Filippenzen 4:5
Laat iedereen u kennen als vriendelijke mensen. De Heer is nabij.
WAT JE AAN JEZUS GEEFT,BEN JE NIET KWIJT
Filippenzen 4:5Laat iedereen u kennen als vriendelijke mensen. De Heer is nabij.
Johannes 15:12Mijn gebod is dat jullie elkaar liefhebben zoals ik jullie heb liefgehad.
psalmen psalmen
51, 12-19
Schep, o God, een zuiver hart in mij,
vernieuw mijn geest, maak mij standvastig,
verban mij niet uit uw nabijheid,
neem uw heilige geest niet van mij weg.
Red mij, geef mij de vreugde van vroeger,
de kracht van een sterke geest.
Dan wil ik verdwaalden uw wegen leren,
en zullen zondaars terugkeren tot U.
U bent de God die mij redt,
bevrijd mij, God, van de dreigende dood,
en ik zal juichen om uw gerechtigheid.
Ontsluit mijn lippen, Heer,
en mijn mond zal uw lof verkondigen.
U wilt van mij geen offerdieren,
in brandoffers schept U geen behagen.
Het offer voor God is een gebroken geest;
een gebroken en verbrijzeld hart
zult U, God, niet verachten.
1 Korintiërs 13:2Al had ik de gave om te profeteren en doorgrondde ik alle geheimen, al bezat ik alle kennis en had ik het geloof dat bergen kan verplaatsen - had ik de liefde niet, ik zou niets zijn.
Psalmen 42:12Wat ben je bedroefd, mijn ziel,
en onrustig in mij.
Vestig je hoop op God,
eens zal ik hem weer loven,
mijn God die mij ziet en redt.
Psalmen 91:1-2Wie in de beschutting van de Allerhoogste woont
en overnacht in de schaduw van de Ontzagwekkende,
zegt tegen de HEER: 'Mijn toevlucht, mijn vesting,
mijn God, op u vertrouw ik.'
Psalmen 139:23-24Doorgrond mij, God, en ken mijn hart,
peil mij, weet wat mij kwelt,
zie of ik geen verkeerde weg ga,
en leid mij over de weg die eeuwig is.
psalmen psalmen
84, 2-3
Hoe lieflijk is uw woning,
Heer van de hemelse machten.
Van verlangen smacht mijn ziel
naar de voorhoven van de Heer.
Mijn hart en mijn lijf roepen
om de levende God.
Johannes Johannes
4, 14
'Wie het water drinkt dat Ik hem geef, zal nooit meer
dorst krijgen. Het water dat Ik geef, zal in hem een bron
worden waaruit water opwelt dat eeuwig leven geeft.'

Je kent de wegen van de wind niet, je kent het kind dat in de moederschoot groeit niet, zo ken je ook de daden niet van God, die alles maakt.