m. uyldert


dit vreemdelingschap:
overal thuis te zijn
en nergens,
met allen kunnen omgaan
en met niemand bevriend zijn
in allen iets vinden
en in allen iets missen,
in allen iets van zichzelf herkennen
en aan niemand gelijk zijn.
maar o: geen tweeheid meer, alle tweeheid opgelost in de eenheid,
alleen nog een enkel teveel of te kort,
reeds bezig zich ritmisch te verevenwichtigen.
de grote rust van het voltooide inzicht, dat groeit in wijsheid en intensiteit.
te weten de absolute ondoodbaarheid van het eeuwige leven
dat zich door alles heen handhaaft,
dat door de loochening van zichzelve heen onaangetast blijft
de rust van te mogen zien
naar het zichzelf voltrekkende;
deze nieuwe wijze van verantwoordelijkheid,
die alleen nog laten is.



















