Wie BEN IK
Ik ben geboren in 1725 en ik stierf in 1807. De enige geloofsinvloed in mijn leven, voor zover ik mij herinner, kwam van mijn moeder, die ik maar tot mijn zevende jaar heb gekend. Toen zij stierf, was ik in feite een weeskind. Mijn vader hertrouwde en stuurde mij naar een strenge militaire school, waar ik door de zware training bijna een keer mijn rug heb gebroken. Ik kon het daar niet volhouden en ben op tienjarige leeftijd zeer opstandig weggelopen. Een jaar later, nadat ik had besloten me aan geen enkel onderwijs meer te onderwerpen, ging ik naar zee, erop hopend dat ik in mijn vaders voetsporen zou treden. Ik leerde in ieder geval hoe ik een schip moest navigeren. Meer en meer gaf ik mezelf over aan de duivel. Ik had besloten te zondigen zonder enige terughoudendheid, want het licht in mijn leven was uitgegaan. De dagen van mijn militaire dienstplicht brachten mij tot een nog grotere rebellie tegen alles wat met wet en regel te maken had. Ik deserteerde uit het leger, werd later gearresteerd als een misdadiger en heb verschillende keren publiekelijk een aframmeling van de politie gehad.
Na mijn gevangenisstraf ben ik op de vlucht gegaan naar Afrika. Ik had telkens gedachten aan zelfmoord. In Afrika zou ik in ieder geval ver weg zijn van ieder die mij kende. Ik sloot opnieuw een verdrag met de duivel om voor hem te leven. Ik kwam in aanraking met een Portugese slavenhandelaar, bij wie ik werkte tegen kost en inwoning. Zijn vrouw gaf mij te eten zoals aan een hond. Ik moest van de vloer eten en als ik weigerde sloeg ze me met een zweep. Ook daar vluchtte ik weer weg zonder een cent op zak. Aan de kust maakte ik een vuur in de hoop dat een schip mij zou opmerken. Dat gebeurde. Men dacht dat er goud, ivoor of slaven aangeboden zouden worden. Men nam mij desondanks aan boord. Men stond er van versteld dat ik in staat was het schip te besturen. Ik werkte een vrij lange periode op dit schip. Het vervoerde slaven. Vele malen was ik in doodsgevaar. Eens opende ik vaten rum en voerde de hele bemanning dronken. De kapitein liet mij zwaar geselen en smeet me voor lange tijd in het scheepsruim.
Op mijn grafsteen staat: 'Geboren in 1725, gestorven in 1807. Een loopjongen, eens een ongelovige en een losbol, een verzorger van slaven in Afrika, werd door de rijke genade van onze Here en Heiland, Jezus Christus, bewaard, hersteld, vergeven en aangesteld om het geloof te prediken, dat hij lange tijd had bestreden.' Ik wilde voordat ik zou sterven mijn levensverhaal in een lied vertellen. Dat lied werd wereldwijd een lofzang: 'AMAZING GRACE.' Mijn naam? John Newton.
Genade, zo oneindig groot,
dat ik, die 't niet verdien
het leven vond, want ik was dood
en blind, maar nu kan 'k zien.
Genade die mij heeft geleerd
te vrezen voor het kwaad.
Maar ook - als ik mij tot Hem keer -
dat God mij nooit verlaat.
Want Jezus droeg mijn zondelast
en tranen aan het kruis.
Hij houdt mij door genade vast
en brengt mij veilig thuis.
Als ik daar in Zijn heerlijkheid
zal stralen als de zon,
dan prijs ik Hem in eeuwigheid
dat ik genade vond.






