De ziekenboeg in Ambarawa


foto van Egon, die op ongeveer 11-jarige leeftijd in het jongenskamp in de buurt van
Bandoeng geinterneerd werd.
Mijn moeder - Emma Dederichs - was met 3 kleine kinderen naar kamp Ambarawa getransporteerd en had haar oudste zoon van circa 11 jaar achter moeten laten in het Tjihapitkamp in Bandoeng. De Japanners wilden namelijk alle jongens vanaf 10 jaar scheiden van hun moeders en ze apart in een jongenskamp stoppen.
Mijn moeder, die tijdens de capitulatie op 8 maart 1942, ook al haar man had verloren, was door de scheiding van haar elfjarige zoon, vreselijk ontdaan. Daardoor en door gebrek aan voedsel en door de erbarmelijke leefomstandigheden was ze vaak ziek. Ze werd dan opgenomen in de ziekenbarak van kamp Ambarawa.
Mijn inmiddels 5 à 6 jarig broertje en ikzelf, ongeveer 2 jaar oud, lagen ook geregeld wekenlang op de kinderafdeling van de ziekenbarak van het kamp. Dit omdat wij beiden aan beri-beri leden, een ziekte veroorzaakt door voedsel en vitaminengebrek. We werden dan op een speciaal patiëntenrantsoen gezet van rode rijst. Zodat we er weer even tegen konden. Ook hadden wij alle twee, hongeroedeem een ziekte veroorzaakt door ernstige ondervoeding. Wij hadden dan de typisch opgezwollen buikjes, die bij die ziekte hoort.
Er waren speciale zoekploegen in het kamp om slakken te zoeken. Die slakken - waar eiwtitten in schenen te zitten - waren bestemd voor de ernstigste ziekte gevallen zoals wij dat waren.
Ook was ik bij tijd en wijle overdekt met zweren vanwege vitaminegebrek.
En daar kwam de dysentrie nog bij, veroorzaakt door de onhygienische toiletten.
Bijna iedereen had trouwens dysentrie.
Vele vrouwen en kinderen stierven.
Dat we het hele gebeuren overleefd hebben, is een mirakel.












