Marcus
Marcus
7, 24-30
Jezus vertrok naar de omgeving van Tyrus. Daar nam Hij zijn intrek in een huis, en hoewel Hij niet wilde dat iemand dat te weten zou komen, lukte het Hem niet onopgemerkt te blijven.
Integendeel, er kwam al meteen een vrouw die over Hem gehoord had naar Hem toe, en zij viel voor zijn voeten neer. Ze had een dochter die door een onreine geest bezeten was.
Deze vrouw was van Syro–Fenicische afkomst en geen Jodin; ze smeekte Hem om bij haar dochter de demon uit te drijven.
Hij zei tegen haar: ‘Eerst moeten de kinderen genoeg te eten krijgen; het is niet goed om de kinderen hun brood af te pakken en het aan de honden te voeren.’
De vrouw antwoordde: ‘Heer, de honden onder de tafel eten toch de kruimels op die de kinderen laten vallen.’
Hij zei tegen haar: ‘Dat hebt u goed gezegd. Ga naar huis, de demon heeft uw dochter al verlaten.’
En toen ze thuiskwam, lag haar kind op bed en bleek de demon verdwenen te zijn.
Het evangelie van vandaag wil ons tonen dat ‘geloof’ niet goedkoop is. Het is niet vanzelfsprekend. En om dit ten diepste aan te voelen gebeurt het soms dat Jezus ons geloof op de proef stelt. Niet om ons te pesten, maar juist om ons tot dieper geloof te brengen, tot volwassen geloof, tot geloof los van sferen of gemoedstoestanden. Soms wordt ons leven een chaos, en juist die chaos wil God aanwenden om ons te doen groeien in Hem. Hij wil de chaos gebruiken om ons te brengen tot een geloof dat puur is, naakt, afgestorven aan een oppervlakkige ‘ik’ om zichzelf terug te vinden in zijn meest waarachtig ik: het ‘ik’ door God gewild.
Een volkswijsheid leert ons dat een mens soms met zijn hoofd tegen een muur moet botsen om te leren. Da’s een waarheid als een koe. En in het geloof is het niet anders. Soms moet een mens al eens de diepte worden ingeduwd om volwassen te worden. Wanneer de chaos in het leven van mensen de overhand krijgt wordt dikwijls iets nieuws geboren, meer zuiver, meer volwassen.
Dit kunnen gebeurtenissen zijn in ons leven, het kan gaan om dorheid in ons gebedsleven, enz … maar juist deze schijnbaar onaangename kanten van ons leven kunnen ons tot groei zijn. Ze kunnen ons wakker schudden, ons meer of terug in de ‘waarheid’ plaatsen, zuiver voor het aanschijn van de Vader.
Belangrijk is dat we in deze gebeurtenissen het gebed (her)ontdekken, en heel onze situatie bij de Heer brengen. Daar begint alles. De Heer wacht immers tot we gelovig inzien dat ons leven niet afhangt van ons eigen geklungel, maar veeleer van Gods genade. En daar wacht Hij op. Hij, de nederigheid zelf, wacht tot wij nederig worden, tot wij naar Hem toekomen en zeggen: ‘Heer, nu Gij’. En dan kan alles (her)starten. Dan geef je Jezus de mogelijkheid je te leiden, te vormen, te kneden.
Laten ons knielen voor de Heer wanneer ons leven chaotisch is, of dreigt te worden, wanneer het dor en donker is. Laat ons dan innerlijk stil vallen, alles - ons hele zijn - in zijn schoot neerleggen, met een hart dat eerlijk en in alle zuiverheid zegt: ‘Heer, ontferm U’. Een weg van Vrede zal ons te wachten staan.






