kindertijd
Mijn vader bleef heel lang de hoop koesteren dat ik niet langer achter mijn moeder zou aanlopen, maar speelkameraadjes van mijn eigen leeftijd zou vinden. Die hoop werd echter beschaamd, zelfs nog heel veel later. Er mochten dan niet te veel kinderen in de buurt zijn; geformeerd in twee groepjes bewogen ze als vissen heen en weer over de speelplaats. Als boeven en politieagenten, weglopers en tikkers, cowboys en indianen, of zoals toen éénmaal op de middelbare school en internaatsverband, zeeslag en andere wrede spelletjes werden gespeeld, die kinderen overal in de wereld in tweeën delen. Er was er maar één waar ik meer aandacht besteedde dan aan de andere leeftijdsgenoten. Die ene heette Willy, en die Willy werd drie jaar later vervangen door een andere jongen met toevallig dezelfde naam. Ik besteedde aan de anderen dus eigenlijk niet meer aandacht dan aan een zwerm mussen, terwijl je ondertussen aan iets anders, diepzinnigs denkt, té diepzinnig voor een tiener; toen al gericht op het geluk van die Willy(s), zeker toen de broer van die tweede Willy verongelukte. Te vroeg had ik het vermogen verworven dingen met het hoofd te doen waar al die anderen het deden met de handen en de voeten.

















