Jesaja 41, 13-20
‘Ik ben de Heer, je God, Ik neem je bij je rechterhand en zeg je: Wees niet bang, Ik zal je helpen.
Wees niet bang, kleine Jakob, arm volk van Israël, Ik zal je helpen – spreekt de Heer –,de Heilige van Israël is je bevrijder.
Ik maak van jou een scherpe dorsslede, een nieuwe slede met dubbele sneden. Bergen zul je dorsen en vermalen, van heuvels laat je niets over dan kaf.
Je zult ze wannen, en de wind neemt ze op, de stormwind jaagt ze uiteen. Dan zul je juichen om de Heer, je om de Heilige van Israël gelukkig prijzen.
Armen en behoeftigen zoeken water; niets! Hun tong verdroogt van de dorst. Ik, de Heer, zal hun antwoord geven, Ik, de God van Israël, zal hen niet verlaten.
Ik laat op kale heuvels rivieren ontspringen en bronnen in de valleien. In de woestijn laat Ik meren ontstaan, uit dorre grond borrelt water op.
Ik plant in de woestijn ceder en acacia, mirte en olijf, en Ik laat in de wildernis den, kamperfoelie en cipres opschieten.
Dan zullen zij zien en beseffen, begrijpen en erkennen dat de hand van de Heer dit heeft verricht, dat de Heilige van Israël dit alles schiep.’
‘Ik ben de Heer, je God, Ik neem je bij je rechterhand en zeg je: Wees niet bang, Ik zal je helpen. Wees niet bang, kleine Jakob, arm volk van Israël, Ik zal je helpen – spreekt de Heer –, de Heilige van Israël is je bevrijder.’
Zo lezen we vandaag bij Jesaja.
Het mag duidelijk dat Jesaja hier profeteert over de komst van Christus, Jezus, de ‘Heilige van Israël’. ‘Wees niet bang’ om zijn komst, schrijft hij. Woorden van lang geleden, maar in wezen nog even actueel; woorden voor ieder van ons.
Want laat ons eerlijk zijn: diep vanbinnen zijn we soms bang van de Heer. We houden van Jezus, we zijn blij dat Hij bij ons is, we zijn dankbaar om zijn liefde voor ieder van ons, maar anderzijds… diep vanbinnen zijn we soms angstig.
We zijn angstig onszelf te verliezen, ons helemaal te moeten prijsgeven aan de liefde. We zijn bang ons veilig wereldje te moeten verlaten omwille van wat het evangelie vraagt. We zijn angstig te moeten veranderen, en altijd en ten volle te moeten gaan liefhebben.
Puur menselijk gezien is het een begrijpelijke angst. Het is alsof we onszelf moeten afgeven, alsof we alles uit handen moeten geven, alsof ons ‘ik’ helemaal moet verdwijnen.
En inderdaad, laat ons zeggen zoals het is: het evangelie vraagt jezelf te verliezen in de Heer, je ten volle te verlaten op Hem, je te schenken aan Hem, opdat Hij door jou heen tot leven kan komen, kan beminnen, vergeven, aanraken, oprichten.
In wezen verliezen we daarmee ons ‘ik’ niet, integendeel. Wie het klaarspeelt zich ten diepste te schenken aan de Heer zal juist z’n diepste en meest waarachtige ‘ik’ ontdekken; het ‘ik’ dat God voor je droomt en wenst, het ‘ik’ – zoals al dikwijls vermeld hier .waarvan God gezegd heeft dat Hij het geschapen heeft naar zijn beeld en gelijkenis.
Konden we maar eens de diepe innerlijke vrede en vreugde bevroeden als vrucht van het zich totaal schenken aan Jezus.
Lieve mensen, laten we in gebed alle angst van ons afleggen. Geef je angst aan de Heer en sluit je in zijn armen. Hij is de Vriend die naast je zit, je Levensgezel die in je woont, je Broer die je in God zal brengen.
Hij zal je tot een vredevol en liefdevol mens maken, zoals Hijzelf is. Hij zal zijn vrede en zijn liefde in naam van God met jou te delen. Je zal één worden met Hem: geen twee maar één. Zalig.
kris