nog twee vertalingen uit de bundel dominical
"Dominical"
Zondag!
"de joie"
twee vertalingen
In het eerste hoofdstukje "de joie" van de bundel "dominical" beschrijft de dichter zeven genoegelijke ervaringen die hij gehad heeft op Antwerpse zondagen.
In fragment VI komt de dichter (een geoefend roeier) met zijn bootje roeiend op de Schelde naar de stad toe gegleden.
In fragment VI brengt de dichter verder de windstille middag door in de oude stad.
De Joie
VI
Et je m’en reviens de mer
pauvre pécheur,
maintenant et à l’heure
de ce dimanche,
ainsi soit-il.
Et je m’en reviens de l’eau,
les rames haut,
sonnant comme des heures,
au beau dimanche,
ainsi soit-il.
La voile a coulé dans l’eau
mon beau bateau,
maintenant sonne l’heure
d’un beau dimanche,
ainsi soit-il.
Or la voile, l’aient les tailleurs,
aussi la mer,
alors que sonne l’heure
d’un beau dimanche,
ainsi soit-il.
Un dimanche est dans mon cœur,
pauvre pécheur,
maintenant et à l’heure
de ce dimanche
ainsi soit-il.
VII
Et voile à nul souffle bercée,
s' enguidonne d'un beau ciel d'or
le dimanche très en décor
pour les femmes de mes pensées :
et les femmes ont dépensé
leur cœur tout devant les fenêtres
et creusent, d'amour enlisées,
jusqu'au pleur ce ciel des fenêtres.
Vierges d'attente et de martyre,
au gril vert des persiennes lasses,
dans les jardins des croisées basses,
les femmes, jusqu'à se mourir,
cristallisent rouge aux fenêtres
- Appeaux naïvement enfants -
leur cœur sous les tabliers blancs
et tels des rideaux aux fenêtres.
Or, en vain, les femmes, amantes
d'aimer, se sentent infinies,
leurs besognes sont définies,
et, pauvre leur cœur de servantes
froidit, pour que se fassent blanches
leurs mains, en très naïves grèves,
dans la comédie bleue du rêve.
Or, passent ainsi les dimanches.
VI
En ik keer weer van zee
arme zondaar,
nu en in het uur
van deze zondag,
amen.
En ik keer weer van het water,
de roeispanen hoog,
wijl de uren slaan,
op de schone zondag
amen.
Het zeil heeft in het water
mijn schone boot gelaten,
nu slaat het uur
van een schone zondag,
amen.
En het zeil, met de naaisters mee,
en ook met de zee,
dan slaat het uur
van een schone zondag,
amen.
Het is zondag in mijn hart
arme zondaar,
nu en in het uur
van deze zondag
amen.
VII
En zeil door geen zuchtje bewogen
met als wimpel de goudblauwe lucht,
laveert de zondag zich zeer in decor
naar de vrouwen mij voor ogen.
En de vrouwen hebben hun hart breed
uitgestald in het glas van de ruiten
en onder liefde versmacht, zuchten zij
die lucht stuk aan de ruiten.
Maagden van wachten en ondergaan,
bij het groene luik van oude zonneblinden
bezijden de lage kruisvensters,
vrouwen, wegkwijnend in het bestaan
in het kristallicht achter de ramen,
- lokmiddelen van argeloze kinderen -
kleuren hun hart rood onder de schorten die wit zijn
als de gordijnen aan de ramen.
En, dwazen, in hun lust naar liefde
voelen de vrouwen zich eindeloos,
maar hun besognes zijn gekend
en armzalig krimpt hun slorenhart
als hun handen zich wit laten maken
bij de zeer kinderlijke zandspelen
in het blauwe blijspel van de waan.
En zo gaan de zondagen voorbij.


