Overwegingen van Broeder Hendrikus van der Wal ocd - met dank van Martine
Overwegingen van Broeder Hendrikus van der Wal ocd - met dank van Martine
OORDEEL NIET
TEGENWOORDIGHEID VAN GOD – O Heer, weerhoud me ervan mijn naaste te veroordelen en te bekritiseren; geef me vriendelijke, liefdevolle gedachten over iedereen. -
Naar de zonzijde kijken
Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt (Mat. 7, 1). Naastenliefde begint in het denken; veel tekortkomingen in naastenliefde hebben hun diepste wortel in ons oordeel. Wij waarderen de anderen niet genoeg, wij houden niet genoeg rekening met hun goede eigenschappen, wij zijn te weinig geneigd hun handelingen in een gunstig licht te zien. Waarom? Omdat wij de naaste bijna altijd naar zijn gebreken beoordelen, bijzonder naar die welke onze gevoeligheid prikkelen, naar die welke tegen onze eigen manier van zien en handelen indruisen, terwijl wij aan zijn goede kanten weinig of geen aandacht schenken.
Het is erg verkeerd, mensen en dingen vanuit een negatief standpunt te beoordelen; het is verkeerd en onlogisch vermits het negatieve toch maar als gebrek aan iets positiefs, aan iets goeds bestaat: de scheur in een kleed kan er maar zijn omdat het kleed er is. Wanneer wij ons met het hekelen van de negatieve kanten van een persoon of van een groep mensen in-laten, dan doen wij afbrekend werk. Afbrekend tegenover onze eigen deugd en tegenover het welzijn van de naaste. Om opbouwend werk te verrichten moeten wij integendeel verder zien dan de gebreken, en de goede eigenschappen, die toch bij iedereen te vinden zijn, weten tot waarde te brengen.
Zijn wij trouwens niet zelf met veel gebreken behept, en soms veel ergere dan die van de naaste? Waarom kijkt u naar de splinter in het oog van uw broeder en merkt u de balk niet op in uw eigen oog? (Mat. 7, 3). Laat ons dit woord van Christus ernstig overwegen want, al willen wij heilig worden, toch kan er vaak in ons hart nog iets van die verachteljke geest van kritiek blijven koesteren, die twee verschillende maatstaven aanlegt wanneer het nu eens om onze gebreken en dan weer om die van anderen gaat.
Hoe zullen wij niet in naastenliefde en zelfvolmaking vorderen wanneer wij, alvorens de gebreken van anderen te beoordelen, onderzoeken en nagaan of dezelfde of misschien ergere, niet in ons voorhanden zijn en trachten onszelf te verbeteren! De H. Teresia van Jezus zei tot haar zusters: ,Wanneer u een gebrek in uw zusters ontdekt… moet u zich inspannen om zo volmaakt mogelijk de tegenovergestelde deugd te beoefenen; Dit is juist een van de beste manieren om anderen te helpen zichzelf te beteren.
Alleen God oordeelt wijs
Het oordeel is alleen aan God voorbehouden. Want God alleen doorgrondt de harten, kent de inzichten en de drijfveren die ons doen handelen: de mens ziet het uiterlijk, de Heer ziet het hart; (1 Kor. 16, 7). Wie oordeelt - en het niet van ambtswege moet doen, zoals oversten - eigent zich dus in een zekere zin Gods recht toe en stelt zich in Gods plaats. Zich tot rechter van zijn broeders aanstellen is altijd een daad van trots tegenover God en tegenover de naaste. Bovendien stellen wij ons bij het gemakkelijk oordelen van anderen, aan het gevaar van grove vergissingen bloot omdat wij de inzichten van de anderen niet kennen en dus niet over voldoende gegevens beschikken om een rechtvaardig oordeel uit te spreken.
Wij zijn natuurlijk niet verplicht een uiteraard boze daad goed te noemen; toch moeten wij altijd de inzichten van de dader kunnen verontschuldigen en ze niet zonder meer aan slechte wil toeschrijven. Indien de daden van de naaste honderd aspecten hebben, moeten wij ze langs de beste zijde beschouwen; en indien de daad dan nog laakbaar is, dan moeten wij tenminste het inzicht verontschuldigen. Ook ik schiet elke dag in veel tekort, ook ik lijd aan zoveel gebreken, maar dit betekent toch niet dat alles van slechte wil afhangt. Veelal zijn mijn fouten te wijten aan onoplettendheid, aan zwakheid. En mits ik deze zwakheden maar veracht, wil de Heer dat ik steeds verder volle vertrouwen in zijn liefde stel en blijft Hij me beminnen.
Het gaat met mij als met de anderen. Ik heb dus niet het recht, aan de goede wil van de naaste te twijfelen alleen omdat ik hem tekortkomingen zie begaan. Evenmin heb ik het recht, daarom mijn goedgunstigheid en mijn waardering voor hem te verminderen. Want de persoon die ik zo laak, veracht en betreurt misschien reeds zijn gebreken in zijn hart misschien meer dan ik de mijne veracht en betreur. De Heer heeft hem reeds vergiffenis geschonken en heeft hem nog altijd lief: zou ik dan strenger durven zijn dan de Heer? Laat mij liever gedenken dat God dan even streng tegenover mij zal optreden, want Jezus heeft gezegd: Met het oordeel dat u velt, zult u geoordeeld worden en de maat die u gebruikt, zal men ook voor u gebruiken; (Mat. 7,2).
Het goede inzicht loven
U bent het, Jezus, die over mij oordeelt! Om uw oordeel gunstig te doen uitvallen, of liever nog om in het geheel niet geoordeeld te worden, wil ik er altijd liefdevolle gedachten op nahouden, want U hebt gezegd: oordeelt niet, en u zult niet geoordeeld worden. Daarom, als het gebeurt dat ik iemand iets zie doen wat mij onvolmaakt schijnt zal ik hem onmiddellijk verontschuldigen en hem de goede bedoelingen toeschrijven, die hij ongetwijfeld heeft.
O Jezus, U doet me begrijpen dat de voornaamste volle aflaat die iedereen kan winnen zonder de gewone voorwaarden de aflaat is van de liefde, die de menigte van zonden bedekt. Leer me, Heer, de naaste niet te oordelen om welke tekortkoming ook die ik hem zie begaan; en indien ik hem zie zondigen, verleen mij de genade, de verborgen onzichtbare bedoeling ervan als verontschuldiging aan te voeren. En zelfs als die bedoeling duidelijk boosaardig is, verleen mij de genade, de naaste te verontschuldigen om de verleiding en de bekoring waar toch geen mens van gespaard blijft. (H. M. Magdalena di Pazzi).
Help mij, Heer, bij de naaste niets anders te zien dan zijn deugden en goede werken. Help mij, andermans gebreken door de beschouwing van mijn eigen grote zonden te bedekken. Zo zult U mij geleidelijk tot een zo stevige deugd brengen, dat ik, de anderen steeds voor beter houd dan mijzelf. Maar om dit te bereiken is mij uw hulp onontbeerlijk: zonder U zal mijn streven helemaal nutteloos zijn. Daarom smeek ik U, zelf die deugd in mij te vestigen.
Bron; van Hart tot hart Gabriel van de H.Maria Magdalena O.C.D. 1962
HET NIEUW GEBOD
TEGENWOORDIGHEID VAN GOD – O Jezus, schenk mij de genade om Uw nieuwe gebod te begrijpen, het gebod van de naastenliefde.
Zoals Ik u heb liefgehad
Het gebod ‘Gij zult uw naaste beminnen als uzelf’ (Mt. 22, 39) vereist reeds een stevige en gevestigde deugd. Toch is dat nog niet de hoogste volmaaktheid in de liefde. Deze wordt ons pas enkele uren voor zijn dood door Jezus aangegeven, op die uiterste ogenblikken waarop elkaan zijn beminden aanbeveelt wat hem het dichtst aan het hart ligt: ‘Een nieuw gebod geef Ik u ... zoals Ik u heb liefgehad, zo moet gij ook elkaar liefhebben ... Dit is Mijn gebod, - dat gij elkaar liefhebt, zoals Ik u heb liefgehad ...’ (Joh. 13, 34; 15, 12). Dit is de werkelijke nieuwe volmaaktheid die Jezus aan het gebod van liefde geeft: de anderen niet alleen zoals zichzelf beminnen, maar zoals Hij ons bemint, zoals Hij ze bemint.
En die volmaaktheid is Hem zo dierbaar, dat Hij ze zijn gebod noemt, nl. het gebod dat Hem het meest aan het hart ligt en waarvan het naleven het onmiskenbaar teken van Zijn beste vrienden moet worden: ‘Hieruit zullen allen kunnen opmaken dat gij mijn leerlingen zijt: als gij de liefde onder elkaar bewaart’ (Joh. 13, 35). Met een machtige vleugelslag brengt Jezus ons in één vlucht naar een niveau van liefde die wel verheven maar toch nog te menselijk is - de liefde tot onszelf - naar een hogere, een goddelijke, dié van de oneindige liefde die God onze zielen toedraagt.
Het gaat er niet meer om, onze blik op liefde te richten die wij onszelf toedragen, om een gelijkaardige liefde tegenover onze broeders op te bouwen. Oneindig veel hoger moeten we opkijken, naar Jezus’ Hart, naar het Hart van God: daar zullen we het geheim van Zijn oneindige liefde voor de mensen pogen te vatten om eenzelfde liefde in onze relaties met de naaste na te streven. Naastenliefde zal pas dan in ons volmaakt zijn, wanneer zij de weerspiegeling of beter nog, de voortzetting is van Jezus’ liefde voor elke mens. Wij moeten er naar streven, elke broeder en zuster lief te hebben - ook de minst sympathieke, ook degene die niet van ons houdt - zoals Jezus hem en haar liefheeft.
En Jezus heeft hen juist zo lief, dat Hij voor hen Zijn leven geschonken heeft, dat Hij voor hen elke dag Zijn offer op de altaren vernieuwt, dat Hij voor hen levend en wezenlijk in de Eucharistie aanwezig komt, steeds bereid hen met Zijn vlees te voeden. Niets kan onze geringe liefde verontschuldigen wanneer wij ze tegenover Jezus’ liefde stellen. In het spoor van Christus’ liefde In een beschouwing over het ‘nieuw gebod’ zegt Theresia van Lisieux: ‘O, wat houd ik van dit gebod, omdat het mij de zekerheid geeft dat het uw wil is, in mij allen te beminnen die gij mij gebiedt lief te hebben!’ (TL. RL.).
De heilige ziet in dat zij de volmaaktheid in nliefde niet zal bereiken indien zij er niet naar streeft haar naaste lief te hebben zoals Jezus hem liefheeft. En als ze aanvoelt hoe moeilijk dit is, dan verheugt zij zich bij de gedachte dat Jezus ons door dit gebod juist tot zo een verheven hoogte wilde voeren. Zo is het inderdaad, als wij Hem maar vrij in ons laten werken, als wij Hem maar de kracht van ons hart en onze wil zuiver en smetteloos aanbieden opdat Hij ze zou gebruiken om onze broeders steeds voorkomend te behandelen, zoals Hij eenmaal met de inwoners van Palestina met tact en liefde omging. Toen deed Hij het in persoon; nu wil Hij het door ons doen. Zo wordt onze liefde een vertolken van Jezus’ liefde en kunnen wij ieder die wij ontmoeten iets van de oneindige tederheid van Jezus’ Hart laten voelen.
Maar om het zover te brengen moeten wij ons hart van alle resten van eigenliefde zuiveren, ons uit de banden van persoonlijke sympathie en antipathie bevrijden en bovendien steeds dieper in het mysterie van Jezus’ liefde voor ons doordringen. Jezus bemint ons zoals wij zijn, ondanks onze gebreken, ondanks de onverschilligheid van onze geest en de hardheid van onze wil, zelfs ondanks onze zonden. Is Hij niet om onze zonden mens geworden en op het kruis gestorven? Noch het tekort aan natuurlijke gaven, noch de gebreken en evenmin de zonden geven aanleiding, ons te verstoten. Hij zoekt steeds onze zielen op, omringt ons voortdurend met Zijn genade, spreekt ons aan en nodigt ons uit om door Hem tot heiligheid te komen.
Zelfs zielen van de grootste zondaars zijn Hem lief, ook deze worden voortdurende door Zijn liefde achtervolgd. Zelfs Judas, de verrader, genoot tot het laatste ogenblik de tederheid van Zijn liefde: Jezus gaf hem de zoete naam van vriend en kuste hem. Jezus bemint ons, niet omdat wij volmaakt zijn, maar als kinderen van de hemelse Vader. Hij bemint ons, niet omdat wij goed zijn, maar omdat Hij in ons het beeld van zijn Vader ziet, omdat wij zijn schepselen en schapen van Zijn kudde zijn. Hoe zouden wij dan alleen degenen liefhebben die goed zijn, wiens gezelschap ons aangenaam is, wiens vriendschap ons opbeurt?
Als Jezus ons zou behandelen zoals wij onze naaste behandelen, dan zouden wij maar weinig op Zijn begrip, op Zijn barmhartigheid, op Zijn vriendschap mogen hopen. Uw liefde, Heer, doet in mij de naaste beminnen. ‘Toen U, Heer, uw volk opdroeg hun naaste te beminnen als zichzelf, was U nog niet op aarde gekomen. Maar U wel wist hoezeer men zichzelf liefheeft en U kon uw schepselen geen grotere liefde voor de naaste vragen. Maar toen U een nieuw gebod aan uw apostelen gaf, dan sprak U er niet meer van, de naaste te beminnen als zichzelf, maar hem te beminnen zoals U, Jezus, hem bemind hebt, zoals U hem tot het einde der eeuwen zult beminnen...
‘O Heer, ik weet dat U niets onmogelijks opdraagt. U kent mijn zwakheid, mijn onvolmaaktheid beter dan ik. U weet wel dat ik mijn naaste nooit zal kunnen beminnen zoals U hem liefhebt. U hebt mij een nieuw gebod gegeven, omdat U mij deze genaden hebt willen verlenen. O, wat houd ik van dit gebod, omdat het mij de verzekering geeft dat het uw wil is in mij allen te beminnen die U mij opdraagt lief te hebben.
‘Ja, ik voel het, wanneer ik liefde beoefen, is het Jezus alleen die in mij werkt. Hoe meer ik met U, Jezus, verenigd ben, des te meer bemin ik al mijn naasten’ (Theresia van Lisieux).
‘Uw woorden, Christus, zijn een nieuw lied: ‘Ik geef u een nieuw gebod’! U wilt dat wij de anderen liefhebben zoals U, die de liefde bent, ze liefhebt! U zegt ons: ‘bemint elkaar zoals ik u bemind heb’ en niet ‘zoals ik mijzelf heb liefgehad’, want op Uzelf hebt U gerechtigheid geoefend en ons hebt U barmhartig, zachtmoedig en met oneindig mededogen bemind. En U wilt dat wij zó de anderen beminnen’ (H. M. Magdalena di Pazzi).

