Hugo Schiltz
Hugo Schiltz was zonder twijfel de meest invloedrijke Vlaams-nationalistische politicus van de 20ste eeuw. Samen met o.m. Wilfried Martens en Jean-Luc Dehaene was hij één van de architecten van het federale België.
Schiltz werd geboren op 28 oktober 1927 in Borsbeek. Hij studeerde aan het Vlaamsgezinde Xaveriuscollege en werd tijdens de oorlog lid van de Nationaal-Socialistische Jeugd Vlaanderen (NSJV). Tijdens de repressie verbleef hij daarvoor als 17-jarige enkele maanden in de gevangenis. Hij ging in Leuven rechten, economische wetenschappen en thomistische wijsbegeerte studeren. Hij kwam er in contact met gelijkgezinde studenten zoals Manu Ruys en Karel Hemmerechts. Tijdens die periode kreeg zijn Vlaams-nationalisme stevig vorm.
In 1953 vestigde Schiltz zich als advocaat in Antwerpen. In ’58 werd hij dankzij een akkoord tussen de CVP en de VU verkozen in de gemeenteraad als onafhankelijke op een CVP-lijst. In 1963 werd hij officieel lid van de VU. Reeds twee jaar later werd hij verkozen als Kamerlid, wat hij ook tot 1991 zou blijven. Daarna zetelde hij tot 1994 in de Senaat.
Hugo Schiltz liet zijn invloed op de partij al snel duidelijk gelden. Hij introduceerde meer linkse Vlaams-nationalisten zoals Maurits Coppieters en Nelly Maes in de partij en verruimde het programma van de VU met aandachtspunten die het communautaire overstegen. Het zou dan ook niet lang duren eer Schiltz zich naar de top van de partij zou werken. Ondanks de morele autoriteit die hij in die jaren had opgebouwd verliep dat niet van een leien dakje.
In 1973 besliste de partijraad van de VU om een vernieuwing aan de partijtop te laten plaatsvinden. Frans Van der Elst en Wim Jorissen waren immers al bijna 20 jaar respectievelijk voorzitter en secretaris van de partij. Na al die jaren stonden een heleboel jongere figuren klaar om door te stomen naar de top. Van der Elst en Jorissen zouden tot 1 januari 1976 hun functies behouden, maar intussen zou de partijraad wel een voorzitter en secretaris van het partijbestuur kiezen.
Voor het voorzitterschap kandideerden Hugo Schiltz en Evrard Raskin. Raskin was op dat moment Kamerlid en Eerste Schepen in Eigenbilzen. Hij was ook de favoriete kandidaat van Van der Elst en Jorissen. Hugo Schiltz daarentegen had zich op eigen kracht naar boven gewerkt. Hoewel zijn staatkundige ideeën helemaal in de lijn van Van der Elst lagen, verschilden zijn stijl en aanpak grondig van de oude voorzitter. Hij was dan ook een figuur die niet bij iedereen in de smaak viel. De partijraad van oktober 1973 kende een dramatische uitslag. Schiltz en Raskin behaalden precies evenveel stemmen. De statuten schreven in dat geval voor dat de oudste het pleit won, en dat was Schiltz. Raskin werd secretaris van het partijbestuur.
Op weg naar het algemeen partijvoorzitterschap lagen voor Schiltz nog meer wolfijzers en schietgeweren. Toen de VU in 1974, ondanks licht verlies, door Leo Tindemans werd uitgenodigd voor regeringsonderhandelingen, vergde dat van de meeste partijleden een grote mentale omslag. Schiltz had altijd al volgehouden dat regeringsdeelname de enige weg was om het federalisme te realiseren. Maar de gesprekken in Steenokkerzeel over een toetreding tot de regering liepen spaak op de Franstalige eis om van Brussel en volwaardig gewest te maken en de VU-vraag om amnestie. Tindemans verkreeg wel dat de VU en de RW een minderheidsregering zouden steunen. In ruil daarvoor zou de dialoog van gemeenschap tot gemeenschap worden voortgezet. Voor Schiltz was het alvast een overwinning dat de VU de stap had gezet van eeuwige oppositiepartij naar potentiële regeringspartner.
Toen in 1975 een nieuw partijbestuur zou verkozen worden kreeg Schiltz met name van de rechterzijde van de partij hevige tegenwind. In de loop der jaren hadden er zich te rechterzijde allerlei ongenoegens opgestapeld: Steenokkerzeel, ethische kwesties, de pacifistische opstelling van de partij. Schiltz’ pragmatisme werd in die kringen dan ook afgedaan als ‘besluiteloosheid’ en ‘machtsgeilheid’. Maar ook aan de top van de partij had men problemen met Schiltz. Van der Elst en Jorissen bezorgden de partijraadsleden voor de verkiezingen nog een vertrouwelijke brief waarin zij zich uitspraken tegen Schiltz. Ondanks alle tegenkantingen versloeg Schiltz zijn tegenstanders Vic Anciaux en Hector De Bruyne met sprekend gemak.
In mei ’78 werd de VU opnieuw uitgenodigd om over een staatshervorming te onderhandelen. Samen met de CVP-PSC, de socialisten en het FDF werd het Egmontpact uitgewerkt, dat onder meer de rechtstreekse verkiezing van de gewestraden en een eigen executieve (regering) voor gewesten en gemeenschappen voorzag. Schiltz was een fel verdediger van het pact en hij overtuigde zijn partij om in de regering Tindemans II te stappen om het pact te kunnen uitvoeren. Toen in het najaar van 1978 het Egmontpact strandde en de VU een zware verkiezingsnederlaag liep, nam Schiltz ontslag als partijvoorzitter.
In 1981 keerde hij al terug als ondervoorzitter van de partij. Hij werd minister van begroting in de eerste Vlaamse Executieve die na de grondwetsherziening van 1980 van start ging. In de tweede helft van de jaren ’80 werkte hij samen met Jean-Luc Dehaene een nieuwe staatshervorming uit. Hij leidde zijn partij opnieuw in de regering en werd vice-premier en minister van begroting. Wilfried Martens kreeg de staatshervorming echter niet rond. Een rel over de uitvoer van wapens was voor de VU de aanleiding om de deur achter zich dicht te slaan en de regering Martens VIII te doen vallen.
In 1992 werd Hugo Schiltz samen met PSC-voorzitter Gérard Deprez covoorzitter van de dialoog van gemeenschap tot gemeenschap. Die mislukte echter, maar vormde niettemin de basis voor het Sint-Michielsakkoord van 1993.
Schiltz trok zich terug uit de nationale politiek en legde zich toe op Antwerpen, waar hij met de lijst ‘Antwerpen 1994’ een dam probeerde op te werpen tegen het Vlaams Blok. Hij slaagde er niet in zijn grote droom te verwezenlijken, burgemeester of havenschepen van de stad te worden.
Toen in 2001 de Volksunie ten onder ging aan interne ruzies koos Schiltz zowel uit persoonlijke als ideologische overwegingen de kant van Spirit. Hij trok zich terug uit de actieve politiek en stortte zich terug op de advocatuur. Hij overleed vrij onverwacht in 2007 aan de gevolgen van leukemie. Schiltz weigerde testamentair een staatsbegrafenis, waarop hij als minister van staat recht had. Tijdens de uitvaartdienst in de kathedraal was zijn kist bedekt met een leeuwenvlag. Hugo Schiltz kreeg een laatste rustplaats op het Schoonselhof.
|