ZORGT GOD?
Op een bitterkoude dag omstreeks Kerstmis strompelde een teeruitziend tienermeisje door een straat in Wiesbaden, Duitsland. Te zwak en te ziek om haar zware koffer te dragen, sleepte ze hem achter zich aan door de sneeuw. In paniek joeg de gedachte door haar hoofd: Ik heb geen huis, geen familie, geen vrienden - ik ben alleen in deze grote wereld met niemand die voor mij zorgt! Dat meisje was ik.
Ik was geboren in 1930 in Oost-Duitsland als dochter van een Duitse vader en een Russische moeder. In die tijd koesterden de meeste Duitsers een diepe haat tegen de Russen. Omdat mijn ouders dachten dat ik slecht behandeld zou kunnen worden vanwege mijn moeders nationaliteit, gaven zij mij aan een Duits echtpaar. Ik hield veel van die mensen. Ze behandelden me goed, alsof ik hun eigen dochter was.
In 1945, toen ik 15 was, kwam er oorlog in die omgeving. Toen de Russen optrokken met tanks, bombardeerden ze onze stad. Met een vluchtkoffertje met enkele bezittingen vluchtten mijn pleegouders en ik uit huis in de richting van de Baltische Zee in een poging de Russen te ontlopen. Ik kon 's nachts niet slapen uit angst voor achtervolging of gevangenschap. Enkele dagen later eindigde onze vlucht - niet in vrijheid, maar in gevangenschap. Mijn hart klopte wild toen ik me vastklemde aan mijn ouders.
De Russen dreven alle ouders vóór de kinderen uit. Met machinegeweren werden er honderden volwassenen weggemaaid. Ik kan mijn afschuw en angst met geen pen beschrijven toen ik mijn geliefde pleegouders dood zag neervallen. Hulpeloos en geschokt zagen wij kinderen hoe de lichamen van onze ouders in een kuil werden gegooid en met zand bedekt.
Toen dreven de Russen ons in een donker, vochtig souterrain waar we een paar dagen zonder eten en drinken gevangen werden gehouden.
De Duitsers deden een tegenaanval en bevrijdden ons. We werden in trucks gezet en naar de Baltische Zee gebracht. Daar werden we in allerlei soorten schepen geladen. Ik kwam met een heleboel andere kinderen op een onderzeeër terecht. We waren nog maar kort op weg toen Amerikaanse en Engelse schepen alle Duitse vaartuigen tot overgave dwongen. Wij werden overgebracht naar een Engels schip en gebracht naar een krijgsgevangenenkamp in Kopenhagen, waar we drie jaar werden vastgehouden. De Engelsen wilden ons niet uit het kamp ontslaan tenzij wij een plaats hadden om te wonen. Ten slotte vond het Rode Kruis in 1948 een plek voor mij bij een oud echtpaar, familie van mijn pleegouders, in Wiesbaden.
De jaren van ontbering eisten hun tol en ik werd ziek. Het oude echtpaar liet me naar een ziekenhuis brengen. Toen ik weigerde in een klooster te gaan, pakte iemand mijn spullen in een koffer en ik werd buiten de deur gezet in de koude, besneeuwde straten van Wiesbaden.
Toen ik de straat uitliep, mijn koffer achter me aanslepend, stond ik even stil en keek omhoog. Doodmoe en bang riep ik uit: 'Als U bestaat, helpt U me dan alstublieft!' Maar ik vroeg me af: bekommert God zich echt wel over wat er met mij gebeurt?
Ik kreeg opeens een aandrang om aan te kloppen bij een deur daar dichtbij. Een vrouw met een vriendelijk gezicht deed open en vroeg me binnen te komen. Toen ik haar mijn geschiedenis vertelde, zei ze: 'Ons huis is jouw huis.' Ik wist dat ik niet bij toeval in dit huis gekomen was. De God die ik aangeroepen had, had mij naar een christelijk gezin geleid - naar het huis van meneer en mevrouw Hentz. Meneer Hentz was voorganger van een evangelische gemeente.