijn, hoe de invloed van ver weg doordringt tot de genen van een verdwaald volk, een volk dit ooit immigreerde en weer immigreerde, tot de uiterste hoeken van werelddelen en plekken waar normaal geen ander mens ooit sliep. Muziek is mooi. Ik houd van muziek, de klanken van het overtreffende gevoel van melancholie, en de klank van de oude mulat-viool klinkt zo droevig dat het lijkt of het oude instrument met tranen doorweekt is.
   
Ik zou de volgende dag Campina Grande bezoeken. Dit ligt ongeveer 2 uur landinwaarts. Ik heb namelijk het adres van een Nederlandese broeder die daar werkzaam is met de naam Urbano. Ik bel vanuit Joâo Pessoa en krijg iemand aan de lijn die me verteld dat de broeder de stad uit is en in de avond zou terugkeren. Ik speek af dat ik de volgende morgen vanaf het bustation in Campina Grande zal bellen. Doch de volgende dag was hij wederom niet bereikbaar en, op vreemde wijze, weer voor enkele dagen vertrokken, zou ik een boodschap kunnen achterlaten? Drukke man, dacht ik nog en besloot het hierbij te laten.
        Ik had hem namelijk willen bezoeken in verband met een vreemd soort water toestel waar hij mee experimenteerde, een project, een curieuze uitdrukking, maar daar komt het toch wel op neer. Het blijkt eigenlijk een simpel apparaat dat werd uitgevonden door een Zwitserse vrouw, Magrit Arreger. Mijn oom, pater Tum Pieters, was er opgewonden over, '...een regelrechte oplossing voor het waterprobleem in de arme streken van Brazil...', zei hij. Het apparaat bleek wonderbaarlijk door het condenseren van waterdamp, 400 liter per dag. Het blijkt niet meer dan 2kwh te gebruiken, zoals een koelkast, en kon ook werken op butagas, of... zonnen-energie.
   Het zou een formidabele uitvinding zijn voor de droogtegebieden over de gehele wereld en het Braziliaanse noordoosten. De Zwitserse Arreger wilde dat er niet op grote schaal misbruik van gemaakt werd. Alles moest ten goede komen aan de daadwerkelijke nood in de droogtegebieden. Verdomme! Ik kon de broeder Urbano niet bereiken en zijn werk aanschouwen. Ik liet het erbij.
Dus die morgen vertrokken uit Joâo Pessoa en ging op weg naar Campina Grande over de br-230. De weg is goed bereidbaar en gaat recht de sertâo in, de half woestijn. We laten het groen achter ons en klimmen talmend de heuvels in richting de markt stad. De zon schijnt goed als ik aankom in Campina Grande (Grote Vlakte), waarvan de geschiedenis verteld dat hier een zekere capitano Ledo arrivverde met een groep Ariús Indianen, die hier begonnen met het land te ontginnen, anderen historica spreken dit tegen en zeggen dat het land allang hiervoor Campina Grande heette, genoemd naar de geografische ligging, voor de mensen die van de hoogvlakte naar de kust trokken.
     Na het vergeefse bellen om de Nederlandse broerder Urbano te bereken, neem ik een bus die me naar het centrum voert. Ik spring ergens bij de Avenida Peixoto uit de bus en ga op zoek naar een hotel. Soms ontwaar je gekken kunstwerken en zo ook het rode gebouw met torentjes. Het hotel heet Mahatma Gandhi, genoemd naar de charisma leider. Lijkt me interessant en dus neem ik een kamer in het gebouw dat nu onderhevig was aan een verbouwing, waardoor het stof, als was een bom door het dak geslagen, de trappen af kwam gedwarreld. nou ja, ik was wel iets gewend. De eigenaresse legt me uit dat ze afstammelinge is van Indiase immigranten en dit wordt dan ook door portretten aan de muren weergeven. Ze verteld verder dat er zelfs een tweede hotel in de stad komt met de naam Indira, en zo zie je maar dat het banale van de heimwee, de mensen achtervolgt tot de genen zich verspreidt hebben in andere contreien. De kind jaren achterna. De kamer op de 3de verdieping blijkt  net zoveel met India van doen als de Amazone met de noordpool. Ik hou van Brazil! Ik besluit naar het museum van de katoen te gaan, het musea do algodâo, een gewezen treinstation, waar de oude stoomlocomotief uit de jaren '20 nog staat te pronken.
                           Doch het gebouw is potdicht, ik zie geen mens en blijkt niet meer in functie te zijn. Nondesju, dacht ik. Ik kon de martelwerktuigen dus niet zien, die de slaven meesters gebruikten tegen de zwarte mensen die op de katoenplantages zwoegde en die de blanke despoot rijk maakte. Niet veel later zit ik op een bank in een parkje, waar mensen hun banale dagelijkse beslommeringen bespreken. Tegenover me zit een vrouw met een beginnende snor en sikje en een oosters uiterlijk. Doordat ze haar haren strak achterover gebonden heeft doet ze mij denken aan een Samoerai strijder of een afstammeling uit het rijk der Mongolen. Ze verteld haar gekke verhalen op haar ingenieuze manier en de mensen lachen, ja, ze kennen haar, ze is een stadsfiguur. Ik slenter verder en kom in een ander park terecht Evaldo Cruz, omringd met grote palmen. In het midden van een uitgedroogde vijver staat een groot soort obeslisk en ik zie dikke bruine waterratten toneel pelen met kakkerlakken. Contrasten zijn sterk en uit de muur die het park omringt komen loden pijpen waar een brijachtige troep uit komt, die weer in de greppel stort van de vijver en een broei plaats voor insecten en muisachtigen, gelegen naast glijbanen voor kinderen.
  Het is verdomme warm en verdomme! waarom is er geen water in de vijver? Bij zijde ligt een ander museum dat van kunst, Assis Chateaubriand. Moderne kunst en abstracte schilderwerken van jonge Braziliaanse kunstenaars uit het noordoosten. Het is een kleurrijke boel. (Later kwam ik er achter dat er zich ook een Luiz Gonzaga museum bevond, jammer.)
                  Ik slenter terug naar het hotel van Ghandhi, waar canabis-hippies langs de straat zitten, koop wat broodjes, fruit en frisdrank voor mijn avondmaal, neem een douche, schrijf wat notities en besluit morgen verder te reizen naar het plaatsje Canguaretama in een andere staat, die van Rio Grande do Norte, waar ik een evangelische familie zal bezoeken. Halleluja!...'

wordt vervolgd...

zicht op het hedendaagse Campina Grande (foto wikipe) Obrigado...
259285-9aa1619ff27917b2843e60f9b951cf70.jpg

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door Storyteller om 00:00 Reageer op dit bericht

JOÂO PESSOA EN CAMPINA GRANDE

EEN STUKJE SERTÂO    :roll:

"....Om vanuit Salvador in Joâo Pessoa te komen, in de staat Paraiba, moet ik twee andere staten doorkruisen, te weten, Sergipe en Alagoas. De twee kleinste staten van Brazilië. De rit doet grote steden aan zoals Aracaju, Maccio en gaat rondom Recife, de stad der riffen. (Op deze stad kom ik later uitgebreider terug). Joâo Pessoa ligt op 125 kilometer verwijderd van Recife en ongeveer 950 van Salvador en mag gezien worden als een van de oudste steden, doch tevens armste van Brazilië, maar met een onverbloemde uitstraling en één van de vriendelijkste steden met lachende opgewektte mensen ondanks de armtierige situatie. Vergeef me, ik was misschien niet lang genoeg in de stad om een ander beeld te vormen, maar dit is mijn intuïte impressie.
   
Het is zes uur in de morgen als ik aankom op het kleine busstation gelegen aan de voorzijde van de Rio Sanhaua. Het is een en al bedrijvigheid, mensen met handelswaar en de geur van broodjes gebakken in palmolie. Daar het busstation zich in de buurt van het centro bevind loop ik die richting uit. Het middelpunt van de stad is een rond meer, dat in de volksmond gewoon 'lagoa' wordt genoemd.
       Rustend op een bank, zie ik de fotografen, die hun oude toestellen op een driepoot aan het instellen zijn. Ze lijken uit een scene van de jaren '20 te zijn verplaatst. Ik kom in gesprek met Marciano, een man van middelbare leeftijd. Hij verteld gemoedelijk over de streek en de stad, die vroeger ook genoemd werd: 'de stad waar de zon het eerste opkomt', en de armoede. Hij werkte in de suikerriet sector en heeft nu een baan als fabrieksarbeider, wat anderen niet kunnen zeggen. Er is veel armoede in de stad zelf, maar zeker in het binnenland. De naweeën van de koloniale periode blijft voelbaar, het grootgrondbezit en de daarmee verbonden kapitalistische houding van enkelingen, zij die denken dat de grond die hun Portugese voorouders ooit claimden, hen vandaag nog toebehoort, vaak zonder wettige documenten, dus illigaal. Ik heb het niet over een grote als een marktplaats, maar zoiets als 1/3 van de Nederlandse prov. Limburg.
            Marciano wijst me de weg verder naar het centrum van de stad, die werd gesticht in 1585 door de Portugezen, na dat ze de indianen hadden uitgeroeid en verdreven. Later werden ook de Fransen die zich daar hadden genesteld verjaagd. De stad  kreeg als eerste de naam 'Nossa Senhora das Neves', daarna werd het Filipeia, naar de Portugese Koning, daarna 'Friedrichstad'(?) na de invasie der Hollanders en noemde zich Paraïba na de verdrijving van de Hollanders uit het noordoosten. Ten slotte kreeg het de naam Joâo Pessoa als een eerbetoon aan een president deze uit de staat kwam en in Recife vermoord werd door een politieke tegenstander.
    Ook deze stad heeft, natuurlijk, haar kerken en kloosters en al zoekend naar een slaapplek passeer ik die van de heilige Franciscus, een 18eeuwse met een oriëntale koepel. Voor de kerk is een plein met in de zij-muren een soort 'alkoven' met religieuze voorstellingen.                                                                                                                    Aan het begin staat een groot stenenkruis met een interessante uitbeelding: een groep fijn bewerkte gebeeldhouwde pelikanen. Deze symboliseren Christus, want ooit geloofde men dat de pelikaan het vlees van haar eigen lichaam aftrok om als voedsel te dienen voor haar jongen en werd aldus aangeduid als de onzelfzuchtige liefde.
      Achter de kerk ligt het convento de Santo Antonio. Door grote bogen zie ik de weelderige tuin vol palmen gelegen rond een fijnbewerkte fontein. Hier zullen de kloosterlingen wel hun dagelijkse wandeling gemaakt hebben om hun levensbeschouwingen een doel te geven. Via enorme houten trappen kom ik, samen met een schone vrouwelijke gids bij de toonzalen me hoge plafonds, diep bruin doorleefde jacarandahout-vloeren, die krakende geluiden veroorzaken onder mijn eveneens bejaarde sandalen. De vrouw is veertig, charmant , klein en geboren in de stad, een echte 'pessoense' met dik zwart haar en een perzikhuid. Een ware nordestina. Ze is maar al te nieuwsgierig naar mijn persoonlijke gegevens. nou ja, die geef ik maar niet zo prijs. Toch de antwoorden op mijn vragen omtrent de cultuur van de stad moet ik aan haar lippen onttrekken, want ze blijkt meer geïnteresseerd te zijn in mij dan uitleg te geven over de museum-items. Ook zeg ze dat ze nooit zal weggaan uit de stad, ze houdt van de kalmte en er is weinig criminaliteit en vooral de vriendelijke mensen.
             Boven komen we in een onvervalst meditatieruimte. In de ronde zijn stoelen geplaatst, niet voor een dans, maar waar de gebeden werden uitgevoerd en gezongen, liederen die de monnikengeest tot kalmte moest manen. Want,  wáren ze niet afgesloten van alles wat hun gevoelens verlangde. Verlangen naar een vrouwenlichaam en liefde? In die tijd was dit uit den boze en lang, tot nu toe verzwijgt men de gevoelens van de inzichzelf gekeerde mannen, die in naam van hun geloof veel moesten verzwijgen en hun gevoelens verwierpen als was het ongedierte doch wat hun gevoelens teweeg bracht kan men zich indenken? Want, zou de nordestina, die ik zo net omschreef, daar in de zaal verbleven hebben, wat zou er dan gebeurd zijn? Zou er toch die stoelendans plaatstgevonden hebben? En zou de heilige Franciscus en Antonius het schaamrood niet op hun kaken gekregen hebben?

    
De Franciscus kerk en het Santo Antonio klooster
252188-3242b5ba19820a478f52feab75188c8b.jpg



In een andere zaal zie ik antieke en moderne schilderwerken, handwerk en kleurige kostuums uit de geschiedenis van noord-oost Brazilië. Zoals de gestalte van de 'Bumba-Meu-Boi' uit Maranhâo. Het beeld een stier uit, die versierd is met zwart zijde en afgewerkt met een waterval aan kitsch-robijnen. De stier is de kern van het geliefde festival dit jaarlijks plaatsvindt in de stad Sâo Luis in Maranhâo. Dan klinken de trommen en de dansers wringen zich in onontdekte artistieke bochten. Ondertussen loop de jonge shone vrouw  bevallig naast me en blijft me vragen stellen over mijn persoon. Ik vraag haar of ze een goedkoop hotelletje weet of 'pousada' een soort herberg,  voor deze gringo met zijn rode rugzak en versleten sandalen . Ze zegt me dat niet ver van de kerk een klein hotel is met de naam 'Rio Verde', waar ik maar eens moest informeren.
Het is nog vroeg in de morgen en ik bedenk of ok langer in de stad zou blijven of doorreizen naar Campina grande, doch het verdiende om iets langer te blijven. Voor ik het hotel opzoek kom ik langs een schamel optrek niet ver van de kerk. Het moet ooit een belangrijk gebouw zijn geweest in de geschiedenis van het noordoosten. Het is het 'Casa de Pólavra' (kruithuis) en dateerd uit de tijd dat de Hollanders en Portugezen vochten om de macht over het suikerrietrijk. Het vuilwitte  gebouw ligt op en nietig heuveltje en ziet er gehavend uit, gelijk een vervallen schuur. Binnen is het ingericht als een museum met en fototentoonstelling over de stad, begin 20ste eeuw. Het blijft altijd een interessant gevoel te denken wat men bekokstoofde in die tijd, velen dingen die het daglicht niet konden verdragen. Nu zaten er twee vrouwen druk te kletsen over de dagelijkse gebeurtenissen, en ondanks de lange tijd tussen de de 17de en 20ste eeuw is het suikerriet toch nog een belangrijke factor alhier. En zo is er ook nog steeds armoede. De vrouwen schenken niet veel aandacht aan deze stoffige reiziger, al leek ik rechtstreeks uit de woestijn te komen, die te onrustig langs de foto's loopt en bezweet heb ik een verlangen naar een stortbad  en een vrouw die me met jasmijn olie relaxeerd.
      Hotel 'groene rivier' heeft een kamertje voor mij,  is 'clean' met douche en naast het bed een kleine radio waar de Braziliaanse klanken me tegemoet komen, veelal Forro muziek, waar Luiz Gonxaga, de meester van is. Ja, ik had wel eens in meer bizarre kamers vertoefd, maar hier was alles schoon, en ik schreef het lied 'Sweet, Donna, Sweet' een ode aan een vrouw in Rio de Janeiro."


wordt vervolgd...
Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door Storyteller om 14:18 Reageer op dit bericht

SALVADOR DEEL 3

"....Als ik het hotel verlaat kom ik in de buurt mijn kleine vriend Arlindo weer tegen. Hij is mulat, zonder huis en waar zijn ouders zijn weet hij niet. Hij steek glimlachend de straat over en begroet me als was ik een oude bekende: '...amigo, heb je niet wat geld voor me? Ik heb honger,' en hij strijkt over zijn buik. Ik geef hem wat geld onder voorwaarde dat hij iets eetbaars koopt. Hij lacht en bedankt me en rent naar de overkant. Ik was hem al eerder tegengekomen, net zoals de andere zwervertjes in de 'cidade alta', de historische kruin van Salvador, waar vroeger de elite woonden. De meeste kinderen vragen 50 centavos, en als ze genoeg bij elkaar verzameld hebben is dit om iets eetbaars te verkrijgen, doch ik zie dat de toereisten, die met kuddes begeleid door een gids, van de ene naar de andere kerk slieren, zich niet veel aantrekken van de kleine 'lastposten', ten minste zo zien velen ze, de kleine schamel geklede mensenkinderen die alsmaar achter hun broeken en rokken aanhangen en blijven volharden.
Lastposten? Verdomme, het zijn gewoon kinderen die proberen te overleven en weten dat de toerist hier meestal goed geld op zak hebben. Of niet soms?                      De kinderen zijn een alledaags verschijnsel in Salvador, voortgekomen uit het millieu waar iedere grote stad mee van doen heeft: armoede. Soms hebben de meest inventierijke zeker hun uitgebreide verhaaltjes om mensen zoals ik, die zijn oor te luister legt, te overtuigen: mijn famlie is arm, ons huisje is net afgebrand, mijn moeder is ziek, mijn broertjes en zusjes lijden honger... maar hoe begrijpelijk is de situatie, hoe intrigerend...
          
De zwarte kokkin in het hotel doet haar werk schijnbaar met blijdschap, een prototype van de Salvadoriaanse vrouw met haar witte hoofddoek en brede glimlach. Flor, is haar naam, bloem. Met haar hab ik af en toe gesprekken over het leven in haar streek. Ze is trots op háár Salvador, en beveelt mij aan terug te komen voor het Carnaval, dit volgens haar, hier groter én fantastischer is dan dit in Rio de Janeiro. Nou ja, Flor lijkt me iets te chauvanistisch, maar dat neem ik haar niet kwalijk. Ze zegt mij dat ze géén banden heeft, of affectie voor het Candomblé, dit hier in Bahia toch wel zeer sterk is.  Haar familie heeft wel die banden, doch zij vindt dit alles iets te 'excentriek', maar haar respect voor de Candomblé, en diegene die het beleiden is groot. Zou ze liegen? Doch waarom? Of is mijn gedachte dat ieder wel een 'band' moet hebben met Candombé, Umbanda of Macumba? Zoals iemand mij ooit verklaarde: ieder Braziliaan, misschien uitgezonderd de mensen uit het zuiden van het land waar de Europese inslag te diep ingeworteld is, heeft wel een raakpunt met de cultus... ook al onkent hij dit, maar die ontkenning is al een betrokkenheid...
     De attentie die mensen aan mijn persoon geven is opvallend.
             Wat is mijn beroep dan wel? Aha... muzikant/journalist...  Wat ik eigenlijk wel bekokstoof in Brazil? Aha... reizen/liefde... Of ik rijk ben? Aha... nada! Veel vragen die een eerlijk atwoord verdienen en Flor schenk me een 'cafezinho', zwart en zoet gelijk haar brede lach.
                                                                    
Ik hou van Salvador! In de beneden stad loop ik langs de winkelstraten, muziek en lieftallige meisjes die aan de deuringangen staan en lachen als engels. Hier is het dagelijkse en commerciële gedeelte van de stad en ik ben blij als ik een 'caldo de cana' karretje zie, het molentje dat met geronk de suikerrietstengels uitperst en een overheerlijk sap achterlaat. Voor mij als een banaan voor een aap. Begrijp u?
     Hier onder bevinden zich ook de dokken en het oude forte do mar, uit de 16de eeuw. Aan de overzijde van de lacerdalift ligt de oude markthal het 'Mercado Modelo', waar van alles wordt verhandeld, handwerk, kunst, in een brede vorm, Candomblé beeldjes, hangmatten, indiaanse voorwerpen, Birambau (houten boog tot 1 1/2 meter langs, met een stalen strak gespannen snaar en een uigeholde kalebas. Door op ritme met een stokje tegen de snaar (veelal gemaakt van autoband) aan te slaan ontstaat een zingend geluid.) tevens grote en kleine Cuica's, sommige gemaakt van cocosnootbast en bespannen met geitenvel. Het is een soort ronker of trekpot, als met met het vochtig zeempje langs het binnenstokje strijkt versprijdt het een exotisch ronkend geluid. Het instrument is geliefd bij het carnaval. Aan de zijde van de hal zie ik de Capoeira dansers, begeleid door de Birambau, klaar om voor toeristen hun kunsten te tonen, zingen en lachend, springend en draaiend als ware circusartiesten of balletdansers van de Afrikaanse binnenlanden. De Afrikaanse ziel die hier in Salvador sterk vertegenwoordigd is, hier is een klein Afrika, hier waar de geesten van de voorouders leven.
Niet ver van hier ligt de terminal der boten vanwaar men een boot naar het wondervolle eiland Itaparica kan nemen, en zoals elk eiland heft ook dit eiland haar geschiedenis. Het verteld dat de jezuiéten zich hier vestigden in 1560, dit nadat de lokale indianen al waren verdreven. Het eiland heeft een zegen aan stranden, mooie vrouwen en fruitbomen, speciaal de manga die in heel Bahia wordt geprezen.
   Het eiland ligt aan de Recôncavo, genoemd naar de boogvormige baai, die haar deze naam ontleent. Ook de streek waar de eerste Portugese plantages werden opgezet. De Recôncavo loopt 150 kilometer langs de kustlijn vanuit Salvador waarna ze uitkomt in de mangrovemoerassen bij de stad Valença. De typische kuststrook is rijk aan palmvolle heuvels tussen de overdadige kustvlaktes en is een van de meest agrarische gebieden van Bahia. De zee van Bahia is helder, blauw als de ogen van haar godin Imanjá...
     Morgen zal ik verder trekken naar mijn volgende bestemming, de stad Joâo Pessoa, veertien uren verder met de bus, in de staat Paraíba. Ik neem afscheid van Flor en het hotelletje met de irreële naam Paris, te onwezelijk voor een stad als Salvador, kijk nog eenmaal naar het beeld van Castro Alves en de baai, en denk an de glimlach van Arlindo, de straatjongen.
Adeus Salvador!

wordt vervolgd....
  
   

DE KERK EN KLOOSTER VAN 'SÂO FRANCISCO'
246070-4c9cad33dc9d6b1dfffaa1794e6a8c21.jpg
Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door Storyteller om 00:00 Reageer op dit bericht

SALVADOR: SLAVERNIJ - impressie

Beeld van ZUMBI in Rio de Janeiro











"... Allen eten van de negerslaaf. Niet enkel de koffiebaronnen en suikerheren, ieder vrij Braziliaan, hoe arm hij ook is, heeft ten minste één slaaf die voor hem werkt!" Joachim Nabuco stelt de ingvreten infectie in vurige toespraken aan de kaak. Nobuco, zoon van een grootgrondbezitter en beroepspolitici, verklaart dat Brazilië de moderne wereld niet zal kunnen betreden zolang de grond en de politiek aan een handvol families toebehoren en zolang het land op de ruggen van de slaven steunt.
  De slavenhandel is al oud, en in Afrika heerste er al lange tijd de gewoonte. In Oost-Afrika waren het de Arabieren die in negerslaven marchandeerden geruime tijd vóór de Spanjaarden en Portugezen slaven naar Europa voerden. Deze hadden al slavenpraktijken voor zij in Amerika voet aan wal zetten. De Spanjaarden maakten gebruik van negerslaven op de Canarische eilanden, en de Portugezen gebruikten ze op de Azuren en op de eilanden in de boog van Biafra. :evil:

Dus toen de bisschop Bartolomé de La Casas de mogelijkheid aanhaalde om negerslaven in te voeren in Latijns-Amerika, ter vervanging van de indianen, die niet zo volgzaam waren, was dit niets nieuws onder de zon.
    Vier eeuwen heeft de slavenhandel zich ontplooid in Latijns-Amerika. Tot laat in de 19de eeuw was het legaal, toen steeds meer landen de slavernij gingen opheffen. Holland was daarbij een van de laatste. Daarna werd de slavernij gewoon illegaal. Het begon eigenlijk allemaal op het moment dat de katholieke Koningen Ferdinand en Isabella in 1510 permissie gaven om 250 christenslaven vanuit Spanje over te brengen naar West-Indië. De blanken waren uitgekookte pappenheimers, want doordat er teveel blanke doden vielen bij het jagen op de slaven aan de Afrikaanse kust door de  Portugezen en Spanjaarden, werden er factorijen gesticht waar de slaven werden ondergebracht, die door de binnenlandse oorlogen of klopjachten waren buitgemaakt door de Afrikanen zelf. En wat kan een volk zich zelf aan doen?
:evil:

Zo liepen de blanken minder risico, en kochten zij de beste slaven gewoon op, rechtstreeks van de factorij, wat ook weer winstgevend was. Dan kwamen de Engelsen, Hollanders en Fransen die al rap de handel overnamen. Ze navigeerde altijd met volgepakte schepen in wat genoemd werd de 'slavendriehoek'.
     Ze namen dan handelswaar mee die zij verhandelde aan de Afrikanen op de factorijen, die weer de negerslaven bezorgden. Deze werden dan in schepen gepropt, om naar Amerika vervoerd te worden. De kapiteins verkochten de slaven, als zij niet op bestelling fourneerde, vaak op eigen houtje, en met het geld kocht men weer goederen in Amerika voor de Europese handel. Wat de Hollanders betreft werd de handel uitgevoerd door de West-Indische-Compagnie (WIC). Het vertrekpunt was meestal Vlissingen, en de Zeeuwen hebben hierin een gewichtig aandeel gehad. : De Hollanders hebben in de 17de en 18de eeuw, naar schatting 1 miljoen slaven getransporteerd, maar hebben in feite een veel groter aantal slaven betaald. De Calvanistische leuze was vermaard: ...als mensen zich ongestraft zo laten behandelen, dan kunnen het geen mensen zijn, en mag men hen dus zo behandelen... :twisted:
    
De negerslaven hebben echter nooit rust genomen met hun fatum, en er ontstonden verzetsstrijden. Dit ging zover dat velen zich al op de schepen het leven ontnamen, anderen poogden te vluchten. Maar er waren slaven die de strijd aangingen, en in Brazilië ontstonden de 'QUILOMBOS' (ik schrijf dit woord in hoofdletter, daar het een woord van vrijheid en verzet is,  noot Wayn).
   Dit waren goed op touw gezette rebellenbendes, die in de 17de eeuw overgongen tot het stichten van 'Palmares', een republiek in het noordoosten van Brazilië in de staat Pernambuco, met als leider ZUMBI. De strijd en de dood van Zumbi zijn tegenstrijdig, daar hij een vechter was, die de dood tegemoet zag komen als een schim: hoofd van de de dorpenfederatie in Pamares was Ganga Zumbi, een neef van Zumbi. Ganga Zumbi pleegde verraadt door over te lopen naar de gouverneur van Pernambuco Sousa de Castro, die hem in 1687 de titel hoofdofficier bezorgd. Tussen de afgevaardigden van de Koning van Portugal en vertegenwoordigers van Palmares wordt een akkoord gesloten dat een ontruiming inhoudt. Iedereen die in Palmares geboren is zal vrij zijn, maar de gebrandmerkte slaven zullen terug gestuurd worden naar hun tegennatuurlijke meester.
    Zumbi geeft zich niet over en blijft in Macaco, de hoofdstad van Palmares. Hij wil niets weten van de overeenkomst, en van de 30.000 bewoners gaat slechts de helft met Ganga Zumbi mee, voor de overigen is hij een verrader. De woorden van Zumbi zijn sprekend: "Ik geloof niet in het woord van mijn vijanden, mijn vijanden geloven elkaar niet eens."

"... Diepten in het landschap, dalen van de ziel.
Zumbi rookt een pijp, de blik rustend op de hoge roodgeblakerde rotsen en de holen als open wonden, en hij ziet niet dat de dag aanbreekt met vijandig licht, noch dat de vogels verschrikt in zwermen vluchten. Hij ziet niet dat de verrader nadert, hij ziet dat zijn kameraad komt, Antonio Soares, en staat op en omhelst hem. Antonio Soares laat de dolk verschillende keren in zijn rug neerkomen.
   Ze steken Zumbi's hoofd op de punt van een lans en brengen het naar Recife, zodat het op het plein kan vergaan en de slaven weten dat ZUMBI niet onsterfelijk was.
Palmares ademt niet meer.
Zumbi is dood... "
wayn

Doch, wat is er eigenlijk veranderd? De vrije slaven behoorden sinds de afschaffing van de slavernij tot de noodlijdenste laag van de bevolking. Nu, zijn de afstammelingen van de slaven er niet veel beter aan toe in Brazilië. Neen, ik ben geen pessimist, doch ik moet dit helaas stellen. De strategie die eens bedoeld was om de achterstandssituatie te minusculeren werd gewoonweg niet uitgevoerd. De zwarte bevolking is immer gekleineerd geworden door de  kleine blanke bovenlaag, en het eerste waar de rijke blanke aandacht was bij de vraag, hoe ze de vrijgekomen slaaf als goedkope arbeidskracht verder konden benutten.
    Want wat ging er gebeuren als men de zwarte medemens een goed onderricht zou geven? Dat zou er alleen maar toe leidden dat er minder goedkope arbeidskrachten waren. In de eerste jaren der afschaffing bleven dan ook veel zwarten op de -fazendas- (grote boerderijen) werken van hun voormalige slavenmeester. Er was geen alternatief. De hedendaagse neger is nog steeds de arme kleine boer, of één, van de velen die naar de grote steden trekken om daar te leven in de favela's, en werk op te knappen waar de blanke zijn neus voor ophaalde. De slavernij werd eigenlijk louter vormelijk rechtskundig afgeschaft, maar op de grote fazenda's en plantages in Brazilië wordt deze echter nog met regelmaat bedreven. De informele sector is dan ook geen keuze te noemen, maar een noodzaak!
    De schoenpoetsers, autowassers, straatverkopers, mensen met reclameborden rondlopend, zwervers en bedelaars zijn dan ook merendeels halfbloed of neger. In Brazilié bestaat geen zichtbare discriminatie op grond van huidskleur, daarvoor heeft de vermenging van blank en zwart er een te grote stempel opgedrukt. Doch verschil is er duidelijk. Waarom ziet men in de politiek bijna geen zwarte in de regering? Alleen blanken van betere komaf, en zoals mijn oom, de Maastrichter missionaris Tum Pieters ooit zei: 'kijk, alle kopstukken in de Braziliaanse politiek zijn blank,  velen van Arabishe en of van Joodse komaf...'
        In dit veband citeer ik hem verder: '...De Arabieren en Joden kwamen uitzonderlijk, door de vervolging te ontvluchten, in de eerste eeuwen van de kolonisatie naar Brazilië om meer geloofsvrijheid te hebben, omdat ze volgens hun geloof geloofden dat Jezus een profeet  was en niet de zoon van God. Hier in Brazil zijn ze bekend onder de naam Turcos en Judeas. Ze zijn herkenbaar aan de baarden, dichte krulharen en wenkbrauwen, dikke lippen en het gerief van praten. Vele bekende figuren zijn afstammelingen van hebreeëuw en Arabieren zoals o.a de gewezen president Kubischeck...' Aldus mij oom, maar is dit niet gerechtvaardigd? Al beleid deze stelling meer uitleg.
              Doch waarom zijn negen van de tien zwarte mensen te vinden in de sloppenwijken of op het platteland? Waarom is 90% van de kinderen die geen onderwijs volgen gekleurd?
Waarom hebben de de meeste straatkinderen een negroïede inslag?



wordt vervolgd.....
Hoe vind je dit bericht? 6 stemmen
Geschreven door Storyteller om 09:52 Reageer op dit bericht

SALVADOR - Wat zijn ex-voto's?

Letterlijk vertaald een ex-gelofte of woord-van-eer. Men kan het eigenlijk zien als volgt: Het zijn giften van mensen om de Santos, (heiligen) er aan te herinneren wie zij zijn en wat ze willen dat de hogere macht, het kan bv ook Jesus zijn, voor hen kan doen.
   Er zijn mensen die giften achterlaten als dank en toewijdeng voor de geest van de Santo, en dan wordt het tevens 'pagando o promessa' genoemd, zoiets als 'belofte betalen'.
  Wanneer ik de ruimte betreed ga zie ik wat er bedoeld wordt; het plafond is behangen met houten en plastieken lichaamsdelen: benen, armen, borsten, hoofden, longen en hart. Deze worden daar bevestigd door mensen die in de knoei zitten en verontrust zijn betreffende een chirurgische ingreep, maar er hangen ook, zelfs, zilveren lichaamsdelen, die een gift moeten zijn als dánk voor de geslaagde ingreep.                  
Aan de muur bevinden zich duizenden kleine foto's en briefjes van smekende mensen die tussenkomst vragen, of dienen als dank voor de bewezen hulp. Veel van de smeekbedes zijn teerhartig zoals voor het redden van een kind, of voor de goede terugvaart van  vissers en zeemensen, maar ook het meer bizarre als het succes voor een lied, het winnen van een voetbalclub. Een ander buitensissig gegeven zijn de foto's die er gehangen zijn door mensen die het geluk hadden een ramp te ontkomen. Ik zie op de foto's mensen die weglopen bij een auto-ongeluk, geweldige vuren waaraan ze ontsnappen en vele andere netelige situaties. Ze willen aantonen dat hun geluk en leven in de handen ligt van de Senhor, of hoe men hem ook mag noemen, of wie men voor ogen heeft. 

Via en trap bereik ik het kleine museum. Dit is volgepropt met oude materie. Er zijn hier gebeden te vinden van kolderieke aard zoals het welslagen van een diploma, een millitaire ere-medaille dit moet dienen tot een hogere rang, het liefst generaal natuurlijk. Klote, denk ik, want sommige idioten zouden zelfs kunnen smeken voor het winnen van een oorlog. Neen, het géén naieve gedachte van mij, maar een studie.
     Ik zie de vele beelden van heiligen en wederom de insane objecten die ik al eerder noemde, maar ook mensen stervend in het zweet van malaria of de pleuris, zijn neergeschoten of een geslachtsziekte, doch ze hebben het gehaald, ze hebben overleefd en dank zij de hulp van de 'Senhor. Ten minste dat is hét radicale uitgangspunt van de meute.
En doen de Christenen in de Roomse landen niet hetzelfde? Klampen die zich vast aan de beelden en kaarsen?
In een  glazen kast zie ik het meest ridicule, daar waar de meest belangrijke ex-voto's zich bevinden in de vorm van zilver, de vitrine ligt vol met: hoofden, longen, darmen, oren, ogen, neuzen, nieren en ga zo maar door. Het is alsof de stof 'zilver' de 'heer' kan overtuigen van de gevraagde hulp letterlijk te verzilveren, al lijkt mij deze woordspeleing te essentieel aan de verwachting. Simpel gezegd: er word dus de Heer dat iemand met een hartprobleem verlost kan worden van deze kwaal, door het schenken van een kostbaar zilveren hart. Kan het zo zijn dat, hoe meer zilver of een laagje goud, de overlevings kans groter is? Bullshit! Ik blijft er in 'geloven' dat 'geloof' één van de meest verwachtingsvolle gedachten zijn die de mens koestert, en heeft voor de eene een diepere betekenis dan voor de ander, die dit als onzin beschouwen.
      Maar hoe zal het zijn als de 'Senhor' werkelijk niet helpt? Als het natuurlijk aspect te schrijnend is, als de heiligen géén hulp bieden, als een kind toch sterft, als een ziekte níet overwonnen kan worden! Dat er miljoenen mensen sterven van honger en ziektes, waar geen enkele 'Santo', een invloed op heeft, alsof er in Zuid-Amerika,, Afrika, India  geen heiligen bestaan. Als de Heer moet strijden met de duivel... Ja, daar zijn de mensen het niet over eens, en leggen dan alles in de hand van de 'God', die toch eigenlijk weer hoger staat dan, zelfs hoger als de Heer van Bonfim, ja, ook hier heeft men standen, verdomme, de kasten der heiligen! Men kan soms bidden als de waanzinnigste, kaarsen aansteken voor de super-heiligen, maar als het lot de menstreft, dan is het voorbij! En het is dan zo gemakkelijk om te zeggen: 'Het was God's wil', te gemakkelijk. Het heeft geen raakpunt. Geen enkel!
   Ik weet dan alles gerelativeerd kan worden, en geloof is een optie, maar géén zekerheid. De natuur is het sterkst en is er leven na de dood? Is er een terugkeer? Paradijs? Boetenland? Hel? zoals de zwartrokken mij vroeger als kind wijsmaakten? Neen, ik weet dat een mens die goed en rechtvaardig geleefd heeft, zal zweven tussen de sterren, of zal terugkeren als goed mens, want de geest zal nimmer vervagen.

Buiten op het plein eet ik mijn -aracajé-broodje- en drink een guarana om de peper weg te spoelen. De kleurige huisjes rondom hebben een myhthe-achtige sfeer die zo typisch is voor Bahia, en de lichte windbries, die van de zee komt, draagt  een  odeur die zilt is, terwijl ik wacht op de bus die me terug brengt naar het centro.
    De zon staat broeierig en tegen de blauwe hemel staat het beeld van Castro Alves, die men toch mag zien als een van de grootste dichters van de Braziliaanse romantische periode, hij die de lijdensweg van de slaaf beschreef, die schreeuwde voor hun vrijheid, de emancipatie, weg naar begrip. Hij werd de actieve voorvechter van het abolitionisme, en samen met mensen als Rui Barbosa en Luis Gama ( die letterlijk door zijn vader in Bahia werd verkocht als slaaf) sloot hij zich aan bij José Bonifacio, die vanuit de universiteit van Sâo Paulo een groep abolitionisten aanvoerdde.
   Alves werd niet oud en leefde van 1874-1871. Hij werd amper vierentwintig, een te korte tijd om mee te maken dat er op papier een einde werd gemaakt aan de slavernij. Hij stierf aan tuberculose.
Uit het boek 'Os ulimos anos da escravatura no Brasil' ( De laatste jaren der Braziliaanse slavernij) uit 1975 citeer ik de schrijver Robert Conrad, dit om een intens, doch kort beeld te scheppen van de slavernij:


wordt vevolgd....
  
Museum van 'ex-votos' in kerk van 'Senhor de Bonfim'
240599-4d15e0c7e4e7c6791e3f890e9b9295b4.jpg

museum relikwie
240599-eb3a234cbfc2e7a369b549dc6e3b826d.jpg
Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door Storyteller om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van BRASIL / impressies / reisverhalen

↑ Terug naar de berichten