HANNA
HANNA
Dichtbij de tempel klinkt een lied. Het klinkt hoog boven het rumoer van stemmen uit. Het lied legt stilte op. Een jubel barst open in een stem. De stem van Hanna.
Naast Hanna staat een kleine jongen, de ogen op zijn moeder gericht. Het is Samuël. Vanwaar dit lied, vanwaar dit kind?
En dan gaan we enkele jaren terug. We vinden de man Elkana, met in zijn huis twee vrouwen: Hanna en Peninna. Peninna gezegend met kinderen en Hanna kinderloos. Elk jaar trekt Elkana met zijn beide vrouwen en kinderen naar de tempel in Silo om er de Heer een offer te brengen. We zien hen gaan. Peninna met kinderen trekkend aan haar rokken, kinderen voor haar uit hollend, maar toch steeds weer om haar heen, haar aandacht vragend. En Hanna helemaal alleen, met soms de arm van Elkana om haar heen geslagen, peinzend haar verdriet om haar gemis aan kinderen. Vol liefde zich tot Hanna wendend, want zij is hem het meest dierbaar.
En dan de vlammende jaloezie, die omhoog schiet in Peninna. Peninna, die zodra zij de kans schoon ziet Hanna tergt om haar kinderloosheid, haar tracht tot drift te prikkelen.We lezen dat 'jaar op jaar, zo dikwijls zij opging naar het Huis des Heren, zij zo handelde en haar tergde' (1 Sam. 1:7). De tergende woorden wekken echter geen drift op in Hanna, maar een mateloos verdriet.
Als Elkana zijn vrouwen en kinderen een maaltijd aanbiedt, kan Hanna geen hap door haar keel krijgen en huilt zij. Hoe Elkana ook tracht haar te troosten, haar tranen kunnen niet gedroogd worden.
Elk jaar opnieuw herhaalt deze scene zich. Tot op een keer, als zij zich daar weer rond de tempel in Silo geschaard hebben, Hanna zich terugtrekt.
Zij wacht tot alle drukte voorbij is en de rust is weergekeerd op het tabernakelplein. Dan knielt zij neer en bidt, een vurig gebed tot God om een kind. En dan volgt haar gelofte: 'Als U mij een zoon schenkt, dan zal ik die voor zijn hele leven de Heer geven.'
Nog geen jaar later ontvangt Hanna een zoon. Zij noemt hem Samuël, van de Heer gebeden.Maar hoe vol geluk Hanna ook is bij zijn geboorte, haar lied klinkt niet dan, maar enige jaren later: als zij volgens haar belofte haar zoon terugschenkt aan de Heer en hem bij de hogepriester Eli brengt, om in het Huis des Heren als een kleine knecht dienstbaar te zijn.
Hier worden we stil van. Een kind, zolang verwacht, zo begeerd, teruggegeven aan God, als het nog zo heel jong is. Het van vreugde uitjubelen omdat God haar smaad heeft weggenomen, en tegelijk het kind weer weg te schenken.
Opnieuw alleen keert Hanna terug naar huis. Maar haar gedachten zijn altijd om Samuël heen. Elk jaar naait zij een jas voor hem. Een jas die steeds een beetje groter wordt. Zo kleedt zij Samuël steeds opnieuw met de mantel der liefde.
En God ziet naar Hanna om. Hij vult opnieuw haar armen: nog drie zonen en twee dochters schenkt Hij haar. Het moederschap heeft zij ten volle genoten.
Hanna was een gewone vrouw, zoals wij. Zij heeft het liefste wat zij bezat aan God geschonken en van vreugde gejubeld. Elk geschenk, in welke vorm ook verpakt, biedt vreugde. Geven is rijker worden. En u zult ervaren dat God uw handen steeds opnieuw zal vullen.





