De Sibajak



Het troepentransportschip de "Sibajak" bracht ons ondermeer naar Ataka in Egypte.
Daar gingen wij aan land en werd ons bij vertrek aldaar een verdere Goede Reis toegewenst.
De Sibajak


Weer naar school
In Batavia (Djakarta).
Brief van koningin Wilhelmina aan de geinterneerde kinderen.

Brief van koningin Wilhelmina, gericht aan de kinderen die geinterneerd geweest zijn, in de Japanse kampen.
In de brief , gedateerd 's Gravenhage, 21 november 1945, schrijft de koningin het volgende:
"Aan de Kinderen, die geinterneerd geweest zijn.
Eindelijk kan ik jullie vertellen, dat ik veel aan je gedacht heb, in dien bangen tijd, toen de Japanners jullie in kampen opsloten en je het zoo slecht had.
Men heeft mij verteld van de je opgewektheid en hulpvaardigheid voor Moeder en Vader.
Beste kinderen, ik ben trots op jullie, dat je je zoo dapper hebt heengeslagen door al wat moeilijk was en zoodoende krachtig hebt meegewerkt voor onze goede zaak.
Nu wensch ik jullie allen blijder dagen toe".
w.g. WILHELMINA
Het originele exermplaar van de aan
ons verstrekte brief is nog in ons bezit.
De S.S. Amherst Victory

De S.S. Amherst Victory, een Amerikaans schip, gebouwd in 1945.
De Gurkhas in Ambarawa. De reis naar Batavia.

Nadat de poorten van het kamp Ambarawa weer gesloten waren, kwam de bewaking van het kamp te liggen bij de Japanners. Dezelfde Japanners die ons er in hadden opgesloten. Alleen was het regime niet meer zo streng.
Aan de buitenkant werd het kamp bewaakt door Gurkhas, Nepalese militairen uit het Engelse leger.
De jonge meisjes in het kamp wisselden wel eens een woordje met hen, door kleine kijkgaatjes in de schutting.
Dat vonden die Gurkhas wel leuk. Ze waren immers ook ver van huis.
Het overvolle kamp met vrouwen en kinderen werd steeds vaker aangevallen met mortieren. De ploppors, Indonesiers, die voor hun onafhankelijkheid streden, hadden de mortieren buit gemaakt op de Japanners. Vaak vonden er, over het kamp heen, beschietingen plaats. Dan moest iedereen, met name de kleine kinderen, onder de bedden kruipen om zodoende nog enige dekking te zoeken. Vlak bij ons, op de hoek, is een mortiergranaat terecht gekomen.
Inmiddels was er een barak ingericht als schooltje en moesten de kinderen weer naar school.
Op school kregen de kinderen o.a. les in geschiedenis. En terwijl ze zèlf nog achter het prikkeldraad zaten, hoorden ze over de reeds voorbije oorlog tussen Duitsland en Nederland en dat het daar - in het vaderland - zo beroerd was geweest.
Ook op de schoolbarak kwam een mortier terecht. Gelukkig liep het goed af.
Eind november 1945 werd de situatie in en buiten het kamp onhoudbaar voor de bewoners. Er werd door de hotemoten tot evacuatie besloten.
In trucks en overvalwagens werden steeds groepen vrouwen en kinderen vervoerd naar de verderop gelegen havenstad Semarang. De trucks waren aan de zijkanten en bovenop het dak bedekt met vastgesjorde matrassen die als dekking voor kogels en granaten dienst moesten doen.
In Semarang (aan de kust) was niet een echte haven aanwezig maar alleen een rede om aan te leggen.
Vanaf de rede werden de mensen met kleine bootjes naar het buitengaats wachtende Amerikaanse troepentransportschip vervoerd. Dit schip heette, wat Lottie zich nog kan herinneren, de Amherst Victory. Het zal dus een van de vele Amerikaanse Victory schepen geweest zijn, die tijdens de oorlog gebouwd waren.
Voor het eerst sinds jaren, mochten de mensen weer in bedden slapen. Het waren weliswaar smalle scheepsbunks. Maar toch. Ook konden ze voor het eerst weer douchen onder echte douches. Die douches hadden geen deuren; ze waren immers voor het marinepersoneel bestemd.. En dan óók nog echt eten krijgen aan echte tafels.
Wat een luxe !
Zo bereikte de S.S.Amherst Victory met z'n passagiers na een tocht van enkele dagen Tandjong Priok, de haven van Batavia (Djakarta). Daar kwamen de vluchtelingen in opvangwijken terecht zoals dat ook in Bandoeng geweest was bijna vier jaar eerder.
15 augustus 1945
Op 15 augustus 1945 capituleerde Japan, nadat de atoombom was gevallen. Toen was de oorlog officieel afgelopen.
Nippon in Ambarawa
De Japanners hielden varkens voor hun eigen voedselvoorziening. Op een dag hadden enkele geïnterneerde
De ziekenboeg in Ambarawa

Kamp Ambarawa

De dag dat wij - met ons transport - in kamp Ambarawa aankwamen, staat nog als de dag van gisteren in mijn geheugen gegrift, vertelt Lottie.
"Wij kwamen terecht in oude legerbarakken. Wij waren het zoveelste transport, dus de barakken waren al overvol met vrouwen en kinderen. Wij moesten slapen op houten britsen en kregen voor vier personen 2 oude versleten kapokmatrassen toebedeeld. Zodoende had ieder van ons 50 centimer ruimte om te slapen en eventueel te eten. De ruimte vóór de britsen, 2 meter breed dus, was bestemd voor de kleren die we nog hadden en voor overige benodigdheden.
Ik, Lottie, was toen ongeveer 13 á 14 jaar oud. En omdat mijn moeder veel in de ziekenbarak was opgenomen, was ik op die jonge leeftijd, tijdenlang hoofd van het gezin.
Vaak als er nieuwe transporten aankwamen moesten wij van barak verhuizen.
Vanaf de leeftijd van 13 á 14 jaar moesten de meisjes corvee diensten verrichten. Zelf werd ik ook vanaf de eerste dag ingedeeld bij het corvee werk. Zo moest ik, samen met anderen, fourageren. Dus het schamele eten ophalen bij de uitdeelpost en naar de barakken brengen. Dit gebeurde met grote karren.
's Morgens haalden wij met die karren de stijfelspap op die als ontbijt voor iedereen moest dienen.
Het corveewerk rouleerde. Zo moesten wij ook de grote kooktonnen schoonschuren.
En de zogenaamde WC's schoonmaken. De WC's waren hokjes die boven een sloot waren gebouwd. De poep die in die sloot terecht kwam moest dan weggespoten worden.
Verder moest ik als omroeper dienst doen en langs alle barakken lopen om aan te kondigen dat die specifieke barak eten kon gaan halen bij de uitdeelpost. Onze corveeploegen, die onder leiding van Nederlandse vrouwen stonden, hadden de hele dag werk.
Dan was er nog het dagelijkse appèl waarbij iedereen zich moest verzamelen om geteld te worden en om voor de Japanse kampbewakers voortdurend diep te buigen.
Op een keer moest ik vanwege kiespijn naar de dokter. Waarschijnlijk was er geen tandarts in het kamp aanwezig,
en de dokter beschikte niet over de nodige instrumenten. Zonder verdoving trok de dokter de kies met een knijptang , hetgeen een héle pijnlijke aangelegenheid was (aldus Lottie)".
Transport naar kamp Ambarawa
Tjihapit kamp

Intussen was de Ananaslaan in Bandoeng onderdeel geworden van het burger beschermingskamp Tjihapit.
Hier woonden voornamelijk vrouwen en kinderen.
Voor iedere Japanner die langs kwam, moest iedereen een buiging maken met een buigingshoek van 90 o. Anders kreeg je een lelijke mep op je rug of op je hoofd, tot de buiging diep genoeg was.
Omdat mijn moeder voor de kleinere kinderen moest zorgen, of ziek was, moest Lottie als 12 jarig kind het eten voor ons gezin van 4 á 5 personen ophalen bij de gaarkeuken.
Soms, als er door de Japanners straf uitgedeeld werd aan een deel van het kamp, kregen wij, de bewoners, dagenlang geen eten uit de gaarkeuken.
Van regulier onderwijs aan de kinderen was geen sprake. Dit was kennelijk verboden. Wel werd er hier en daar illegaal les gegeven.
In het huis (in Bandoeng) van de cabaret ster CORRY VONK werden cabaretvoorstellingen gegeven.
Willy Arbouw en Lottie en anderen uit een balletklasje zijn meerdere malen samen met Corry Vonk opgetreden.
Mevrouw Vonk in de hoofdrol en wij als achtergrondballet.
Op het moment dat de oorlog in Indië uitbrak waren Wim Kan en zijn echtgenote Corry Vonk net op een cabaret tournee in Indië. Van eind 1939 tot het uitbreken van de oorlog in Indië.
Vandaar dat Corry Vonk ook in het Tjihapit kamp terecht was gekomen. Wim Kan was toen al als krijgsgevangene afgevoerdnaar Thailand.
Pal naast ons, in het twee-onder-één-kap huis, woonde een mevrouw die last had van epileptische aanvallen. Zij had twee of drie kleine kinderen.
Op een keer toen alle bewoners uit de wijk, ook de kinderen, zich voor een appèl moesten verzamelen voor de Japanners, kreeg zij een epileptische aanval. De Japanners, die dachten dat zij zich aanstelde, sloegen haar net zo hard, tot zij half dood neerviel. Een andere mevrouw, die voor haar op kwam en iets over haar ziekte wilde uitleggen, werd door de Japanse bewaker ook neergeslagen.
Wat volgt: het transport naar kamp Ambarawa
Ananaslaan Bandoeng
Via Dago weer naar BandoengNadat we hotel Homan in Bandoeng moesten verlaten omdat de Japanners er hun intrek in namen, vertrok mijn moeder met haar vier kleine kinderen naar het even buiten Bandoeng gelegen Dago hotel aan de Dagoweg.
Mijn moeder was inmiddels - via een ooggetuige - op de hoogte gebracht van de executie door de Japanners van haar echtgenoot, onze vader. Hij was samen met apotheker Goossens en zuster Jansen en vele anderen, geëxecuteerd in de omgeving van Soebang. (Aan ziekenhuis-zuster Jansen en apotheker Goossens werd postuum het Verzetskruis Oost Azië uitgereikt, omdat zij geprobeerd hadden de Britse patiënten, die in het ziekenhuis van Soebang lagen, te beschermen tegen de Japanners.)
Alsof dat al niet dramatisch genoeg was kwam het volgende rampscenario er nog aan.
Na een verblijf van enkele dagen in het hotel in de Dago heuvels kwam er een vakantiehuisje vrij dat bij het Dagohotel hoorde. Daar ging ons gezin tijdelijk in wonen. Japanse vliegtuigen vlogen nog steeds over en men moest regelmatig van de weg in de naast gelegen greppel springen om dekking te zoeken.
Op enig moment kwam een Japanse officier bij mijn moeder op inspectie. Wellicht wilde hij inspecteren of de overige huisjes gebruikt konden worden door het Japanse leger. Een Nederlandse man, die de beheerder was óf ook in één van de huisjes verbleef kwam direct naar mijn moeder toe en deed zich voor als hoofd van het gezin.
Daarop verdween de Japanse officier.
Enkele dagen later werd het gezin 's nachts opgeschrikt door inheemse inbrekers, die kennelijk op zoek waren naar voedsel. Toen was de maat vol en begreep mijn moeder dat ze in een levensgevaarlijke situatie verkeerde.
De volgende dag belde zij naar diverse officiële instanties om vervoer naar Bandoeng te regelen. Niemand bleek echter bereid om dat waagstuk te ondernemen. Vervolgens belde zij naar de pastoor in Bandoeng en vroeg hem ons op te komen halen. Gelukkig was hij daartoe bereid en zo bereikten we na een gevaarlijke rit de stad Bandoeng weer.
Wij konden aanvankelijk onderdak vinden in een pension in Bandoeng.
Na enige tijd namen wij onze intrek in de bijgebouwen van een huis aan de Kanarielaan.
Totdat wij in een andere straat terecht kwamen in een gedeelte van een huis dat gelegen was tegenover een hotel waar Japanse officieren woonden.
Na al deze omzwervingen kwam het gezin tenslotte terecht in een huis van drie kwamers in de Ananaslaan. Dit was een kleine twee-onder-een-kap woning. Er stonden naast elkaar nog meer van die 2-onder-1-kap woningen. Op 4 van die naast elkaar gelegen woningen hadden die huizen een naam gekregen. Te weten: Lang gewacht (op het eerste huis) en op de volgende 3 huizen: stil gezwegen, nooit gedacht, toch gekregen .
Omdat er steeds meer vluchtelingen onderdak moesten hebben in Bandoeng werd deze drie kamer-woning na enige tijd in drieeën gedeeld. Wij kregen de middelste kamer; in de voorkamer verbleef een weduwe en in de achterste kamer woonde een oudere mevrouw met haar 2 dochters. Bij elkaar dus 9 bewoners.
Parungsari


Massagraf Soebang

Toen de Japanse invasie op 1 maart 1942 ten noorden van Soebang. bij Eretan Wetan, plaatsvond, kwam er meteen een grote vluchtelingenstroom op gang. De Japanse landing bij Eretan Wetan telde circa 5.000 militairen. 's Morgens op Zondag 1 maart even na 6 uur hadden vier van een kanon voorziene vrachtauto's met 200 Japanse infanteristen de landingplaats Eretan Wetan verlaten , gevolgd door enkele tanks. 's Morgens om 9 uur bevond de stoet zich in Soebang waar zij bleven wachten tot ca. 800 Japanse infanteristen die van Eretan Wetan naar Soebang waren gefietst, zich bij hen hadden gevoegd.
Iedereen die de Japanners voor de voeten liep werd gevangen genomen of gedood.
Zo kon het gebeuren dat ongeveer 200 Nederlandse, Britse en Australische vluchtelingen, waaronder enkele Nederlandse vrouwen en mannen en veel militairen krijgsgevangen werden gemaakt. Waaronder ook 20 Britse en Australische gewonde militairen die in het in het ziekenhuis van Soebang werden verpleegd. Deze werden samen met 3 personeelsleden van het ziekenhuis gevangen genomen en met bajonetsteken om het leven gebracht.
Tussen 1 maart en 11 maart werden de krijgsgevangenen zonder pardon geëxecuteerd en in kuilen gegooid. Pas na de oorlog, in 1947, konden de lijken "geïdentificeerd" worden. De overledenen zijn na de oorlog door de Oorlogsgravenstichting overgeplaatst naar erevelden in Djakarta.
In 1952 werden ziekenhuisverpleegster C. Jansen en apotheker P.N.H.M. Goossens en zijn vrouw de verpleegster (nurse) H.J. Goossens-Haighton de Heer van het ziekenhuis in Soebang postuum onderscheiden met de Verzetsster Oost-Azië 1942-1945. Dit vanwege betoonde moed en dapperheid bij de verdediging van de ziekenhuispatiënten. (zie www.onderscheidingen.nl/decorandi)
Hieronder volgt een alfabetische lijst van het (voormalige) massagraf Soebang.
Massgrave Subang.
Between the 1st and 11th of March1942 all the Dutch, British, and Australian Prisoners of War (POW's) that were taken prisonner after the Japanese invasion north of Subang (Java) on March 1st were masacred / executed. Their bodies were thrown into massgraves.
Only two years after the war, in 1947, the identification of the bodies could be started. Most of the bodies could be identified by their uniform. Allthough a great number of them are still unidentified.
A list of victims in alphabetical order is published below. (English names are from the Royal Art.)
Akhurst, Allen, Barr, Belloni, Bettison, Bown, Braddock, Bruinsma, Cassels, Covine, van Crasbeek, Creasey, Dix, Foster, Franklin, Freeston, Gafney, Garret, Garwood, Gissing, Godden, Goodfellow, apotheker Goossens, zijn echtgenote Goossens-Haighton de Heer, Gray, Green, Greening, Hands, Hellingworth, van Hemert, Hillier, aalmoezenier Van Hoek, Homer, ziekenhuisverpleegster zuster Jansen, Jensen, Keogh, Knops, aalmoezenier La Haye, Lakin, Langeraar, A. Little, E. Little, Littlejohn, Maldigen, Maltz, Moodey, predikant KNIL: Mostert, Mounsdon, Naime, Nicholls, van Osch, Partridge, Pearson, Pennel, Perry, Royle, Sargent, Shaw, Silk, Spaans, Speedie, Staplehurst, Stewart, Warrington, White, Wijler.
And also 6 unknown armymen KNIL
also 26 unknown Australian or British airmen
also 25 unknown British soldiers
and also 13 unknown British or Dutch soldiers.
The victims have been reburried in Djakarta in graves of the War Graves Society.
Hoofdkantoor P. & T.-landen Soebang
Het hoofdkantoor van de Pamanoekan en Tjiasemlanden in Soebang.
foto 1: het gebouw beschadigd door de oorlog
foto 2: het gebouw in de 40tiger jaren
foto's door dhr R. van Veen van P en T landen (copyright RvVeen)

Via Lembang naar Bandoeng
foto Soebang: soos

Uitzicht vanuit de Soos in Soebang (1940). Uitzicht op de weg naar Bandoeng en op de verderop gelegen berg Tangkuban Perahu (= omgekeerde prauw). Rechts vooraan het huis van de wedana. In het midden op het terras het standbeeld van Hofland. (Dit standbeeld staat tegenwoordig op het kerkhof).
foto: door dhr. van Veen.
In het boek "Nachtmerrie op Java" (Java Nightmare, 1942-1945) beschrijft de auteur Daphne Jackson Soebang als volgt:
'Soebang, het hoofdkwartier van de onderneming waar wij woonden, lag zo'n honderdvijftig kilometer van Batavia (nu Djakarta) en ongeveer zestig kilometer van Bandoeng, de dichtstbijgelegen grote stad in de bergen. De plantages van de maatschappij, zo'n stuk of twintig, strekten zich uit van de zee aan de noordkust van Java tot aan de hellingen van een uitgedoofde, 1800 meter hoge vulkaan. De weg naar Bandoeng liep door een pas onder de beboste hellingen van de krater langs Lembang naar de vlakte van Garoet'.
foto uitzicht soos