Filippenzen
Filippenzen
2,6-11
Hij die de gestalte van
God had, hield zijn gelijkheid aan God niet vast, maar deed er afstand van. Hij
nam de gestalte aan van een slaaf en werd gelijk aan een mens. En als mens
verschenen, heeft Hij zich vernederd en werd gehoorzaam tot in de dood – de
dood aan het kruis.
Daarom heeft God Hem hoog verheven en Hem de naam geschonken die elke naam te
boven gaat, opdat in de naam van Jezus elke knie zich zal buigen, in de hemel,
op de aarde en onder de aarde, en elke tong zal belijden: ‘Jezus Christus is
Heer,’ tot eer van God, de Vader
Deze oudchristelijke hymne verwoordt goed de dubbele beweging van
Christus' Paastocht. Aan zijn vernedering op het kruis, zo gewild door de
Dienaar van God, beantwoordt zijn verheffing in heerlijkheid.
Deze
geloofsbelijdenis in de goddelijkheid van de Heer moet ons voor ogen blijven
gedurende heel de lezing van het lijdensverhaal.



