Zee en strand
“Garnalen zijn verbonden aan de zeldzame gezinsuitstapjes naar Blankenberge. Na de oorlog gingen we met hele gezin naar de zee. Met de trein, want we hadden geen auto en te weinig fietsen. We kregen vermindering als ‘kroostrijk gezin’. Moeder had twee grote boodschappentassen mee met boterhammen en twee thermossen met koffie en melk. In Blankenberge liepen we de Kerkstraat door, niet naar de zee maar eerst naar de kerk. Onze ouders stonden erop dat we eerst samen naar de mis gingen. We protesteerden door te zeggen dat reizigers ontslagen waren van de zondagsmis. Dat hielp niet. Ik herinner me dat we op een keer gedurende de preek een grote vlek zagen onder een boodschappentas: de thermos was stuk. Mijn moeder werd nerveus en liep met haar lekkende tas de kerk uit. Op het strand speelden we met schoppen, emmertjes en netjes. Het spannendst was het oplaten van de vlieger. Af en toe liepen we verloren op het strand, maar we vonden altijd onze plaats terug, want ze zaten rechtover het Casino. Na de middag kwamen jonge mannen met ijsjes venten en met Boules de Berlin: soort oliebollen gevuld met vanillecrème en poedersuiker er bovenop. Ik hoor ze nog roepen: Boules, boules de Berlin. In de vooravond trakteerden onze ouders ons op limonade en voor hen Rodenbach bier. We bestelden een halve kilo garnalen voor ons allen We voelden ons dan rijke, verwende kinderen. En na het café kregen we geld om elk een grote ijs te kopen met drie bollen.Bij de terugreis keken we door het raam naar de weilanden en de korenvelden. Alles was goed .’
Thuis: kaarten en caféspelen
“Mijn oudste broer ging met zijn vrienden geregeld een pintje pakken in een ouderwets café De Wildeman. Er was nooit veel volk en vooral de pintjes waren goedkoper en groter dan in de andere cafés. Als jongetje mocht ik af en toe mee. Er waren de gewone caféspelen zoals vogelpik, biljart, kaarten en bakspelen. Een sjoelbak: met schijven schuiven naar poorten om ter meest punten. Tolspel: een tol met een koord aantrekken en loslaten om zoveel mogelijk pionnen omver te gooien, ofwel om in een gaatje met waarde terecht te komen. De schijven worden in drie beurten naar de poortjes achteraan in de sjoelbak geschoven. Wie zijn schijven gelijkmatig over de vier vakjes kan verdelen, verdubbelt zijn score voor die reeks.
"Vele mannen rookten gerolde sigaretten. Ze kochten een zak Wervikse tabak of Semois. De meesten deden dit met sigaretvelletjes Rizla. Anderen kochten sigaretten in pakjes, en ze waren goedkoop. Er waren buitenlandse merken bij, een overblijfsel van de Canadezen en Engelsen. Maar ook echte zoals Belga. Vele jongens begonnen zwaar te roken tijdens hun verplichte legerdienst.
Mijn vader spaarde de pijpen van zijn vader in een pijpenrek.
Toen de oudste kinderen mochten roken, begonnen ze met de pijp. Dat kwam door de jeugdbeweging waar het stoer en Vlaams stond een pijp te roken. Mijn moeder was daar niet erg voor, zeker niet als ze afkwamen met geparfumeerde tabak."
"Kinderen rookten soms een sigaret of een cigarillo stiekem (in den duik). Die eerste ervaringen waren meestal negatief. Ze bleven dan maar bij de snoepsigaretjes en het maken van kleine pijpjes met een eikel als pijpenkop. En natuurlijk het zeepbellen blazen. Maar dan dacht je weinig of niet aan het roken. Al smaakte de zeep even slecht als sigaretten.”
Kaarten
“ Toen ik getallen kon lezen, leerde mijn grootmoeder een kaartspel aan: strijd. We speelden met 32 kaarten. Mijn grootmoeder schudde de kaarten, want ik kon dat toen nog niet. Elk kreeg er 16. Bij elke slag draaiden we de bovenste kaart tegelijk om. De speler met de hoogste kaart, kreeg beide kaarten, die hij onder zijn stapel legde.
De aas was het hoogst, de zeven het laagst. Er kwam strijd als de twee kaarten gelijk waren. De volgende slag besliste. Soms kwam er zelfs een dubbele strijd. De winnaar was de speler die alle kaarten veroverde.
Ik kon er in het begin niet tegen dat ik verloor. Mijn grootmoeder zei dat het volgende keer beter zou gaan. Een enkele keer gaf ze me een aas of een grote kaart cadeau. Geleidelijk leerde ik ook verliezen, maar dit duurde toch een tijdje. Mijn grootmoeder bracht veel geduld op om mij dat te leren.
"Voor mijn nichtje Marie – Louise blijft kaartspelen een nare herinnering. Als enig kind tussen de volwassenen voor wie kaartspelen vroeger een van de weinige ontspanningsvormen was, was kaartspelen voor haar niet bepaald leuk. Ze zag immers grote mensen die na een tijdje begonnen te vloeken en schelden en ruziemaken. Natuurlijk meenden die volwassenen niet wat ze riepen ...maar als kind vond ze dat afschuwelijk. En als ze dan eens mocht meespelen, iets eenvoudigs als Zwarte Piet, dan gaven ze die rot‑kaart achter haar rug aan mekaar door, zodat de kans dat zij die Piet in handen kreeg altijd groot was. Marie – Louise heeft nog altijd een hekel aan kaartspelen.
Op café en in parochie- en gemeentelijke zalen speelde men veel kaart. Er was ook het prijskaarten. In de zomer zag je volwassenen en kinderen op de trottoir kaart spelen.”
Wonen: De meeste mensen woonden eerder krap, al was er geen echte schaarste. De oorlog had in België in verhouding minder vernietigingen aangebracht dan in andere landen. De woonkwaliteit verbeterde geleidelijk en de huishoudapparaten kwamen binnen vanaf de vijftiger jaren.