Naar de inhoud

Djumbodicht

Doorway to my soul
akke.beakke.be
Werd ontworpen voor een schermresolutie van 1440 x 900
De keuze van gedichten is uiteraard heel persoonlijk. Als kind verzamelde ik al gedichten die ik mooi vond.
Indien door het publiceren de rechten op "je" gedicht geschonden worden, laat het mij even weten, dan verwijder ik het onmiddellijk.
Voor de foto's heb ik zoveel als mogelijk de toelating gevraagd van de fotograaf,
maar hier ook geldt hetzelfde als voor de gedichten.

46 - Jacques Prevert - Dejeuner du matin

 Dejeuner du matin

Il a mis le café
dans la tasse.
Il a mis le lait
dans la tasse de café.
Il a mis le sucre
dans le café au lait.
Avec la petite cuiller
il a tourné.
Il a bu le café au lait
Et il a reposé la tasse
sans me parler.
Il a allumé
une cigarette.
Il a fait des ronds
avec la fumée.
Il a mis les cendres
dans le cendrier
Sans me parler.
sans me regarder.
Il s'est levé
il a mis
son chapeau sur sa tête
il mis son manteau de pluie
Parcequ'il pleuvait.
Et il est parti
sous la pluie
sans une parole
sans me regarder.
Et moi j'ai pris
ma tête dans ma main
et j'ai pleuré.

(Jacques Prevert 1900 - 1977)

45 - Luc De Mey - Kerstmis



om te smaken van de vrede
ons beloofd door 't kerstmiskind
wil ik doen als velen deden
wil ik luisteren naar de wind

en ik hoor de storm sneeuwen
op de bomen in het veld
op de jaren, op de eeuwen
zo wordt kerstmis ons verteld

om te smaken van de vrede
wil ik worden als een kind
ach, hoelang is het geleden
dat ik werkelijk heb bemind

en terwijl de mensen geeuwen
- niemand kan de wind verstaan -
blijft het buiten steeds maar sneeuwen
tot de winter is gedaan

(Luc De Mey 1943 -      )
(Foto Xmas by M De Mey)


43 - Jeroen Swaan - Bankje


bankje

bankje

iets in mij gelooft
dat ik duizend jaar zal worden
of minstens toch de helft
maar zeker wel een kwart
en dat ik dan nog steeds
geniet van onze liefde
minstens met mijn geest
maar zeker met mijn hart

iets in mij gelooft
dat ook jij zolang zal leven
of minstens toch zo lang
als dat ik leven mag
en dat wij dan nog steeds
hier op dit bankje zitten
minstens hand in had
maar zeker met een lach

(Jeroen Swaan  1955 -         )



42 - Karel van den Oever - Dinska Bronska

Dinska Bronska

Uit een oud dorp
- kameelbruin als de steppe -
uit Plocka
kwam Dinska Bronska.
Haar hoofddoek was pruissisch-blauw
en heur haar vlasgeel;
ook waren haar ogen blauw
als fjord-water.
Zij rook naar knoflook en spar,
zij droeg laarzen
en ging zeer zwaar en gauw.
In het "Hotel Lapland" zat zij
bij een tafel aan het straat-raam
zij schreef 'n brief.
Een haarlok viel laag op haar rode kaak
en zij stak haar tong uit,
want zij schreef moeilijk die brief
en daaronder 'Dinska Bronska', haar naam.
Ze stak ook de penstok in haar mond
en zocht met haar ogen langs het plafond.
Op het papier waren 'n inktvlek
en groot gestrompel van letters:
zij kocht het voor tien centiem
in de kruideniers-zaak
over het hotel.
Er was 'n beetje inkt aan heur kaak.

O, Dinska Bronska;
gij vertrekt naar Canada:
de verroest stoomboot wacht langs de kaai.
Gij laast op een almanach
der 'Red star-Line'
dat Canada groter appels,
o, hoger en geler koren heeft dan Plocka.
Het moet in Canada veel beter zijn!

O, Dinska Bronska,
met je zeer dikke vingers:
je schrijft zo moeilijk die brief.
Je ogen zoeken vliegen op het plafond.
'Moj Boze!'
Er zit 'n tranen-veeg,
o zo verdrietig,
van je blauwe ogen naar je mond.
O, Dinska Bronska!

(Karel van den Oever - 1879 - 1926)

41 - Willem Kloos - "Ik ween om bloemen ..."

Ik ween om bloemen in den knop gebroken
En voor den uchtend van haar bloei vergaan.
Ik ween om liefde, die niet is ontloken,
En om mijn harte dat niet werd verstaan.

Gij kwaamt, en 'k wist - gij zijt weer heengegaan...
Ik heb het nauw gezien, geen woord gesproken;
Ik zat weer roerloos na dien korte waan
In de eeuwge schaduw van mijn smart gedoken:

Zo als een vogel in den stillen nacht
Op eens ontwaakt, omdat de hemel gloeit,
En denkt, 't is dag, en heft het kopje en fluit,

Maar eer 't zijn vaakrige oogjes gans ontsluit,
Is het weer donker, en slechts droevig vloeit
Door 't sluimerend geblaarte een zwakke klacht.

(Willem Kloos - 1904 - 1960)

(foto how sad!! by Thursday )


40 - Neeltje Maria Min - Mijn moeder is mijn naam vergeten




Mijn moeder is mijn naam vergeten.
Mijn kind weet nog niet hoe ik heet.
Hoe moet ik mij geborgen weten?

Noem mij, bevestig mijn bestaan,
Laat mijn naam zijn als een keten.
Noem mij, noem mij, spreek mij aan,
o, noem mij bij mijn diepste naam.

Voor wie ik liefheb, wil ik heten.


(Neeltje Maria Min 1944 -      )

(foto One more by Sappa)


39 - Marijke Hanegraaf - Hoe iemand voor een ander bestaat


Hoe iemand voor een ander bestaat


een vrouw loopt in de stationshal van de ene uitgang
naar de andere, net als iedereen, maar traag.

Je weet nog niet hoe gewaagd haar tempo is
en hoeveel te snel.

Door hun gejaag vervagen de overige passanten
tot strepen in de opname.

Wonderlijk hoe de vrouw door haar traagheid
afzonderlijke reizigers samenvoegt tot haar achtergrond
en hoe er een gebied ontstaat waar je oog op rust.

Net als iedereen loopt de vrouw in een lijn die ongeveer recht is,
tot haar ene voet hapert. Ze zet hem neer

maar iets te laat en er valt een leemte van een seconde
in de zorgvuldig opgebouwde regelmaat.

Haar voeten raken uit de richting, de vrouw
staat bijna stil, praat in zichzelf, doet alsof
haar niets ontschoten is, probeert een uitgang.

Als je even niet kijkt is ze weg.
Merkwaardig hoe ze een leegte beslaat.

(Marijke Hanegraaf 1946 -     )

38 - Anna Enquist - Voor Hobo en Piano





Voor Hobo en Piano


Zij heeft het riet in huis gehaald waar, altijd
met een zweem van streling, snaren klonken. Zij
wil niet als de klarinet behagen, niet verlokken
als de fluit. Zij stelt. Zo eenzaam heb ik haar
als meisje nooit gehoord. Met haar oprecht en
puur geluid blaast zij zich daaglijks verder weg.
Wat nu? Ik bied haar fluisterende tegenstemmen
op het aangetast gebit van mijn klavier, ik vang
mijn grote kind nog in een uitgerekt accoord
maar ga haar toevertrouwen aan de tegenwind.

(Anna Enquist 1945 -       - uit Kerstmis in februari)

37 - Adriaan De Roover - Ergens






Ergens


ergens hinken angsthengsten
door de stilte van het gras
de wind draagt
het gerucht van vlinders
die verwaand hun vleugels sluiten

mijn reis is ver ten einde
ik ruik de sterren al
en zweef in steeds wijder bogen
om de mensen heen
om aan de schreeuwgrens
neer te strijken ergens
in wat nagelaten verzen

(Adriaan De Roover  1923 -     )

36 - Rick De Leeuw - Aan Tafel




Aan Tafel


thuis aan tafel
schaamteloos weemoedig
breng ik mezelf terug naar de bossen
om hand in hand te wandelen
met de herinnering aan wat je zei
en wat ik zei en hoe je lachte
en hoe ik lachte en toen al wist
hoe ik later thuis aan tafel
zou denken aan nu
aan hoe we leven in flarden en
altijd op weg naar wat komt
achterlaten wat ons thuis aan tafel
zo schaamteloos weemoedig maakt

(Rick De Leeuw 1960 -      )
(Foto Thuis aan Tafel - Mich De Mey)

35 - Johan Daisne - Goudvis





Goudvis


Ons kleine goudvisje is dood.
Slechts sinds een maand onze genoot,
en toch - 't laat een gevoel van nood.

Omdat, mijn kind, ook een pink groot
een vis een sprankel Leven is.

Dag, huissardijn.
Groet aan de grote mandarijn.

(Johan Daisne 1912 - 1978)
(Foto Fredo met Plons - Mich De Mey)

34 - Karel van de Woestijne - Wijding aan mijn vader




Wijding aan mijn vader


o Gij, die kommrend sterven moest, en Vader waart,
en mij liet leven, en me teeder leerde leven
met uw zacht spreken, en uw streelend hande-beven,
en, toen ge stierft, wat late zon op uwen baard;

- ik, die thans ben als een die in den avond vaart,
en moe de riemen rusten laat, alleen gedreven
door zoele zomer-winden in de lage reven,
en die soms avond-zoete water-bloemen gaart,

en zingt soms, onverschillig; en zijn zangen glijden
wijd-suizend over 't matte water, en de weiden
zijn luistrend, als naar eigen adem, naar zijn lied....

Zoo vaart mijn leve' in vrede en waan van dood begeeren,
tot, wijlend in de spiegel-rust van dieper meren,
neigend, mijn aangezicht uw aangezichte ziet.

(Karel van de Woestijne 1878 - 1929)
(Foto Middelheimweerspiegeling - Mich De Mey)

33 - Remco Campert - iemand stelt de vraag 1

iemand stelt de vraag 1

het was een geweldig feest
er stierven drie mensen
een van ouderdom
een door alcohol
een omdat hij vocht met de slang

O maar er werd gezongen
gedanst en gedronken !
de pijp ging rond en de pruim
oude verhalen werden nieuw
opa's stonden in hoog aanzien
die zeiden dat het zo altijd was geweest
en altijd zo zou blijven
en de kinderen bleven erbij
tot ze niet meer konden.
O maar er werd gedanst
en gevrijd bij het leven
een dag een nacht en een dag !

tot het zout op was
de kruiken leeg
en de schelpen door de kroegbaas
weer afgepakt
toen wankelden ze lachend de berghelling op
sliepen hun roes uit in het lange gras
een nacht een een lange dag

terwijl ze sliepen
reden
beladen met het werk van hun handen
in kratten en balen verpakt
in bewaakte colonnes
de vrachtwagens naar de stad

de stad van de banken en congressen
de stad van de krotten en open riolen
de stad van de mooie dames met chauffeur
de stad van de hoeren voor een knaak
de stad waar iedereen het zout in de pap verdient
iedereen die een vinger in de pap heeft
de stad waar ze altijd van droomden
de stad die ze nooit zouden zien

(Remco Campert 1929 -       )

32 - Remco Campert - Iemand stelt de vraag 2


iemand stelt de vraag 2


Verzet begint niet met grote woorden
maar met kleine daden

zoals storm met zacht geritsel in de tuin
of de kat die de kolder in z'n kop krijgt

zoals brede rivieren
met een kleine bron
verscholen in het woud

zoals een vuurzee
met dezelfde lucifer
die de sigaret aansteekt

zoals liefde met een blik
een aanraking iets dat je opvalt in een stem

jezelf een vraag stellen
daarmee begint verzet
en dan die vraag aan een ander stellen

(Remco Campert 1929 -      )

31 - Remco Campert - Iemand stelt de vraag 3

iemand stelt de vraag 3

iemand weigert de schelp
iemand houdt op met dansen
iemand smijt de kroegbaas de kruik in 't gezicht
iemand zegt opa de pest met je oude verhalen
iemand wil het alfabet leren

iemand pakt de opzichter z'n zweep af
iemand steelt een geweer
iemand zegt dit is mijn grond
iemand staat zijn dochter niet af aan de landheer
iemand antwoordt niet met twee woorden

iemand houdt zijn graan verborgen
iemand viert geen feest als de vrachtwagens komen
iemand spuugt op de grond als hij de soldaten ziet
iemand snijdt de banden door
iemand verschuilt zich in het woud

iemand droomt niet meer
iemand richt zich op
iemand is voor altijd wakker
iemand stelt de vraag
iemand verzet zich

en dan nog iemand
en nog iemand
en nog

(Remco Campert - 1929  -        )
(Foto - Lisa Van Damme - Worldpress)

30 - Charles Baudelaire - L'Etranger








L' Etranger


"Qui aimes-tu le mieux, homme énigmatique, dis?
ton père, ta mère, ta soeur ou ton frère?
    - Je n'ai ni père, ni mère, ni soeur, ni frère.
    - Tes amis?
    - Vous vous servez là d'une parole dont le sens
m'est resté jusqu'à ce jour inconnu.
    - Ta patrie?
    - J'ignore sous quelle latitude elle est située.
    - La beauté?
    - Je l'aimerais volontier, déesse et immortelle.
    - L'or?
    - Je le hais comme vous haïssez Dieu.
    - Eh ! qu'aimes tu donc, extraordinaire étranger?
    - J'aime les nuages... les nuages qui passent... là-bas...
là-bas... les merveilleux nuages!"









De Vreemdeling


"Zeg eens, mysteriuze man, van wie houd je het meest? Van je
vader, je moeder, je zus of je broer?"
    'Ik heb geen vader, geen moeder, geen zus en geen broer.'
    "Van je vrienden?"
    'Daar gebruikt u een woord waarvan ik de betekenis tot
op heden niet ken.'
    "Houd je dan van je vaderland?"
    'Ik weet niet waar dat op aarde zou kunnen liggen.'
    "Van de schoonheid?"
    'Van haar zou ik graag willen houden, Ze is immers
goddelijk en onsterfelijk.'
    "Van geld?"
    'Ik haat het zoals u God haat.'
    "Maar waar houd je dan van, zonderlinge vreemdeling?"
    'Ik houd van de wolken... de wolken die voorbijgaan...
daarginds... daarginds... die wondermooie wolken!"

(Charles Baudelaire 1821 - 1867)

29 - Bertus Aafjes - Thebe

Thebe

Met leven toegerust voor beiden,
liep ik vannacht de gangen in,
die naar u leiden.
Het ondergronds geburchte droeg
een stilte, die met tegenzin
mijn tred verdroeg.

De muren stonden als verzadigd
van ruige schimmel; lucht en licht,
voorgoed beschadigd,
beten mij uit; de wil alleen
bij u te zijn in 't jongst gericht,
hield mij ter been.

Het labyrinth verliep in schroeven
van eender, blinder cirkeling.
U ten behoeve?
Ik weet niet meer hoe lang ik ging.
Hoe brachten zij, die u begroeven,
zover een ding?

Totdat mijn voeten op u stuitten:
uit een volgslagen duisternis
zag ik uw ogen opensplijten;
uw handen, die ik niet kon tillen,
voelde ik langs het leven strelen,
dat in mij sloeg;
uw mond, in dood verholen, vroeg.

Een taal waarvoor geen teken is
in dit heelal,
verstond ik voor de laatste maal.

Maar had geen adem meer genoeg
en ben gevlucht in dit gedicht:
noodtrappen naar het morgenlicht
vervaald en veel te vroeg.

(Bertus Aafjes 1914 - 1993)
(foto Inner sarcophagus of Merit   by Ji Ka)

28 - Hans Andreus - Boombeschrijving



Boombeschrijving


Bomen zijn werkelijk.
Hun bladeren praten werkelijk...,
met woorden veelzeggend en letterloos.

Hun toppen zingen.
Hun stammen zwijgen
hoorbaar.

Hun wortels houden
van de aarde.

Bij een boom
staande moet ik wel
ademen als een boom.

Naar een boom
ziende zie ik
hemel en aarde in elkanders
armen.

Want de boom,
Een boom is een bruiloft.

(Hans Andreus - 1926 - 1977)


27 - Bart Moeyaert - Eeuwigheid

Eeuwigheid

Er zijn plekken
waar ik zonder glimlach
niet meer langs kan.
Ooit is daar een grap
verteld, een kus geroofd,
iets voor het eerst gedacht.
Ter hoogte van mijn oor,
bijvoorbeeld,
heb jij me op een nacht
beloofd dat eeuwigheid
een leugen is, maar dat het
daarom tussen ons niet
minder lang gaat duren.
Meer woorden waren er
niet nodig - een mond
spreekt van zichzelf al mooi
en huid heeft een geheugen.
Jij blijft mijn hals, mijn navel,
mijn holte van mijn knie
voor altijd bij.
Zonder glimlach kan ik
aan geen plek voorbij.

(Bart Moeyaert - 1964 -        )

Meer van Djumbodicht

↑ Terug naar de berichten