11/4 Jezus geheime gebed vanop het Kruis - Uniquely Mary
Jezus hing maar liefst zes uur aan het Kruis. Wat deed hij? Wat gebeurde er met Hem? OLVrouw openbaart aan de eerbiedwaardige Maria van Agreda enkele ongelooflijke geheimen, waaronder dit geheime gebed dat hij tot de Vader bidt en dat je versteld zal doen staan. Voordat Jezus ook maar één van de zeven woorden sprak op het Kruis, bad Christus innerlijk tot Zijn Hemelse Vader en zei dit: Mijn Vader en eeuwige God, ik belijd en verheerlijk U vanaf dit kruis en ik breng U een lofoffer in Mijn lijden en dood. Want door de hypostatische vereniging met de goddelijke natuur hebt U Mijn mensheid verheven tot de hoogste waardigheid, van Christus, de Godmens, gezalfd met Uw eigen goddelijkheid.
Ik belijd U vanwege de volheid van de allerhoogst mogelijke genaden en heerlijkheid, die U vanaf het eerste moment van Mijn menswording aan Mijn mensheid hebt meegedeeld. En omdat U Mij van alle eeuwigheid tot op dit moment de volledige heerschappij over het heelal hebt toevertrouwd, zowel in de orde van genade als van de natuur, hebt U Mij tot Heer gemaakt van de hemelen en van de elementen, van de zon, de maan en de sterren, van vuur en lucht, van de aarde en de zee, van alle levende en levenloze schepselen daarin. U hebt mij de beslisser gemaakt van de seizoenen van de dagen en nachten met volledige heerschappij en bezit naar Mijn vrije wil.
En U hebt Mij aangesteld als Hoofd, Koning en Heer van alle engelen en mensen, om hen te besturen en te gebieden de goddelozen te straffen en de goeden te belonen. U hebt Mij de heerschappij en macht gegeven over alles te beschikken, van de hoogste hemelen tot de diepste afgronden van de hel. U hebt Mij de eeuwige rechtvaardiging van de mensen, de rijken, koninkrijken en vorstendommen, de groten en de kleinen, de rijken en de armen, en van allen die in staat zijn tot Uw genade en glorie, in handen gelegd. U hebt Mij de Rechtvaardiger, de Verlosser en de Verheerlijker gemaakt, de universele Heer van het gehele menselijk geslacht, van leven en dood, van de heilige Kerk, haar schatten, wetten en de zegeningen van genade.
Dit alles hebt U, Mijn Vader, in Mijn handen gelegd, onderworpen aan Mijn wil en Mijn beschikkingen. Hiervoor belijd, verheerlijk en prijs ik Uw heilige naam. Nu, Mijn Heer en eeuwige Vader, wanneer Ik terugkeer van deze wereld naar Uw rechterhand door deze dood aan het kruis, waarmee Ik de Mij toegewezen taak van de verlossing van de mensheid heb volbracht, verlang Ik dat hetzelfde kruis het tribunaal van onze gerechtigheid en barmhartigheid zal zijn. Daaraan genageld, verlang Ik ernaar hen te oordelen voor wie Ik Mijn leven geef, nadat Ik Mijn zaak heb gerechtvaardigd. Ik wil de schatten van Mijn komst in de wereld en van Mijn lijden en dood uitdelen aan de rechtvaardigen, en hen vergelden naar gelang ieders verdienste door zijn werken van liefde of haat.
Ik heb ernaar gestreefd alle stervelingen te winnen en hen uitgenodigd deel te nemen aan mijn vriendschap en genade. Vanaf het eerste moment van Mijn incarnatie heb Ik onophoudelijk voor hen gewerkt. Ik heb ongemakken, vermoeidheid, beledigingen, schande, verwijten, geselslagen, een doornenkroon verdragen en lijd nu de bittere dood aan het kruis. Ik heb Uw grote goedheid over hen allen afgesmeekt. Ik heb in gebed gewaakt, gevast en rondgezworven, hen de weg naar het eeuwige leven lerend. Voor zover het in Mijn vermogen lag, heb Ik ernaar gestreefd eeuwig geluk voor alle mensen te verzekeren, zoals Ik het voor allen verdien, zonder iemand uit te sluiten. Ik heb de wet van genade ingesteld en opgebouwd en heb de Kerk, waarin alle mensen gered kunnen worden, stevig en voor altijd gevestigd.
Maar in onze kennis en vooruitziende blik zijn Wij ons bewust, mijn God en Vader, dat niet alle mensen, vanwege hun boosaardigheid en opstandige koppigheid, onze eeuwige zaligheid willen aanvaarden en zich willen beroepen op onze barmhartigheid en op de weg die Ik door Mijn arbeid voor hen heb geopend, het leven en de dood, maar velen zullen liever hun zondige wegen volgen tot in het verderf. U bent rechtvaardig, Mijn Heer en Vader, en Uw oordelen zijn zeer rechtvaardig. Daarom is het terecht, aangezien U Mij tot Rechter hebt gemaakt over de levenden en de doden, over de goeden en de slechten, dat Ik de goeden de beloning geef voor hun dienstbaarheid en hun navolging van Mij, en de zondaars een tuchtiging voor hun verdorven koppigheid, opdat de rechtvaardigen deel zullen hebben aan Mijn bezittingen, en de goddelozen beroofd zullen worden van de erfenis, die zij weigeren te aanvaarden.
Nu dan, Mijn eeuwige Vader, in Mijn en Uw naam, en tot Uw verheerlijking, maak Ik mijn laatste wilsbeschikking overeenkomstig Mijn menselijke wil, die in overeenstemming is met Uw eeuwige en goddelijke wil. Eerst zal Mijn allerzuiverste Moeder genoemd worden, die Mij het menselijk bestaan schonk. Haar maak Ik tot Mijn ziel en universele bron van alle gaven van de natuur, van genade en van heerlijkheid die Mij toebehoren. Zij zal de Meesteres en bezitster van al deze gaven zijn. De gaven van genade waartoe zij als schepsel in staat is, zal zij nu daadwerkelijk ontvangen, terwijl Ik beloof haar de gaven van heerlijkheid te zijner tijd te schenken. Ik verlang dat zij meesteres van engelen en mensen zal zijn, dat zij volledige heerschappij over hen zal uitoefenen en de dienstbaarheid en gehoorzaamheid van allen zal gebieden.
De demonen zullen haar vrezen en aan haar onderworpen zijn. Alle onverstandige schepselen, de hemel, de sterren, de planeten, de elementen met alle levende wezens, de vogels, de vissen, en de dieren die daarin voorkomen, zullen eveneens aan haar onderworpen zijn en haar als Meesteres erkennen, haar verheffend en verheerlijkend met mij. Ik wens ook dat zij de schatbewaarder en uitdelver zal zijn van alle goederen in de hemel en op aarde. Wat zij ook in Mijn Kerk voor Mijn kinderen, de zonen der mensen, verordent en beschikt, zal bevestigd worden door de drie goddelijke personen, en wat zij ook voor stervelingen zal vragen, nu, later, en voor altijd, zullen Wij haar naar haar wil en wensen toestaan.
Aan Mijn heilige engelen, die Uw glorie gehoorzaamd hebben en rechtvaardig zijn, zal Ik de hoogste hemelen als woonplaats toewijzen, als hun eigen en eeuwige verblijfplaats, en daarmee de vreugden van eeuwige aanschouwing en vervulling van Onze goddelijkheid. Ik verlang dat zij het eeuwige bezit ervan mogen genieten, samen met ons gezelschap en onze vriendschap. Ik beveel dat zij Mijn Moeder erkennen als hun rechtmatige Koningin en Vrouwe, dat zij haar gezelschap houden en haar bijstaan, haar in hun handen dragen te allen tijde en op alle plaatsen, en haar gehoorzamen in alles wat zij wenst te bevelen en te gebieden. De demonen die zich verzetten tegen Onze volmaakte en heilige wil. Ik verdrijf hen en ontneem hen onze aanschouwing en ons gezelschap.
Opnieuw veroordeel Ik hen tot onze afschuw, tot eeuwig verlies van Onze vriendschap, en tot glorie, tot ontbering, van de aanschouwing van Mijn Moeder, van de heiligen en van Mijn rechtvaardige vrienden. Ik wijs hen aan als onze eeuwige verblijfplaats, de plaats die het verst verwijderd is van Onze koninklijke troon, namelijk de helse spelonken, het centrum van de aarde, beroofd van licht en vol verschrikkingen van voelbare duisternis. Ik bepaal dat dit hun deel en erfdeel is, zoals zij gekozen hebben in hun trots en koppigheid tegen het goddelijke wezen, en Ik bepaal dat zij in die eeuwige kerkers van duisternis gekweld zullen worden door eeuwig en onuitblusbaar vuur. Uit de menigte der mensen in de volheid van mijn goede wil, kies Ik alle rechtvaardigen en voorbestemden uit en scheid hen af, zij die zich door Mijn genade redden door Mij na te volgen, Mijn wil te doen en Mijn heilige wet te gehoorzamen.
Naast Mijn allerzuiverste Moeder wijs Ik hen aan als erfgenamen van alle mysteries, Mijn zegeningen, Mijn sacramentele schatten, van de mysteries die verborgen liggen in de heilige Schrift, van Mijn nederigheid, zachtmoedigheid van Hart, van de deugden van geloof, hoop en liefde, van voorzichtigheid, gerechtigheid, standvastigheid en zelfbeheersing, van Mijn goddelijke gaven en gunsten, van Mijn kruis, arbeid, verachting, armoede en naaktheid. Dit zal hun deel en erfdeel zijn in dit huidige en sterfelijke leven. Omdat zij deze moeten kiezen om vruchtbaar te kunnen werken, leg Ik hun de beproevingen op die Ik voor mezelf in dit leven heb gekozen als een onderpand van Mijn vriendschap, opdat zij ze met vreugde mogen ondergaan. Ik bied hun Mijn bescherming en verdediging, Mijn heilige inspiraties, Mijn gunsten en krachtige hulp, Mijn zegeningen en Mijn rechtvaardiging aan, overeenkomstig ieders vermogen en mate van liefde.
Ik beloof hun een Vader, een Broer en een Vriend te zijn, en zij zullen Mijn uitverkoren en geliefde kinderen zijn. En als zo’n kinderen, stel Ik hen aan als erfgenamen van al Mijn verdiensten en schatten zonder beperking. Ik verlang dat allen die zich daartoe wenden, deel zullen hebben aan de goederen van Mijn heilige Kerk en van de sacramenten, opdat zij, mochten zij Mijn vriendschap verliezen, zich kunnen herstellen en Mijn genaden en zegeningen door mijn reinigend Bloed kunnen terugkrijgen. Want zij zullen allen openstaan voor de voorspraak van Mijn Moeder en van de Heiligen, en zij zal hen erkennen als haar kinderen, hen beschermen en hen als de hare vasthouden. Mijn engelen zullen hen verdedigen, leiden, beschermen en op hun handen dragen, opdat zij niet struikelen, en als zij vallen, zullen zij hen helpen op te staan.
Evenzo is het Mijn wil dat Mijn rechtvaardigen en uitverkorenen verheven zullen zijn boven de goddelozen en de demonen. Dat zij gevreesd en gehoorzaamd zullen worden door Mijn vijanden. Dat alle rationele en irrationele schepselen hen zullen dienen. Dat alle invloeden van de hemel, de planeten en de sterren hen zullen begunstigen en hun leven zullen geven. Dat de aarde, haar elementen en de dieren hen zullen onderhouden. Dat alle schepselen die van Mij zijn en Mij dienen, zullen ook van hen zijn en hen dienen als Mijn kinderen en vrienden. En hun zegen zal zijn in de hemelse vloed en in de vruchten van de aarde.
Ik wil met hen Mijn vreugde delen, Mijn geheimen met hen delen, intiem met hen spreken en met hen leven in de strijdende Kerk, in de gedaanten van brood en wijn, als een oprecht en een onfeilbaar onderpand van het eeuwige geluk en de glorie die hun zijn beloofd. Daarvan maak Ik hen deelgenoten en erfgenamen, zodat zij er met Mij in de Hemel ervan mogen genieten, met een eeuwig recht en een onfeilbare zaligheid. Ik stem ermee in dat de goddelozen en verdoemden, hoewel zij geschapen zijn voor een ander en veel hoger doel, als hun deel en erfenis mogen bezitten: de begeerten van het vlees en de ogen, trots met alle gevolgen daarvan, dat zij eten en verzadigd worden met het stof der aarde, namelijk met rijkdom, met de dampen en de verdorvenheid van het vlees en zijn genoegens, en met de ijdelheid en hoogmoed van de wereld.
Voor zo’n bezittingen hebben zij zich ingespannen en al hun geest en lichaam aan deze bezigheden gewijd. In zo’n bezigheden hebben zij hun krachten, hun gaven en de zegeningen die Wij hun hebben geschonken, verbruikt. En zij hebben uit eigen vrije wil bedrog gekozen, de waarheid veracht die Ik hun in de heilige wet heb geleerd. Zij hebben de wet verworpen die Ik in hun harten heb geschreven en die door Mijn genade is geïnspireerd. Zij hebben Mijn leringen en Mijn zegeningen veracht en geluisterd naar Mijn en hun eigen vijanden. Zij hebben hun bedrog aanvaard, ijdelheid liefgehad, onrecht bedreven, hun ambities nagejaagd, hun vreugde gezocht in wraak, de armen vervolgd, de rechtvaardigen vernederd, de eenvoudigen en onschuldigen bespot, ernaar gestreefd zichzelf te verheffen en verheven te willen worden boven alle ceders van Libanon, en de wetten van onrecht gevolgd.
Omdat zij dit alles hebben gedaan in strijd met Onze goddelijke goedheid en koppig zijn gebleven in hun boosaardigheid, en omdat zij de rechten van het zoonschap die Ik hun heb toegekend, hebben verzaakt, onterf Ik hen van mijn vriendschap en glorie. Net zoals Abraham de kinderen van de slaaf scheidde, en een deel van zijn bezittingen voor hen apart zette en de voornaamste erfenis reserveerde voor Isaak, de zoon van de vrijgelaten vrouw Sara. Zo wijs Ik hun aanspraken op Mijn erfenis af door hun de vergankelijke goederen te geven die zij zelf hebben gekozen. Ik scheid hen van Ons en van Mijn Moeder van de engelen en heiligen. Ik veroordeel hen tot de eeuwige kerkers en het hellevuur in het gezelschap van Lucifer en zijn demonen die zij vrijwillig hebben gediend. Ik ontneem hun voor altijd alle hoop op verlossing.
Dit is, o Mijn Vader, het vonnis dat Ik uitspreek als Hoofd en Rechter van mensen en engelen. En dit is de wilsbeschikking dat bij Mijn dood is opgesteld. Dit is het gevolg van Mijn verlossing, waardoor ieder beloond wordt met wat hij rechtmatig heeft verdiend naar zijn werken en naar Uw onpeilbare wijsheid in de rechtvaardigheid van Uw strengste gerechtigheid.
Ik kan niets meer toevoegen dan te zeggen dat we allen moeten weten dat Hij dit geheim aan ons openbaart, en we moeten ermee bidden, erover nadenken en ons verdiepen in deze ongelooflijke diepte en deze ongelooflijke gave van het kennen van Jezus' diepste gebed met de Vader, en vooral hoe hij dit alles aan Maria heeft overgelaten. Dit verklaart hoe en waarom zij werkt zoals zij werkt. Dit verklaart haar ongelooflijke rol in de heilsgeschiedenis. Daarom zouden we haar dienovereenkomstig moeten eren en voor altijd dankbaar moeten zijn dat we één van de uitverkorenen zijn. Zoals Hij zei, één van zijn vrienden.