19/10 Pr Ripperger: Hoe je verdienste kunt begrijpen en je beloning in de Hemel kunt vergroten - Sign of the Cross
De conferentie van vanmiddag gaat over 'verdienste'. Ik wil dit bespreken zodat jullie je verdiensten kunnen maximaliseren en zo de hoogst mogelijke plaats in de hemel kunnen bereiken. Er zijn namelijk specifieke dingen die je kunt doen om je positie in de hemel te verhogen. Ik baseer me hierbij op het eerste deel van het tweede deel, oftewel I-II, Vraag 114 van de Summa Theologiae. In zijn bekende verhandeling "The Merit of a Mass" gebruikt hij deze specifieke passage om de theologische principes van verdienste uit te leggen.
De Passage: Prima Secundae, Vraag 114, Artikel 1 Latijnse titel van de vraag: Over de verdienste, welke het gevolg is van de medewerkende genade. Kernvraag van Artikel 1: Of de mens iets kan verdienen van God.
Het beslissende antwoord van Thomas van Aquino: "Verdienste en beloning worden in dezelfde zin gebruikt. Beloning is immers datgene wat aan iemand wordt gegeven als vergelding voor zijn werk of inspanning, als een soort loon. Daarom is het rechtvaardig om iemand te belonen, net zoals het rechtvaardig is om een schuld te betalen. Rechtvaardigheid berust echter op gelijkheid, zoals de Filosoof [Aristoteles] zegt. Bijgevolg is er sprake van absolute rechtvaardigheid daar waar sprake is van absolute gelijkheid tussen de partijen.
Maar waar die absolute gelijkheid ontbreekt, is er geen absolute rechtvaardigheid, maar een relatieve rechtvaardigheid [...]. En daarom kan er tussen God en de mens geen sprake zijn van een absolute gelijkheid in rechtvaardigheid, maar enkel van een verhouding die bepaald is door de goddelijke ordening. De mens kan dus alleen iets van God verdienen op grond van deze goddelijke ordening: namelijk dat de mens van God als beloning voor zijn werk datgene ontvangt waartoe God hem het vermogen en de werkkracht heeft geschonken."
Waarom Ripperger naar deze specifieke Quaestio verwijst
Father Ripperger bouwt zijn argumentatie op de structuur van deze specifieke quaestio. In de rest van vraag 114 maakt Thomas van Aquino namelijk het cruciale onderscheid dat Ripperger toepast op de Heilige Mis en het spirituele leven:
1e Verdienste op basis van rechtvaardigheid. Dit is alleen mogelijk omdat de Heilige Geest de bron is van de genade in ons.
2e Verdienste op basis van passendheid of vriendschap (bijvoorbeeld het verdienen van de eerste genade voor een ander).
3e De Liefde als bron: Thomas stelt dat de fundamentele maatstaf voor alle verdienste de bovennatuurlijke liefde (caritas) is waarmee een handeling wordt verricht. Ripperger benadrukt dat de uiterlijke vorm van de liturgie de innerlijke caritas en nederigheid maximaal moet ondersteunen om de feitelijke vrucht van de Mis te vergroten.
Laten we dus beginnen bij de basis: wat is verdienste? Volgens de heilige Thomas zijn verdienste en beloning in feite hetzelfde. Een beloning is een vorm van compensatie, een vergoeding of vergelding voor verricht werk of geleverde arbeid. Met andere woorden: een beloning is iets wat je aan iemand geeft omdat diegene iets goeds heeft gedaan. Wanneer we spreken over 'verdienste', hebben we het over een positief resultaat of iets wat je aan een individu teruggeeft als erkenning voor het goede dat diegene heeft verricht. Het is dus iets goeds dat je aan iemand schenkt omdat die persoon zelf iets goeds heeft gedaan. Wanneer we het over verdienste hebben, is dat in de eerste plaats in relatie tot God. Volgens de H. Thomas van Aquino valt het concept van verdienste in zekere zin onder de noemer 'rechtvaardigheid', omdat je iemand geeft waar diegene recht op heeft – een verplichting die gebaseerd is op gelijkheid.
Denk bijvoorbeeld aan wat we eerder bespraken in de context van rechtvaardigheid: als ik tegen iemand zeg: "Ik betaal je 50 dollar als je mijn gazon maait", en die persoon maait vervolgens het gazon, dan ben ik verplicht om die 50 dollar te betalen. Ik kan er geen 49 van maken. Ik zou wel meer kunnen geven – bijvoorbeeld een fooi – maar dat is een vrijwillige gift; daartoe ben ik niet verplicht. Ik móét die 50 dollar betalen omdat het werk is verricht. Dat is wat ik aan die persoon verschuldigd ben. Er is hier dus sprake van een gelijkheid. Die gelijkheid heeft niet alleen betrekking op de verhouding tussen het geleverde werk en de daarvoor ontvangen beloning; ze is ook gebaseerd op een gelijkheid tussen de personen onderling – in dit geval tussen degene die de prestatie levert en degene die de beloning verschuldigd is.
Wat betekent dat precies? Stel bijvoorbeeld: je hebt een hond of een kat, en het dier doet iets wat je erg op prijs stelt. Ben je dan vanuit het oogpunt van rechtvaardigheid verplicht om dat dier een beloning te geven? Nee. Want het dier is niet je gelijke, en wat het doet, rechtvaardigt op dat niveau geen enkele beloning; het bevindt zich immers niet op het niveau van een rationeel wezen. Je bent het dier dus niets verschuldigd in de orde van de rechtvaardigheid. Dit geldt in feite voor de gehele schepping. We zijn de schepping als geheel niets verschuldigd vanuit de rechtvaardigheid.
Dit is een van de redenen waarom — zelfs op hogere niveaus binnen de Kerk — mensen dit verkeerd beginnen te begrijpen. De reden dat we de verplichting hebben om voor het milieu te zorgen of dieren goed te behandelen, is in ons eigen belang: we willen voorkomen dat we onze eigen leefomgeving verwoesten. Bovendien is het van belang om te voorkomen dat we zelf wreed of gemeen worden.
Maar het is niet zo dat het dier op zichzelf een recht heeft, of dat de schepping als zodanig rechten bezit; er is immers geen sprake van gelijkheid. We hebben wel de plicht om voor het milieu te zorgen, omdat dit invloed heeft op andere mensen. Het punt is dat het een kwestie is van gelijkheid en rechtvaardigheid. Waarom is dit belangrijk? Welnu, dat zullen we zien, want uiteindelijk – in strikte zin van rechtvaardigheid – zijn wij God niets verschuldigd, ongeacht het goede dat we doen, omdat wij niet aan Hem gelijk zijn. Net zoals wij een hond niets verschuldigd zijn in termen van rechtvaardigheid, is God ons in die zin ook niets verschuldigd.
Wat betreft 'verdienste' spreken we over een beloning van God die gebaseerd is op ons eigen vrije handelen; het moet dus vrijwillig van onze kant komen. St-Thomas stelt dat wanneer we spreken over verdienste in relatie tot iets bovennatuurlijks – een bovennatuurlijke beloning – dit gebaseerd is op een 'meewerkende genade' die we in onze wil ontvangen. Wij zeggen daar 'ja' tegen, voeren de handeling uit, en vervolgens schenkt God ons een beloning. Het is dus een vrijwillige daad van de wil, waarvoor een meewerkende genade vereist is. We verdienen iets bij God – niet in de zin dat Hij door onze daden 'meer' wordt of iets toevoegt aan Zijn eigen wezen, maar wel in zoverre wij werken voor Zijn glorie. Hier begint het dus een beetje te verschuiven. Er zijn een paar punten die Sint-Thomas uiteenzet. Onze daden bezitten alleen het karakter van 'verdienste' onder de voorwaarde van een goddelijke ordening. Hij zegt dat hieruit niet volgt dat God onze schuldenaar is; integendeel, wij zijn Hem iets verschuldigd, in die zin dat het Hem toekomt dat wij Zijn orde vervullen.
Laten we dit eens nader bekijken. Wanneer we spreken over de verhouding tussen God en de mens, moeten we een aantal zaken in gedachten houden.
* Ten eerste: Hij is degene die ons heeft geschapen.
* Ten tweede: Hij houdt ons in het bestaan. Hij zorgt er dus voor dat wij blijven bestaan. En dat is nog maar het in stand houden van ons bestaan. Zelfs onze handelingen – het feit dat onze handelingen überhaupt plaatsvinden – moeten door Hem worden veroorzaakt. Hij moet die als primaire oorzaak teweegbrengen; wij zijn slechts de secundaire oorzaak. En omdat Hij dit alles doet, kunnen wij – letterlijk – niets. Als er ook maar één ding is dat Hij niet veroorzaakt, dan kunnen wij niets doen. Er gebeurt dan niets. Letterlijk niets. Daarom zei Christus: "Zonder Mij kunnen jullie niets doen." Uiteindelijk is alles wat er werkelijk gebeurt, in de kern aan Hem toe te schrijven. En omdat Hij degene is die dit alles veroorzaakt, zou niets hiervan mogelijk zijn zonder Hem. Daarom is Hij ons, in alle rechtvaardigheid, niets verschuldigd, want: je zou dit alles immers toch niet kunnen doen zonder Mij. Bovendien zijn wij niet gelijk aan Hem in het goddelijke.
Omdat Hij dit alles doet – Hij schept ons, Hij houdt ons in het bestaan, Hij zet ons aan tot handelen, of beter gezegd: Hij veroorzaakt de handelingen die wij verrichten – hebben wij de verplichting om die handelingen te verrichten die in overeenstemming zijn met Zijn wil, de goddelijke ordening. Volgens de goddelijke voorzienigheid kan iets niet handelen boven zijn eigen vermogen uit.
Wat betekent dat? Het is gebaseerd op het principe dat de oorzaak altijd op een bepaalde manier in verhouding staat tot het gevolg, of, anders gezegd: het gevolg kan nooit groter zijn dan de oorzaak. Dit is precies het punt waarop veel mensen de mist in gaan. Laten we dit eens nader bekijken. Stel nu – puur als voorbeeld – dat we uitgaan van een mens als een eenheid van lichaam en ziel. Stel dat er geen heiligende genade in de ziel aanwezig is; dan hebben we bij deze eenheid van lichaam en ziel te maken met iets dat louter natuurlijk is. Zonder heiligende genade is er niets bovennatuurlijks in aanwezig. En omdat de oorzaak iets natuurlijks is, kan het geen effect voortbrengen dat groter is dan de oorzaak zelf; het kan enkel een natuurlijk effect teweegbrengen.
Dit principe, dat ook door theologen zoals Father Chad Ripperger uitvoerig wordt gebruikt om de werking van genade uit te leggen, raakt de absolute kern van de thomistische filosofie. Het is gebaseerd op de metafysische wet: "Een gevolg kan nooit volmaakter zijn dan zijn oorzaak" (niemand kan geven wat hij niet heeft).
Als de oorzaak (de mens) puur natuurlijk is, kan het resultaat van zijn handelingen nooit de bovennatuurlijke grens overschrijden. Hieronder volgt een uitvoerige uitleg en een helder voorbeeld om dit mechanisme inzichtelijk te maken.
Metafysische Logica: Natuurlijk vs. Bovennatuurlijk
Thomas van Aquino legt in de Summa Theologiae (I-II, q. 114, a. 2) uit dat de hemel – de aanschouwing van God (de Visio Beatifica) – een bovennatuurlijk doel is. Het overstijgt de capaciteit van elke geschapen natuur, inclusief die van de menselijke ziel.
Wanneer een mens louter in zijn natuurlijke staat verkeert (zonder heiligende genade):
* Oorzaak: Een eenheid van lichaam en ziel met enkel natuurlijke vermogens (verstand en wil).
* Handeling: Het intellect denkt en de wil kiest, maar puur op menselijk niveau.
* Gevolg: De handeling kan moreel goed zijn (bijvoorbeeld: eerlijk belasting betalen of een hongerige voeden uit louter menselijk medeleven), maar het effect blijft natuurlijk. Het mist de 'bovennatuurlijke lading' die nodig is om een eeuwig, goddelijk loon te verdienen.
Zonder heiligende genade (het goddelijke leven dat in de ziel wordt gegoten) mist de mens de benodigde "hefboom". Genade is geen menselijke prestatie, maar een deelname aan de goddelijke natuur. Pas als God de oorzaak (de menselijke ziel) verheft met genade, krijgt de handeling van die mens een bovennatuurlijke waarde. De oorzaak is dan immers niet meer de mens alléén, maar de mens die door God is verheven.
Voorbeeld: Een Houten Katapult en de Ruimtevaart
Om dit abstracte principe tastbaar te maken, kunnen we kijken naar een analogie uit de natuurkunde: het bereiken van de ruimte.
Stel je voor dat we een perfecte, gigantische houten katapult bouwen. Dit instrument staat symbool voor de natuurlijke mens (de eenheid van lichaam en ziel).
De katapult is mechanisch perfect ontworpen (zoals de menselijke natuur met een functionerend verstand en een vrije wil).
Als we de katapult spannen en loslaten, produceert hij een krachtig effect: hij schiet een steen honderden meters ver door de lucht. Dit staat symbool voor een natuurlijk goede daad (zoals een vriendelijke buurman zijn).
Maar stel nu dat ons doel is om een satelliet buiten de dampkring, in een baan om de aarde te brengen. Dit doel staat symbool voor het bovennatuurlijke doel (de Hemel).
De fout die veel mensen maken: Mensen denken dat als we de katapult maar groter maken, het hout steviger oliën en harder trekken (de mens die "beter zijn best doet" of "nóg aardiger wordt"), de steen uiteindelijk wel de ruimte zal bereiken.
* Metafysische realiteit: Dit is onmogelijk. Een katapult werkt op basis van mechanische veerkracht en de wetten van de lagere atmosfeer. De oorzaak (de mechanische katapult) mist simpelweg de capaciteit om een gevolg (ontsnappen aan de zwaartekracht en de ruimte bereiken) te bewerken dat buiten zijn eigen natuurlijke orde ligt. De katapult kan enkel een ballistische, aardse curve produceren. Hoe hard hij ook zijn best doet, de steen valt altijd terug naar de aarde.
De introductie van Genade (De Raketmotor)
Om de ruimte te bereiken, moet er een compleet nieuwe, hogere kracht aan de satelliet worden toegevoegd: een raketmotor met vloeibare brandstof. Deze raketmotor staat symbool voor de heiligende genade.
De raketmotor behoort tot een heel andere orde van kracht (bovennatuurlijk). Wanneer de raketmotor in de satelliet wordt geplaatst, wordt de satelliet verheven boven zijn passieve staat. Als de motor ontbrandt, produceert hij een stuwkracht die wél in verhouding staat tot het doel: het doorbreekt de dampkring en bereikt de kosmos.
Conclusie toegepast op de mens
Als een mens zonder heiligende genade een heldendaad verricht (bijvoorbeeld zijn leven geven voor een ander uit natuurlijke plichtsgetrouwheid), is dat een prachtige, "hoogvliegende" handeling – net als de steen uit de gigantische katapult. Maar omdat de bron puur menselijk (natuurlijk) is, kan de daad de dampkring van de aardse orde niet doorbreken. Het kan geen bovennatuurlijke verdienste (meritum) opleveren voor de eeuwigheid.
Pas wanneer de ziel door de heiligende genade (de raketmotor) is getransformeerd, worden de alledaagse handelingen van de mens – zelfs zoiets simpels als een glas water geven aan een dorstige – plotseling handelingen die door de goddelijke liefde (caritas) worden aangedreven. De oorzaak is nu bovennatuurlijk geadopteerd, en daardoor staat het gevolg (de eeuwige beloning) weer in perfecte verhouding tot de oorzaak.
** Wat betekent dit nu? Het betekent dat God de zaken zo heeft ingericht dat, wanneer ik niet in een staat van genade verkeer en ik een moreel goede daad verricht – dus een daad op het natuurlijke vlak – dan is het resultaat daarvan een versterking van de deugd op dat specifieke gebied. De beloning die God daarvoor geeft, is dus een natuurlijke beloning.
Daarentegen – en hier komt het – stelt St Thomas dat het eeuwig leven een goed is dat de verhoudingen van de geschapen natuur overstijgt. Daarom is geen enkele geschapen natuur in staat om, op eigen kracht, een daad te verrichten die verdienstelijk is voor het eeuwig leven. Ik zal dat nog eens voorlezen. Dat is precies het punt dat het pelagianisme onderuithaalt. Eeuwig leven. We hebben het dus over een gevolg. We spreken hier over eeuwig leven. Dit is het effect. Dit is een bovennatuurlijk effect. En de reden dat we weten dat het bovennatuurlijk is, komt doordat eeuwig leven gelijkstaat aan de 'visio beatifica' (de zaligmakende aanschouwing van God), enzovoort.
Omdat het eeuwig is, staat het per definitie boven de tijd en boven ons; het bevindt zich buiten de tijd. Het is iets dat onze natuur overstijgt, iets dat eeuwigdurend is. Het is niet iets waartoe wij zelf in staat zijn. Dat betekent dat ik op natuurlijk niveau niets kan doen om een bovennatuurlijk effect te bewerkstelligen. Alleen iets dat zelf bovennatuurlijk is, kan een bovennatuurlijk effect veroorzaken. Iets natuurlijks kan nooit een bovennatuurlijk effect teweegbrengen, want dan zou het eerste beginsel worden geschonden: het effect zou in dat geval groter zijn dan de oorzaak. Als we naar de gehele natuur kijken, zien we dat het effect nooit groter is dan de oorzaak. Eeuwig leven is een goed dat in verhouding de geschapen natuur overstijgt.
Daarom kan geen enkel geschapen wezen eeuwig leven voortbrengen; geen enkele geschapen natuur is in staat om door eigen verdienste eeuwig leven te verwerven. Kort gezegd: wanneer we over eeuwig leven spreken, hebben we het over de Hemel. Als ik enkel op natuurlijk niveau besta – zonder bovennatuurlijk leven in mij, zonder heiligmakende genade – dan kan ik door mijn eigen handelen geen eeuwig leven bewerkstelligen, omdat mijn daden niet in verhouding staan tot dat doel. Met andere woorden: ik kan mezelf niet redden. Ik ben simpelweg niet in staat om mijn eigen redding te bewerkstelligen. Bovendien zijn wij van nature niet volmaakt, en we kunnen onszelf dus ook niet tot volmaaktheid brengen.
Dit betekent ook dat, wanneer ik niet in een staat van genade verkeer, al mijn handelingen louter natuurlijk van aard zijn. Wanneer iets louter natuurlijk is, betekent dit dat niets wat ik in die toestand doe, mijn innerlijk leven kan verrijken. Niets van wat ik onderneem, kan dus de verdienste vergroten die ik in de Hemel verwerf – oftewel: het kan niet leiden tot een hogere plaats in de Hemel. Dit is een van de zaken die door hedendaagse katholieken het meest fundamenteel verkeerd worden begrepen. Veel moderne katholieken redeneren: "Ik ben toch een goed mens?" Maar als je niet in een staat van genade verkeert, doet dat er niet toe.
Men blijft volhouden: "Ja, maar ik ben een goed mens, dus als ik sterf, zal God me wel dit of dat geven..." Of ze denken – en ik herinner me een treffend voorbeeld hiervan – dat liefdadigheidswerk in de ogen van God even verdienstelijk is, ongeacht wie het verricht. Zo werd er ooit in het nieuws beweerd dat het liefdadigheidswerk van prinses Diana in de ogen van God net zo verdienstelijk was als het werk van Moeder Teresa. Dat is natuurlijk volstrekt absurd. Ten eerste was Moeder Teresa buitengewoon heilig – daar komen we later nog op terug – en hoe heiliger iemand is, des te groter is de uitwerking daarvan. Bovendien bevond prinses Diana zich in een situatie waarin ze samenwoonde met de man met wie ze uiteindelijk in die tunnel verongelukte.
Hoe kun je dan beweren dat haar daden gelijkstaan aan die van Moeder Teresa? Het punt is dat mensen ten onrechte geloven dat hun natuurlijke handelingen invloed kunnen hebben op hun positie in de Hemel; dat ze een bovennatuurlijk effect zouden kunnen hebben. Dat is simpelweg onwaar, want daarmee schend je een logisch principe. Het is irrationeel. Het principe luidt dat het gevolg nooit groter kan zijn dan de oorzaak. Als ik louter op natuurlijk niveau handel, kan ik onmogelijk iets teweegbrengen dat bovennatuurlijk is. Dat is onmogelijk. St-Thomas stelt dat genade datgene is wat wordt toegevoegd als het toereikende beginsel voor een verdienstelijke handeling die leidt tot het eeuwig leven. Wat betekent dat nu eigenlijk? Welnu, wanneer we worden gedoopt, of wanneer we in een staat van doodzonde verkeren en biechten, herstelt God ons in de staat van genade.
Definitie van heiligmakende genade: Heiligmakende genade is een entitatieve habitus (een blijvende hoedanigheid) die in de essentie van de ziel verblijft, waardoor wij deelhebben aan het goddelijk leven, oftewel deelhebben aan de goddelijke natuur.
Om te begrijpen wat hier staat, moeten we deze definitie woord voor woord ontleden volgens de aristotelisch-thomistische filosofie.
1. Wat betekent "Entitatief"? (Een nieuwe laag van zijn)
Het woord 'entitatief' komt van het Latijnse ens (zijnde) of het Griekse on (zijn). In de filosofie verwijst dit naar de essentie of de natuur van iets.
Wanneer we zeggen dat heiligmakende genade een entitatieve hoedanigheid is, betekent dit dat het invloed heeft op het zijn van de ziel, niet direct op het handelen van de ziel.
* Geen juridische fictie: Het is niet zo dat God simpelweg "besluit" jou niet meer te straffen, of dat Hij door een roze bril naar je kijkt.
* Een reële transformatie: Er vindt een metafysische verandering plaats in de kern (de essentie) van je ziel. Net zoals een rups door een gedaanteverwisseling een vlinder wordt, zo wordt de menselijke ziel door de heiligmakende genade kwalitatief verheven naar een hogere orde van bestaan. Je bent ontologisch (in je wezen) veranderd.
2. Wat is een "Habitus"? (Een blijvende gesteldheid)
Het woord habitus is afgeleid van het Latijnse habere (hebben). In de filosofie van Thomas van Aquino is een habitus een blijvende kwaliteit die diep in de ziel geworteld is. Het is geen vluchtige emotie of een tijdelijke ingeving (dat noemen we actuele genade), maar een permanent spiritueel bezit. Je 'hebt' het, en het blijft in je ziel aanwezig zolang je het niet verliest door een doodzonde.
3. Waarom zet heiligmakende genade je nergens toe aan?
Dit is een cruciaal punt waar veel gelovigen de mist in gaan, en wat in jouw tekst haarscherp wordt opgemerkt. Er zijn twee soorten habitus:
* Operationele habitus (operatieve deugden): Dit zijn gewoonten die je aanzetten tot actie. Denk aan de deugd van rechtvaardigheid, matigheid, of zelfs een natuurlijke vaardigheid zoals piano spelen. Als je die habitus hebt, ben je geneigd om te handelen (piano te spelen of het goede te doen).
* Entitatieve habitus (zijns-gestelde): Heiligmakende genade is niet operationeel, maar entitatief. Het is statisch. Het is simpelweg een toestand van zijn.
De analogie van gezondheid:
Heiligmakende genade kun je het beste vergelijken met fysieke gezondheid. Gezondheid is een kwaliteit die in je lichaam aanwezig is. Gezondheid op zichzelf "doet" niets; het tilt geen gewichten op en het loopt geen marathon. Het is simpelweg de toestand waarin je lichaam zich bevindt. Maar omdat je gezond bent, hebben je spieren en organen de capaciteit om krachtig te handelen.
Op precies dezelfde manier werkt heiligmakende genade: het is de "spirituele gezondheid" van de ziel. Het is de aanwezigheid van het goddelijk leven in de essentie van je ziel. Het zet je niet direct aan tot bidden of naastenliefde, maar het is het noodzakelijke fundament waardoor jouw ziel überhaupt in staat is om bovennatuurlijke deugden (zoals geloof, hoop en liefde) te bezitten en bovennatuurlijke daden te stellen.
4. "Verblijft in de essentie van de ziel"
Thomas van Aquino legt uit dat de menselijke ziel een essentie (een kern) heeft, waaruit vermogens voortvloeien (het verstand en de wil).
* De bovennatuurlijke deugden (Geloof, Hoop en Liefde) nestelen zich in de vermogens (verstand en wil) om het handelen te heiligen.
* De heiligmakende genade nestelt zich nóg dieper: rechtstreeks in de essentie van de ziel. Het heiligt eerst de ziel in haar zijn, en pas daarna stromen de deugden naar buiten toe om het handelen te heiligen.
Een uitvoerig voorbeeld: Het IJzer en het Vuur
Om dit gehele concept van een entitatieve habitus die deelneemt aan de goddelijke natuur tastbaar te maken, gebruikten de Kerkvaders en Thomas van Aquino het klassieke voorbeeld van een ijzeren staaf die in het vuur wordt gelegd.
* Natuurlijke Staat (De koude ijzeren staaf):
Een koude, zwarte ijzeren staaf vertegenwoordigt de menselijke ziel in haar louter natuurlijke staat (lichaam en ziel zonder genade). De staaf heeft specifieke natuurlijke eigenschappen: hij is hard, zwaar, koud en donker. Hoe hard de staaf ook "zijn best doet", hij kan van nature nooit licht geven of iets anders doen ontbranden.
* Entitatieve Transformatie (In het vuur leggen):
Wanneer de staaf in een gloeiend vuur (Gods goddelijke leven) wordt gelegd, dringt het vuur door tot in de diepste vezels en de essentie van het ijzer. De staaf ondergaat een entitatieve verandering: hij blijft qua substantie nog steeds ijzer (de mens blijft mens), maar hij krijgt kwalitatief de eigenschappen van het vuur. Hij begint intens te gloeien, wordt roodgloeind, straalt hitte uit en geeft licht.
* Karakter van de Habitus (Het 'hebben' van de gloed):
Als je de staaf uit het vuur haalt, blijft hij nog een hele tijd gloeien. Die gloed is nu een habitus geworden: een blijvende hoedanigheid die het ijzer bezit (habere). Het ijzer "is" nu gloeiend.
Waarom het nergens toe aanzet, maar alles mogelijk maakt:
De gloed in het ijzer "doet" op zichzelf niets; het is simpelweg de nieuwe, verheven toestand van de staaf (entitatief). Maar omdat de staaf gloeit (heiligmakende genade heeft), heeft hij nu het vermogen om hout te ontbranden als hij ermee in contact komt. Dat ontbranden is de bovennatuurlijke daad (de liefde). Zonder de innerlijke, statische gloed zou de uiterlijke actie (het hout aanraken) volstrekt vruchteloos zijn.
Samenvatting
Heiligmakende genade is dus Gods eigen leven dat als een permanente, gloeiende kwaliteit in de kern van je ziel wordt gegoten. Het pusht je niet mechanisch in een bepaalde richting, maar het verheft je niveau van zijn, waardoor je ziel van een louter menselijk wezen transformeert in een wezen dat daadwerkelijk deelt in de goddelijke natuur.
Dit onderscheid tussen de entitatieve genade (je staat van zijn) en operationele deugden (je handelen) is precies de reden waarom katholieken geloven dat je door een doodzonde de genade direct kunt verliezen.
Het verklaart het fundamentele verschil tussen de protestantse visie op rechtvaardiging (waar God de zondaar als het ware "bedekt" met de mantel van Christus, maar de ziel inherent corrupt laat) en de katholieke visie (waar God de ziel daadwerkelijk en substantieel transformeert).
** Ten tweede kan deze gesteldheid door mijn eigen handelingen worden versterkt, zodra ik in de staat van genade verkeer. In die zin functioneert het als een habitus. Je kunt zo’n gesteldheid door je eigen activiteiten versterken. Ze kan echter ook door jouw handelingen verloren gaan – niet slechts verminderen, maar echt volledig verloren raken. Als ik een doodzonde bega, gaat de genade verloren. Bij een dagelijkse zonde neemt de heiligmakende genade echter niet af.
Wat er in zo’n geval gebeurt, is dat ik obstakels opwerp in mijn vermogens, waardoor mijn vermogen om volmaakter te handelen wordt geblokkeerd. Zodra die obstakels worden weggenomen, kan ik echter weer verder groeien in genade. Deze heiligmakende genade is dus een 'entitatieve habitus' die zetelt in de essentie van de ziel. Ze bevindt zich in mijn ziel; het is iets in mij waardoor ik deelheb aan het goddelijk leven. Het is een deelhebben – een concept dat we onder meer terugvinden bij de heilige Paulus. Het is namelijk een deelhebben aan de goddelijke natuur. Let wel: het is niet de goddelijke natuur zelf, maar een deelhebben daaraan.
Wat betekent dat precies? Welnu, in Christus was er sprake van de goddelijke natuur zelf. Toen de goddelijke natuur zich verbond met het lichaam en de ziel van Jezus, was Christus God – dat is iets anders dan het feit dat God dit in ons tot stand brengt. Het is een geschapen deelhebben aan Zijn goddelijke natuur. God schept dit in ons, wat betekent dat het noodzakelijkerwijs begrensd is.
Heiligmakende genade is begrensd omdat het een 'kwaliteit' is in onze ziel, en die kwaliteit kan in verschillende gradaties aanwezig zijn. Het bevindt zich dus in onze ziel, en omdat het een eigenschap van onze ziel is, is het van nature begrensd – al blijft de precieze aard ervan een mysterie.
We weten niet precies hoe dit werkt. Hoe dan ook is er sprake van een deelname aan Zijn natuur. Juist omdat het een deelname aan de goddelijke natuur betreft, ontstaat er een zekere gelijkheid waar we het eerder over hadden in de context van mijn handelingen. Er komt een soort gelijkheid tot stand. Geen absolute gelijkheid, maar wel een vorm van gelijkheid. Omdat ik dus deelheb aan de goddelijke natuur, kan een handeling die ik onder bepaalde voorwaarden verricht een bovennatuurlijk effect hebben; ik draag immers iets bovennatuurlijks in mij. Daardoor kunnen mijn daden onder bepaalde omstandigheden een bovennatuurlijk effect hebben, en zo ontstaat die gelijkheid. Ten tweede is er, strikt genomen, geen sprake van gelijkheid tussen God en ons, maar wel van een soort gelijkheid.
Hij spreekt immers over zonen en dochters van God; dit impliceert dat wij, als het ware, geadopteerde zonen en dochters van God zijn. Er is dus sprake van een soort 'quasi-gelijkheid'. Het is uiteraard geen werkelijke gelijkheid, zoals die bij Christus bestond, maar een geschapen deelname. Er is dus iets bovennatuurlijks in ons aanwezig. Vroeger sprak men in dit verband over 'heiligende genade', omdat het een geschapen deelname aan de goddelijke natuur in onze ziel betrof. Men noemde dit ook wel de 'verlossende vereniging'. Dit komt doordat er slechts één goddelijke natuur is, en wij op een bepaalde manier met Hem verenigd zijn door middel van deze deelname – niet op een 'hypostatische' wijze, zoals bij Christus, maar door deze geschapen deelname.
Wat er dus gebeurt – zoals St Thomas zegt – is dat genade wordt toegevoegd als het voldoende beginsel voor een verdienstelijke daad die leidt tot het eeuwig leven. Zodra ik over heiligmakende genade beschik, is er iets bovennatuurlijks in mij aanwezig, waardoor ik in staat ben om door mijn handelingen een bovennatuurlijk effect teweeg te brengen. Als ik een doodzonde bega, verlies ik de heiligmakende genade en val ik terug in een toestand waarin mijn handelingen uitsluitend een natuurlijk effect kunnen hebben. Dit is cruciaal.
Wat betekent dit nu concreet? Daarom is de algemene opvatting onder theologen dat, wanneer je in een staat van genade verkeert en verdienstelijke daden verricht, maar vervolgens een doodzonde begaat – en het duurt even voordat je weer naar de biecht gaat – en je na de biecht weer in de staat van genade wordt hersteld, dan hebben alle handelingen die je in de tussentijd (toen je niet in de staat van genade verkeerde) hebt verricht, geen enkele verdienste. Je kunt dus niet redeneren: "Ik blijf gewoon doorgaan met deze daden, want zo vergroot ik mijn verdienste in de Hemel, ook al verkeer ik niet in de staat van genade." Nee, zo werkt het niet – ook niet als je van plan bent om later weer te biechten. Zo werkt het simpelweg niet.
Aan de andere kant is er sprake van wat men het 'herstel van verdienste' of 'herstel van genade' noemt. Volgens de gangbare opvatting onder theologen geldt het volgende: als ik in een staat van genade verkeer en vervolgens een doodzonde bega, dan leveren mijn daden in die periode geen enkele verdienste op. Maar als ik terugkeer in de staat van genade – bijvoorbeeld door middel van de biecht – dan is de algemene opvatting dat zowel het niveau van de heiligmakende genade als mijn verdiensten worden hersteld. Laten we nog even een stap terug doen: zodra ik in een staat van genade verkeer, is er sprake van iets bovennatuurlijks, waardoor mijn handelingen een bovennatuurlijk effect kunnen hebben. Als ik niet in een staat van genade verkeer, is alles wat ik doe puur natuurlijk en kan het enkel een natuurlijke beloning tot gevolg hebben.
Omdat deze deelname aan God geschapen is, is zij begrensd; ze is kwantificeerbaar en kent gradaties. Door je eigen handelingen kun je de mate waarin je aan God deelhebt, vergroten. Zo komt het dat sommige mensen heiliger worden dan anderen. Waarom ga ik hierop in? Het punt is niet alleen dat heiligmakende genade het bovennatuurlijke principe vormt dat mijn handelingen een bovennatuurlijk karakter geeft – waarbij de oorzaak groter is dan, of in verhouding staat tot, het effect. Het betekent ook dat het effect in zekere zin evenredig is aan de oorzaak.
Dat wil zeggen: de mate, de intensiteit of de hoeveelheid heiligmakende genade in mijn ziel bepaalt hoe groot het effect van mijn handelingen is. Hoe meer heiligmakende genade ik bezit – of, anders gezegd: hoe heiliger ik ben – des te krachtiger zijn mijn handelingen in het voortbrengen van een bovennatuurlijk effect; ze geven dan een groter of verhevener resultaat. Dit is vergelijkbaar met het volgende: als ik een gloeilamp van 60 watt heb, zal die ook slechts 60 watt aan licht produceren. De verlichting – het licht waarmee we dingen kunnen zien – is beperkt; terwijl een gloeilamp van 100 watt voor meer licht zorgt. Het is in feite hetzelfde verschijnsel. Als katholieken begrijpen we dit instinctief. We weten dat er soms situaties in ons leven zijn die echt aandacht behoeven. We hebben dan echt iemand nodig – we hebben God nodig – die hierbij betrokken raakt. En wat doen mensen dan?
Vaak wenden ze zich tot iemand van wie ze geloven dat diens gebeden het meest krachtig zijn – iemand die zij als bijzonder heilig beschouwen – met het verzoek: "Zou u hiervoor willen bidden?" Ze weten namelijk dat de kans groter is dat de gebeden van die persoon verhoord worden dan hun eigen gebeden. Neem bijvoorbeeld Padre Pio; dit is ook wat ik altijd tegen priesters zeg. Ik was eens bij een groep priesters en vroeg: "Stel – we spraken destijds over de liturgie – stel dat je moet kiezen: laat je zelf een mis opdragen om iets te verkrijgen, of laat je Padre Pio een mis opdragen om iets te verkrijgen wie zou je dan vragen om dat te doen?" En ze zeiden: "Nou, dat is niet eerlijk." Waarop het antwoord luidde: "Nee, het is volkomen eerlijk. Jullie weten allemaal dat de kans groter is dat hij dit ontvangt dan jullie, omdat hij heiliger is; en daarom heeft de mis die hij opdraagt een groter effect.
Ik heb dit zelfs vermeld in mijn boek over de verdienste van een mis: hoe heiliger de priester als individu is, des te meer genaden ontvangen de mensen die de mis bijwonen en onder zijn hoede vallen of voor wie de mis wordt opgedragen. Het is dus een kwestie van gradatie. Genade is het toereikende beginsel dat iets verdienstelijk maakt. Daarom kan niemand die in een staat van zonde verkeert, verdiensten verwerven. Dit is wat St Thomas zegt. Hij stelt: "Niemand die in een staat van zonde verkeert, kan hier verdiensten verwerven." Hij spreekt over een doodzonde; tenzij hij eerst met God verzoend wordt, de zonde vergeven is en hij terugkeert in de staat van genade. Dus in feite betekent dit: als ik een doodzonde bega, dan is het klaar. Ik kan niets meer verdienen.
Als ik in een staat van doodzonde verkeer, bevind ik me niet in een staat van genade. Ik besta dan in feite enkel nog als een samenstelling van lichaam en ziel; het is dus puur op natuurlijk niveau. Wat er vervolgens gebeurt, is de overgang van een staat van doodzonde – wat een louter natuurlijke toestand is – naar een staat van genade.
Omdat ik me in een staat van doodzonde bevind, ben ik niet in staat om zelf de overstap naar de staat van genade te maken; het verkeren in een staat van genade is immers iets bovennatuurlijks. Ik kan mezelf, vanuit een staat van doodzonde, niet eigenhandig in een staat van genade brengen. Dit is een cruciaal punt. De overgang van een staat van doodzonde naar een staat van genade wordt de 'eerste genade' genoemd. De Kerk heeft dit altijd zo gedefinieerd en onderwezen: geen enkel individu kan op eigen kracht vanuit een staat van doodzonde tot de eerste genade komen. Dat is onmogelijk.